Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Geef ons één feit

[The Path, maart 1888, blz. 373-5]

Sinds ik de laatste keer in The Path heb geschreven, heb ik van veel studenten in het Westen duidelijk de wens gehoord die tot uitdrukking komt in de kreet: ‘Geef ons één feit!’

Het verlangen om de waarheid te leren kennen is in hen gewekt, maar ze zijn sindsdien blijven hangen op de marktpleinen van deze aarde en in de gehoorzalen van die wetenschappelijke leiders van de blinden die de profeten van het materialisme zijn. Ze zeggen dat enkele ‘wetenschappers’, als ze over theosofie spreken, hebben gevraagd waarom de meesters ons niet ‘één feit hebben gegeven, waarmee we een begin kunnen maken, en op basis waarvan we tot een conclusie kunnen komen’; en zij – deze studenten – vragen voor zichzelf dringend om dat feit, zelfs al zijn ze van plan dit voor juist die mensen die de vraag naar voren hebben gebracht, verborgen te houden.

Arme kinderen. Wat zijn de feiten die u verlangt? Zijn het misschien verbazingwekkende wonderen die geen ruimte voor twijfel zullen laten? Zo ja, zeg dan alstublieft of dat kunststuk ten overstaan van duizenden moet worden volbracht of slechts in aanwezigheid van één vraagsteller en zijn exclusieve vriendenkring? Is het laatste het geval, dan heeft u zichzelf veroordeeld tot het verlangen om voor uzelf te behouden wat aan velen toekomt. Of verlangt u misschien het bekendmaken van één onmiskenbaar feit? Maar dat zou natuurlijk op gezag moeten steunen, en wij, arme zwervers, hebben geen gezag of autoriteit op het gebied van natuur, wetenschap of letteren; feiten die door ons worden bekendgemaakt zouden daarom voor uw doel nutteloos zijn.

En in vertrouwen moet ik u zeggen, evenals vroegere boodschappers dit moesten doen en daarin niet zijn tekortgeschoten, dat het verrichten van een wonder ten overstaan van een menigte mensen de bedoelingen die de vervolmaakte mensen op het oog hebben, juist zou ondermijnen. Stel dat enkelen van hen die weten nu in het drukke geroezemoes van het Amerikaanse leven zouden verschijnen, waar het uiteindelijke levensdoel – op deze afstand gezien – het verwerven van rijkdom schijnt te zijn, en dat ze evenals de twee jonge prinsen uit Boeddha’s tijd zonder hulpmiddelen in de lucht zouden opstijgen en daar afwisselend uit hun hoofd en hun voeten vuurzuilen zouden laten schieten, of opnieuw zouden opstijgen en voor iedereen zichtbaar een eind zouden wegzweven, zou dat feit u iets bewijzen? Misschien zou in het hart van sommige, eerzuchtige studenten het verlangen opkomen het vermogen te verwerven om ditzelfde te kunnen doen. Maar wacht eens even en vertel me wat die velen zouden doen voor wie zulke dingen als sprookjes zijn? Ik zal het u zeggen. Enkelen zouden de mogelijkheid erkennen dat het een echt verschijnsel was, en wegen en middelen zoeken om het ook te kunnen doen, zodat ze het tegen betaling kunnen vertonen. Anderen, onder wie uw wetenschappelijke feitenjagers, zouden beginnen met de echtheid ervan te ontkennen, het aan bedrog toe te schrijven en degenen die het verschijnsel teweegbrachten, hoe werkelijk spiritueel die misschien ook zijn, van opzettelijke oplichterij en misleiding te beschuldigen, terwijl een aantal van hen zelfs het plaatsvinden van het feit zou ontkennen en de verklaringen van honderden ooggetuigen1 als vals zou bestempelen. Weer anderen zouden zeggen: ‘Het is een God!’ of ‘Het is een duivel!’, met alle gevolgen van dien. Nee, vrienden, de ware leraren gaan niet de basis leggen voor grotere fouten en nog vaster geworteld bijgeloof dan die welke we juist proberen uit te roeien.

1We kunnen met de schrijver instemmen, omdat we H.P. Blavatsky precies even wonderbaarlijke dingen hebben zien doen en een dag later beschuldigingen van bedrog tegen haar hoorden uiten en aanklachten van goedgelovigheid tegen de mensen die ze hadden gezien. (Redactie The Path.)

Verder moet ik u in alle ernst en waarheidsgetrouw zeggen dat de feiten die u werkelijk wenst, telkens weer en op vele plaatsen, in vele boeken, en op vele tijdstippen zijn meegedeeld. Ze zijn niet alleen te vinden in uw nieuwe theosofische literatuur, maar ook in die van vroegere tijden. Eeuwenlang zijn deze feiten jaar in jaar uit bekendgemaakt, zelfs in het Engels. Ze werden meegedeeld in de tijd van de Duitse en Engelse alchemisten en door de kabbalisten. Maar door hebzucht en verkeerde motieven zijn er steeds zelfgevormde belemmeringen en verduisteringen ontstaan.

De alchemisten van de ware school spraken over het goud dat ze konden maken met behulp van hun poeders en het zout, samen met hun kwik; en de kabbalisten zeiden dat door het uitspreken van Jehovahs naam niet alleen goud werd gevormd, maar dat daarmee in alle werelden macht werd verkregen. Heel juiste verklaringen. Zijn dat geen mededelingen van feiten? Hebben ze het merendeel van de onderzoekers tevredengesteld? Verre van dat; het gevolg was dat ze op een dwaalspoor raakten. Velen zochten geduldig naar het poeder en naar de juiste verhouding van zout, zwavel en kwik om een waardeloos gouden metaal te kunnen maken dat vandaag inwisselbaar en morgen onbruikbaar is, en dat nooit gemoedsrust zou kunnen schenken of de poort naar de toekomst zou kunnen openen. Weer anderen gingen hun eigen weg en probeerden verschillende modulaties bij het uitspreken van de veronderstelde naam van hun machtige God, zodat ze nu ongeveer 40 manieren hebben. Wat een kortzichtige onwetendheid is dit, want God is God en is niet veranderd met de opkomst en ondergang van wereldrijken of het verdwijnen van talen; zijn naam had ooit in het oude Egypte of India, in Lemurië, Atlantis of Copan een verschillende klank. Waar zijn nu die vele klanken van zijn heilige naam gebleven, of is die nu anders geworden?

‘Maar om welk feit gaat het bij het uitspreken van de naam van God?’ zult u zeggen. Het antwoord volgt door te vragen: ‘Wat en wie is God?’ Hij is het Al; de aarde, de hemel, de sterren aan de hemel; het hart van de mens; de elementale en organische wereld; de rijken van het heelal; het gebied van het geluid en de vormloze leegte. Betekent het uitspreken van die naam niet het worden van al die rijken, gebieden en die kracht, en het in uzelf concentreren van de hele essentie daarvan, van elk afzonderlijk en van alle tegelijk? Kan dit worden bereikt door op een of meerdere manieren ‘Jehovah’ te mompelen? U zult gemakkelijk inzien dat dit niet zo is. En uw verstand zal u vervolgens laten inzien dat u, alvorens dit te kunnen doen, elk van deze rijken afzonderlijk moet hebben doorlopen, waarbij u over elk ervan een volkomen kennis en herinnering behoudt, elk moet beheersen, vóór u kunt proberen het geheel uit te spreken. Is dit een gemakkelijke taak? Is het niet de taak die karma u voorhoudt, waarbij u als kinderen wordt verplicht delen van het woord te herhalen in de verschillende ervaringen van herhaalde levens op aarde, en u weer naar deze les wordt teruggevoerd tot ze goed is geleerd?

En zo worden we op onszelf teruggeworpen. Onze Indo-Europese voorouders hebben de uitspraak gedaan, die sindsdien door duizenden is herhaald, dat ieder mens op zichzelf een klein heelal is. Door hem heen lopen alle energiebanen, die zich naar alle werelden vertakken, en waar een van deze lijnen hem kruist, bevindt zich de poort tot het rijk waartoe deze energiebaan behoort. Luister naar de Chhandogya Upanishad:

Daar is deze stad van Brahman – het lichaam – en daarin staat het paleis, de kleine lotus van het hart, en daarin die kleine ether. Zowel hemel als aarde liggen daarin besloten, zowel vuur als lucht, zowel zon als maan, zowel bliksem als sterren; en al wat er van het zelf hier in de wereld aanwezig is, en al wat geweest is of zal zijn, dat alles ligt daarin besloten.1

1Chhandogya Upanishad, 8ste prapathaka, 1ste khanda, 2-3.

Het daarbuiten te zoeken is vergeefs. Er zal géén kennis tot u komen, van wáár ook, dan uit deze kleine lotus van het hart. U legt haar nu zodanig aan banden dat ze niet kan ontluiken. Met de misleidingen van uw verstand ketent u haar als met een knoop. Die knoop moet u doorhakken. Ruk u los uit scholastische misvattingen; maak uw verstand tot een rustig en onbewogen oppervlak waarop de Heer van het paleis van het hart beelden van de waarheid kan weerkaatsen; word zoals kleine kinderen die niet door vooropgestelde meningen worden gehinderd, en u zult kennis hebben.

Het enige feit dat ik u kan bieden is – UZELF.

Nilakant

 


Theosofische inzichten, blz. 42-6

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag