Isis ontsluierd
Een sleutel tot de mysteries van oude en moderne
wetenschap en religie

H.P. Blavatsky

isbn 9789070328771, gebonden, eerste druk 2010, bestel boek

© 2010  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

2. Paranormale verschijnselen en krachten


Waar het verstand tekortschiet,
Komt de trots te hulp
En vult de hele leegte op.
     – Pope

Maar waarom zouden de werkingen van de natuur zijn veranderd? Er is misschien een diepzinniger filosofie dan die waarvan we dromen – een filosofie die de geheimen van de natuur onthult, maar door er dieper in door te dringen het verloop van de natuur niet verandert.     – Bulwer-Lytton

Is het voor een mens voldoende te weten dat hij bestaat? Is het voldoende dat hij als menselijk wezen is gevormd, om de benaming mens te verdienen? We zijn er beslist van overtuigd dat de mens, wil hij een werkelijk spirituele entiteit worden, iets wat in deze naam besloten ligt, zichzelf eerst bij wijze van spreken opnieuw moet scheppen, dat wil zeggen hij moet uit zijn denken en geest niet alleen de overheersende invloed van zelfzucht en andere onzuiverheden verwijderen, maar ook de besmetting met bijgeloof en vooroordeel. Dit laatste is iets heel anders dan wat we gewoonlijk antipathie of sympathie noemen. We worden eerst onweerstaanbaar of onbewust binnen haar duistere kring getrokken door die eigenaardige invloed, die machtige stroom van magnetisme die uitgaat van denkbeelden en van fysieke lichamen. Hierdoor worden we omringd en worden we door morele lafheid – de angst voor de publieke opinie – ten slotte verhinderd om die kring te verlaten. Het komt zelden voor dat mensen iets in het ware of in een verkeerd licht zien, en tot hun conclusie komen door de vrije werking van hun eigen oordeel. Het tegenovergestelde is het geval. Men trekt meestal zijn conclusie door blindelings de mening te volgen die op dat moment heerst in het gezelschap waarin men verkeert. Een kerkganger zal geen absurd hoge prijs voor zijn plaats betalen, en een materialist gaat niet twee keer naar een lezing van Huxley over evolutie, omdat ze denken dat het juist is om dat te doen, maar alleen omdat meneer en mevrouw Huppeldepup dat hebben gedaan en omdat zij de grote Huppeldepups zijn.

Hetzelfde geldt voor al het andere. Als de psychologie haar Darwin had gehad, zou men misschien hebben geconcludeerd dat de afstamming van de mens wat zijn morele eigenschappen betreft onlosmakelijk is verbonden met die van zijn fysieke lichaam. De maatschappij in haar slaafse toestand wekt bij de intelligente waarnemer van haar naäperij de indruk van een verwantschap tussen apen en mensen, die veel treffender is dan die tussen uiterlijke kentekenen waarop de grote antropoloog heeft gewezen. De vele soorten apen – ‘spotbeelden van onszelf’ – schijnen met opzet te zijn geëvolueerd om een bepaalde klasse van duur geklede mensen het materiaal voor hun stambomen te verschaffen.

De wetenschap boekt dagelijks vooruitgang op weg naar grote ontdekkingen in de scheikunde, de natuurkunde, de biologie en de antropologie. Onderzoekers zouden niet moeten worden beïnvloed door vooropgezette meningen en allerlei vooroordeel; maar hoewel het denken en de meningsvorming nu vrij zijn, zijn de wetenschappers nog steeds dezelfde mensen als vroeger. Een utopistische dromer is iemand die denkt dat de mens steeds verandert met het ontstaan en de ontwikkeling van nieuwe ideeën. Ook al is de grond goed bemest, zodat deze ieder jaar een grotere en betere variëteit van vruchten oplevert, wanneer u iets dieper graaft dan de laag die voor de oogst nodig is, zult u daaronder dezelfde aarde vinden die er al was vóór de eerste voor werd getrokken.

Enkele jaren geleden werd iemand die de onfeilbaarheid van een theologisch dogma in twijfel trok, onmiddellijk gebrandmerkt als een beeldenstormer en ongelovige. Vae victis! . . . De wetenschap heeft overwonnen. Maar op haar beurt maakt de overwinnares aanspraak op dezelfde onfeilbaarheid, hoewel ze evenmin erin slaagt te bewijzen daar recht op te hebben. ‘Tempora mutantur et nos mutamur in illis’ (Tijden veranderen en wij veranderen tegelijk daarmee), het gezegde van de goede oude Lotharius is hier van toepassing. Niettemin hebben we het gevoel dat we enig recht hebben om aan de hogepriesters van de wetenschap te twijfelen.

Jarenlang hebben we de ontwikkeling en de groei van die twistappel – het moderne spiritisme – gadegeslagen. We zijn goed bekend met de literatuur erover in Europa en Amerika, en hebben nauwkeurig en belangstellend de eindeloze discussies gevolgd en de tegenstrijdige hypothesen ervan vergeleken. Veel ontwikkelde mannen en vrouwen – heterodoxe spiritisten natuurlijk – hebben geprobeerd de veelvormige verschijnselen te doorgronden. Het enige resultaat was dat ze tot de volgende conclusie kwamen: wat de reden ook is van die voortdurende mislukkingen – of die zijn toe te schrijven aan de onderzoekers zelf of aan de geheime kracht die aan het werk is – er is in ieder geval bewezen dat naarmate de paranormale verschijnselen in aantal en verscheidenheid toenemen, de duisternis waarin hun oorsprong is gehuld steeds ondoordringbaarder wordt.

Dat er in feite mysterieuze verschijnselen worden waargenomen – die gewoonlijk en misschien ten onrechte spiritueel worden genoemd – kan men niet meer ontkennen. Zelfs wanneer men een groot deel ervan toeschrijft aan handig bedrog, is wat er overblijft belangrijk genoeg om een zorgvuldig wetenschappelijk onderzoek nodig te maken. ‘Eppur si muove’, de zin die eeuwen geleden werd uitgesproken, is een bekend gezegde geworden. Nu is er niet meer de moed van een Galileï voor nodig om het de Academie naar het hoofd te slingeren. De paranormale verschijnselen zijn al in het offensief.

Het standpunt dat door wetenschappers in deze tijd wordt ingenomen, is dat, hoewel het optreden van bepaalde mysterieuze verschijnselen in aanwezigheid van mediums een feit is, niet is te bewijzen dat ze niet worden veroorzaakt door een abnormale zenuwtoestand van die personen; de mogelijkheid dat ze worden teweeggebracht door terugkerende menselijke geesten hoeft niet te worden overwogen tot die eerste vraag is beantwoord. Men kan weinig bezwaar maken tegen dit standpunt. Ongetwijfeld rust de bewijslast op hen die beweren dat er geesten werkzaam zijn. Indien de wetenschappers zich te goeder trouw met dit onderwerp zouden bezighouden en een werkelijk ernstig verlangen aan de dag zouden leggen om dit moeilijke mysterie op te lossen, in plaats van het te behandelen met een onwaardige en niet professionele minachting, zouden hun geen verwijten kunnen worden gemaakt. Het is waar dat het overgrote deel van de mededelingen van ‘geesten’ zelfs bij onderzoekers met een middelmatig verstand een afkeer zal opwekken. Zelfs wanneer ze echt zijn, zijn ze onbetekenend, alledaags en vaak zelfs grof. In de loop van de laatste 20 jaar hebben we via verschillende mediums boodschappen ontvangen, die afkomstig zouden zijn van Shakespeare, Byron, Franklin, Peter de Grote, Napoleon en Joséphine, en zelfs van Voltaire. De algemene indruk die deze mededelingen op ons maakten, was dat de Franse veroveraar en zijn echtgenote de juiste spelling van woorden schenen te zijn vergeten; Shakespeare en Byron waren chronische dronkaards geworden, en Voltaire een dwaas. Wie kan mensen die getraind zijn om nauwkeurig te werken, of zelfs alleen maar ontwikkelde personen, dan verwijten maken als ze te snel concluderen dat, wanneer er aan de oppervlakte zoveel duidelijk bedrog is, er praktisch geen waarheid te vinden zal zijn als ze tot de bodem gaan? Het uitkramen van gewichtig klinkende namen in verband met idiote mededelingen heeft de wetenschappelijke maag zo’n indigestie gegeven dat deze daardoor zelfs de grote waarheid niet kan verteren die zich op de telegrafische plateaus in deze oceaan van paranormale verschijnselen bevindt. Ze oordelen slechts op basis van de oppervlakte, die met schuim en vuil bedekt is. Maar ze zouden met evenveel reden kunnen ontkennen dat er in de diepten van de zee helder water was, wanneer er een olieachtig schuim aan de oppervlakte drijft. Als we hun dus aan de ene kant geen verwijt kunnen maken dat ze terugdeinzen bij de eerste blik van iets werkelijk afstotelijks, hebben we toch het recht hen te bekritiseren wegens hun onwil om hun onderzoek voort te zetten. Parels en geslepen diamanten vindt men niet los op de grond; en deze mensen handelen even onverstandig als een beroepsduiker die een oester weggooit omdat die er vuil en slijmerig uitziet, terwijl hij als hij haar opende, in de schelp misschien een kostbare parel zou vinden.

Zelfs de gerechtvaardigde en ernstige verwijten van enkele van hun vooraanstaande figuren zijn zonder enig gevolg gebleven, en de angst van wetenschappers om zo’n impopulair onderwerp te onderzoeken schijnt in een algemene paniek te zijn overgegaan. ‘De verschijnselen achtervolgen de wetenschappers en de wetenschappers lopen weg voor de verschijnselen’, merkt A.N. Aksakof heel nadrukkelijk op in een knap artikel over paranormale verschijnselen en de St. Petersburgse Wetenschappelijke Commissie. De houding van deze groep professoren tegenover het onderwerp dat ze beloofd hadden te onderzoeken, was van begin tot eind eenvoudig schandelijk. Hun voorbarige en vooraf opgestelde rapport was zo duidelijk partijdig en weinig overtuigend dat het een minachtend protest uitlokte, zelfs van mensen die niet in verschijnselen geloven.

Op de inconsequentie van de logica van die geleerde heren met betrekking tot de filosofie van het eigenlijke spiritisme wordt op voortreffelijke manier gewezen door prof. John Fisk – iemand uit hun eigen gelederen. In een onlangs verschenen boek over filosofie, The Unseen World, toont hij aan dat zelfs al in de definitie van de woorden stof en geest besloten ligt dat het bestaan van de geest niet aan de zintuigen kan worden bewezen en dat dus geen enkele theorie op dit gebied wetenschappelijk kan worden getoetst. In de volgende regels deelt hij dan zijn collega’s een rake klap uit:

Het bewijsmateriaal moet in zo’n geval onder de omstandigheden van ons huidige bestaan altijd onbereikbaar blijven. Het ligt geheel buiten het gebied van waarneming. Hoe overvloedig het ook is, we kunnen niet verwachten dat we het zullen vinden. Het feit dat we dit bewijs niet kunnen leveren, kan dus niet tot enig bezwaar tegen onze theorie leiden. Op deze manier opgevat, is het geloof aan een toekomstig leven zonder wetenschappelijke steun, maar tegelijkertijd stelt men het buiten de noodzaak daarvan en buiten het bereik van wetenschappelijke kritiek. Het is een geloof dat door geen enkele denkbare toekomstige natuurkundige ontdekking op een of andere manier kan worden weerlegd. Het is een geloof dat in geen enkel opzicht irrationeel is, en dat men logisch kan aanvaarden zonder onze wetenschappelijke manier van denken ook maar enigszins geweld aan te doen of aan onze wetenschappelijke conclusies afbreuk te doen.’ ‘Indien wetenschappers’, voegt hij eraan toe, ‘de opvatting willen aanvaarden dat geest geen stof is en niet door de wetten van de stof wordt beheerst, en willen afzien van speculaties daarover die worden beperkt door hun kennis van stoffelijke dingen, dan zullen ze bij religieuze mensen de voornaamste oorzaak van hun huidige irritatie wegnemen.

Maar dat doen ze niet. Ze zijn ontstemd over de dappere, eerlijke en prijzenswaardige overgave van hoogstaande mensen zoals Wallace en weigeren zelfs de voorzichtige en zich beperkende werkwijze van een Crookes te volgen.

We vragen aandacht voor de in dit boek gegeven opvattingen enkel omdat ze gebaseerd zijn op een jarenlange studie van zowel de oude magie als haar moderne vorm, het spiritisme. Zelfs nu nog wordt eerstgenoemde, nu zulke verschijnselen voor ieder zo vertrouwd zijn geworden, gewoonlijk als handige goochelarij beschouwd. Laatstgenoemde wordt, wanneer een overstelpende hoeveelheid bewijsmateriaal het onmogelijk maakt om het waarheidsgetrouw als kwakzalverij te bestempelen, een algemene hallucinatie genoemd.

Jaren van omzwervingen onder ‘heidense’ en ‘christelijke’ magiërs, occultisten, hypnotiseurs en al die beoefenaars van witte en zwarte kunst zouden volgens ons voldoende moeten zijn om ons bevoegd te achten om een praktische kijk te hebben op dit twijfelachtige en ingewikkelde probleem. We zijn omgegaan met de fakirs, de heilige mannen van India, en hebben hen gadegeslagen in hun omgang met de pitri’s. We hebben de verrichtingen en de manier van optreden van de huilende en dansende derwisjen waargenomen; we hebben vriendschappelijke relaties onderhouden met de maraboets van Europees en Aziatisch Turkije; en de slangenbezweerders van Damascus en Benares hebben maar weinig geheimen die we niet het geluk hadden te kunnen bestuderen. Wanneer dus de wetenschappers, die nooit de gelegenheid hebben gehad onder deze oosterse goochelaars te leven en die dus op zijn best een oppervlakkig oordeel kunnen hebben, ons vertellen dat hun verrichtingen niets anders inhouden dan goocheltrucs, kunnen we het alleen maar betreuren dat ze zulke overhaaste conclusies hebben getrokken. Dat zulke aanmatigende beweringen worden gedaan over een diepgaande analyse van de natuurkrachten, en dat tegelijk zo’n onvergeeflijke verwaarlozing wordt getoond van vraagstukken van zuiver fysiologische en psychologische aard, en dat verbluffende verschijnselen zonder onderzoek of hoger beroep worden verworpen, is een vertoon van inconsequentie dat sterk aan angst zo niet aan een morele verdorvenheid doet denken.

Wanneer we dus ooit van de een of andere tegenwoordige Faraday dezelfde hatelijkheid toegeworpen zouden krijgen die deze heer jaren geleden uitsprak, toen hij met meer oprechtheid dan beschaving zei ‘dat veel honden het vermogen bezitten om veel logischer conclusies te trekken dan sommige spiritisten’,1 dan vrezen we dat we toch bij ons standpunt moeten blijven. Scheldwoorden zijn geen argumenten en zeker geen bewijzen. Al noemen mensen als Huxley en Tyndall het spiritisme een ‘verlagend geloof’ en oosterse magie ‘goochelarij’, dan kunnen ze daardoor toch niets aan de waarheid ervan afdoen. Scepticisme, of dit nu voortkomt uit een wetenschappelijk of uit een onwetend brein, is niet in staat de onsterfelijkheid van onze zielen – als die inderdaad onsterfelijk zijn – te veranderen en ze na de dood te vernietigen. ‘Het verstand is onderhevig aan misvatting’, zegt Aristoteles; dat geldt ook voor een mening; en van de persoonlijke opvattingen van de geleerdste filosoof kan vaak eerder worden bewezen dat het misvattingen zijn dan van de voortbrengselen van het gezonde verstand van zijn ongeletterde kok. In de Verhalen van de goddeloze khalief houdt Barrachias-Hassan-Oglu, de Arabische filosoof, de volgende wijze redenering:

Pas op, mijn zoon, voor zelfverheerlijking. Deze is heel gevaarlijk, omdat daarvan een aangename bedwelming uitgaat. Trek voordeel uit uw eigen wijsheid, maar leer ook de wijsheid van uw vaderen te respecteren. En bedenk, mijn geliefde zoon, dat het licht van Allahs waarheid vaak veel gemakkelijker in een leeg hoofd doordringt dan in een hoofd dat zo met geleerdheid is volgepropt dat door ruimtegebrek veel zilveren stralen eruit worden verdrongen; . . . dit is het geval met onze al te wijze Kadi.

Deze vertegenwoordigers van de moderne wetenschap in beide halfronden schijnen nooit méér blijk van minachting te hebben gegeven of zich meer verbitterd te hebben getoond ten opzichte van dit onoplosbare mysterie, dan sinds Crookes in Londen met zijn onderzoek van verschijnselen begon. Deze moedige man was de eerste die aan het publiek een van die zogenaamde ‘gematerialiseerde’ schildwachten voorstelde, die de verboden poorten bewaken. Na hem hadden verschillende andere wetenschappers de zeldzame onbevangenheid, gepaard gaand met een dosis moed die men gezien het feit dat het onderwerp weinig geliefd was heldenmoed zou kunnen noemen, om de verschijnselen te onderzoeken.

Maar helaas, hoewel de geest gewillig was, bleek het vlees zwak. De meesten van hen konden het niet verdragen om belachelijk te worden gemaakt en dus werd de zwaarste last gelegd op de schouders van Crookes. Een verslag van wat zijn belangeloze onderzoek hem opleverde en van de dank die hij van zijn collega’s kreeg, is te vinden in zijn drie brochures, getiteld Researches in the Phenomena of Spiritualism.

Na enige tijd werden de leden die deel uitmaakten van de commissie van de Dialectical Society en Crookes, die zijn mediums aan de scherpste controles had onderworpen, door een ongeduldig publiek gedwongen in duidelijke taal verslag te doen van wat ze hadden gezien. Maar wat konden ze anders zeggen dan de waarheid? Zo werden ze gedwongen te erkennen: Ten eerste dat de verschijnselen, waarvan zij althans getuige waren geweest, echt waren en onmogelijk konden zijn nagemaakt, waarmee werd aangetoond dat manifestaties die door een onbekende kracht werden voortgebracht, konden plaatsvinden en ook werkelijk plaatsvinden. Ten tweede dat ze niet konden vaststellen of die verschijningen door ontlichaamde geesten of vergelijkbare entiteiten werden voortgebracht; maar dat er feitelijk manifestaties plaatsvonden die veel van de vroeger ontwikkelde theorieën over de natuurwetten omverwierpen en die niet te ontkennen waren. Verschillende daarvan kwamen in hun eigen gezin voor. Ten derde dat ze ondanks al hun gezamenlijke inspanningen om het tegenovergestelde te bereiken, en verder te komen dan het onbetwistbare feit van de werkelijkheid van de verschijnselen – ‘een vage indruk van werkingen van de natuur die nog niet tot natuurwetten zijn herleid’2 – er om de uitdrukking van graaf De Gabalis over te nemen ‘geen touw aan konden vastknopen’.

Dit was precies waar een sceptisch publiek niet op had gerekend. Voordat de conclusies van Crookes, Varley en de Dialectical Society werden bekendgemaakt, had men met ongeduld uitgezien naar de nederlaag van hen die in het spiritisme geloven. Zo’n bekentenis door hun collega-wetenschappers was te vernederend voor de trots van hen die uit angst van een dergelijk onderzoek hadden afgezien. Het was werkelijk meer dan men kon verdragen dat zulke laag bij de grondse en weerzinwekkende manifestaties van verschijnselen, die door beschaafde mensen altijd eendrachtig als sprookjes werden beschouwd, alleen geschikt om hysterische dienstmeisjes te vermaken en beroepshypnotiseurs inkomsten te verschaffen – dat verschijnselen die door de Academie en het Instituut van Parijs naar de vergetelheid waren verwezen op zo onbeschaamde wijze aan ontmaskering door deskundigen op het gebied van de natuurwetenschappen ontkwamen.

Een storm van verontwaardiging volgde op deze erkenning. Crookes beschrijft dit in zijn brochure over psychische kracht. Aan het begin daarvan geeft hij heel toepasselijk een citaat van Galvani: ‘Ik word door twee volkomen tegengestelde partijen aangevallen – de wetenschappers en de weetnieten, en toch weet ik dat ik een van de grootste natuurkrachten heb ontdekt.’ Dan vervolgt hij:

De schrijvers gingen er als vanzelfsprekend van uit dat de resultaten van mijn experimenten zouden overeenstemmen met hun vooropgezette meningen. Wat ze in werkelijkheid verlangden was niet de waarheid, maar een bevestiging van wat ze een uitgemaakte zaak vonden. En toen ze tot de ontdekking kwamen dat de feiten die dat onderzoek opleverde niet in overeenstemming met die meningen konden worden gebracht, wel, ‘dat is dan jammer voor die feiten’. Ze probeerden zich te distantiëren van het feit dat zijzelf met zoveel vertrouwen een onderzoek hadden aanbevolen, door te verklaren: ‘die Home is een handige goochelaar die ons allen heeft beetgenomen.’ ‘Crookes kon evengoed de toeren van een Indiase goochelaar onderzoeken.’ ‘Crookes moet met betere bewijzen komen vóór men hem kan geloven.’ ‘Het is te dwaas om serieus te worden genomen.’ ‘Het is onmogelijk en daarom kan het niet.’ (Ik heb nooit gezegd dat het mogelijk was; ik zei slechts dat het waar was.) ‘De onderzoekers waren allen gebiologeerd en verbeeldden zich dingen te zien gebeuren die in werkelijkheid nooit hebben plaatsgevonden’, enz., enz., enz.3

Na hun energie te hebben verspild aan zulke kinderachtige theorieën als ‘onbewuste hersenwerking’, ‘onwillekeurige samentrekking van de spieren’ en de volkomen belachelijke theorie van ‘het kraken van de kniegewrichten’ (le muscle craqueur); na beschamende nederlagen te hebben geleden door het koppig voortleven van de nieuwe kracht, en ten slotte, na alle wanhopige pogingen om haar teniet te doen, vonden deze ‘filii diffidentiae’ – zoals Paulus dat soort mensen noemt – het het beste om zich met afkeer van de hele zaak af te wenden. Ze offerden hun moedig volhardende collega’s op het altaar van de publieke opinie, en trokken zich terug in een waardig stilzwijgen. Het is niet waarschijnlijk dat deze ongelukkige onderzoekers de arena van het onderzoek dat ze aan meer onverschrokken strijders hebben overgelaten ooit weer zullen betreden.4 Het is veel gemakkelijker de werkelijkheid van zulke verschijningen op een veilige afstand te ontkennen dan om daarvoor de juiste plaats vast te stellen in de categorieën van natuurverschijnselen die door de exacte wetenschap worden erkend. En hoe zouden ze dat kunnen, omdat al die verschijnselen tot het gebied van de psychologie behoren en deze, met al haar occulte en geheimzinnige krachten voor de moderne wetenschap terra incognita is? Omdat de wetenschappers niet in staat zijn om datgene te verklaren wat rechtstreeks voortvloeit uit de aard van de menselijke ziel – waarvan de meesten van hen het bestaan ontkennen – en tegelijkertijd onwillig zijn om hun onwetendheid te erkennen, wreken ze zich heel onrechtvaardig op hen die het getuigenis van hun zintuigen geloven zonder enige aanspraak te maken op wetenschappelijkheid.

‘Een schop van u, O Jupiter, is zoet’, zegt de dichter Tretiakowsky in een oude Russische tragedie. Deze Jupiters van de wetenschap gedragen zich soms misschien grof tegenover ons, goedgelovige stervelingen, maar door hun uitgebreide kennis – over minder duistere vraagstukken, bedoelen we – en niet door hun manieren, hebben ze recht op het respect van het publiek. Maar helaas zijn het niet de goden die het hardst schreeuwen.

De welsprekende Tertullianus noemt Satan en zijn duiveltjes, die hij ervan beschuldigt steeds de werken van de Schepper na te bootsen, ‘na-apers van God’. Gelukkig voor die filosoofjes hebben we geen moderne Tertullianus om hen als ‘apen van de wetenschap’ met onsterfelijke minachting te behandelen.

Maar laten we terugkeren tot de echte wetenschappers. A.N. Aksakof zegt:

Verschijnselen van zuiver objectieve aard vragen van de vertegenwoordigers van de exacte wetenschappen dringend om onderzoek en verklaring; maar de hogepriesters van de wetenschap worden door een zo schijnbaar eenvoudig vraagstuk . . . geheel in verlegenheid gebracht! Dit onderwerp schijnt het voorrecht te hebben om hen te dwingen tot verraad tegen niet alleen de hoogste ethische norm – de waarheid – maar ook tegen de hoogste wet in de wetenschap – het experiment! . . . Ze voelen dat er iets te ernstigs aan ten grondslag ligt. De gevallen van Hare, Crookes, De Morgan, Varley, Wallace en Butleroff veroorzaken paniek! Ze zijn bang dat als ze zich op één punt gewonnen geven, ze het hele terrein zullen moeten prijsgeven. Aloude beginselen, beschouwende bespiegelingen van een heel leven, van vele generaties, dit alles wordt op één kaart gezet!5

Wat kunnen we gezien de ervaringen opgedaan door Crookes en de Dialectical Society, door Wallace en wijlen prof. Hare, nog verwachten van onze lichten van grote kennis? Hun houding tegenover de niet te ontkennen verschijnselen is op zichzelf al een fenomeen. Het is eenvoudig onbegrijpelijk, tenzij we de mogelijkheid openlaten voor een andere psychische ziekte, even mysterieus en besmettelijk als watervrees. Hoewel we niet de eer opeisen voor deze nieuwe ontdekking, stellen we toch voor deze aan te duiden als wetenschappelijke psychofobie.

Ze zouden in de harde school van ondervinding zo langzamerhand geleerd moeten hebben dat ze slechts tot op zekere hoogte op de zelfgenoegzaamheid van de exacte wetenschappen kunnen vertrouwen en dat, zolang er nog maar één enkel onverklaard mysterie in de natuur overblijft, het woord ‘onmogelijk’ voor hen een gevaarlijk woord is.

In zijn Researches in the Phenomena of Spiritualism6 laat Crookes de lezer de keuze uit acht theorieën ‘om de waargenomen verschijnselen te verklaren’. Die theorieën luiden als volgt:

Eerste theorie – De verschijnselen zijn alle het resultaat van trucs, handig aangebrachte werktuigen, of vingervlugheid; de mediums zijn bedriegers; de rest van het gezelschap zijn sukkels. . . .

Tweede theorie – De aanwezigen bij een seance zijn het slachtoffer van een soort manie of illusie en verbeelden zich dat er zich verschijnselen voordoen die geen werkelijk objectief bestaan hebben.

Derde theorie – Het geheel is het gevolg van bewuste of onbewuste hersenwerking.

Vierde theorie – Het gevolg van de geest van het medium, misschien in samenwerking met de geesten van sommige of alle aanwezigen.

Vijfde theorie – De werkingen van boze geesten of duivels, die wie of wat ze maar willen belichamen, met het doel het christendom te ondermijnen en de zielen van de mensen in het verderf te storten [de theorie van onze theologen].

Zesde theorie – De werkingen van een afzonderlijke orde van wezens, die op deze aarde wonen, maar onstoffelijk en voor ons onzichtbaar zijn. Ze zijn echter soms in staat zich te manifesteren, en zijn in bijna alle landen en tijden bekend, en wel als demonen (die niet per se slecht zijn), gnomen, feeën, kobolden, elfen, kabouters, enz. [een van de beweringen van de kabbalisten].

Zevende theorie – Het werk van heengegane mensen – de spiritistische theorie bij uitstek.

Achtste theorie – (De theorie van de psychische kracht) . . . een toevoegsel aan de vierde, vijfde, zesde en zevende theorie.

De eerste van deze theorieën is slechts in enkele, maar helaas nog te vaak voorkomende gevallen steekhoudend gebleken, en moet dus worden uitgesloten omdat ze geen werkelijk verband houdt met de verschijnselen zelf. De tweede en de derde theorie zijn de laatste afbrokkelende bolwerken van het legertje sceptici en materialisten en blijven bestaan want, zoals advocaten plegen te zeggen, adhuc sub judice lis est (tot nu toe is de zaak nog onbeslist). In dit boek hoeven we ons dus slechts met de vier overgebleven theorieën bezig te houden, omdat de achtste, volgens Crookes, slechts een ‘noodzakelijk toevoegsel’ aan de andere is.

Hoezeer zelfs een wetenschappelijke opvatting onjuist kan zijn, zien we, wanneer we de verschillende artikelen over spiritistische verschijnselen, van de hand van die bekwame onderzoeker en verschenen in de jaren 1870-1875, vergelijken. In een van de eerste lezen we: ‘de ruimere toepassing van wetenschappelijke methoden zal bij de onderzoekers leiden tot exacte waarnemingen en grotere waarheidsliefde bevorderen en zal een soort waarnemers voortbrengen die het waardeloze overblijfsel van het spiritisme zal verbannen naar het onbekende gebied van de magie en necromantie.’7 En in 1875 lezen we boven zijn handtekening gedetailleerde en zeer interessante beschrijvingen van de gematerialiseerde ‘geest’ – Katie King!8

Het is moeilijk aan te nemen dat Crookes twee of drie jaar achtereen onder elektrobiologische invloed heeft verkeerd of hallucinaties heeft gehad. De ‘geest’ verscheen in zijn eigen huis, in zijn bibliotheek, onder de meest stringent gecontroleerde omstandigheden, en werd door honderden personen gezien, gevoeld en gehoord.

Maar Crookes ontkent dat hij Katie King ooit als een van het lichaam gescheiden geest heeft beschouwd. Wat was ze dan? Als het niet Mej. Florence Cook was – en zijn woord is voor ons voldoende waarborg – dan was ze óf de geest van iemand die op aarde had geleefd, óf een van die wezens die rechtstreeks vallen onder de zesde theorie van de acht, die de eminente wetenschapper het publiek ter keuze aanbiedt. Het moet één van die wezens zijn geweest, die feeën, kobolden, aardmannetjes, elfen of kabouters worden genoemd.

Ja, Katie King moet een fee geweest zijn – een titania. Want de volgende poëtische ontboezeming die Crookes bij zijn beschrijving van deze wonderbaarlijke geest citeert, kan alleen op een fee van toepassing zijn:

Rondom haar verspreidde ze een atmosfeer van leven;
De lucht zelf scheen lichter vanuit haar ogen,
Zo zacht waren die, zo mooi, zo overvloeiende
Van al wat we ons van de hemelen kunnen voorstellen; . . .
Haar overweldigende aanwezigheid geeft u het gevoel
Dat het geen blinde verering zou zijn om voor haar te knielen!9

Na aldus in 1870 zijn strenge vonnis tegen spiritisme en magie te hebben neergeschreven, na te hebben gezegd dat hij zelfs op dat ogenblik ‘de hele zaak als bijgeloof, althans als een niet-verklaarde truc beschouwde . . . een misleiding van de zintuigen’, besluit Crookes in 1874 zijn brief met de volgende gedenkwaardige woorden: ‘Het doet iemands gezonde verstand meer geweld aan te veronderstellen dat de Katie King van de laatste drie jaren het resultaat van bedrog zou zijn dan te geloven dat zij is wat zijzelf beweert te zijn.’10 Deze laatste opmerking bewijst bovendien overtuigend dat: 1. Ondanks Crookes’ vaste overtuiging dat zij die zich Katie King noemde noch het medium noch een of andere handlanger was, maar integendeel een onbekende natuurkracht die – evenals liefde – ‘pijlen schiet over honderd mijlen’; 2. Hoewel deze tot nu toe onbekende vorm van kracht voor Crookes ‘niet een kwestie van denken maar een van weten’ was geworden, de eminente onderzoeker toch tot het laatste ogenblik zijn sceptische houding ten opzichte van het vraagstuk niet liet varen. Kortom, hij gelooft wel degelijk in het verschijnsel, maar verwerpt het denkbeeld dat het de menselijke ‘geest’ van een overleden persoon is.

Het komt ons voor dat Crookes, voor zover het het vooroordeel van de mensen betreft, het ene mysterie oplost door een nog groter te scheppen: het obscurum per obscurius. Met andere woorden, terwijl de moedige wetenschapper ‘het waardeloze overblijfsel van het spiritisme’ verwerpt, stort hij zich onbevreesd in zijn eigen ‘onbekende gebied van magie en necromantie’.

De bekende wetten van de natuurkunde kunnen maar enkele van de meer objectieve van de zogenaamde spiritistische verschijnselen verklaren. Hoewel ze de werkelijkheid van bepaalde zichtbare gevolgen van een onbekende kracht aantonen, hebben ze tot dusver de wetenschappers nog niet in staat gesteld om zelfs dit aspect van de verschijnselen naar goeddunken te beheersen. Het is zo dat de wetenschappers nog niet de noodzakelijke voorwaarden hebben ontdekt waaronder de verschijnselen zich voordoen. Ze moeten de drievoudige aard van de mens – fysiologisch, psychisch en goddelijk – even diepgaand bestuderen als hun voorgangers, de magiërs, theürgen en thaumaturgen uit de oudheid. Tot op heden hebben zelfs zij die de verschijnselen even grondig en onpartijdig onderzochten als Crookes, de oorzaak terzijde geschoven als iets dat nu niet, en misschien wel nooit, kan worden gevonden. Ze hebben zich daarmee evenmin beziggehouden als met de eerste oorzaak van de wisselwerking van krachten bij kosmische verschijnselen, waarvan ze de eindeloze gevolgen met zoveel moeite onderzoeken en classificeren. Hun werkwijze is even dwaas als die van iemand die de bronnen van een rivier probeert te vinden door onderzoek te doen in de richting van haar monding. Dit heeft hun opvattingen over de mogelijkheden van de natuurwetten zo vernauwd dat zeer eenvoudige vormen van occulte verschijnselen noodzakelijk door hen moesten worden ontkend, omdat er anders wonderen mogelijk zouden zijn; en aangezien dit laatste een wetenschappelijke ongerijmdheid is, heeft dit tot gevolg gehad dat de natuurkunde de laatste tijd haar prestige aan het verliezen is. Indien wetenschappers de zogenaamde ‘wonderen’ hadden bestudeerd in plaats van ze te ontkennen, zouden veel geheime natuurwetten, die in de oudheid werden begrepen, opnieuw zijn ontdekt. ‘Overtuiging’, zegt Bacon, ‘ontstaat niet door redeneringen maar door experimenten.’

De Ouden – vooral de Chaldeeuwse astrologen en magiërs – onderscheidden zich altijd door hun vurige liefde voor en het nastreven van kennis in elke tak van wetenschap. Ze probeerden de geheimen van de natuur op dezelfde manier als de huidige wetenschappers te doorgronden, en wel volgens de enige methode waarmee dit doel kan worden bereikt, namelijk door experimenteel onderzoek en door redenering. Als filosofen tegenwoordig niet kunnen begrijpen dat zij dieper in de geheimen van het heelal waren doorgedrongen dan zijzelf, dan vormt dit nog geen gegronde reden om hun het bezit van zo’n wetenschap te ontzeggen of hen van bijgeloof te beschuldigen. Er is niets dat die beschuldiging rechtvaardigt en iedere nieuwe archeologische ontdekking is in strijd met die bewering. Als scheikundigen waren ze ongeëvenaard. Wendell Phillips zegt in zijn beroemde lezing The Lost Arts: ‘De scheikunde van de vroege oudheid had een hoogte bereikt die wij zelfs niet zijn genaderd.’ Het zou in onze beschaafde landen even moeilijk zijn het geheim van het buigzame glas ‘dat wanneer het aan het ene uiteinde door zijn eigen gewicht omlaag wordt getrokken na twintig uur slinkt tot een ragfijne draad die u om uw pols kunt winden’, opnieuw te ontdekken als naar de maan te vliegen.

Het kunnen vervaardigen van een glazen beker, die door een banneling tijdens de regering van Tiberius naar Rome werd gebracht – een beker ‘die hij op de marmeren vloer wierp en die door de val noch barstte noch brak’ en die, omdat het voorwerp daardoor ‘enigszins gedeukt’ was, met een hamer weer gemakkelijk in zijn oude vorm werd teruggebracht, is een historisch feit.11 Dat men er nu aan twijfelt, komt slechts omdat men zoiets tegenwoordig niet kan maken. En toch kunnen dat soort bekers en glaswerk nu nog in Samarkand en in sommige kloosters in Tibet worden gevonden; er zijn zelfs mensen die beweren dat ook zij die kunnen maken met hun kennis van de veelbespotte en steeds in twijfel getrokken alkahest, het universele oplosmiddel. Dit agens is volgens Paracelsus en Van Helmont een bepaalde vloeistof in de natuur, ‘waardoor alle ondermaanse lichamen, zowel homogene als gemengde, tot hun ens primum, dat wil zeggen tot de oorspronkelijke stof waaruit ze zijn samengesteld, kunnen worden teruggebracht, of tot een gelijkvormige drinkbare vloeistof die zich met water en met de sappen van alle lichamen laat verenigen en toch steeds haar oorspronkelijke eigenschappen behoudt; en wanneer ze weer met zichzelf wordt vermengd, dan wordt ze omgezet in zuiver elementair water’.12 Waarom zou men deze bewering voor onmogelijk houden? Waarom zou deze stof niet kunnen bestaan en waarom zou men het denkbeeld als utopisch beschouwen? Is dat ook in dit geval omdat de huidige scheikundigen haar niet kunnen maken? Maar men kan zich toch heel gemakkelijk, zonder veel inspanning van de verbeelding, voorstellen dat alle lichamen uit de een of andere oerstof moeten zijn voortgekomen, en dat deze stof volgens de astronomie, geologie en natuurkunde een vloeistof moet zijn geweest. Waarom kan goud – over het ontstaan waarvan onze wetenschappers zo weinig weten – niet oorspronkelijk een primitieve stof, een basisgoudstof, zijn geweest, een zware vloeistof die volgens Van Helmont ‘uit eigen aard of door een sterke cohesie tussen haar deeltjes later een vaste vorm aannam’?13 Het is niet zo dwaas om te geloven in een ‘universeel ens dat alle lichamen doet oplossen in hun ens genitale’. Van Helmont noemt dit ‘het hoogste en het krachtigste van alle zouten, het enige dat, na de hoogste graad van eenvoud, zuiverheid en fijnstoffelijkheid te hebben verkregen, het vermogen bezit onveranderd en onaangetast te blijven door de stoffen waarop het inwerkt, en dat de hardste, moeilijk te bewerken lichamen, zoals stenen, edelgesteenten, glas, aarde, zwavel, metalen, enz., kan oplossen in rood zout dat evenveel weegt als de opgeloste stof, en dat gebeurt even gemakkelijk als dat heet water sneeuw doet smelten’.14

De makers van buigzaam glas beweerden en beweren nog dat ze gewoon glas gedurende enkele uren in deze vloeistof dompelen om het deze eigenschap van buigzaamheid te geven.

We hebben een eenvoudig en tastbaar bewijs voor de mogelijkheid hiervan. Een buitenlandse correspondent van de Theosophical Society, een bekende arts die meer dan dertig jaar de occulte wetenschappen heeft bestudeerd, is erin geslaagd wat hij de ‘ware olie van het goud’ noemt te verkrijgen, dat wil zeggen het oorspronkelijke element. Schei- en natuurkundigen hebben het gezien en onderzocht, en moesten toegeven dat ze niet wisten hoe het was verkregen, en waren zelf niet daartoe in staat. Dat hij niet wil dat zijn naam wordt bekendgemaakt, is niet verwonderlijk; de bespotting en het vooroordeel van het grote publiek zijn soms gevaarlijker dan de inquisitie van vroeger. Deze ‘adamitische aarde’ komt dichtbij de alkahest en is een van de belangrijkste geheimen van de alchemisten. Geen enkele kabbalist zal dit aan de wereld bekendmaken, want zoals hij het in zijn bekende jargon uitdrukt: ‘dit zou de verklaring geven van de arenden van de alchemisten en hoe de vleugels van de arenden worden gekortwiekt’, een geheim dat Thomas Vaughan (Eugenius Philalethes) pas na 20 jaar te weten kwam.

Naarmate de dageraad van de natuurwetenschap overging in schitterend daglicht, werden de geesteswetenschappen meer en meer in nachtelijk duister gehuld om op hun beurt geheel te worden ontkend. En dus worden deze edelste meesters van de psychologie nu beschouwd als ‘onwetende en bijgelovige voorouders’; als kwakzalvers en goochelaars, omdat de zon van de huidige geleerdheid tegenwoordig zó fel schijnt dat het een axioma is geworden dat de filosofen en wetenschappers uit de oudheid niets wisten en in een nacht van bijgeloof leefden. Maar hun lasteraars vergeten dat de zon van vandaag donker zal lijken vergeleken met de ster van morgen, ongeacht of dit terecht is of niet; en zoals de mensen van onze eeuw hun voorouders voor onwetend houden, evenzo zullen hun nakomelingen hen misschien als weetnieten beschouwen. De wereld gedraagt zich cyclisch. De toekomstige rassen zullen slechts de reproducties zijn van rassen die langgeleden hebben geleefd, zoals wij het evenbeeld zijn van hen die een honderdtal eeuwen geleden hebben geleefd. Eens zal de tijd komen dat zij die nu in het openbaar de hermetici belasteren maar in het geheim over hun met stof bedekte boekdelen nadenken, die hun denkbeelden stelen, ze verwerken en ze dan als hun eigen ideeën verkondigen – dat deze lieden hun loon zullen ontvangen. Pfaff roept eerlijk uit:

Wie heeft ooit ruimere denkbeelden over de natuur gehad dan Paracelsus? Hij was de stoutmoedige schepper van scheikundige geneesmiddelen, de oprichter van moedige verenigingen, zegevierend in controverses en behorend tot die denkers die ons een nieuwe manier van natuurbeschouwing hebben geschonken. Wat hij verspreid in zijn geschriften meedeelt over de steen der wijzen, over dwergen en mijn-geesten, over voortekens, homunculi en het levenselixer, wat door velen tegen hem wordt aangevoerd om zijn reputatie te schaden, kan echter onze dankbare herinnering aan zijn werken in het algemeen en onze bewondering voor zijn onbevangen, dappere pogingen en zijn edele, intellectuele leven niet uitwissen.15

Veel pathologen, scheikundigen, homeopaten en magnetiseurs hebben hun dorst naar kennis gelest met de boeken van Paracelsus. Frederick Hufeland ontleende zijn theorieën over infecties aan die middeleeuwse ‘kwakzalver’, zoals Sprengel deze geleerde, die onmetelijk ver boven hem staat, zo graag noemt. Hemmann, die deze grote filosoof probeert te rehabiliteren en die zo edelmoedig poogt zijn belasterde reputatie in ere te herstellen, noemt hem ‘de grootste scheikundige van zijn tijd’.16 Ook prof. Molitor17 en de eminente Duitse psycholoog dr. Ennemoser noemen hem zo.18 Volgens hun bespreking van de werken van Paracelsus is deze hermeticus ‘het verbazingwekkendste intellect van zijn tijd’, een ‘edel genie’. Maar de verlichte denkers van deze tijd verbeelden zich het beter te weten, en de denkbeelden van de rozenkruisers over elementaren, kabouters en elfen worden naar het ‘rijk van de magie’ verwezen en worden als kindersprookjes beschouwd.19

We willen graag aan sceptici toegeven dat de helft, en zelfs meer, van de zogenaamde verschijnselen slechts min of meer handig bedrog is. De ontmaskeringen van de laatste tijd, vooral die van ‘materialiserende’ mediums, leveren maar al te duidelijk het bewijs daarvan. Ongetwijfeld zullen die onthullingen nog door vele andere worden gevolgd en dit zal doorgaan tot de controlevoorwaarden zo volmaakt en de spiritisten zo verstandig zijn geworden dat de mediums geen nieuwe gelegenheden en de tegenstanders geen nieuwe ammunitie worden geboden.

Wat zouden verstandige spiritisten moeten denken over de aard van beschermengelen, die, na misschien jarenlang de tijd, gezondheid en middelen van een beklagenswaardig medium voor zich op te hebben opgeëist, hem plotseling verlaten, wanneer hij hun hulp het meest nodig heeft? Slechts wezens zonder ziel of geweten zouden zich aan zo’n onrechtvaardigheid schuldig maken. De omstandigheden? – niets dan sofisterij. Wat moeten dat wel voor geesten zijn die niet, zo nodig, een heel leger bevriende geesten bijeenroepen (wanneer die tenminste bestaan) om het onschuldige medium weg te trekken van de kuil die vóór zijn voeten is gegraven? Zulke dingen gebeurden in de oudheid en kunnen ook nu nog gebeuren. Geestverschijningen vonden plaats vóór het moderne spiritisme, en verschijnselen zoals we die nu waarnemen kwamen voor in alle voorafgaande eeuwen. Indien de moderne verschijnselen werkelijke, tastbare feiten zijn, dan moeten de zogenaamde ‘wonderen’ en thaumaturgische verrichtingen in de oudheid dat eveneens zijn geweest; en als laatstgenoemde slechts bijgelovige verzinsels zijn, dan moet dat ook gelden voor de eerstgenoemde, want het getuigenis waarop ze berusten is in dat geval niet beter.

Maar al wordt bewezen dat tweederde van deze dagelijks toenemende stortvloed van occulte verschijnselen die de hele wereld overspoelt bedrog is, hoe zit het dan met die verschijnselen waarvan de echtheid boven alle twijfel en kritiek is verheven? Men treft daaronder mededelingen aan die ons bereiken door tussenkomst van zowel beroeps- als niet-beroeps-mediums, en die subliem en goddelijk verheven zijn. Vaak ontvangen we van jonge kinderen of eenvoudige, onontwikkelde mensen filosofische leringen en voorschriften, poëzie en geïnspireerde redevoeringen, muziek en schilderstukken die de naam van hun vermeende auteurs waardig zijn. Hun voorspellingen worden vaak bevestigd en hun verhandelingen over ethiek zijn weldadig, hoewel laatstgenoemde minder vaak voorkomen. Wie zijn die geesten, wat zijn die krachten of intelligenties die kennelijk buiten het eigenlijke medium staan en opzichzelfstaande entiteiten zijn? Deze intelligenties verdienen die naam, en verschillen als dag en nacht van de gewone soort spoken en kwelgeesten die rondzwerven in de seancekamers.

We erkennen dat de toestand zeer ernstig lijkt. De beheersing van mediums door zulke beginselloze, leugenachtige ‘geesten’ komt steeds vaker voor, en de slechte invloed van wat diabolisme schijnt te zijn neemt voortdurend toe. Sommige van de beste mediums treden niet meer in het openbaar op en onttrekken zich aan die invloed; de beweging drijft langzaam af in de richting van de kerk. We durven te voorspellen dat, tenzij de spiritisten de oude filosofie gaan bestuderen en daardoor onderscheid leren maken tussen de verschillende soorten geesten en zich leren beschermen tegen de lagere soorten, het geen 25 jaar meer zal duren vóór ze hun toevlucht zullen moeten nemen tot de roomse communie om aan deze ‘geleigeesten’ en ‘controlerende geesten’, die zij gedurende zo lange tijd hebben gekoesterd, te ontkomen. De eerste tekenen van deze catastrofe beginnen al duidelijk te worden. Op een onlangs gehouden bijeenkomst in Philadelphia werd in ernst voorgesteld een sekte van christelijke spiritisten op te richten! Dit komt omdat ze, na zich van de kerk te hebben afgescheiden zonder iets van de filosofie van de verschijnselen of de aard van hun geesten te hebben geleerd, als een schip zonder kompas of roer rondzwalken over een zee van onzekerheid. Ze kunnen niet ontkomen aan het dilemma: ze moeten kiezen tussen Porphyrius en Pius IX.

Terwijl werkelijke wetenschappers zoals Wallace, Crookes, Wagner, Butleroff, Varley, Buchanan, Hare, Reichenbach, Thury, Perty, De Morgan, Hoffmann, Goldschmidt, W. Gregory, Flammarion, sergeant Cox en vele anderen vast geloven in de huidige verschijnselen, verwerpen velen van hen de theorie van de gestorven geesten. Het lijkt ons daarom niet anders dan logisch te denken dat, als de Londense ‘Katie King’ – het enige gematerialiseerde iets dat het publiek uit eerbied voor de wetenschap min of meer verplicht is aan te nemen – niet de geest van een gestorvene is, het de astrale, verdichte schaduw moet zijn van een van de spoken uit de werken van de rozenkruisers – ‘fantasieën van het bijgeloof’ – of van een tot nu toe onverklaarde natuurkracht. Of het echter ‘een genezende geest of een vervloekte kabouter’ is, doet weinig ter zake; want als eenmaal is bewezen dat zijn organisme niet uit vaste stof bestaat, dan moet het een geest zijn en is het een geest, een verschijning, een ademtocht. Het is een intelligentie die buiten ons organisme om werkt, en dus tot een of andere bestaande, hoewel onzichtbare, klasse van wezens moet behoren. Maar wat is het? Wat is dit iets dat denkt en zelfs spreekt, maar toch geen mens is, dat ontastbaar is en toch geen ontlichaamde geest, dat liefde, hartstocht, berouw, angst en vreugde imiteert en toch niets van dit alles voelt? Wat is dat voor een huichelachtig wezen dat genoegen schept in het bedriegen van de oprechte onderzoeker en in het bespotten van heilige menselijke gevoelens? Want al heeft de Katie King van Crookes dat niet gedaan, andere soortgelijke wezens deden dit alles wel. Wie kan het geheim doorgronden? Alleen de ware psycholoog. En waar anders kan hij zijn handboeken vinden dan in de lang vergeten schuilhoeken van bibliotheken waar de werken van geminachte hermetici en theürgen onder het stof van vele jaren verborgen liggen?

Henry More, de gerespecteerde Engelse platonist, zegt in zijn verweer tegen de aanval van een scepticus uit die tijd, Webster genaamd, op mensen die geloven in spiritistische en magische verschijnselen:20

Dat andere denkbeeld waaraan het grootste deel van de hervormde theologen gelooft, namelijk dat het de duivel was die in de gedaante van Samuel verscheen, is niet de moeite waard om over te spreken. Want al twijfel ik er niet aan dat het bij veel van die necromantische verschijningen bespottelijke geesten en niet de zielen van de gestorvenen zijn die verschijnen, toch ben ik overtuigd van het verschijnen van de ziel van Samuel en evenzeer ben ik er zeker van dat er in andere necromantieën zich zulke geesten kunnen voordoen zoals Porphyrius heeft beschreven, die zich in allerlei vormen en gedaanten veranderen en het ene ogenblik de rol kunnen spelen van duivels, op een ander die van engelen of goden en weer een ander die van de zielen van de gestorvenen. En ik geef toe dat zo’n geest hier Samuel zou kunnen uitbeelden, al zou Webster nog zo overtuigd zijn van het tegendeel, want zijn argumenten zijn buitengewoon zwak en onhandig.

Wanneer zo’n metafysicus en filosoof als Henry More een dergelijk getuigenis aflegt, dan kunnen we heel goed aannemen dat we een juist standpunt hebben ingenomen. Geleerde onderzoekers, die allen heel sceptisch staan tegenover geesten in het algemeen en ‘geesten van gestorven mensen’ in het bijzonder, hebben zich de afgelopen 20 jaar het hoofd gebroken om nieuwe namen te bedenken voor een oude zaak. Zo heet die bij Crookes en sergeant Cox ‘psychische kracht’; prof. Thury uit Genève noemt haar de ‘psychode’ of ectenische kracht; prof. Balfour Stewart de ‘elektrobiologische kracht’; Faraday, de ‘grote meester van de experimentele natuurkunde’, maar blijkbaar een nieuweling in de psychologie, noemde het laatdunkend een ‘onbewuste spierwerking’, een ‘onbewuste hersenwerking’, en wat al niet; Sir William Hamilton, een ‘latente gedachte’; dr. Carpenter, het ‘ideo-motorisch beginsel’, enz., enz. Zoveel wetenschappers – zoveel namen.

Jaren geleden verwierp de oude Duitse filosoof Schopenhauer deze kracht en stof tegelijk, en sinds de bekering van Wallace heeft deze grote antropoloog diens denkbeelden daarover kennelijk aangenomen. Schopenhauers leer is dat het heelal slechts de manifestatie is van de wil. Elke kracht in de natuur is eveneens een uiting van de wil, die een hogere of lagere graad van zijn objectiviteit vertegenwoordigt. Het is de lering van Plato, die duidelijk zegt dat alles wat zichtbaar is, werd geschapen of ontwikkeld door de onzichtbare, eeuwige wil, en op zijn manier. Onze hemel werd volgens hem voortgebracht overeenkomstig het eeuwige voorbeeld van de ‘ideëele wereld’, die, evenals al het andere, besloten ligt in de dodecaëder, het meetkundige model dat door de godheid werd gebruikt.21 Bij Plato is dit oorspronkelijke wezen een emanatie van het demiurgische denkvermogen (nous), dat in alle eeuwigheid de ‘idee’ van de ‘nog te scheppen wereld’ in zich bevat, welke idee hij vanuit zichzelf tevoorschijn brengt.22 De natuurwetten zijn de vastgestelde betrekkingen van deze idee tot de vormen van haar manifestaties; ‘deze vormen’, zegt Schopenhauer, ‘zijn tijd, ruimte en oorzakelijkheid. Door tijd en ruimte verschilt de idee in haar talloze manifestaties’.

Deze denkbeelden zijn verre van nieuw, en zelfs bij Plato waren ze niet oorspronkelijk. In de Chaldeeuwse orakels23 lezen we het volgende:

De werken van de natuur bestaan tegelijkertijd met het verstandelijke [νοερός], spirituele licht van de Vader. Want het is de ziel [ψυχή] die de grote hemel versierde, en die deze versiert overeenkomstig de Vader.

‘De onlichamelijke wereld was toen al voltooid, omdat ze haar zetel had in het goddelijke Verstand’, zegt Philo24, die ten onrechte ervan wordt beschuldigd zijn filosofie van die van Plato te hebben afgeleid.

In de Theogonie van Mochus vinden we eerst de aether, dan de lucht – de twee beginselen waaruit Olam, de begrijpelijke (νοητός) God (het zichtbare stoffelijke heelal) wordt geboren.25

In de orfische gezangen komt Eros-Phanes voort uit het spirituele ei, bevrucht door de aetherische winden; de wind26 is dan ‘de geest van God’, waarvan men zegt dat hij in aether in beweging is, zwevende ‘boven de Chaos’ – de goddelijke ‘Idee’. ‘In de Kathakopanishad van de hindoes bestaat purusha, de goddelijke geest, vóór de oorspronkelijke stof, uit de vereniging waarvan de grote ziel van de wereld maha-atma, Brahma, de levensgeest ontstaat’;27 deze laatste benamingen betekenen volkomen hetzelfde als de universele ziel of anima mundi en het astrale licht van de theürgen en kabbalisten.

Pythagoras bracht zijn leringen mee uit de tempels van het Oosten en Plato bracht ze bijeen in een vorm die voor de niet-ingewijden begrijpelijker was dan de mysterieuze getallen van die wijze – van wie hij de beginselen volledig had aangenomen. Zo is de kosmos bij Plato ‘de zoon’, die als vader en moeder het goddelijke denken en de stof heeft.28

‘De Egyptenaren’, zegt Dunlap,29 ‘maken onderscheid tussen de oudere en de jongere Horus; eerstgenoemde is de broer van Osiris, de laatste de zoon van Osiris en Isis.’ De eerste is de Idee van de wereld, die verblijft in het demiurgisch denkvermogen, ‘in duisternis geboren vóór de schepping van de wereld’. De tweede Horus is deze ‘Idee’, die uitgaat van de logos, zich in de stof hult en een werkelijk bestaan aanneemt.30

‘De wereld-God, eeuwig, grenzeloos, jong en oud, met een spiraalvormige gedaante’, zeggen de Chaldeeuwse orakels.31

Deze ‘spiraalvormige gedaante’ is een beeld om de trillende beweging van het astrale licht aan te duiden, waarmee de priesters van de oudheid heel goed bekend waren, al hadden ze misschien een andere opvatting over ether dan hedendaagse wetenschappers; want de eeuwige Idee die het heelal doordringt, of de wil die kracht wordt, en de stof schept of structureert, lokaliseerden zij in de aether.

‘De wil’, zegt Van Helmont, ‘is de belangrijkste kracht. Want door de wil van de Schepper werden alle dingen gemaakt en in beweging gezet. . . . De wil is een kenmerk van alle spirituele wezens, en vertoont zich actiever in hen naarmate ze zich meer van de stof hebben bevrijd.’32 En Paracelsus, ‘de goddelijke’, zoals hij werd genoemd, voegt in dezelfde trant eraan toe: ‘Geloof moet de verbeelding bevestigen, want geloof bekrachtigt de wil. . . . Een vastbesloten wil is het begin van alle magische handelingen. . . . Dat de mensen geen volmaakte voorstelling van het resultaat maken en erin geloven, is de reden dat de magische praktijken twijfelachtig zijn, terwijl ze volkomen zeker zouden kunnen zijn.’

Alleen de tegenwerkende kracht van ongeloof en scepsis kan, als ze op een stroom van gelijke kracht wordt gericht, de andere tegengaan en soms geheel opheffen. Waarom zouden spiritisten zich erover verbazen dat de aanwezigheid van enkele mensen die zeer sceptisch of vijandig staan tegenover verschijnselen en onbewust hun wilskracht aanwenden om ze tegen te gaan, de manifestaties belemmert en ze vaak geheel ongedaan maakt? Als er al geen bewuste kracht op aarde bestaat die niet soms op een andere stuit die haar tegenwerkt of zelfs opheft, waarom zou men zich dan erover verbazen, wanneer de onbewuste, passieve kracht van een medium plotseling in haar werking wordt verlamd door een andere die haar tegenwerkt, al wordt ook deze onbewust uitgeoefend? De professoren Faraday en Tyndall beroemden zich erop dat hun aanwezigheid bij een seance elke manifestatie onmiddellijk deed ophouden. Alleen al dit feit had voor die eminente wetenschappers het bewijs moeten zijn dat er bij die verschijnselen een kracht optrad die hun aandacht verdiende. Als wetenschapper stond prof. Tyndall misschien ver boven de kring van mensen die bij de seance aanwezig waren; als scherpzinnige waarnemer, als iemand die zich niet gemakkelijk laat beetnemen door een medium dat gebruikmaakt van trucs, was hij misschien niet beter, maar wel even scherpzinnig als de anderen in de seancekamer, en wanneer de manifestaties een zo ingenieus bedrog waren dat ze de anderen konden bedriegen, dan zouden ze zelfs door zijn toedoen niet zijn opgehouden. Welk medium kan zich ooit op zulke verschijnselen beroemen zoals die door Jezus en na hem door apostel Paulus zijn teweeggebracht? Toch kwamen er zelfs bij Jezus gevallen voor waarbij de onbewuste, tegenwerkende kracht zelfs zijn zo goed gerichte wilsstroom overmeesterde. ‘En hij verrichtte daar niet veel wonderen, vanwege hun ongeloof’ (Mattheus 13:58).

Al die opvattingen vindt men weerspiegeld in de filosofie van Schopenhauer. Onze ‘onderzoekende’ wetenschappers kunnen er veel aan hebben als ze zijn werken bestuderen. Ze zullen daarin veel vreemde hypothesen vinden die op oude denkbeelden zijn gebaseerd, speculaties over de ‘nieuwe’ verschijnselen die wel eens even redelijk zouden kunnen blijken als welke andere ook, en ze zouden zich daardoor de vergeefse moeite kunnen besparen om nieuwe theorieën te bedenken. De theorieën over de psychische en ectenische krachten, over de ‘ideo-motor’ over ‘elektrobiologische krachten’, over de ‘latente gedachte’, en zelfs over ‘de onbewuste hersenwerking’ zouden in twee woorden kunnen worden samengevat: het kabbalistische astrale licht.

De stoutmoedige theorieën en opvattingen die in de werken van Schopenhauer zijn te vinden, verschillen hemelsbreed van die van de meeste orthodoxe wetenschappers. Deze moedige filosoof merkt op:

In werkelijkheid is er geest noch stof. . . . De neiging van een steen om onderhevig te zijn aan de zwaartekracht is even onverklaarbaar als het denken in de menselijke hersenen. . . . Als de stof – niemand weet waarom – naar de aarde kan vallen, dan kan ze ook – niemand weet waarom – denken. . . . Zodra we echter, zelfs in de mechanica, verder gaan dan het zuiver wiskundige, zodra we komen op het ondoorgrondelijke, de adhesie, de zwaartekracht, enzovoort, krijgen we te maken met verschijnselen die voor onze zintuigen even mysterieus zijn als de wil en het denken van de mens – we krijgen te maken met het onbegrijpelijke, want elke natuurkracht is dat. Waar is dan die stof die u allen zo goed denkt te kennen, en op grond waarvan u – omdat deze u zo bekend is – al uw conclusies trekt en uiteenzettingen baseert, en alles daarvan afleidt? . . . Datgene waarover het verstand en de zintuigen iets te weten kunnen komen is maar de buitenkant, ze kunnen nooit doordringen tot de innerlijke substantie van de dingen. Dat was de opvatting van Kant. Als u aanneemt dat er in een menselijk hoofd een of andere geest bestaat dan moet u dat ook aannemen voor een steen. Als uw dode en volkomen passieve stof de neiging kan vertonen om zwaartekracht uit te oefenen, of om, zoals elektriciteit, aan te trekken en af te stoten, en vonken uit te zenden, dan kan ze evenals de hersenen ook denken. Kortom, elk deeltje van de zogenaamde geest kunnen we vervangen door een gelijkwaardige hoeveelheid stof, en elk deeltje stof door geest. . . . Daarom kan de Cartesiaanse indeling van de dingen in geest en stof filosofisch nooit juist zijn, maar wel die in wil en verschijningsvorm, maar deze manier van indelen heeft niets te maken met de eerstgenoemde, want ze vergeestelijkt alles: ze herleidt alles wat in eerste instantie werkelijk en objectief is – het lichaam en de stof – tot een verschijningsvorm, en herleidt elke verschijningsvorm tot de wil.33

Deze denkbeelden bevestigen wat we al hebben gezegd over de verschillende benamingen die aan eenzelfde zaak worden gegeven. De twistende partijen strijden slechts over woorden. Noem het verschijnsel kracht, energie, elektriciteit, magnetisme, wil of geestkracht, het zal steeds de gedeeltelijke manifestatie zijn van de ziel, of deze nu ontlichaamd is of tijdelijk in haar lichaam gevangen zit – van een deel van die intelligente, machtige, individuele wil die de hele natuur doordringt en die, omdat de menselijke taal ontoereikend is om psychische beelden juist uit te drukken, bekendstaat als GOD.

De denkbeelden van sommige van onze wetenschappers over de stof zijn vanuit kabbalistisch standpunt gezien in veel opzichten onjuist. Hartmann noemt hun opvattingen ‘een instinctief vooroordeel’. Verder toont hij aan dat een onderzoeker zich in feite helemaal niet kan bezighouden met stof per se, maar slechts met de krachten waarin hij deze verdeelt. De zichtbare gevolgen van de stof zijn slechts de gevolgen van kracht. Daardoor komt hij tot de conclusie dat datgene wat men nu stof noemt, niets anders is dan de samenvoeging van atomaire krachten, waarvoor men het woord stof gebruikt; afgezien daarvan heeft het woord stof voor de wetenschap geen enkele betekenis. Ondanks veel eerlijke bekentenissen van specialisten – natuurkundigen, fysiologen en scheikundigen – dat ze helemaal niets van de stof afweten,34 vergoddelijken ze haar. Elk nieuw verschijnsel dat ze niet kunnen verklaren, wordt fijngemalen, tot wierook gemaakt en verbrand op het altaar van de godin die de hedendaagse wetenschappers onder haar bescherming heeft.

Niemand kan dit onderwerp beter behandelen dan Schopenhauer in zijn Parerga. In dit werk bespreekt hij uitvoerig dierlijk magnetisme, helderziendheid, sympathetische genezingen, zienerschap, magie, voortekenen, geesten-zien en andere spirituele zaken. Hij zegt:

Al deze manifestaties zijn takken van één en dezelfde boom, en leveren ons onweerlegbare bewijzen voor het bestaan van een keten van wezens, die op een heel andere orde van zaken berust dan die natuur die als haar grondslag de wetten van ruimte, tijd en aanpassingsvermogen heeft. Deze andere orde van zaken ligt veel dieper, want deze is oorspronkelijk en onmiddellijk; daar zijn de gewone natuurwetten, die zuiver formeel zijn, niet van toepassing; en door haar onmiddellijke werking kunnen tijd en ruimte de individuen dus niet langer scheiden, en stelt de op vormen berustende scheiding niet langer onoverkomelijke grenzen aan het overbrengen van gedachten en de onmiddellijke werking van de wil. Zo kunnen veranderingen worden teweeggebracht via een heel andere weg dan die van de fysieke oorzakelijkheid, namelijk door een werking van de manifestatie van de wil die zich op een bijzondere manier vertoont en buiten het individu zelf. Het eigenaardige karakter van alle bovengenoemde verschijnselen is dus een visio in distante et actio in distante [zien en handelen op afstand] met betrekking tot zowel tijd als ruimte.

Zo’n handelen op afstand is precies het fundamentele kenmerk van wat magisch wordt genoemd; want dat houdt de onmiddellijke werking in van onze wil, een handeling vrij van de oorzakelijke beperkingen van fysiek handelen, namelijk contact.

Schopenhauer vervolgt:

Bovendien vormen deze verschijnselen een werkelijk en volkomen logische ontkenning van het materialisme en zelfs van het naturalisme, want in het licht van zulke manifestaties schijnt die orde van de natuur die deze beide filosofische richtingen als absoluut en de enig ware willen voorstellen, ons als zuiver fenomenaal en oppervlakkig toe en bevat in de kern een afzonderlijke substantie van dingen die volledig onafhankelijk van haar eigen wetten is. De besproken verschijnselen zijn daarom – althans vanuit een zuiver filosofisch standpunt – ongetwijfeld de belangrijkste van alle feiten die het hele terrein van experimentele ervaring ons biedt. Daarom is het de plicht van elke wetenschapper om zich daarvan op de hoogte te stellen.35

Het zou geen zin hebben om van de filosofische beschouwingen van een man als Schopenhauer over te gaan tot de oppervlakkige generalisaties van sommige leden van de Académie Française, als het niet zo was dat we daardoor het intellectuele niveau van die twee scholen kunnen vergelijken. Wat de Duitse school van diepzinnige psychologische vraagstukken begrijpt, hebben we al gezien. Vergelijk dit met het beste wat de astronoom Babinet en de scheikundige Boussingault kunnen geven als verklaring van een belangrijk spiritistisch verschijnsel. In 1854-55 presenteerden die geleerde specialisten aan de Académie een mémoire, of monografie, die kennelijk was bedoeld om dr. Chevreuls te ingewikkelde theorie van de ronddraaiende tafels – hij maakte deel uit van de commissie die deze feiten moest onderzoeken – te bevestigen en tegelijkertijd duidelijker te maken.

We citeren letterlijk:

Wat de bewegingen en slingeringen betreft die bij sommige tafels zouden voorkomen, deze kunnen geen andere oorzaak hebben dan de onzichtbare en onwillekeurige trillingen van het spierstelsel van de onderzoeker; de sterkere samentrekking van de spieren manifesteert zich bij zulke gelegenheden door een reeks vibraties en wordt dan een zichtbare trilling die aan het voorwerp een ronddraaiende beweging geeft. Deze ronddraaiende beweging kan zich met aanzienlijke kracht openbaren door een geleidelijk sneller wordende beweging, of door een grote weerstand, telkens wanneer de beweging moet ophouden. Zo wordt de fysieke verklaring van dit verschijnsel duidelijk en levert geen enkel probleem op.36

Geen enkel! Deze wetenschappelijke hypothese – of zullen we zeggen bewijsvoering? – is even helder als een van Babinets nevelvlekken, waargenomen in een mistige nacht.

En toch hoe duidelijk dit bewijs misschien ook is, er ontbreekt een belangrijke factor aan, namelijk gezond verstand. We kunnen niet vaststellen of Babinet en désespoir de cause Hartmanns bewering al of niet aanneemt dat ‘de zichtbare gevolgen van de stof niets anders zijn dan de gevolgen van een kracht’ en dat men om zich een helder begrip te vormen van stof, eerst een goed begrip moet hebben van kracht. De filosofie van de school waartoe Hartmann behoort en die voor een deel door verschillende van de grote Duitse wetenschappers wordt aangenomen, leert dat het vraagstuk van de stof slechts kan worden opgelost door die onzichtbare kracht die Schopenhauer, op basis van zijn bekendheid daarmee, ‘magische kennis’, ‘magisch gevolg of magische werking van de wil’ noemt. We moeten dus eerst nagaan of de ‘onwillekeurige trillingen van het spierstelsel van de onderzoeker’, die slechts ‘werkingen van de stof’ zijn, worden veroorzaakt door een wil die zich in de onderzoeker of buiten hem bevindt. In het eerstgenoemde geval maakt Babinet van hem een onbewuste epilepticus; het laatste wordt door hem verworpen, zoals we later zullen zien, en hij schrijft alle verstandige antwoorden van de kloppende of tikkende tafels toe aan ‘onbewuste buiksprekerij’.

We weten dat elke wilsuiting in kracht wordt omgezet, en dat volgens bovengenoemde Duitse school de manifestaties van atomaire krachten individuele wilsuitingen zijn, die tot gevolg hebben dat de atomen onbewust stromen naar een concreet beeld dat al subjectief door de wil was geschapen. Democritus leerde, evenals zijn leermeester Leucippus, dat de eerste beginselen van alle dingen in het heelal atomen en een vacuüm zijn. Volgens de kabbalistische betekenis duidt het vacuüm hier op de latente godheid of latente kracht, die bij haar eerste manifestatie wil werd en zo aan die atomen – waarvan de opeenhoping stof is – de eerste impuls tot beweging gaf. Dit vacuüm was slechts een andere benaming voor chaos en wel een zeer onbevredigende, want volgens de peripatetici ‘heeft de natuur een afkeer van een vacuüm’.

Dat de Ouden vóór Democritus bekend waren met het denkbeeld van de onvernietigbaarheid van de stof wordt bewezen door hun allegorieën en talrijke andere feiten. Movers37 omschrijft het Fenicische denkbeeld van het ideële zonlicht als een spirituele invloed die uitstroomt van de hoogste God, Iao, ‘het licht dat alleen door het verstand kan worden begrepen – het fysieke en spirituele beginsel van alle dingen, waaruit de ziel emaneert’. Het was de mannelijke essentie of wijsheid, terwijl de oorspronkelijke stof of chaos de vrouwelijke essentie was. De eerste twee, eeuwig samen bestaande en oneindige beginselen waren dus al bij de eerste Feniciërs geest en stof. Die theorie is daarom even oud als de wereld, want Democritus was niet de eerste filosoof die haar onderwees, en intuïtie bestond al in de mens vóór de uiteindelijke ontwikkeling van zijn verstand. Maar juist de ontkenning van de grenzeloze, oneindige Entiteit, de bezitter van die onzichtbare wil, die we bij gebrek aan een betere benaming God noemen, is de oorzaak van de onmacht van elke materialistische wetenschap om de occulte verschijnselen te verklaren. In het bij voorbaat verwerpen van alles wat hen ertoe zou kunnen dwingen de grens van de exacte wetenschap te overschrijden en het terrein van de psychische of, als u wilt, metafysische fysiologie te betreden, moeten we de verborgen oorzaak zoeken van het feit dat ze door de manifestaties in verlegenheid worden gebracht, en van hun dwaze theorieën om deze te verklaren. De oude filosofie bevestigde dat als gevolg van de manifestatie van die wil – door Plato de goddelijke idee genoemd – al het zichtbare en onzichtbare tot bestaan kwam. Zoals die intelligente Idee, eenvoudig door haar wilskracht op een middelpunt van gelokaliseerde krachten te richten, objectieve vormen deed ontstaan, evenzo kan de mens, de microkosmos van de grote macrokosmos, hetzelfde doen in verhouding tot de ontwikkeling van zijn wilskracht. De denkbeeldige atomen – een door Democritus gebruikte beeldspraak en dankbaar door de materialisten overgenomen – lijken op automatische werkers die van binnenuit worden bewogen door de instroming van de universele Wil die op hen wordt gericht, zich manifesteert als kracht en hen in beweging zet. Het bouwplan van de structuur die moet worden opgebouwd, bevindt zich in het brein van de Architect en weerspiegelt zijn wil; het is nog abstract, en wordt vanaf het ogenblik dat het is ontworpen concreet door middel van die atomen die elke lijn, elk punt en elke figuur uitgedacht in de verbeelding van de goddelijke Meetkundige, getrouw volgen.

Zoals God schept, zo kan ook de mens scheppen. Als er een zekere intensiteit van wil bestaat, dan worden de door het denkvermogen geschapen vormen subjectief; hallucinaties worden ze genoemd, hoewel ze voor hun schepper even werkelijk zijn als een zichtbaar voorwerp voor ieder ander mens. Wanneer de wil intenser en met meer onderscheidingsvermogen wordt geconcentreerd, wordt de vorm concreet, zichtbaar, objectief; dan heeft men het geheim der geheimen geleerd, en is men een magiër.

De materialist zou tegen deze redenering geen bezwaar moeten maken, want hij beschouwt gedachte als stof. Wanneer men dit als juist aanneemt dan moeten het vernuftige mechanisme uitgedacht door de uitvinder, de sprookjesachtige taferelen ontstaan in het brein van de dichter, het prachtige schilderij gevormd door de verbeelding van de schilder, het standbeeld zonder weerga in de ether gebeiteld door de beeldhouwer, de paleizen en kastelen in de lucht opgetrokken door de architect – dit alles, hoewel onzichtbaar en subjectief, moet dan bestaan, want het is gevormde, gemodelleerde stof. Wie zal dan durven zeggen dat er geen mensen bestaan met zo’n oppermachtige wil dat ze die in de lucht gebouwde beelden zichtbaar en tastbaar kunnen maken door ze in grofstoffelijke omhulsels te kleden?

Als de Franse wetenschappers geen lauweren hebben geoogst op het nieuwe veld van onderzoek, wat heeft Engeland dan méér gedaan tot de dag waarop Crookes zich als zoenoffer voor de zonden van de geleerde heren aanbood? Faraday verwaardigde zich 20 jaar geleden een paar keer om over dit onderwerp te spreken. Faraday, wiens naam door de anti-spiritisten in elke discussie over de verschijnselen als een soort wetenschappelijk tovermiddel tegen het boze oog van het spiritisme wordt gebruikt, Faraday, die ‘bloosde’ omdat hij zijn onderzoek over een zo ontaard geloof had gepubliceerd, over hem is nu uit betrouwbare bron vernomen dat hij nooit zelf aan een wiebelende tafel heeft gezeten! We hoeven slechts een paar losse nummers van het Journal des débats op te slaan, verschenen in de tijd dat een bekend Schots medium in Engeland was, om ons de voorgevallen feiten in al hun oorspronkelijke levendigheid te herinneren. In een van die nummers38 treedt dr. Foucault uit Parijs op als verdediger van de eminente Engelse onderzoeker. ‘Geloof toch vooral niet’, zegt hij, ‘dat die grote natuurkundige zich ooit zo heeft verlaagd om prozaïsch aan een dansende tafel te gaan zitten.’ Vanwaar dan dat blozen dat zich vertoonde op de wangen van de ‘vader van het experimentele onderzoek’? Terwijl we dit feit in gedachten houden zullen we nu de aard van Faraday’s prachtige ‘indicator’ nagaan, die bijzondere ‘mediumvanger’, door hem uitgevonden om bedrog van mediums te ontdekken. Dat gecompliceerde instrument, waarvan de gedachte alleen al als een nachtmerrie in de dromen van oneerlijke mediums spookt, wordt in markies De Mirville’s Question des esprits nauwkeurig beschreven.

Om de onderzoekers beter te bewijzen dat zijzelf werkelijk bewegingen veroorzaakten, plaatste prof. Faraday verschillende kartonnen schijven, met elkaar verbonden en aan de tafel bevestigd met halfweke lijm die het geheel korte tijd aan elkaar deed kleven maar toch bij aanhoudende druk zou loslaten. Nadat de tafel had gedraaid – ja werkelijk voor Faraday’s ogen had durven ronddraaien, een feit dat tenminste enige waarde heeft – werden de schijven onderzocht; en omdat werd geconstateerd dat ze zich langzamerhand hadden verplaatst en in dezelfde richting waren verschoven als die waarin de tafel zich had bewogen, was dit een onweerlegbaar bewijs dat de onderzoekers de tafel zelf hadden geduwd.

Een andere zogenaamd wetenschappelijke proef, zo nuttig bij een verschijnsel dat naar men zegt óf psychisch óf spiritueel is, bestond uit een klein instrument dat de getuigen onmiddellijk waarschuwde bij de minste persoonlijke aanraking van hun kant, of – beter gezegd – volgens de eigen woorden van Faraday,

hen waarschuwde wanneer ze van passieve in actieve toestand overgingen. Deze naald, die de actieve beweging verried, bewees maar één ding: de werking van een kracht die óf van de aanzittenden uitging óf hen beheerste. Maar wie heeft ooit beweerd dat zo’n kracht niet bestaat? Iedereen geeft dat althans toe, of de kracht zich nu door de proefnemer heen beweegt zoals gewoonlijk gebeurt, of geheel onafhankelijk van hem werkt zoals vaak het geval is. Het hele geheim lag in de onevenredigheid van de kracht die werd gebruikt door de proefnemers, die duwden omdat ze gedwongen werden te duwen, met als gevolg dat de tafel begon rond te draaien of, beter gezegd, zich werkelijk wonderlijk snel ging bewegen. Hoe zou iemand bij zulke verbazingwekkende resultaten kunnen denken dat dit soort lilliputachtige experimenten enige waarde konden hebben in dit pas ontdekte Land van de Reuzen?39

Prof. Agassiz, die in Amerika bijna dezelfde eervolle plaats als wetenschapper innam als Faraday in Engeland, maakte zich aan een nog grotere onrechtvaardigheid schuldig. Prof. J.R. Buchanan, de vooraanstaande antropoloog, die het spiritisme in sommige opzichten wetenschappelijker heeft behandeld dan wie dan ook in Amerika, spreekt in een pas verschenen artikel met gerechtvaardigde verontwaardiging over Agassiz. Want prof. Agassiz zou meer dan wie ook moeten geloven in een verschijnsel waarbij hij zelf betrokken was. Maar nu Faraday en Agassiz zelf ontlichaamd zijn, doen we er beter aan nog in leven zijnde personen te raadplegen in plaats van de doden.

Zo wordt het bestaan van een kracht waarvan de verborgen vermogens de theürgen van de oudheid volkomen bekend waren, door moderne sceptici ontkend. De antediluviale kinderen – die misschien ermee speelden en ervan gebruikmaakten, zoals de jongens in Bulwer-Lyttons Coming Race gebruikmaakten van het ontzagwekkende ‘vril’ – noemden haar het ‘Water van Ptah’; hun nakomelingen noemden haar de anima mundi, de ziel van het heelal; nog later gaven de middeleeuwse hermetici haar de naam ‘siderisch licht’ of ‘melk van de Hemelse Maagd’, de ‘magnes’ en vele andere namen. Maar de tegenwoordige wetenschappers willen haar niet aannemen, noch erkennen ze het bestaan ervan onder zulke namen, want het behoort tot de magie, en magie is volgens hen een schandelijk bijgeloof.

Apollonius en Iamblichus beweerden dat ‘het rijk van de mens die ernaar streeft meer dan mens te worden, niet ligt in de kennis van uiterlijke zaken, maar in de vervolmaking van de innerlijke ziel’.40 Zo waren ze gekomen tot de volledige kennis van hun goddelijke ziel, en ze gebruikten de krachten daarvan met al de wijsheid – de uitkomst van de esoterische studie van de hermetische kennis – die ze van hun voorouders hadden geërfd. Maar onze filosofen, die zich geheel opsluiten in hun vleselijke omhulsels, kunnen of durven hun schuchtere blikken niet hoger te richten dan tot het begrijpelijke. Voor hen bestaat er geen toekomstig leven, bestaan er geen goddelijke dromen; ze minachten die als onwetenschappelijk; voor hen zijn de mensen van de oudheid slechts ‘onwetende voorouders’, zoals ze het uitdrukken, en telkens wanneer ze bij hun fysiologisch onderzoek stuiten op een schrijver die gelooft dat dit mysterieuze verlangen naar spirituele kennis ieder mens is aangeboren, en ons niet geheel doelloos kan zijn gegeven, beschouwen ze zo iemand met verachtend medelijden.

Een Perzisch spreekwoord zegt: ‘Hoe donkerder de hemel is, des te helderder zullen de sterren schijnen.’ Zo verschenen aan het donkere firmament van de middeleeuwen de mysterieuze broeders van het rozenkruis. Ze vormden geen verenigingen en bouwden geen scholen, want ze werden zoals zoveel wilde dieren opgejaagd en botweg geroosterd, wanneer ze door de christelijke kerk werden ontdekt. ‘Omdat de godsdienst het bloedvergieten verbiedt,’ zegt Bayle, ‘verbrandden ze de mensen om de stelregel Ecclesia non novit sanguinem te ontduiken, want bij verbranding wordt er geen bloed vergoten!’

Veel van deze mystici kwamen, door na te volgen wat hun werd geleerd in sommige verhandelingen, die in het geheim van de ene generatie op de andere werden overgeleverd, tot ontdekkingen die zelfs in onze moderne tijd van exacte wetenschappen niet gering zouden worden geacht. Roger Bacon, de monnik, werd uitgelachen als kwakzalver, en nu rekent men hem algemeen tot degenen die ‘aanspraak maken’ op magische vermogens; maar zijn ontdekkingen werden niettemin aanvaard en worden nu gebruikt door diegenen die hem het meest bespotten. Roger Bacon behoorde rechtens, zo niet feitelijk, tot die broederschap die al diegenen omvat die de occulte wetenschappen bestuderen. Hij leefde in de 13de eeuw en was dus bijna een tijdgenoot van Albertus Magnus en Thomas van Aquino; iedereen beschouwde zijn ontdekkingen – zoals buskruit en optische glazen en zijn mechanische constructies – als evenzoveel wonderen. Hij werd ervan beschuldigd dat hij een verbond met de duivel had gesloten.

In het legendarische verhaal van broeder Bacon en ook in een oud toneelstuk van Robert Greene, een toneelschrijver in de tijd van koningin Elizabeth I, wordt verteld dat de monnik bij de koningin werd ontboden en toen werd overgehaald om enkele van zijn vaardigheden aan hare majesteit de koningin te tonen. Hij bewoog toen zijn hand (zijn staf, zegt de tekst) en ‘ogenblikkelijk hoorde men zulke voortreffelijke muziek dat allen zeiden nooit iets dergelijks te hebben gehoord’. Daarop hoorde men nog luidere muziek en plotseling vertoonden zich vier verschijningen die dansten tot ze in de lucht verdwenen. Toen wuifde hij opnieuw met zijn staf en opeens was er een geur, ‘alsof al de heerlijkste parfums van de hele wereld daar volgens de beste regels van de kunst waren bereid’. Daarop trok Roger Bacon, die een heer beloofd had hem zijn liefje te tonen, een gordijn in het vertrek van de koning opzij en allen die in de kamer waren, zagen ‘een keukenmeid met een braadlepel in de hand’. Hoewel de trotse heer het meisje herkende, dat even snel verdween als ze was verschenen, was hij toch woedend over dit vernederende schouwspel en bedreigde de monnik met zijn wraak. Wat deed de magiër daarop? Hij gaf eenvoudig ten antwoord: ‘Dreig niet, opdat ik u niet nog meer schande aandoe en neem u voortaan in acht onderzoekers voor leugenaars uit te maken!’

Als commentaar hierop merkt een hedendaagse historicus41 op: ‘Dit kunnen we opvatten als een voorbeeld van de soort verrichtingen die waarschijnlijk mogelijk waren als gevolg van een grotere kennis van de natuurwetenschappen.’ Niemand heeft ooit eraan getwijfeld dat ze inderdaad het gevolg waren van juist die kennis; hermetici, magiërs, astrologen en alchemisten hebben nooit iets anders beweerd. Het was ongetwijfeld niet hun schuld dat de onwetende menigte onder de invloed van een gewetenloze, fanatieke geestelijkheid al dat soort verrichtingen aan de duivel toeschreef. Wanneer men aan de afschuwelijke martelingen denkt die door de inquisitie werden bedacht voor al diegenen die verdacht werden van zwarte of witte magie, dan is het niet te verwonderen dat deze filosofen zich niet beroemden op een dergelijke omgang en het bestaan ervan zelfs ontkenden. Integendeel, hun eigen geschriften bewijzen dat ze magie beschouwden als ‘niets anders dan de toepassing van natuurlijk actieve oorzaken op passieve voorwerpen of wezens, door middel waarvan vele hoogst verbazingwekkende maar toch natuurlijke gevolgen worden teweeggebracht’.

De verschijnselen van de mystieke geuren en muziek, die door Roger Bacon werden voortgebracht, zijn in onze tijd vaak waargenomen. We laten onze persoonlijke ervaringen even terzijde; Engelse correspondenten van de Theosophical Society hebben ons meegedeeld dat ze de verrukkelijkste muziek hebben gehoord zonder dat die uit een zichtbaar instrument voortkwam, en verschillende heerlijke geuren hebben geroken die volgens hen door middel van geesten werden voortgebracht. Eén correspondent deelt ons mee dat een van deze bekende geuren – die van sandelhout – zo sterk was dat het huis nog weken na de seance ervan doortrokken was. Het medium was in dit geval een lid van een besloten gezelschap en de experimenten werden alle in de huiselijke kring gehouden. Iemand anders beschrijft wat hij een ‘muzikaal getik’ noemt. De machten die nu in staat zijn deze verschijnselen teweeg te brengen, moeten in de tijd van Roger Bacon ook hebben bestaan en toen even doeltreffend hebben gewerkt. Wat de verschijnselen betreft, is het voldoende te zeggen dat ze nu in spiritistische kringen worden opgeroepen en door wetenschappers worden bevestigd, zodat het oproepen ervan door Roger Bacon meer aannemelijk is dan ooit.

Baptista Porta geeft in zijn verhandeling over Natuurlijke Magie een hele reeks geheime formules om bijzondere gevolgen teweeg te brengen door gebruik te maken van de occulte natuurkrachten. Hoewel de ‘magiërs’ even vast als de huidige spiritisten geloofden in een wereld van onzichtbare geesten, beweerde toch geen van hen zijn verschijnselen onder hun toezicht of alleen door hun hulp teweeg te brengen. Ze wisten maar al te goed hoe moeilijk het is de elementaren op afstand te houden, wanneer deze eenmaal de deur wijd geopend hebben gevonden. Zelfs de magie van de oude Chaldeeën was niets anders dan een diepgaande kennis van de krachten van kruiden en mineralen. Pas wanneer de theürg goddelijke hulp in spirituele en aardse zaken verlangde, zocht hij door religieuze ceremoniën rechtstreekse omgang met zuivere spirituele wezens. Zelfs door hen konden die geesten, die onzichtbaar blijven en met stervelingen in verbinding komen door middel van hun ontwaakte innerlijke zintuigen, zoals in helderziendheid, helderhorendheid en trance, slechts subjectief worden opgeroepen en als het gevolg van een zuiver leven en van gebed. Maar alle fysieke verschijnselen werden eenvoudig voortgebracht door kennis van natuurkrachten toe te passen en zeker niet door allerlei trucs zoals dat tegenwoordig door goochelaars gebeurt.

Individuen die in het bezit waren van die kennis en over zulke vermogens beschikten, werkten geduldig voor iets beters dan de nutteloze glorie van tijdelijke beroemdheid. Hoewel ze er niet naar streefden, werden ze onsterfelijk, zoals allen worden die werken voor het welzijn van de mensheid en hun eigen onbetekenende zelf vergeten. Verlicht door het licht van de eeuwige waarheid, richtten deze rijke en toch arme alchemisten hun aandacht op de dingen die het gewone bevattingsvermogen te boven gaan, en erkenden alleen de eerste oorzaak als ondoorgrondelijk en beschouwden geen enkel probleem als onoplosbaar. Durven, weten, willen en zwijgen was hun vaste stelregel; bij hen was er een spontane drang tot het verrichten van goede daden en tot onzelfzuchtigheid en bescheidenheid. Ze verachtten de winsten van kleingeestige handel, wezen rijkdom, luxe, pracht en praal, en wereldlijke macht af, en streefden naar kennis, omdat deze van alles wat men kan verkrijgen de meeste voldoening geeft. Ze beschouwden armoede, honger, hard werken en een slechte naam bij hun medemensen als een niet te hoge prijs voor het verkrijgen ervan. Zij die zich hadden kunnen uitstrekken op zachte, met fluweel bedekte bedden, stierven liever in ziekenhuizen en langs de weg dan hun ziel te verlagen en toe te staan dat de wereldse hebzucht van diegenen die hen in verleiding brachten, over hun heilige geloften zegevierde. De levens van Paracelsus, Cornelius Agrippa en Philalethes zijn te goed bekend om het oude treurige verhaal te herhalen.

Wanneer de spiritisten strikt dogmatisch willen blijven in hun opvattingen over de ‘geestenwereld’, dan moeten ze geen wetenschappers aansporen om hun verschijnselen met een ware experimentele geest te onderzoeken. Die poging zou ongetwijfeld leiden tot het gedeeltelijk herontdekken van de magie van de oudheid – die van Mozes en Paracelsus. Onder de bedrieglijke schoonheid van enkele van hun verschijningen zouden ze op een dag misschien de sylfen en de mooie undinen van de rozenkruisers kunnen vinden, die spelen in de stromen van psychische en odische kracht.

Crookes, die het bestaan van Katie volkomen erkent, komt reeds tot het inzicht dat zich onder haar lichte huid, die een schijnbeeld van een hart bedekt dat gedeeltelijk ontleend is aan het medium en gedeeltelijk aan de kring, geen ziel bevindt. En de geleerde schrijvers van The Unseen Universe, die hun ‘elektrobiologische’ theorie laten varen, beginnen in te zien dat het mogelijk is dat de universele ether een fotoalbum van ain sof – het grenzeloze – is.42

We geloven helemaal niet dat alle geesten die op seances mededelingen doen, tot de categorieën van de zogenaamde ‘elementalen’ en ‘elementaren’ behoren. Vele ervan – vooral zij die het medium subjectief controleren om te spreken, te schrijven of om allerlei andere handelingen te verrichten – zijn menselijke, ontlichaamde geesten. Of de meerderheid van zulke geesten goed of slecht is, hangt grotendeels af van het morele karakter van het medium, veel van wie er op de seance aanwezig zijn, en ook voor een groot deel van het doel dat ze nastreven en de kracht waarmee ze dit doen. Indien dit doel slechts is om nieuwsgierigheid te bevredigen en de tijd te doden, dan is het nutteloos iets ernstigs te verwachten. Maar menselijke geesten kunnen zich in ieder geval nooit in eigen persoon materialiseren. Ze kunnen nooit voor de onderzoeker verschijnen met warm, stevig vlees, met transpirerende handen en gezicht, en in een grofstoffelijk lichaam. Ze kunnen hooguit hun etherische weerspiegeling op de atmosferische golven projecteren; wanneer de aanraking van hun handen en kleren bij zeldzame gelegenheden objectief kan worden gemaakt voor de zintuigen van een levende sterveling, zal deze aanvoelen als een voorbijgaande windzucht, die zachtjes over de aangeraakte plaats strijkt en niet als een menselijke hand of een stoffelijk lichaam. Het is nutteloos aan te voeren dat de ‘gematerialiseerde geesten’ die zich hebben vertoond met kloppende harten en luide stemmen (met of zonder trompet) menselijke geesten zijn. Men zal de stemmen – als men zo’n geluid al een stem kan noemen – van een geestverschijning, wanneer men die eenmaal heeft gehoord, waarschijnlijk nooit vergeten. Die van een zuivere geest is gelijk de harmonische tonen van een eolusharp, weerklinkend vanuit de verte; de stem van een lijdende, en dus onzuivere zo niet volkomen slechte geest, kan men vergelijken met een menselijke stem die klinkt vanuit een leeg vat.

Dit is niet onze filosofie, maar die van talloze generaties van theürgen en magiërs, en gebaseerd op hun praktische ervaring. Het getuigenis van de oudheid is wat dit onderwerp betreft positief: ‘Δαιμόνιων ϕωναὶ ἄναρθροι εἰσί . . .’43 de stemmen van geesten zijn niet geärticuleerd. De geest-stem bestaat uit een reeks klanken die de indruk geeft van een kolom samengeperste lucht, die zich van beneden naar boven beweegt en zich rondom de levende ondervrager verspreidt. De talrijke ooggetuigen, die getuigenis aflegden in de zaak van Elizabeth Eslinger – dat waren44 de adjunct-directeur van de gevangenis in Weinsberg, Mayer, Eckhart, Theurer en Knorr (beëdigde getuigen), Düttenhöfer en de wiskundige Kapff – getuigden dat ze de verschijning zagen als een zuil van wolken. Gedurende elf weken woonden dr. Kerner met zijn zoons, verschillende Lutherse predikanten, de advocaat Fraas, de graveur Düttenhöfer, twee artsen, Siefer en Sicherer, de rechter Heyd, baron Von Hugel en nog vele anderen deze manifestatie dagelijks bij. Gedurende de tijd dat deze aanhield, bad de gevangene Elizabeth onafgebroken met luide stem; omdat de ‘geest’ tegelijkertijd sprak, kon dit dus geen buiksprekerij zijn; en die stem, beweerden ze, ‘had niets menselijks in zich, niemand kon de klanken nabootsen’.

Later zullen we voor deze veronachtzaamde maar onmiskenbare waarheid overvloedige bewijzen aanvoeren van schrijvers uit de oudheid. We willen nu slechts herhalen dat van geen enkele geest die volgens de spiritisten menselijk zou zijn, ooit op basis van voldoende getuigenverklaringen is bewezen dat hij menselijk was. De invloed van de niet-belichaamde geesten kan worden gevoeld, en door hen subjectief op sensitieve personen worden overgebracht. Ze kunnen objectieve verschijnselen teweegbrengen, maar ze kunnen zichzelf niet op een andere manier vertonen dan op bovengenoemde wijze. Ze kunnen het lichaam van een medium beheersen en hun begeerten en denkbeelden uitdrukken op de verschillende aan de spiritisten zo goed bekende manieren, maar ze kunnen niet materialiseren wat onstoffelijk en zuiver spiritueel is – hun goddelijke essentie. Daarom wordt elke zogenaamde ‘materialisatie’ – wanneer deze echt is – óf (misschien) teweeggebracht door de wil van de geest van wie het de ‘verschijning’ zou zijn, maar die deze in het beste geval slechts kan uitbeelden, óf door de elementaire kwelgeesten zelf, die in het algemeen te dom zijn om de eer te verdienen duivels te worden genoemd. In zeldzame gevallen zijn de geesten in staat die zielloze wezens – die wanneer ze hun gang kunnen gaan, steeds klaarstaan om gewichtige namen aan te nemen – te onderwerpen en te beheersen, en wel zo dat de ondeugende ‘lucht’geesten, gevormd naar het ware beeld van de menselijke geest, door laatstgenoemde als marionetten in beweging worden gebracht en niet anders kunnen handelen of andere woorden kunnen uiten dan hun door de ‘onsterfelijke ziel’ wordt bevolen. Maar daarvoor moet aan veel voorwaarden zijn voldaan die in kringen van spiritisten, zelfs van hen die geregeld seances bijwonen, gewoonlijk onbekend zijn. Niet iedereen die dat wil kan menselijke geesten aantrekken. Een van de sterkste aantrekkingskrachten van onze overledenen is hun grote liefde voor de mensen die ze op aarde hebben achtergelaten. Deze trekt hen onweerstaanbaar geleidelijk in de stroom van het astrale licht, die trilt tussen de persoon die ze toegenegen zijn en de universele ziel. Een andere heel belangrijke voorwaarde is harmonie en de magnetische zuiverheid van de aanwezigen.

Indien deze filosofie niet de juiste is, indien alle ‘gematerialiseerde’ gedaanten die in donker gemaakte kamers vanuit nog donkerder kabinetten verschijnen, geesten van mensen zijn die eens op aarde hebben geleefd, waarom is er dan zo’n verschil tussen hen en de spoken die onverwachts – ex abrupto – verschijnen zonder kabinet of medium? Wie heeft ooit gehoord van verschijningen, rusteloze ‘zielen’ die ronddoolden op de plaats waar ze werden vermoord, of die om één of andere geheimzinnige persoonlijke reden terugkwamen, met ‘warme handen’ die aanvoelden als levend vlees en die, ware het niet dat men wist dat ze dood en begraven waren, niet van nog in leven zijnde mensen waren te onderscheiden? We bezitten officieel bevestigde feiten over zulke verschijningen, die plotseling zichtbaar werden, maar tot het begin van dit tijdperk van ‘materialisaties’ hebben we nooit iets dergelijks gezien. In de Medium and Daybreak van 8 september 1876 lezen we een brief van ‘een dame die in Europa reisde’ waarin over een gebeurtenis wordt verteld die plaatsvond in een spookhuis. Ze zegt: ‘Er kwam een vreemd geluid uit een donkere hoek van de bibliotheek . . . toen ze omhoog keek, zag ze een wolk of kolom van lichtgevende damp; . . . de aan de aarde gebonden geest zweefde boven de plek die door zijn slechte daad met een vloek was beladen.’ Omdat deze geest ongetwijfeld een echte elementaire verschijning was, die zich uit eigen beweging zichtbaar maakte – kortom, een umbra – was deze, zoals elke fatsoenlijke schaduw zou moeten zijn, zichtbaar maar niet tastbaar, of als ze al tastbaar was, dan gaf ze bij aanraking aan de tastzin de indruk alsof men plotseling met de hand in een massa water grijpt, of van verdichte, maar koude stoom. Ze was lichtgevend en nevelachtig; voor zover we kunnen nagaan kan het de werkelijke persoonlijke schaduw van de ‘geest’ zijn geweest, die werd vervolgd en aan de aarde was gebonden, hetzij door eigen berouw en misdaden of door die van een andere mens of geest. De mysteries van het bestaan na de dood zijn talrijk, en de tegenwoordige ‘materialisaties’ maken die slechts dwaas en belachelijk in het oog van de onverschilligen.

Tegenover deze beweringen kan een aan spiritisten welbekend feit worden gesteld: De schrijfster heeft in het openbaar verklaard zulke gematerialiseerde gedaanten te hebben gezien. Dat hebben we zeer zeker en we zijn bereid dat getuigenis opnieuw af te leggen. We hebben zulke gedaanten herkend als de zichtbare voorstellingen van kennissen, vrienden en zelfs familieleden. We hebben hen in gezelschap van veel andere toeschouwers woorden horen uitspreken in talen die niet alleen aan het medium en alle overige aanwezigen in de kamer onbekend waren, behalve aan onszelf, maar in enkele gevallen aan bijna ieder, zo niet aan ieder medium in Amerika en Europa, want het waren de talen van oosterse stammen en volkeren. In die tijd werden die gevallen terecht beschouwd als afdoende bewijzen voor het echte mediumschap van de onontwikkelde boer uit Vermont die in het ‘kabinet’ zat. Maar niettemin waren deze verschijningen niet de gedaanten van de personen die ze schenen te zijn. Het waren eenvoudig hun portretten in beeldvorm, opgebouwd, bezield en in beweging gebracht door de elementaren. Dit punt hebben we niet eerder opgehelderd omdat het spiritistische publiek toen niet bereid was om zelfs te luisteren naar de basisgedachte dat er elementalen en elementaren bestaan. Sinds die tijd is het onderwerp vaker ter sprake gebracht en min of meer uitvoerig besproken. Het is nu minder gevaarlijk om te proberen in de rusteloze zee van kritiek de eerbiedwaardige filosofie van de oude wijzen van stapel te laten lopen, want de publieke opinie is enigszins voorbereid om haar onpartijdig en zorgvuldig te onderzoeken. Twee jaar strijd hebben een opmerkelijke verandering ten goede teweeggebracht.

Pausanias schrijft dat 400 jaar na de slag bij Marathon op de plaats van het slagveld nog altijd gehinnik van paarden en de kreten van schaduwbeelden van soldaten werden gehoord.45 Stel dat alle schimmen van de gevallen soldaten werkelijk hun geesten waren, dan zagen ze er toch als ‘schaduwen’ uit en niet als gematerialiseerde mensen. Wie of wat veroorzaakte dan het gehinnik van paarden? ‘Geesten’ van paarden? En indien men zou beweren dat het onjuist is dat paarden geesten hebben – iets wat een zoöloog, fysioloog, psycholoog of zelfs spiritist noch kan bewijzen noch weerleggen – moeten we dan als vanzelfsprekend aannemen dat het de ‘onsterfelijke zielen’ van mensen waren die het gehinnik in Marathon veroorzaakten om de historische voorstelling van de slag nog levendiger en dramatischer te maken? Spookverschijningen van honden, katten en allerlei andere dieren zijn herhaaldelijk gezien, en de getuigenverklaringen in de hele wereld zijn op dit punt even betrouwbaar als die over menselijke verschijningen. Wie of wat doet zich dan voor als de ‘geesten’ van gestorven dieren? Zijn het ook hier menselijke geesten? Zoals de zaken nu staan is er geen andere uitweg: óf we moeten aannemen dat dieren evenals wij een voortlevende geest en ziel hebben, óf evenals Porphyrius geloven dat er in de onzichtbare wereld een soort sluwe en kwaadaardige demonen bestaat, wezens die tussen levende mensen en ‘goden’ in staan, geesten die er genoegen in scheppen om in elke denkbare gedaante te verschijnen, van menselijke tot die van verschillende dieren.46

Vóór we het vraagstuk proberen op te lossen of de spookverschijningen van diervormen, die zo herhaaldelijk worden gezien en bevestigd, de terugkerende geesten van gestorven dieren zijn, moeten we zorgvuldig nagaan wat over hun gedrag wordt meegedeeld. Handelen deze schimmen zoals dieren dat tijdens hun leven doen en vertonen ze dezelfde instincten? Liggen de schimmen van roofdieren in hinderlaag te wachten op hun slachtoffers, ontvluchten schichtige dieren de tegenwoordigheid van de mens, of vertonen laatstgenoemde een kwaadaardige neiging om te plagen die hun aard normaal geheel vreemd is? Talloze slachtoffers van zulke obsessies – vooral de gekwelde mensen van Salem en andere historische hekserijen – verklaren te hebben gezien dat honden, katten, varkens en andere dieren hun kamers binnenkwamen, hen beten, op hun slapende lichamen trapten, tot hen spraken, en hen vaak aanzetten tot zelfmoord en andere misdaden. In het goed gedocumenteerde geval van Elizabeth Eslinger dat door dr. Kerner wordt genoemd, werd de verschijning van de oude priester van Wimmenthal47 begeleid door een grote zwarte hond, die hij zijn vader noemde, en die in tegenwoordigheid van talrijke getuigen op alle bedden van de gevangenen sprong. Een andere keer verscheen de priester met een lam en soms met twee lammeren. De meesten van de aangeklaagden in Salem werden door de zieneressen ervan beschuldigd dat ze gele vogels raadpleegden en met deze samenspanden om onheil te stichten; deze zaten op hun schouders of op de balken boven hun hoofd.48 Tenzij we het getuigenis verwerpen van duizenden personen in alle delen van de wereld en in alle tijden, en het monopolie van zienerschap aan de tegenwoordige mediums toekennen, verschijnen spookdieren wel degelijk en vertonen ze alle slechte eigenschappen van een verdorven menselijke natuur zonder zelf menselijk te zijn. Wat kunnen het dan anders zijn dan elementalen?

Descartes was een van de weinigen die geloofden en durfden te zeggen dat we aan de occulte geneeskunde ontdekkingen te danken zullen hebben ‘die bestemd zijn om het rijk van de filosofie uit te breiden’; en Brierre de Boismont deelde niet alleen in die verwachtingen, maar erkende openlijk zijn sympathie voor het ‘supranaturalisme’, dat hij beschouwde als het universele ‘edele geloof’. Hij zegt:

We zijn met Guizot van mening dat het bestaan van de maatschappij nauw ermee samenhangt. Vergeefs verwerpt het hedendaagse denken, dat ondanks zijn positivisme de innerlijke oorzaak van geen enkel verschijnsel kan verklaren, het bovennatuurlijke; het is universeel en ligt ten grondslag aan elk menselijk hart. De meest verheven zielen zijn vaak de vurigste volgelingen ervan.49

Christophorus Columbus ontdekte Amerika, en Amerigo Vespucci oogstte zijn roem en maakte zich meester van wat de ander rechtmatig toekwam. Theophrastus Paracelsus ontdekte opnieuw de occulte eigenschappen van de magneet – ‘het been van Horus’ dat twaalf eeuwen vóór zijn tijd zo’n grote rol had gespeeld in de theürgische mysteriën; en hij werd heel vanzelfsprekend de stichter van de school van het magnetisme en de middeleeuwse magische theürgie. Maar Mesmer, die ongeveer 300 jaar na hem leefde en als leerling van zijn school de magnetische wonderen openbaar maakte, oogstte de roem die feitelijk de vuurfilosoof toekwam, terwijl de grote meester in een ziekenhuis stierf!

Zo gaat het in de wereld: nieuwe ontdekkingen die zich uit oude wetenschappen ontwikkelen; nieuwe mensen – maar dezelfde oude natuur!

 

Noten

  1. W. Crookes, frs, Researches in the Phenomena of Spiritualism, Londen, 1874, blz. 7.
  2. W. Crookes, Op.cit., ‘Some further experiments on psychic force’, blz. 25, waarbij hij Faraday citeert.
  3. W. Crookes, Researches in the Phenomena of Spiritualism, blz. 21-2.
  4. A.N. Aksakof, Phenomena of Mediumism.
  5. Op.cit.
  6. Blz. 98-100.
  7. W. Crookes, Researches in the Phenomena of Spiritualism, blz. 8.
  8. Op.cit., blz. 108-12.
  9. Op.cit., blz. 110 (Byron, Don Juan, canto 3, vers 74).
  10. Op.cit., blz. 112.
  11. Vgl. Plinius, Naturalis historia, boek 36, hfst. 66.
  12. Van Helmont, Ortus Medicinae, ‘Ignota actio regiminis’, §11.
  13. Op.cit., ‘Progymnasina meteori’, §6, 7.
  14. Op.cit., ‘Potestas mediacaminum’, §24ev.
  15. Pfaff, Astrologie.
  16. Medicinisch-chirurgische Aufsätze, Berlijn, 1778, blz. 19ev.
  17. Die Philosophie der Geschichte, deel 3.
  18. History of Magic, deel 2, 229.
  19. Kemshead zegt in zijn Inorganic Chemistry, dat ‘het element waterstof voor het eerst in de 16de eeuw door Paracelsus werd vermeld, maar dat er in elk opzicht heel weinig over bekend was’ (blz. 66). Waarom is hij niet zo eerlijk om ronduit te erkennen dat Paracelsus de herontdekker van waterstof was, evenals hij de herontdekker was van de verborgen eigenschappen van de magneet en van dierlijk magnetisme? Het kan gemakkelijk worden aangetoond dat hij, gebonden door de strenge gelofte van geheimhouding die door iedere rozenkruiser (en vooral door de alchemist) wordt afgelegd en waar deze zich trouw aan houdt, zijn kennis geheimhield. Misschien zou het voor een scheikundige die goed op de hoogte is met de werken van Paracelsus, niet moeilijk zijn om aan te tonen dat de rozenkruiser-alchemist evengoed bekend was met zuurstof, waarvan de ontdekking aan Priestley wordt toegeschreven, als met waterstof.
  20. Brief aan J. Glanvill, hofpredikant en lid van de Royal Society.’ Glanvill was de schrijver van het beroemde boek over geestverschijningen en demonologie, getiteld: Sadducismus Triumphatus; or, Full and Plain Evidence concerning Witches and Apparitions, ‘waarbij het werkelijke bestaan van verschijningen, geesten en heksen wordt aangetoond, deels op basis van de Heilige Schrift en deels door een goede selectie van hedendaagse verhalen’. Twee delen, Londen, 1681. (Dr. More’s brief is in dit boek gepubliceerd.)
  21. Plato, Timaeus, 55c; vgl. Timaeus Locrius, Over de ziel, §5.
  22. Zie Movers, Die Phönizier, deel 1, blz. 268; Proclus, Over de Parmenides, 5; vgl. Cory, Ancient Fragments, ed. 1832, herdruk 1975, Wizards Bookshelf, blz. 255-6.
  23. Cory, Op.cit., blz. 251.
  24. Philo Judaeus, De opificio mundi, §10.
  25. Movers, Die Phönizier, deel 1, blz. 282.
  26. K.O. Müller, A History of the Literature of Ancient Greece, blz. 236.
  27. Weber, Akademische Vorlesungen, 213, 214, enz.
  28. Plutarchus, Ethica, Over Isis en Osiris, §56.
  29. Vestiges of the Spirit-History of Man, blz. 189-90.
  30. Movers, Die Phönizier, deel 1, blz. 268.
  31. Cory, Op.cit., blz. 248.
  32. Van Helmont, Ortus medicinae, sect. ‘Blas humanum’, §9-10.
  33. Parerga und Paralipomena, Berlijn, 1851, deel 2, blz. 89-90.
  34. Zie Huxley, On the Physical Basis of Life, blz. 129.
  35. Schopenhauer, Parerga und Paralipomena, deel 1, blz. 252-4; zie ook het artikel ‘Dierlijk magnetisme en magie’ in Schopenhauer, Über den Willen in der Natur, 1836.
  36. Revue des deux mondes, 15 januari 1855, blz. 408.
  37. Die Phönizier, deel 1, blz. 265, 553-4.
  38. 15 juli 1853.
  39. Markies De Mirville, Question des esprits.
  40. Bulwer-Lytton, Zanoni, boek 3, hfst. 18.
  41. T. Wright, Narratives of Sorcery and Magic, deel 1, blz. 127-8.
  42. Tait en Stewart, The Unseen Universe, ed. 1876, hfst. 7, §196ev.
  43. Zie Des Mousseaux, ‘Dodone’ in Dieu et les dieux, blz. 326.
  44. C. Crowe, The Night-Side of Nature, blz. 345ev.
  45. Pausanias, Beschrijving van Griekenland, ‘Attica’, hfst. 32, 4.
  46. De abstinentia, 2:38ev
  47. C. Crower, The Night-Side of Nature, blz 350.
  48. C.W. Upham, Salem Witchcraft, blz. 8, 25.
  49. Brierre de Boismont, Des hallucinations, etc., 3de ed., Parijs, 1862, voorwoord, blz. ix, en hfst. 2, blz. 39.

 


Isis ontsluierd, 1:91-129

© 2010  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag