Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Het pad van handelen

[The Path, november 1887, blz. 247-9]

De moslim-leraar helpt zijn leerlingen om zich zorgvuldig bewust te zijn van de scherpe scheidslijn tussen goed en kwaad; slechts een haarlijn scheidt het onware van het ware. Hier heeft de Aziaat een uitstekend beeld gekozen, want de ‘haarlijn’ is het streepje ‘alif’ dat, indien het in een woord wordt aangebracht, de betekenis kan doen veranderen van iets wat juist is in iets wat onjuist is.

In hoofdstuk 5 van de Bhagavad Gita, getiteld ‘Yoga door het opgeven van handelingen’ onderricht de heilige Krishna Arjuna over de aard van het handelen: ‘Zowel het opgeven van handelingen als yoga door te handelen leiden tot uiteindelijke bevrijding; maar van deze twee is yoga door te handelen beter dan handelingen op te geven’ (5:2). En in hoofdstuk 4: ‘Je moet onderscheid kunnen maken tussen handelen, verkeerd handelen en niet-handelen. Het pad van handelen is duister en moeilijk te doorgronden’ (4:17).

In het dagelijks leven zijn deze woorden van Krishna al waar genoeg, maar hun kracht wordt op een bijzondere manier gevoeld in het denken van de toegewijde onderzoeker van de theosofie en vooral als hij lid is van de Theosophical Society.

Die groep onderzoekers heeft nu zijn proeftijd doorgemaakt, zodat ze als geheel beschouwd een aangenomen chela is van de edele meesters die de impuls gaven tot de oprichting van de Society. Daarom verhoudt ieder lid zich tot de hele Society zoals elke vezel in het lichaam van een enkele chela zich verhoudt tot de hele mens. Ieder lid van de Society voelt nu dus meer dan ooit verstorende invloeden, en het pad van handelen wordt waarschijnlijk steeds meer verduisterd.

Er zijn of ontstaan in onze gelederen steeds haarden van emotionele verstoringen. Zij die verwachten dat deze verstoringen nu zouden moeten ophouden of minder vaak moeten voorkomen, zullen merken dat ze zich vergissen. De toegenomen belangstelling voor het werk van de Society en het grotere aantal serieuze onderzoekers in onze gelederen dan in eerdere jaren, vormen bronnen van onrust. Ieder nieuw lid brengt zijn eigen aard mee en iedereen handelt volgens zijn eigen aard. De kans op verwarring zal dus toenemen; en dat is beter, want vrede gepaard gaand met stagnatie heeft de aard van wat in de Bhagavad Gita tamasa-guna of de eigenschap ‘duisternis’ wordt genoemd. Deze eigenschap ‘duisternis’ – en niets is erger dan deze – is het hoofdbestanddeel van onverschilligheid, en onverschilligheid leidt slechts tot ondergang.

Nog een andere factor in deze vergelijking, die iedere serieuze theosoof moet oplossen en die potentieel tot veel onrust kan leiden, is een wet die moeilijk is te omschrijven, maar in haar werking onverbiddelijk is. Om haar beter te begrijpen kunnen we zeggen dat ze in de natuur tot uitdrukking komt in het opgaan van de zon. ’s Nachts als de maan schijnt, is elk voorwerp gehuld in een romantisch licht en wanneer dat lichtgevende hemellichaam ondergaat, laat het alles in een gedeeltelijke duisternis achter, waarin vele twijfelachtige figuren hun ware identiteit kunnen verbergen, of zich zelfs kunnen voordoen als iets wat ze niet zijn. Maar als de zon opkomt tonen alle voorwerpen duidelijk hun ware kleuren; de ruwe schors van de eik heeft de verzachtende sluier van het schemerlicht verloren; men kan het hoog opgeschoten onkruid niet langer voor malve-bloemen houden. De machtige hand van de god van het daglicht toont alles in zijn ware aard.

Men moet niet denken dat door bepaalde bestuursleden een lijst wordt bijgehouden waarin de karakters van onze leden staan vermeld en bekend kunnen worden gemaakt. Dat is niet nodig; de gebeurtenissen die plaatsvinden in de natuurlijke volgorde, of schijnbaar willekeurig, zullen ons allemaal, of we willen of niet, in onze ware gedaante tonen.

Ieder van ons zal moeten stilstaan en leren in het voorportaal van de Hal van Lering, vóór we naar binnen kunnen gaan. Weliswaar is dit portaal met al zijn donkere schaduwen en verontrustende invloeden een illusie, maar het is er een die door heel weinigen niet wordt gevormd, want de illusies van de stof zijn moeilijk te overwinnen. Daar zullen we de aard van handelen en niet-handelen ontdekken; daar zullen we tot de erkenning komen dat hoewel de aard van handelen ook iets slechts heeft, hij toch meer verwant is aan waarheid dan aan wat we duisternis, rust, onverschilligheid hebben genoemd. Uit de verwarring en de strijd van een schijnbaar ongetemd leven kan iemand opstaan die een strijder voor de waarheid is. Duizend beoordelingsfouten, gemaakt door een serieuze onderzoeker die, gedreven door een zuiver en edel motief, streeft naar het bevorderen van de zaak, zijn beter dan de uiterlijke goedheid van hen die zich opwerpen als rechters over hun medemensen. Al deze fouten, begaan voor een goede zaak zullen, omdat ze goede zaden verspreiden, door het motief worden goedgemaakt.

We moeten dus over niemand rechter willen zijn. We kunnen ons niet aanmatigen te beoordelen wie wel en wie niet zal worden toegestaan om in de Theosophical Society te komen en te werken. De meesters die haar oprichtten, wensen dat we haar invloed en haar licht aan iedereen schenken, ongeacht wat we er zelf van denken; we moeten het zaad uitstrooien en wanneer dat op rotsachtige bodem valt, is dat niet de schuld van de zaaier.

Onze Society is er ook niet alleen voor goede en fatsoenlijke mensen. Net als in de tijd toen Jezus van Nazareth predikte, is het waar dat er meer vreugde in de hemel is over één berouwvolle zondaar dan over 99 rechtvaardigen die geen berouw hoeven te hebben.

Laten we dan bedenken dat het pad van handelen duister en moeilijk te onderscheiden is, en laten we op onze hoede zijn voor de illusies van de stof.

Hadji Erinn

 


Theosofische inzichten, blz. 40-2

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag