Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Mediumschap

[The Path, november 1887, blz. 231-3]

Geen woord is vaker verkeerd begrepen en verkeerd gebruikt dan het woord ‘medium’. Omdat spiritisten zich dit woord hebben toegeeigend, wordt tegenwoordig natuurlijk verondersteld dat het precies betekent wat het volgens hen betekent.

Mensen nemen een woord, kennen er een bepaalde betekenis aan toe, en gebruiken het op een grove manier overal voor, tot anderen verschrikt ervoor terugdeinzen; of ze staan er even bij stil en brandmerken het als waardeloos en nutteloos. Zij die het woord zijn huidige betekenis gaven en alles toeschreven aan het werk van ontlichaamde geesten, hebben het medium gemaakt tot wat het nu is, en terwijl ze de Frankenstein die ze hebben opgeroepen, aan hun hart drukken, koesteren ze hem liefdevol, ongeacht of hij een engel of een duivel is. Zolang het medium de uitspraken van ‘geesten’ doorgeeft, doet het er helemaal niet toe of dit woorden van goddelijke waarheid, pure leugens of de gedachten van het medium zelf zijn; zonder de geringste echte poging om de bron van zijn uitspraken te ontdekken, wordt alles aangenomen en aan geesten toegeschreven. Deze en andere werkwijzen hebben veel intelligente studenten ontmoedigd om onderzoek te doen naar het mediumschap, en alle mensen, een klein aantal uitgezonderd, ertoe gebracht de term te wantrouwen of te vrezen.

Niettemin bestaat het mediumschap, hoezeer het ook wordt bespot, of hoezeer we er een vooroordeel tegen hebben. Maar in werkelijkheid bestaat mediumschap niet uitsluitend uit zogenaamde mededelingen van doden, of uit de zogenaamde materialisatie van geest-vormen met aderen waardoor het rode bloed van de natuur stroomt en van wie de adem vaak verdacht veel naar uien ruikt. Hoewel er geen aspect van het spiritisme bestaat dat niet op waarheid berust, vloeien deze vertoningen toch vrijwel altijd voort uit de pogingen van gewetenloze mensen die op hun eigen voordeel uit zijn. Een medium dat een beetje kennis over een of andere weinig bekende occulte wet verwerft, neemt aan dat hij nu alles heeft geleerd, noemt het een geest, en wendt het onmiddellijk voor zijn eigen doeleinden aan. Indien hij merkt dat hij daarmee slechts tot een bepaald punt komt, doet hij, in plaats van meer kennis te zoeken, zijn kennis geweld aan en gaat improviseren om zijn doel te bereiken, of de rijkdom waarnaar hij verlangt te verkrijgen. We zeggen niet dat dit geen mediums zijn, want dat zijn ze wel. Evengoed als alle kwakzalvers en huichelaars die zich aan het spiritisme vastklampen. Ze zijn de mediums voor de lagere hartstochten en elementalen. De fout van de spiritisten ligt in het feit dat ze alles aan geesten toeschrijven. Helderhorendheid, helderziendheid, psychometrie, hypnotisme, enz., worden alle het werk genoemd van een geest van een overleden persoon.

Alle mensen zijn mediums of sensitieven, maar ze weten nauwelijks in hoeverre ze dat zijn. We beweren niet dat alle mensen mediums voor geesten van doden zijn, of dat ze allen werktuigen zouden zijn voor de meest verheven intelligenties, maar dat ze mediums zijn voor elementalen – voor de belichaamde, voor de onbelichaamde, voor hen die nooit belichaamd waren en dit misschien nooit zullen zijn – voor al wat het astrale in zich bevat en soms voor dat wat achter het astrale ligt. Ze zijn mediums voor hun eigen innerlijke en hogere zelf, of die van andere mensen, en omdat ze dit vaak niet inzien, noemen ze het een ‘geest’.

De psychometrist is een medium of sensitieve, maar hij is dit om de ziel van dingen te manifesteren. De hypnotiseur is eveneens een medium, maar hij is dit om zijn eigen verborgen vermogens en die van andere stervelingen te manifesteren. De helderziende ziet dat wat in het astrale licht is opgetekend.

De helderhorende hoort misschien de stemmen van geesten, maar even gemakkelijk kan hij de gedachte, maar onuitgesproken, woorden van andere levende mensen horen, de stemmen van krachten of die van zijn eigen niet herkende innerlijke of hogere zelf.

In het astrale licht worden alle dingen opgetekend; de kennis van alle eeuwen, de gebeurtenissen van alle tijden, de vormen van allen die zijn gestorven en van allen die leven, de gedachten van allen die ooit hebben bestaan of nog bestaan, worden erop afgedrukt. Vroeger werd door wijze mensen erkend – en dat gebeurt nu steeds openlijker – dat er nog andere krachten en vermogens in de natuur zijn waarover we in het algemeen weinig weten. De zielen van levende en niet levende dingen, het licht, de kleur, en de aura van niet-lichtgevende lichamen, de vermogens van en krachten uitgeoefend door onbeweeglijke of in rust verkerende dingen, en de invloed van al deze op het menselijke organisme worden slechts tot op geringe hoogte door de verlichte en onbevooroordeelde wetenschapper beseft en alleen door de ware occultist volledig gekend.

Gedachten gaan over en weer van mens tot mens. Op een hoger niveau gebeurt dit ook vanuit hogere intelligenties naar de mens, en dat alles in een sfeer die boven het stoffelijke uitgaat. Mensen komen door verschillende oorzaken, wanneer ze zich tot verschillende hoogten boven hun gewone uiterlijke zelf verheffen, in het astrale waar alles voor hen open ligt. Ze zien en lezen slechts dat waarvoor ze zijn toegerust, en begrijpen slechts dat waarop ze voorbereid zijn. Door bewuste en onbewuste vervoering stijgen ze op tot of komen in aanraking met een gedachtestroom of onuitgesproken woorden die hun hersenen langs verschillende wegen binnenkomen. Omdat dit misschien gedeeltelijk wordt begrepen, maar volkomen vreemd is aan hun normale persoonlijke manier van denken – terwijl ze weten dat ze een stem hebben gehoord – wordt dit toegeschreven aan een geest, hoewel ze misschien in feite de gedachte van een levend mens horen, voelen, zien of herhalen. Alle mensen die zich door inspanning, oefening of een overgevoelige persoonlijkheid bewust boven het stoffelijke verheffen, of die onbewust daarboven worden verheven, en de wijsheid, kennis en inspiratie van andere gebieden verwerven, zijn mediamiek.

Iedere student die het occulte heeft gezocht en zijn doel heeft bereikt, is een medium geweest, van Boeddha, Pythagoras, Zoroaster, Apollonius, Plato, Jezus, Böhme tot aan de zoekers uit latere perioden of van nu: zowel de adept als de chela, zowel de ingewijde als de neofiet, zowel de meester als de student.

De chela is slechts een medium voor zijn eigen verborgen mogelijkheden – zijn meester en de natuurwetten. Dat geldt ook voor de neofiet, want allen proberen door een hoog ideaal na te streven op een gebied te komen waar occulte wetten zich door hun medewerking zichtbaar of begrijpelijk kunnen maken, en waar de stille stemmen van het grote onzichtbare hoorbaar worden, hetzij geïndividualiseerd of – zoals krachten – verspreid door de ruimte. Alle dingen spreken en brengen een bepaalde betekenis tot uitdrukking, niets zwijgt. Alle dingen spreken: de monade, de hele natuur, alle krachten, sferen en ruimte, tot de alwetende stilte – het eeuwig levende woord, de stem van het alwijze. Iedereen hoort of voelt op een of andere manier sommige hiervan en is daarvoor een medium.

Er zijn krachten die slechts wachten op de wil of het verlangen van zielen om een bepaalde graad van menselijke intelligentie aan te nemen en zichzelf hoorbaar te maken voor en door degene die ze tot stoffelijk leven heeft gewekt.

Het lichaam van de mens is slechts een medium – zo niet voor zijn eigen innerlijke en hogere zelf dan wel voor die van anderen, want we geven even vaak uitdrukking aan de gedachten en daden van anderen als aan die van onszelf.
Nooit is er een wijs of een goed woord gesproken, heeft er ware muziek geklonken, is er een regel ware dichtkunst geschreven, of is er een harmonische kleurenmengeling geschilderd, die niet het gevolg van mediumschap was.

Nooit is er door de mens, chela, leerling, adept of meester een occulte wet toegelicht, een goddelijk mysterie geopenbaard, waarbij dat niet het gevolg van mediumschap was.

De meester staat hoger dan de chela die zijn medium is. Er is iets dat hoger staat dan de meester, en deze is daarvan het medium; in het ware licht beschouwd is mediumschap een van de wonderen van de schepper. Hij die het meeste van die gave bezit, en beseft wat ze is en haar op een wijze manier weet te gebruiken, kan zich in hoge mate gezegend voelen. De mysticus en de ware theosoof die beseft wat een medium in feite is, doet er goed aan te aarzelen vóór hij zich aansluit bij hen die goddelijke wijsheid aan de kant schuiven, omdat deze gekomen is door middel van een werktuig dat sommigen vol afschuw hebben bestempeld als mediamiek.

Albertus

 


Theosofische inzichten, blz. 37-40

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag