Ieder lid een centrum
[The Path, oktober 1895, blz. 201-2]
Een van de meesters, van wie zoveel leden van de TS geloven dat ze
bestaan, gaf enkele jaren geleden HPB opdracht namens hem aan een bepaalde
groep theosofen een brief te schrijven. Daarin zei hij dat ieder lid,
indien hij ernstig, oprecht en onzelfzuchtig is, in zijn eigen stad
of dorp een actief centrum zou kunnen worden, vanwaar onzichtbare machtige
krachten zouden uitstralen die een goede invloed kunnen uitoefenen op
mensen in zijn omgeving, en dat er al snel belangstellenden zouden verschijnen;
en dat dan na verloop van tijd een afdeling van onze TS zou worden georganiseerd
en zo zou de hele buurt daarvan profiteren. Dit schijnt juist en redelijk
te zijn, afgezien van het feit dat het ons is meegedeeld door zo’n
hoge autoriteit. De leden zouden dit eens moeten overdenken en overwegen,
en dan zou er actie op kunnen volgen.
Er zijn te veel mensen die zich op theosofisch gebied in hun eigen
stad alleen wanen, die hun handen hebben gevouwen en hun denken het
zwijgen hebben opgelegd, en tegen zichzelf zeggen dat ze niets konden
doen, dat er niemand in hun omgeving was die zich misschien voor theosofie
zou interesseren, en dat die stad ‘voor dat werk de moeilijkste
plek was’.
De grote fout in deze gevallen is dat ze de wet vergeten, waarnaar
HPB in wat ze schreef verwees. Het is een wet die ieder lid zou moeten
kennen: dat het denken van de mens resultaten kan voortbrengen door
middel van het denken van anderen om hem heen. Als we gaan zitten en
denken dat we niets kunnen uitrichten, dan komt onze scherpzinnige geest
in contact met de geest van anderen die zich binnen het bereik van onze
sfeer bevinden – een bereik dat niet gering is – en roept
hen toe: ‘Er kan niets tot stand worden gebracht.’ En dan
gebeurt er natuurlijk niets. Maar, als we serieus en onzelfzuchtig over
‘theosofie’ nadenken, en wensen dat anderen, evenals wij,
veel daaraan zullen hebben, dan ontmoeten we in de verloren ogenblikken
van de dag en de vele uren van de nacht die mensen in hun denken en
roepen hen ‘theosofie’ en ‘er is hulp en hoop voor
u’ toe. Dit heeft tot gevolg dat er bij de geringste aanleiding
belangstelling voor theosofie wordt gewekt.
Door zo’n innerlijke houding, gepaard gaand met alle mogelijke
pogingen om deze ideeën te verspreiden, zullen veel mensen naar
voren komen waarvan men niet had verwacht dat hun gedachten op dezelfde
golflengte zitten. Op die manier maakt men gebruik van de mogelijkheden
van het moment.
Op ons laatste congres werd een keerpunt bereikt; aan conflicten is
een einde gekomen en nieuwe mogelijkheden doen zich voor; het grote
publiek toont meer belangstelling en vraagt om informatie. Hier liggen
grote kansen. Zowel afdelingen als leden moeten al deze kansen grijpen
en er gebruik van maken. Bedenk dat we niet strijden voor een of andere
vorm van organisatie, noch voor uiterlijke kenmerken om ons te onderscheiden,
noch voor kleinzielige persoonlijke doeleinden, maar voor theosofie,
om onze medemensen te helpen, te begunstigen en van dienst te zijn.
Zoals kortgeleden nog werd gezegd, scheppen degenen onder ons die slechts
een organisatie willen volgen en vereren, een fetisj en vereren een
lege huls. Onzelfzuchtigheid is ons werkelijke grondbeginsel.
Diegenen onder ons die na jaren en na veel onderricht nog streven en
verlangen naar persoonlijke vooruitgang of promotie op occult gebied,
vernietigen in zichzelf die eigenschap waarop hierboven werd gedoeld
– namelijk om een levend, ademend centrum van licht en hoop voor
anderen te zijn. En zij die vooruitgang voor zichzelf nastreven, verminderen
daardoor ook hun kansen in een volgend leven hier op aarde.
Sluit de gelederen! Ieder lid een centrum; elke afdeling een centrum;
en het geheel een machtig wervelend centrum van licht en kracht en energie
voor het welzijn van het land en de mensheid.
William Q. Judge
Theosofische
inzichten, blz. 398-9
© 2012 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag