Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Mededelingen van ‘geesten’

[The Path, oktober 1894, blz. 207-11]

Hun bronnen en werkwijzen

De behandeling van dit onderwerp is zo moeilijk door de complexiteit ervan. Er is zo weinig over bekend en toch is het verlangen om er meer over te weten zo natuurlijk dat elke uiteenzetting ervan onbevredigend moet blijven. Het is duidelijk dat die ‘geesten’ die volgens de aanhangers van de dodenverering als actieve entiteiten volledig in de spirituele wereld leven, ons niets hebben meegedeeld dat van blijvende waarde is. Ze hebben in Amerika 40 jaar de tijd gehad om ons daarover in te lichten, maar terwijl ze elkaar tegenspreken en geen enkele uitleg geven waaruit enige overeenstemming van hun denkbeelden blijkt, is tot nu toe niets voortgekomen uit juist die sfeer waar, indien ze ergens te vinden is, kennis zou moeten bestaan. Indien het waar is, zoals over hen wordt beweerd, dat de overbrengers van de berichten bewuste, intelligente geesten zijn, dan kan men al deze geesten verwijten dat ze niet erin geslaagd zijn de mensheid met hun berichten een juist inzicht te schenken. Enkele van die entiteiten of intelligenties of geesten of wat ze ook mogen zijn, hebben echter via hun mediums feitelijke mededelingen over de natuur en occulte fysiologie gedaan die volgens mij waar zijn, maar deze mededelingen zijn niet erkend. Door middel van ‘onafhankelijke stemmen’ in de lucht of via mediums in trance hebben ze bij verschillende gelegenheden over het astrale licht gesproken of hebben dat via geschreven boodschappen beschreven; ze hebben reïncarnatie erkend, de leringen van Swedenborg bevestigd en op verschillende manieren hun volkomen instemming met theosofische uiteenzettingen van occulte aard te kennen gegeven; ze hebben aangetoond dat het materialiseren van geesten onmogelijk is en dat de soms werkelijk verdichte vormen vroom bedrog zijn, omdat deze noch de lichamen van de doden zijn noch in enig opzicht iets dat van de doden afkomstig is, maar slechts oppervlakten of massa’s waarop het beeld van een dood of levend individu telkens weer kan worden geprojecteerd, en dus een truc van een geestenbezweerder betreft die onze macht te boven gaat. Maar deze mededelingen zijn niet gunstig ontvangen, en het spiritisme volgt over het algemeen niet die gedachtegang. Indien de ‘geesten’ zelf niet erin zijn geslaagd om te worden geloofd, hoe kan ik dan daarin slagen? De wetenschappelijke wereld is onbekend met deze gebieden, en omdat ze noch in de theosofische noch in de spiritistische verklaringen gelooft, hecht ze aan geen van beide waarde. Dus zullen we ons tevreden moeten stellen met alleen te zeggen wat we erover denken, en daarbij vertrouwen we alleen op het lot en de tijd.

Men moet erkennen dat er bij dit onderwerp veel factoren een rol spelen. Sommige ervan kunnen worden omschreven, maar veel andere kunnen nog niet worden besproken.

Ten eerste: Men moet rekening houden met het denkvermogen (a) van het medium en (b) van de aanwezigen of belangstellenden. Geen van deze kan buiten beschouwing blijven. Dit geeft onmiddellijk aan hoe omvangrijk het onderwerp is, want het is een bekend feit dat men van het denken en de vermogens ervan maar weinig afweet.

Ten tweede: De occulte paranormale krachten en vermogens van alle betrokkenen. Dit zou ook het onderbewustzijn van de hypnotische scholen omvatten.

Ten derde: Het fysieke geheugen, dat automatisch is en elementen heeft die met het ras, het volk en het individu samenhangen. Dit is altijd aanwezig. Men is eenvoudig blind als men dit over het hoofd ziet. Het is bijzonder moeilijk dit precies na te gaan, omdat daarvoor een geoefende geest en een geoefend innerlijk zintuig nodig zijn. Het is dat geheugen dat ervoor zorgt dat een kind zelfs kort na de geboorte zijn handen uitsteekt om zich ergens aan vast te grijpen; het is de gids in onze slaap, waarin we vaak handelingen verrichten uit zelfbehoud of iets dergelijks; het wekt de haat die een mens van één volk na eeuwen van onderdrukking en verstoting tegen een ander volk kan voelen; het zorgt ervoor dat een kat, hoe jong ook, zijn rug kromt en zijn staart opzet zodra een hond in zijn buurt komt. Het zou dwaasheid zijn om te zeggen dat de mens, hij die het meest recente voortbrengsel van de gehele stoffelijke evolutie is, dit fysieke geheugen niet zou bezitten. Maar ik heb nooit gehoord dat de geesten hierover iets hebben meegedeeld of dat ze het hebben beschreven, of duidelijk hebben gemaakt hoe men het kan opsporen, of in welke mate dit geheugen bewuste intelligentie kan nabootsen.

Ten vierde: Krachten waarvan de werking en de wetten waaraan ze gehoorzamen aan het medium en de aanwezigen volkomen onbekend zijn. Hiertoe behoren de vermogens om iets te laten bewegen, om te schrijven, om te projecteren, en het grote aantal vermogens dat achter de sluier van de objectieve stof verborgen ligt.

Ten vijfde: Entiteiten van een of andere soort, onzichtbaar maar toch aanwezig, ongeacht of het elementalen, elementaren, schimmen, engelen, natuurgeesten of wat dan ook zijn.

Ten zesde: Het astrale licht, de ether, het akasa, de anima mundi.

Ten zevende: Het astrale lichaam van het medium en van iedere aanwezige. Dit vermeld ik met opzet apart, omdat dit evenals het fysieke lichaam zijn eigen automatische werking heeft. Hierbij moeten dan ook nog het geheugen en de bijzondere eigenschappen ervan in aanmerking worden genomen, ongeacht of het voor de betrokken persoon nieuw is of dat het al meer dan één leven, hoewel telkens in een ander lichaam, zijn eigendom is geweest. Want, indien het voor het huidige lichaam nieuw is, zullen de herinneringen, vermogens en kenmerken ervan anders zijn dan die van een astraal lichaam dat al verschillende levens heeft meegemaakt. Een oud astraal lichaam is niet eens zo heel zeldzaam: veel mediums hebben merkwaardige vermogens, omdat ze verschillende afzonderlijke astrale geheugens hebben als gevolg van zoveel vroegere ervaringen in één astraal lichaam. Alleen al dit punt zou een heel terrein van studie kunnen vormen, en toch hebben we niet gehoord dat de ‘geesten’ hierover iets hebben gezegd, hoewel sommige mediums duidelijk hebben gemaakt dat ze deze meervoudige persoonlijkheden hebben ervaren.

Ten slotte rest nog het belangrijke feit, goed bekend aan hen die dit onderwerp vanuit een occult standpunt hebben bestudeerd, dat het persoonlijke innerlijke zelf dat in het astrale lichaam is geconcentreerd, niet alleen zichzelf maar ook de hersenen van het lichaam kan misleiden waardoor de persoon kan denken dat een heel andere persoonlijkheid en intelligentie vanuit andere sferen tot de hersenen spreekt, terwijl dit verschijnsel uit het astrale zelf komt. Dit is voor sommige mensen heel moeilijk te begrijpen, omdat ze niet kunnen inzien dat een duidelijk andere persoon of entiteit henzelf kan zijn, werkend door middel van het tweeledige bewustzijn van de mens. Dit tweeledige bewustzijn handelt ten goede of ten kwade al naar gelang het karma en het karakter van het innerlijke persoonlijke zelf. Soms lijkt het voor een medium alsof het een andere persoon is die hem vraagt om dit of dat te doen, of hem aanspoort tot een bepaalde gedragslijn, of die alleen maar een bepaalde gelaatsuitdrukking toont terwijl hij blijft zwijgen. Dit beeld schijnt een ander te zijn, gedraagt zich als een ander en maakt op het huidige bewustzijn de indruk buiten de waarnemende hersenen te staan, en het is geen wonder dat het medium denkt met een ander te maken te hebben of niet weet wat hij ervan moet denken. En indien krachtige paranormale vermogens in dit leven deel uitmaken van zijn natuur, kan de misleiding des te groter zijn.

Laten we na deze korte analyse nu verdergaan.

Gedurende de geschiedenis van het spiritisme zijn er aan en door middel van mediums veel mededelingen gedaan over allerlei onderwerpen. Er zijn feiten vermeld die aan het medium niet bekend konden zijn, er zijn enkele verheven denkbeelden uitgesproken, er is raad gegeven, er zijn voorspellingen gedaan, en sommige van de vragen die de ziel kwellen zijn behandeld.

Dat feiten over het overlijden, de doodsoorzaak, de plaats waar testamenten kunnen worden gevonden, zijn meegedeeld, dat niet gerealiseerde bedoelingen van dode mensen duidelijk zijn gemaakt, en dat de eigenaardigheden van de gestorven persoonlijkheid worden getoond – al deze dingen zijn al te gemakkelijk als bewijs van zijn identiteit aangenomen. Maar ze zijn geen bewijs. Als dat wel zo was, dan zou een papegaai of een grammofoon door kunnen gaan voor een mens. De mogelijke alternatieve verklaringen zijn te talrijk dan dat dit soort bewijsvoering als definitief of zelfs als toereikend kan worden beschouwd.

Een levende helderziende kan door de vereiste mentale stappen te nemen zich zozeer vereenzelvigen met de persoon die hij door helderziendheid heeft opgeroepen – terwijl beide in leven zijn – dat hij nauwkeurig alle eigenaardigheden van die andere persoon weergeeft. Daarom kan voor een overledene hetzelfde op precies dezelfde manier worden gedaan door een helderziende entiteit aan gene zijde van de dood die berichten doorgeeft. Maar tegelijkertijd is het een feit dat het astrale lichaam van de overledene af en toe een bewuste bijdrage aan zulke berichten levert, hetzij als gevolg van een nog niet voltooide scheiding van de aarde en haar beslommeringen of uit grof materialisme. In andere gevallen waarbij het astrale omhulsel, zoals sommigen het noemen, een rol speelt, wordt dit tot schijnleven gewekt hetzij door natuurgeesten of door de kracht van levende wezens die eens mensen waren en door hun eigen karakter gedoemd zijn te leven en te werken in het grovere deel van het astrale omhulsel van de aarde.

Zodra we naar een medium gaan, dat altijd een brandpunt is waar deze krachten en dat rijk zich verdichten, beginnen we de astrale overblijfselen aan te trekken van alle mensen aan wie we denken of die voldoende aan ons of het medium verwant zijn om binnen het terrein van zijn aantrekking te vallen. Op die manier brengen we in het brandpunt die mensen samen die we hebben gekend, en ook zij die we niet hebben gekend en die tijdens hun leven nooit van ons hebben gehoord. Daarbij voegen zich elementalen die als de zenuwen van de natuur functioneren, en – verdicht of binnengedrongen in menselijke astrale omhulsels – daaraan een nieuw leven geven en ervoor zorgen dat ze intelligentie en gedrag goed genoeg nabootsen om iedereen te misleiden die in deze zaken niet grondig is getraind. En dit soort training is hier tot nu toe bijna onbekend; het is niet voldoende honderden seances of honderden experimenten te hebben bijgewoond; het omvat een werkelijke training van de innerlijke zintuigen van de levende mens. Indien de astrale vorm samenhang heeft, zal hij op een samenhangende manier verslag doen, maar dat is iets wat een grammofoon ook kan. Indien hij gedeeltelijk opgelost of uiteengevallen is, zal hij net als een beschadigde grammofoonplaat op een onsamenhangende manier verslag doen, of plotseling ophouden, om door een andere, betere of slechtere, vorm te worden vervangen. In geen geval kan hij verdergaan dan de feiten die hem tevoren al bekend waren, of die welke aan de innerlijke of uiterlijke zintuigen van het medium of de aanwezige bekend waren. En omdat deze astrale omhulsels het overgrote deel uitmaken van wat er op een medium afkomt, heeft 40 jaar lang contact met hen zo weinig opgeleverd. Het is dan ook geen wonder dat de op het astrale omhulsel gebaseerde theorie door veel theosofen te vaak is gebruikt waardoor spiritisten zijn gaan denken dat dit de enige verklaring is die we hebben. Een gerechtvaardigde angst heeft bovendien ertoe bijgedragen dat men veel aandacht aan deze theorie heeft besteed, want tegelijk hiermee komen alle werkelijke en reële gevaren voor de mediums en aanwezigen aan de orde. Deze tot schijnleven gewekte wezens beschikken noodzakelijkerwijs niet over een geweten en kunnen dus niet anders handelen dan volgens de laagste ethische standaard en op het laagste levensgebied, en dat geldt ook voor wat het overgebleven stoffelijke geheugen van het astrale deel van de mens is; en dit zal verschillen naar gelang van de kwaliteit van het afgelopen leven en niet van de uiterlijke schijn ervan. Zo hebben we misschien de schimmen van Jansen of Bakker, die aan hun buren goede mensen toeschenen maar in werkelijkheid altijd lage of slechte gedachten en sterke begeerten hadden, die ze onder invloed van wetten of heersende gewoonten niet volledig tot uitdrukking brachten. In de astrale wereld bestaat zulke huichelarij echter niet, en daar zal het werkelijke innerlijke karakter aan het licht komen of zijn uitwerking hebben. En in alle gevallen zal de stoffelijke schim van zelfs een heel goed mens minder goed zijn dan deze mens probeerde te zijn, maar zal alle dwaasheid en innerlijke zondigheid die zijn erfdeel waren en waartegen hij tijdens zijn leven heeft gestreden, vertonen. Daarom kunnen deze astrale overblijfselen voor ons nooit een gunstige uitwerking hebben, wie de persoon, waartoe ze ooit behoorden, ook is geweest. Ze zijn slechts oude kledingstukken en niet de geest van die mens. Ze zijn minder goddelijk dan een levende misdadiger, want deze kan nog een volledige drie-eenheid zijn.

Maar er zijn ook goede gedachten, goede raad, goed onderricht, verheven denkbeelden en edele gevoelens uit de andere wereld doorgekomen, en het is uitgesloten dat die door astrale omhulsels zijn gegeven. Indien deze werden onderzocht en gerangschikt, dan zou men constateren dat ze niet verschillen van wat levende mensen uit eigen vrije wil en doelbewust hebben gezegd. Afgezien van de manier van overbrenging zijn ze niet nieuw. De ongebruikelijke methode dient vaak om ze dieper in de geest van de ontvanger te prenten. Maar deze bijzondere manier heeft mensen er nu en dan toe gebracht ze als iets geheel nieuws, als heel wonderbaarlijk, als een openbaring te verkondigen, terwijl de onbevooroordeelde toeschouwer ziet dat ze het tegenovergestelde zijn: ze zijn oud of afgezaagd, soms nog vermengd met overdrijving of dwaasheid, en kunnen zowel het product van deze wereld als van gene zijde zijn. Dit heeft een smet geworpen op het spiritisme, en de spotlust van buitenstaanders gewekt.

We moeten daarom aandacht schenken aan mededelingen die op dat moment of voor een bepaald persoon waardevol waren en een goede uitwerking hadden. Want als we zouden weigeren om dat te doen, dan treft het daaruit gesmede wapen de theosofen zelf, die zo vaak vertrouwen blijken te hebben – zoals ikzelf – in mededelingen van meesters of mahatma’s, die evenzeer geesten zijn, en wel des te meer omdat ze nog in een of ander soort lichaam leven.

William Q. Judge

 


Theosofische inzichten, blz. 377-83

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag