Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Bewijzen van het verborgen zelf

[The Path, augustus 1894, blz. 143-5]

Dromen

De droomtoestand komt bij alle mensen voor. Sommige mensen zeggen dat ze nooit dromen, maar bij nader onderzoek zal worden ontdekt dat ze een of twee dromen hebben gehad en dat ze alleen bedoelden dat ze weinig dromen hadden. Het is twijfelachtig of er iemand bestaat die nog nooit een droom heeft gehad. Maar er wordt gezegd dat dromen onbelangrijk zijn, dat ze samenhangen met de bloeddruk of indigestie of ziekte of andere oorzaken. Men neemt aan dat ze onbelangrijk zijn, want vanuit utilitaristisch gezichtspunt schijnen ze niet veel nut te hebben. Toch zijn er veel mensen die altijd goed gebruikmaken van hun dromen, en de geschiedenis – zowel de wereldlijke als de religieuze – ontbreekt het niet aan verslagen over dromen die hulp, waarschuwingen of onderricht bevatten. Het bekende geval van de droom van de farao over magere en vette koeien, die Jozef kon interpreteren om een hongersnood te voorzien en daartegen maatregelen te nemen, vertegenwoordigt een categorie van dromen die helemaal niet zeldzaam zijn. Maar het utilitaristische gezichtspunt is er slechts één naast vele andere.

Dromen tonen onomstotelijk aan dat, hoewel het lichaam en de hersenen slapen – want de slaap ontstaat in de eerste plaats in de hersenen en wordt daardoor beheerst – er nog steeds een herinnerend en waarnemend vermogen actief is dat de introspectieve ervaring van dromen gadeslaat. Verdriet, vreugde, angst, woede, ambitie, liefde, haat en alle mogelijke emoties worden in dromen gevoeld en waargenomen. Het nut hiervan op het gebied van het waakbewustzijn heeft niets te maken met het feit van deze waarneming. In dromen wordt de tijd niet gemeten volgens de indeling op basis van de zon, maar overeenkomstig het effect op de dromer. En omdat het aftellen van deze tijd in een veel hoger tempo gebeurt dan voor de hersenen mogelijk is, volgt daaruit dat er iemand telt. In al deze dromen is er een herinnering van de gebeurtenissen die werden waargenomen, en deze herinnering wordt overgebracht naar de waaktoestand. Het verstand en alle vermogens van de intelligente wakende mens worden in dromen gebruikt; en omdat emotie, redenering, waarneming en geheugen in dromen actiever blijken te zijn dan in het wakende leven, moeten we daaruit afleiden dat het verborgen zelf degene is die dit alles doet en hierover beschikt.

Het fantasierijke gedeelte van dromen ondergraaft dit standpunt niet. Fantasie komt niet alleen voor in dromen, ze is ook aanwezig in het waakbewustzijn. Voor veel mensen is de fantasie even gewoon en levendig als bij elke dromer. En we weten dat kinderen een sterk ontwikkelde fantasie hebben. Haar aanwezigheid in een droom betekent gewoon dat de denker, die tijdelijk van het lichaam en de vaste vormen of groeven van de hersenen is bevrijd, dat normale vermogen verruimt. Maar als we verder kijken dan de fantasie dan hebben we het feit dat dromen voorspellingen doen over gebeurtenissen die nog niet hebben plaatsgevonden. Dit zou niet kunnen tenzij er een innerlijk verborgen zelf is dat duidelijk de toekomst en het verleden ziet in een eeuwig heden.

Helderziendheid

Helderziendheid van het waakbewustzijn kan nu niet meer worden ontkend. Studenten van de theosofie weten dat het een vermogen van de mens is, en in Amerika komt het zoveel voor dat er niet veel bewijzen voor nodig zijn. Er is de helderziendheid van gebeurtenissen in het verleden, van die welke nog moeten komen, en van die welke nu plaatsvinden.

Wanneer er gebeurtenissen worden waargenomen die hebben plaatsgevonden maar waarbij de helderziende niet betrokken was en waarvan hij niet op de hoogte was, betekent dit dat een ander instrument dan de hersenen wordt gebruikt. Dit moet het verborgen zelf zijn. Wanneer er gebeurtenissen worden gezien en beschreven die zich vervolgens voordoen, dan leidt dit tot dezelfde conclusie. Als de hersenen het denkvermogen zijn, dan moeten ze betrokken zijn geweest bij een gebeurtenis uit het verleden waarover ze nu verslag doen, hetzij als handelend persoon of als toehoorder van een ander die daarbij aanwezig was, maar omdat ze in de genoemde gevallen niet als handelend persoon daarbij betrokken was, volgt dat ze het verslag van een andere waarnemer hebben ontvangen. Die andere is het verborgen zelf, want bij echte helderziendheid komen er geen ooggetuigen aan te pas.

Als een helderziende zich bezighoudt met een gebeurtenis die op dit moment op een afstand plaatsvindt, is het noodzakelijk dat een waarnemer die deze onthoudt aanwezig is om ervan verslag te doen. Want de hersenen en zijn organen van het gezichtsvermogen en het gehoor zijn te ver weg. Maar wanneer de helderziende correct verslag doet van wat er gebeurt, dan is het het verborgen zelf dat de gebeurtenis ziet, en de kloof overbrugt tussen hem en de hersenen, en het beeld afdrukt op de fysieke organen.

Het gevoel van identiteit

Als herinnering de basis is voor het gevoel van identiteit dat we ons hele leven hebben, en als de hersenen het enige instrument van waarneming zijn, dan is er een onverklaarbare reeks hiaten die moeten worden verklaard of overbrugd, maar als men het bestaan van het verborgen zelf erkent, dan zijn er geen hiaten.

We zijn geboren met het gevoel dat we onszelf zijn, zonder naam, maar later gebruiken we voor het gemak een naam. We antwoorden op de vraag wie we zijn: ‘Ik ben het’ – de naam volgt slechts voor het gemak van de ander. Deze persoonlijke identiteit blijft altijd bestaan, hoewel we elke nacht in slaap vallen en zolang bewusteloos worden. En we weten dat zelfs als een lange periode uit het geheugen wordt gewist als gevolg van een val, een klap of andere verwonding door een ongeval, hetzelfde gevoel van identiteit dat hiaat overbrugt en precies hetzelfde ‘ik’ voortzet op het punt waar het geheugen weer werkt. En hoewel er jaren van het leven zijn verstreken met al die vele verschillende gebeurtenissen en ervaringen, waarvan we ons maar een klein aantal herinneren, toch weten we dat wij die naamloze figuur zijn die zoveel jaar geleden in dit leven kwam. We herinneren ons niet dat we geboren werden of dat we een naam kregen; en als we slechts een bundel stoffelijke ervaring waren, slechts een product van hersenen en herinnering, dan zouden we geen identiteit hebben, maar zou er voortdurende verwarring zijn. Omdat het tegendeel het geval is, en een ononderbroken persoonlijke identiteit wordt gevoeld en ervaren, luidt de onvermijdelijke conclusie dat we het verborgen zelf zijn, en dat zelf staat boven en achter zowel het lichaam als de hersenen.

William Q. Judge

 


Theosofische inzichten, blz. 372-5

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag