Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

De rode rajputs

[The Path, mei 1894, blz. 35-7]

Broeder Charles Johnston, lid van de TS, en vroeger van de Dublin Lodge in Ierland, is een lid van de Royal Academy of Science en een gepensioneerde Britse staatsambtenaar in India. Zijn belangstelling voor de religie, filosofie en etnologie van India is heel groot, en omdat hij een uitgebreide talenkennis heeft, zijn zijn studies op dat gebied waardevol. De Imperial and Asiatic Quarterly Review van oktober 1893 bevat een artikel van hem met de bovenstaande titel, en theosofen zouden er goed aan doen om dit te lezen als ze eraan kunnen komen.

Hij begint met de bewering van De Quatrefages dat de menselijke familie vier hoofdgroepen kent – het blanke, gele, rode en zwarte ras, en voegt er deze zin uit het Mahabharata aan toe: ‘De kleur van de brahmanen is wit, van de kshatriya’s rood, van de vaisya’s geel, van de sudra’s zwart.’

Hoewel kol. Tod veel van wat men de geschiedenis van de rajputs noemt heeft beschreven, toont Johnston aan dat, hoewel we meer dan 100 jaar in contact staan met Rajputana, er nog geen materiaal voor een nauwkeurige studie van haar etnologie bestaat, terwijl laatstgenoemde als een exacte wetenschap erg jong is en lange tijd gehinderd werd door de oude mozaïsche tradities over Sem, Cham en Japhet. Hij stelt dat de rajputs rood van kleur zijn, en beargumenteert dat ze in de oudheid als kshatriya’s of krijgers wat mystieke en spirituele kennis betreft boven de brahmanen stonden. Hij citeert het volgende uit de Brihadaranyaka Upanishad: ‘Over deze kennis heeft een brahmaan nooit beschikt’, en wijst vervolgens erop dat Krishna, de grote koning en wijze, een kshatriya was, en daarna komt Boeddha, die door de hindoes als een avatara wordt erkend en ook een kshatriya was, en alle worden door hem als rajputs beschouwd. Krishna voerde zijn leer via een reeks rajarshi’s of rajanya-wijzen terug op de kshatriya Manu. Dit staat in de Bhagavad Gita, waar de laatste figuur van de reeks Ikshvaku is, en Boeddha stamde van hem af. Vandaar dat hij de geest van de Upanishads en van het boeddhisme toeschrijft aan het mystieke genie van het rajanya-geslacht. Het bekende kenmerk van de brahmanen dat ze geen zendelingen hebben mag men hierbij niet uit het oog verliezen. De hervormers die ze hebben gehad kwamen meestal uit eigen kring, zoals de grote brahmaan Sankaracharya. Als het argument van Johnston juist is, dan is het een heel opmerkelijk feit dat de Gayatri, of dat heilige vers dat de ‘moeder van de Veda’s’ is, en dat elke ochtend door duizenden brahmanen wordt herhaald wanneer ze in de Ganges baden, door een kshatriya werd geschreven en niet door een brahmaan. Hierover staan in de Upanishads deze woorden: ‘De brahmaan zat aan de voeten van de kshatriya.’ Dit bevestigt de spirituele waardigheid van de rajanya’s, die de kshatriya’s en de rode rajputs zijn. En tot op de huidige dag verenigen de Rana’s van Mewar, zoals hij laat zien, ‘spiritueel en koninklijk gezag, en fungeren ze als hogepriesters in de tempel van de beschermgod van hun volk’. We moeten ook niet vergeten dat er over de gebeurtenissen na de dood en crematie van het lichaam van Boeddha is opgetekend dat de Moriya’s van Pipphalivana, die zeggen dat de Boeddha van hun soldatenkaste was, de sintels weghaalden om er een kegelvormige steenhoop overheen te bouwen.1 En de naam die aan hen moet worden gegeven is lohita, of rood, en dat is ook de naam van de planeet Mars, de strijder.

1Zie Maha-Parinibbana Sutta (Het boek over het grote heengaan), American Oriental Department, nr. 13 en 14, juni en november 1893.

Johnstons etnologische conclusie is als volgt: ‘Dat de kshatriya’s van het oude India wat hun etnische kenmerken betreft identiek zijn aan de rajputs van nu.’ De rode rajputs zijn de afstammelingen van het zonneras, een ras van koningen, van mystieke mensen die niet alleen kennis kunnen opdoen over het mystieke occultisme, maar ook zouden kunnen vechten en regeren, wat in strijd is met de voorschriften voor een brahmaan.

Als we nu De geheime leer (1:413-4) opslaan, dan vinden we hierover heel interessante en tot nadenken stemmende informatie, en ook namen, die ongetwijfeld met een verzwegen doel zijn gegeven. Blavatsky citeert het Vishnu-Purana (4:24 en 4:4) en zegt:

Twee personen, Devapi, uit het ras Kuru, en Maru, van het geslacht Ikshvaku, blijven gedurende de vier tijdperken leven en wonen in het dorp Kalapa. Ze zullen in het begin van het krita-tijdperk hierheen terugkeren . . . Maru, de zoon van Sighra, leeft door de kracht van yoga nog steeds in het dorp Kalapa . . . en zal het kshatriya-ras van de zonnedynastie herstellen.

Max Müller, zo wordt gezegd, vertaalt Maru als Morya, van de Morya-dynastie, blijkbaar van hetzelfde geslacht of dezelfde familie als degenen die kwamen en de sintels van de crematie van Boeddha meenamen. ‘De sintels meenemen’ betekent volgens de regels van Indiase symboliek zoveel als ‘de essentie van spirituele ontwikkeling onttrekken nadat de rest is weggebrand of gezuiverd’. Een ander waardevol artikel om in dit verband te lezen is ‘The Puranas on the dynasty of the Moryas and on Koothoomi’ in Five Years of Theosophy, blz. 482-3. Alle geïnteresseerden in deze bijzonder interessante zaken zijn dank verschuldigd aan broeder Johnston voor zijn artikel, ook al was het veel te kort.

 


Theosofische inzichten, blz. 358-60

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag