Inhoudsopgave   

 


Bijeenkomst in Den Haag

Gebouw van de Vrijmetselaars
29 april 1951 – 14.00 uur

J.G. Crabbendam, algemeen voorzitter
Henk Lindemans, dagvoorzitter
Jan Hoogervorst, vertaler


 

Crabbendam opende de bijeenkomst en gaf daarna het voorzitterschap over aan de nationaal-secretaris, Fred A. Lindemans.

Fred Lindemans: Iedereen in deze zaal heeft naar deze dag uitgezien, een heel belangrijke dag voor de toekomst van het werk in Den Haag. In de week die achter ons ligt hebben we allen een nieuw gevoel van vrijheid gekregen. De weg die vóór ons ligt, zien we zeer scherp en duidelijk afgetekend. Als we willen, kunnen we die weg nu gaan de toekomst in, en we hopen dat we een Nederlandse term zullen vinden die precies uitdrukt wat het woord partnership [samenwerkingsverband] betekent – voor elkaar zorgen terwijl we voor het werk van de meesters zorgen. De leden hier hebben hun toewijding en trouw aan het werk bewezen. We hopen dat de leader ons nu enige wenken en ideeën over het werk zal geven, die ons de richting voor de toekomst zouden kunnen wijzen.

JAL: Dank u. Ik moet me verontschuldigen voor mijn gezondheidstoestand. Ik zal u eerlijk bekennen dat ik wat moe ben en het spijt me dat ik vanmiddag hierheen gekomen ben zonder mijn gebruikelijke hoeveelheid energie. Misschien kan ik me na een poosje weer wat oppeppen.

Sinds ik drie weken geleden op Schiphol ben geland is er zoveel met me gebeurd dat het heel, heel lang zal duren voordat ik dit alles heb verwerkt om het daarna zo goed mogelijk voor het werk en voor Nederland te gebruiken. Het Gebouw van de Vrijmetselaars zal als een symbool in mijn herinnering blijven van iets dat kolonel Conger enkele jaren geleden tegen me zei. Ik noem kolonel Conger weer, maar de weinige woorden die hij in de loop van de jaren sprak, bevatten altijd zoveel waarheid dat er over hem vaak werd gezegd dat hij met een half dozijn woorden meer kon zeggen dan de gemiddelde mens in een dozijn bladzijden. Nu ik hier in het Vrijmetselaarsgebouw sta en nadenk over de gebeurtenissen die hebben plaatsgehad, komen de woorden van kolonel Conger in gedachten die hij sprak op de dag waarop hij in Covina ‘door het Kabinet in hoogst eigen persoon’ tot leader van de TS werd gekozen. De avond vóór het Kabinet bijeenkwam om de zaak te bespreken, reden kolonel Conger en zijn gezelschap naar Point Loma om een bijeenkomst van de loge in San Diego bij te wonen, en brachten een nacht door op het terrein van het oude Hoofdkwartier te Point Loma. Het gehele gezelschap, behalve de kolonel en ik, sliep in KT’s vroegere huis daar aan het Hoofdkwartier. De kolonel en ik sliepen in een huisje dat bij het Hoofdkwartier hoorde. ’s Morgens toen de anderen het Griekse theater en andere plaatsen gingen bezichtigen, zaten de kolonel en ik in de stationwagen voor de tempel en waren ieder in onze eigen gedachten verdiept. Plotseling verbrak de kolonel de stilte en zei: ‘We zijn getuige van de dood van een oude en reïncarnatie van een nieuwe TS.’

Als ik denk aan het Vrijmetselaarsgebouw, aan de bijeenkomst een paar dagen geleden, aan de bijeenkomst die ook hier werd gehouden toen de laatste boodschap van de kolonel werd overgebracht en aan de kleine bijeenkomst die we vanmorgen hier met de kinderen hebben gehouden – dan moet ik, alles welbeschouwd, wel denken dat dit de dood van een oude en de reïncarnatie van een nieuwe Haagse branch betekent, maar met een inhoud van veel grotere betekenis dan de naam branch of loge alleen aanduidt. Omdat het juist op dit ogenblik is gebeurd, op zo’n kritiek moment in de geschiedenis van de Beweging en omdat het brandpunt ervan op dit speciale puntje van onze theosofische kaart ligt, heb ik het gevoel dat het werkelijk als van internationaal belang kan worden beschouwd.

Kort voor deze bijeenkomst reden we langs het Vredespaleis waar nu de zittingen van het Internationaal Gerechtshof worden gehouden. Ik zou veel mooie woorden kunnen uitspreken en mooie gedachten tot uitdrukking kunnen brengen, maar ik vind niet dat deze gelegenheid dat nodig maakt. Voor mij is deze gelegenheid een van die zeldzame, ongezochte kansen waarbij we ons op een positieve manier voor het werk inzetten. U, Haagse leden, heeft het laatste halfjaar nogal een hel doorgemaakt, en vooral nadat kolonel Conger feiten over de toestand in de oude Haagse loge aan het licht bracht. Ik weet dat u, evenals anderen en ik, verdriet heeft gehad, maar iets dat de moeite waard is wordt nooit zonder barensweeën geboren. De Haagse loge heeft haar weeën gehad, en het verrichten van iedere krachtige inspanning voor de theosofie zal altijd lijden met zich meebrengen, net als kinderen hun moeilijkheden kennen als ze opgroeien. Maar we moeten dat niet erg vinden, want dat maakt ons juist sterk.

De nieuwe Haagse branch die hopelijk vanmiddag zal worden samengesteld, heeft nu de gelegenheid in deze nieuwe cyclus vooruit te gaan met nieuwe hoop en nieuwe kracht, wat vóór die tijd niet mogelijk was. Nu ik eraan denk: als hier misschien enige leden zijn die hun strookje niet hebben ingezonden, maar die hier zijn gekomen voor de nieuwe cyclus, dan moeten ze zich toch op hun gemak voelen. Ik vind die strookjes niet zo belangrijk, want als de geest goed is dan kan het strookje altijd nog volgen. Ik wil dat u zich allen geheel vrij en op uw gemak voelt om over het toekomstige werk in Den Haag van gedachten te wisselen en te bespreken wat we kunnen doen om de Haagse branch te reorganiseren met de nieuwe geest die er nu heerst.

Degenen van u die gedurende deze week enkele bijeenkomsten hebben bijgewoond weten dat ik het gebruik van huishoudelijke reglementen en het nemen van een besluit met meerderheid van stemmen en dat soort dingen heb afgeraden. Ik wil proberen u vanmiddag mijn ideeën in de praktijk te laten zien door de manier waarop we de dingen bespreken en besluiten wat gedaan moet worden en wie het moet doen. Om de bal aan het rollen te brengen denk ik dat u eerst een voorzitter voor de nieuwe Haagse branch moet kiezen – als u werkelijk een nieuwe branch wilt vormen. Ik neem aan, en hopelijk niet ten onrechte, dat u dat allen wilt: zo snel mogelijk een nieuwe branch in Den Haag oprichten. Daarom interesseert het me te weten of iemand een voorstel heeft of een voordracht wil indienen voor een kandidaat voor het voorzitterschap van de nieuwe branch.

Crabbendam: Ja, dat heb ik.

JAL: Ja? Welnu, ga je gang.

Crabbendam: De leader heeft gevraagd iemand als voorzitter voor te dragen. Als hij twee functies tegelijk kan bekleden, als lid van de werkcommissie én als voorzitter van de nieuwe Haagse branch, dan zou ik broeder Fergus Goud als kandidaat willen voordragen.

JAL: Het is niet mijn bedoeling deze vergadering te leiden, maar ik heb gezegd dat ik zou proberen u enig idee te geven van hoe ik denk dat een loge of branch kan samenwerken en na rijp overleg en vrije discussie kan komen tot een eensgezind standpunt over wat er moet worden gedaan en wanneer en hoe het moet worden gedaan. Het komt mij voor dat ik de naam Fergus Goud eerder heb gehoord! Ik geloof niet dat het juist is iemand zozeer te verheffen dat hij ten val zal komen. Een branch-voorzitter zou bijna een non-entiteit moeten zijn, en als ieder van u het erover eens is dat Fergus Goud zou moeten proberen die taak op zich te nemen, dan zal ik wel zorgen dat Fergus niet het gevoel krijgt dat hij belangrijk is. Dat is wel het laatste wat een theosofische functionaris over zichzelf mag denken.

Ik zou echter willen weten of iemand anders iets te zeggen heeft over het voorzitterschap. Neem niet aan dat het een uitgemaakte zaak is dat Fergus uw voorzitter is. Als een van u iemand anders als voorzitter wil voordragen of als iemand het voorstel van broeder Crabbendam wil steunen, dan ben ik graag bereid opmerkingen daarover te horen. Laat ons horen wat u allen te zeggen heeft. [Stilte.]

Ik houd er niet van om aan te nemen dat zwijgen altijd instemming betekent. Soms wel, maar ik zou werkelijk graag willen dat niemand aarzelt als hij iets te zeggen heeft ten gunste van of tegen de voordracht. Ik verwacht in deze nieuwe Haagse branch eigenlijk geen grote meningsverschillen. Ik geloof dat we zullen zien dat dit een van de meest eensgezinde groepen van werkende theosofen is die we in lange tijd hebben gehad, eenvoudig omdat de loge, zoals een mens, door de verzengende inwijdingsvuren is gegaan en daaruit met zo’n zuiver inzicht in het werkelijke spirituele aspect van ons werk tevoorschijn is gekomen dat ik geen werkelijk meningsverschil verwacht voor zover het de essentie van het werk dat gedaan moet worden betreft.

Ik ken Fergus Goud helemaal niet goed. Ik hoop dat ik hem op een dag beter zal leren kennen, maar het idee vind ik al prettig, alleen al omdat hij een jongere generatie vertegenwoordigt dan bijvoorbeeld Crab en Fred en de anderen. Ik denk dat we een heel ernstige fout maken als wij, ieder van ons, geen plaats maken voor de volgende generatie – niet in die zin dat we voor hen moeten wijken en hen de wijsheid en ervaring die de ouderen misschien hebben, laten overwoekeren. Deze moeilijkheid doet zich maar al te vaak voor bij de ouderen. Dit heb ik gemerkt bij mijn eigen dochter, want ik moest niet alleen mijn uiterste best doen om haar en haar gedachtegang en haar vooruitgang bij te houden, maar als ik haar niet altijd één stap was voorgebleven, zou ik haar niet hebben kunnen helpen om de flinke jonge vrouw te worden die ze nu is. Dit is een eenvoudig beeld om te illustreren wat mij in het theosofische werk overal in de wereld is opgevallen. Ik spreek niet over Nederland, want Nederland heeft er prima werk van gemaakt om jonge mensen naar voren te schuiven. Maar dat is niet het geval bij alle nationale groepen. Ik heb gezien dat de oudere generaties in de theosofie zo bang waren dat deze jonge mensen iets verkeerd zouden doen, dat ze hun nooit een kans gaven. Altijd weer trokken de ouderen aan het kortste eind, omdat de jonge mensen iets te geven hadden wat zij niet bezaten. Daarom denk ik, dat, waar een loge of een branch kan worden opgebouwd met een van de jonge mensen als voorzitter, ze een goede kans heeft om te slagen. Die voorzitter moet flexibel en open zijn en zijn eigen persoonlijkheid zozeer kunnen uitschakelen dat hij geen andere persoonlijke wens heeft dan het zo goed mogelijk bevorderen van het werk van de meesters. Hij moet altijd openstaan voor de gedachten en ideeën van de oudere generatie, van zijn eigen generatie en van hen die na hem komen; hij moet daarbij in het bijzonder denken aan hen die na hem komen want op een dag zal hij de staf van zijn ambt aan een jongere figuur moeten overdragen. Nu wil ik daarmee niet zeggen dat Fergus Goud ad infinitum voorzitter zal blijven, evenmin als de commissie die ik voor de Nederlandse Afdeling heb benoemd altijd dezelfde zal blijven.

Mw. Hols-Stoutjesdijk: Ik zou broeder Crabbendam voor het voorzitterschap kandidaat willen stellen.

Crabbendam: Ik geloof dat ik hiervoor moet bedanken, omdat ik tot een oudere generatie behoor, en de leader heeft al duidelijk gemaakt dat het raadzaam is iemand van de jongere generatie te kiezen!

Arnold van der Laan sprak enige tijd in het Nederlands en ondersteunde de kandidaatstelling van Fergus Goud; hij zei dat hij het gevoel had dat het werk van de nieuwe Haagse branch in de handen van Fergus Goud veilig zou zijn en dat hijzelf hem in zijn nieuwe taak volledig zou steunen.

Mw. Minderman: Het doet er niet toe wie voorzitter is als hij maar onpersoonlijk werkt, als een non-entiteit. Daarom zullen we de nieuwe voorzitter alle mogelijke steun verlenen. Het is niet zo belangrijk wie voorzitter wordt. Belangrijk is, hoe hij het zal doen. Ik ken Fergus Goud niet heel goed. Ik hoop slechts dat hij onpersoonlijk zal handelen en zal leren van het voorbeeld van zijn voorganger die zozeer is tekortgeschoten.

JAL: Wilt u me even excuseren? Ik zou de dame, van wie ik de naam niet ken, willen bedanken voor haar opmerking, want dit is het werkelijke geheim. Daarom sprak ik van een voorzitter als een non-entiteit. U heeft uw vinger precies op de gevoelige plek gelegd. U heeft ook gelijk dat het niet ertoe doet wie de voorzitter is. Er moet een voorzitter zijn. Er moet iemand zijn die de ‘zondebok’ kan zijn! Dat vindt een man of vrouw die werkelijk onpersoonlijk kan zijn, helemaal niet erg. Ze dompelen zich onder in de stroom van de zaak, wat het enige belangrijke is. Ik ben u zeer dankbaar voor uw opmerkingen, omdat dit de manier is waarop we moeten werken.

Dit is een echt samenwerkingsverband, en als de voorzitter van een branch, of de nationaal-secretaris of de werkcommissie problemen heeft in enig aspect van het werk, houd dan een rondetafelgesprek en bespreek ze. Als u geen oplossing kunt vinden, kom dan allen samen tot het besluit dat u dit misschien beter met de leader zou kunnen bespreken, en schrijf me een brief. Ik wilde voorstellen dat Fred Lindemans dan de brief zou schrijven, maar ik wil de weg waarop de zaken moeten worden aangepakt niet precies uitstippelen. Ik weet dat Fred dat niet zou willen en ik wil ook niet dat een voorzitter van een branch het gevoel heeft dat hij niet op elk ogenblik dat hij dat wil aan de leader kan schrijven. Wanneer echter een voorzitter van een branch niet tevreden is over een nationaal-secretaris en hij zou aan de leader een brief schrijven waarin zou staan: ‘Ik mag Fred Lindemans niet en ik wil niets met hem te maken hebben’, dan mag hij dat als voorzitter van een branch wel doen, maar een leader zou geen leader zijn als hij niet voelde wat er achter die brief school. Wees niet bang voor meningsverschillen. We moeten open en eerlijk kunnen spreken, en onenigheden – of beter gezegd meningsverschillen, ik houd niet van het woord onenigheden – kunnen hebben. Zo denk ik erover, maar ik geloof dat ik deze heer daar heb onderbroken die iets wil zeggen.

Van der Noordt: Ik zou nog iemand anders kandidaat willen stellen, want misschien denkt de leader dat er nog wel iemand in aanmerking zou komen. Ik houd van de naam Fergus Goud. Hij is zuiver als goud en ik heb van zijn vader gehouden, die voorzitter is geweest. Ik ken Fergus beter, omdat we samen voor de uitgave van Lucifer werken en ik vind het jammer dat we hem als redacteur zullen gaan verliezen, want als hij twee functies heeft zal hij het te druk hebben. Daarom zou ik Henk de la Rie willen voordragen als branch-voorzitter om Fergus Goud als redacteur van Lucifer te behouden.

JAL: Is Henk de la Rie hier? Wil je zo goed zijn op te staan? Wat is je mening hierover? Hoe sta je hier tegenover?
Henk de la Rie: Ik zou mijn vriend willen bedanken dat hij mij als kandidaat heeft voorgedragen, maar ik zou twee dingen willen zeggen. Het was mijn karma in het bestuur van de vroegere Haagse loge te zitten. Daarom zou ik iemand als voorzitter willen hebben die er fris en onbevangen tegenover staat. Ten tweede denk ik dat de functies van redacteur en voorzitter wel kunnen samengaan, want ik denk dat dit geen moeilijkheden oplevert. Ik denk dat we Fergus kunnen helpen om deze beide functies te vervullen. Ik geloof dat dat beter is. Daarom stel ik voor: laten we vasthouden aan de eerste kandidaat.

JAL: Dit vind ik prachtig. Ik houd ervan op deze manier te werken. Ik vind dat dhr. De la Rie de sleutel tot het antwoord heeft gegeven, maar de heer die dhr. De la Rie als kandidaat heeft voorgedragen, gaf uitdrukking aan een mooie gedachte, en een zeer beschermende gedachte. We moeten allen deze beschermende gedachten blijven koesteren ten opzichte van het werk dat moet worden gedaan. Volgens mij is het begin van de nieuwe Haagse branch te belangrijk om toe te staan dat iets haar in de weg zal staan en ik heb opgemerkt dat er in Nederland genoeg begaafde mensen zijn om het mogelijk te maken dat veel van de verantwoordelijkheid die nu door een paar mensen wordt gedragen, over meer mensen kan worden verdeeld. Ik kan het bij het verkeerde eind hebben. Als Fergus Goud alleen het redacteurswerk doet en niet alle kleine onderdelen daarvan, dan geloof ik niet dat zijn verantwoordelijkheid in dat opzicht zou worden aangetast. Als dat wel zo is, en u vindt dat het niet goed gaat, dan is het gemakkelijk om van voorzitter te wisselen. Hij zal de eerste zijn die het zal zeggen als het niet lukt.

Wat de opmerking betreft van dhr. De la Rie over het zogeheten bestuur dat vroeger de oude loge leidde, wil ik dit zeggen: in plaats van een nieuw bestuur vind ik het beter slechts werkcommissies te hebben of alleen een samenwerkingsverband van een groep die verantwoordelijk is, een staf van werkers, of hoe u hen ook wilt noemen. De naam is niet belangrijk. Ik denk dat we vanmiddag erover moeten nadenken of we een staf van werkers willen aanstellen die uw voorzitter helpt, evenals we een werkcommissie hebben om de nationaal-secretaris te helpen. We hoeven dat niet nu te doen en ik wil u hier ook niet lang houden. Maar als ik even het voorzitterschap mag overnemen, Fred, als er geen bezwaren zijn, geen verdere commentaren, en ik heb geen bezwaren gehoord tegen Fergus Goud, dan zou ik hem willen beschouwen als de voorzitter van de nieuwe branch, waar iedereen het roerend mee eens is.

Ik weet niet wat Crab net heeft gezegd. Hij spreekt altijd Nederlands!

Crabbendam: Ik heb net gezegd dat we Fergus nog niet hebben gevraagd of hij de benoeming aanvaardt of niet.

JAL: Hoe denk je erover, Fergus?

Fergus Goud: Wel, ik ben geen man van veel woorden en ik moet zeggen dat deze middag op me afkomt als een donderslag bij heldere hemel.

JAL: Dat geloof ik.

F. Goud: Ik moet zeggen dat ik u en alle vrienden dankbaar ben voor het vertrouwen dat u in mij stelt. Ik kan nu alleen zeggen dat ik mijn uiterste best zal doen en ik hoop en ben er zeker van dat u mij allen wilt helpen. Ik hoop dat u allen op mij zult letten zodat u me zult waarschuwen als er een element van persoonlijkheid naar voren komt dat er niet hoort te zijn. En verder geloof ik dat we allen de verantwoordelijkheid dragen, en deze dus delen, om deze nieuwe branch vrij en zonnig te houden. We doen alles samen, denk ik. Dat is alles wat ik te zeggen heb.

JAL: Dank je, Fergus. Deze eenvoudige waarheid is het antwoord op al jullie problemen. Als een branch-voorzitter zich tot een onpersoonlijk instrument maakt waar de kracht van het werk van de meesters doorheen kan vloeien, en als zij die hij dient op sterke en eerlijke wijze die verantwoordelijkheid met hem delen, dan kan het nooit mislukken. Ik weet dat u allen Fergus zult helpen.

Ik geloof niet dat we deze middag moeten gebruiken om te proberen je werkcommissie of staf van werkers aan te wijzen. Ik stel voor dat Fergus en Fred Lindemans op een voor hen geschikt moment samenkomen en het bespreken vóór ik vertrek. Ik zou willen aanraden dat je, als je mensen uitkiest voor je staf van werkers, zoals een secretaris, je daarin ook iemand van de oude generatie opneemt. Ik noem geen namen. Ik wil weten hoe je daarover denkt. Ik wil weten wie je kiest, niet om de zaak te beïnvloeden, maar alleen omdat ik wat ervaring heb opgedaan met de menselijke natuur en graag wil zien welke combinatie van svabhava’s je uitkiest. Ik twijfel er niet aan dat het goed zal zijn, maar voordat je de keuze openbaar maakt, zou ik willen weten welke mensen je kiest. Ik vind dat Fergus ze moet aanwijzen, mits de nationaal-secretaris ermee akkoord gaat, want waaruit bestaat tenslotte die levensstroom? Die stroom gaat van de leden, via hun branches, via hun voorzitters, via hun nationaal-secretaris, naar de leader. Niet dat dat iets is wat bij voorbaat vaststaat, maar in principe is het zo. U zult zien dat de kracht zal circuleren, zoals de circulaties in de kosmos en dat ze steeds vrijer heen en weer zal gaan van het Hoofdkwartier naar de leden en omgekeerd.

Ik dank je nog eens Fergus. Dat was goed gezegd.

Ik zou graag nog een suggestie willen doen, Fergus, namelijk dat je de werkcommissie niet te groot maakt, maar je hoeft niet te aarzelen om ieder lid van de branch, of hij in een commissie zit of niet, te vragen je met het een of ander te helpen. Geen baantjes najagen natuurlijk, maar hoe meer mensen je aan het werk kunt zetten om je te helpen, hoe meer succes je zult hebben. Allen houden van het werk en je moet ieder de grootst mogelijke kans geven om bij dat werk te helpen.

Denk er eens over na en bespreek het met Fred wanneer je daarvoor de gelegenheid hebt. Laat me dan weten hoe je erover denkt. Ik zal nog een paar dagen in Nederland blijven vóór ik naar Zweden ga en ik hoop dat ik me goed genoeg zal voelen om de nationale commissie die werd aangewezen om met Fred te werken, in Rotterdam bijeen te roepen. Als ik dan uit Duitsland terugkom hoop ik alle voorzitters van de branches te ontmoeten, wat vroeger de algemene raad was. Ik zou graag met de commissie van de voorzitters samenkomen, opdat we allen een duidelijk beeld hebben van hoe het werk in de toekomst eruit zal zien, niet wat betreft specifieke plannen, maar hoe het samenwerkingsverband in de praktijk zal werken en hoe we allen kunnen samenwerken.

De hoeveelste is het vandaag? De 29ste? Morgen is het de 30ste, de verjaardag van de koningin. Goed. Krachtens de bevoegdheid die in de Constitutie van de TS aan mij is verleend, verklaar ik dat vanaf heden, of vanaf morgen, als u daarvoor liever de verjaardag van de koningin neemt, een nieuwe Haagse branch in Nederland is gevestigd, waarvan Fergus Goud de eerste voorzitter is.

We zijn in Pasadena bezig nieuwe branch charters te drukken. Er is geen haast bij, maar als u gereed bent en u wilt een formele aanvraag indienen, getekend door uw charterleden van de nieuwe branch, dan zullen we proberen iedere naam op het charter in te schrijven. U hoeft geen haast te maken. Geef de mensen die het strookje nog willen ondertekenen tijd genoeg om zich bij ons aan te sluiten. Ik wil hun de gelegenheid niet ontnemen; wacht dus zolang u wilt. U kunt zonder dat stuk papier ook wel werken, omdat dat in werkelijkheid op de tweede plaats komt. Geef ieder de kans om zich bij ons aan te sluiten, wacht twee of drie maanden als u wilt. U kunt inmiddels doorgaan met het werk.

Vóór we sluiten zou ik willen weten of er nog vragen zijn. Misschien zijn er leden die nog andere vragen hebben waarover we kunnen spreken.

Van der Noordt: Mag ik een vraag stellen? Gisteren heeft u in Rotterdam gezegd dat de Nederlandse leden heel ongelukkig zijn geweest, omdat de vroegere nationale voorzitter van de Nederlandse Afdeling de leden niets heeft verteld over de moeilijkheden bij de wisseling van het leiderschap van kolonel Conger. Is het mogelijk dat wij Nederlandse leden die liefde en hulp niet konden geven die de leader nodig heeft voor zijn werk voor de meesters? Mijn vraag is deze: Is dat een groot gevaar geweest, ik bedoel dat gebrek aan liefde en hulp, omdat we niet geheel op de hoogte waren van de omstandigheden? Dat is mijn eerste vraag.

JAL: Ik begrijp de kern van uw vraag niet helemaal. Laat ik het toch proberen en misschien begrijp ik het. Verstaat u genoeg Engels dat ik zelf de vraag kan stellen? [‘Ja’]. Als ik de vraag goed begrijp komt ze hierop neer: Of het feit dat als u Nederlandse leden niet op de hoogte bent geweest, het voor u gedurende die jaren van kolonel Congers leven in feite onmogelijk heeft gemaakt om hem de kracht en de liefde en de hulp te geven die u hem anders had willen geven. Komt uw vraag daarop neer?

Van der Noordt: Ja, inderdaad.

JAL: Goed. Dank u zeer. Het is belangrijk en u heeft het onderwerp van de ware occulte basis van de verhouding tussen een lid en de leader in deze occulte instelling aangeroerd. Tussen de leader en ieder lid moet een direct contact zijn – niet door brieven, niet door een telegram, niet door persoonlijke kennismaking – maar omdat de leader het karma van ieder lid van de TS op zich neemt als hij die taak aanvaardt.

Laten we bijvoorbeeld aannemen dat GdeP, op het ogenblik dat hij overleed, de steun had van het hart en het innerlijke medeleven van ieder lid van de TS. Stel dat een nieuwe leader de taak overnam en dat er meningsverschillen waren en men in de verschillende landen alle bijzonderheden van die situatie had vermeld. In die landen hadden de leden dan gelegenheid om de feiten te beschouwen en te onderzoeken en om hun beslissing te nemen. En toen die beslissing was genomen maakten ze door woord of gedachte contact met de nieuwe leader. Het was ongetwijfeld een beproeving voor iedereen, maar toen de proef voorbij was en ieder lid de feiten na kortere of langere tijd had verwerkt, en hij het licht zag, bereikte de kracht van zijn overtuiging de leader en gaf de leader kracht.

Anderzijds is er een land waar geen enkel feit werd bekendgemaakt en de leden helemaal niet de gelegenheid kregen om tot een besluit te komen en een bewuste poging te doen om de nieuwe leader te steunen, maar min of meer los ronddreven en in feite losstonden van het Hoofdkwartier omdat ze niet wisten wat er aan de hand was. Om het nu over de Nederlandse Afdeling te hebben – zo was de stand van zaken hier. U was u dit niet bewust; de leden treft geen schuld. Maar het is duidelijk dat iemand schuld heeft en dat is de persoon die zich heeft gemengd in de plicht van een ander en van vele anderen. Daarom heb ik zo de nadruk gelegd op ieders recht om zelf na te denken omdat dit hele proces van theosofische verhoudingen één grote inwijding is van dag tot dag. Als gevolg van deze dagelijkse inwijdingen verruimt ons bewustzijn en het groeit, maar als deze dingen ons worden ontnomen, hoe kunnen we dan ooit sterk worden?

Stel dat u een vak leert in een werkplaats, maar degene die u onderricht vertelt u maar de helft van wat u zou moeten weten. Hoe kunt u dat beroep dan goed leren? Hetzelfde geldt voor theosofisch werk. We moeten de hele waarheid kennen, niet maar een deel ervan, en we moeten niet alleen dat weten wat prettig is en het onplezierige op een afstand houden. Zo ziet u dat zodra wij, of iemand anders, ons mengen in het natuurlijke verloop van de dagelijkse inwijding, we iemand een kans ontnemen om te groeien, om sterker te worden. Hoe sterker iemand wordt, des te meer hij de TS en de leader kan steunen en hen die hem helpen. Is dit enigszins een antwoord op uw vraag?

Van der Noordt: Ja, dank u zeer.

JAL: Het is iets heel moois, deze verhouding tussen de leader en de leden. Ik kan niet genoeg de nadruk leggen op de zeer praktische waarde van de ervaringen van ons dagelijks leven, en de noodzaak van een persoonlijk, bewust besef dat ieder ogenblik van de dag ieder mens die we ontmoeten óf ons iets heeft te geven, óf dat wij hem iets hebben te geven; dit proces is per slot van rekening het inwijdingsproces. Als we de noodzaak van het steeds geven en nog eens geven inzien, en inzien dat we moeten ontvangen en met begrip ontvangen, dan maakt deze voortdurende uitwisseling het hart en het denken van ieder van ons ruimer en sterker, zodat we tenslotte in dit samenwerkingsverband een echte kern van universele broederschap zullen krijgen. Om die te vormen zijn we hier.

Dit heeft betrekking op een ander onderwerp, maar ik ben in verband met de organisatie van de nieuwe branch iets belangrijks vergeten dat ik eerder had moeten noemen. Als ik het goed begrijp waren er vroeger twee loges in Den Haag. Een ervan werd vrijwillig gesloten toen er in de andere moeilijkheden waren. Ik neem aan, en ik hoop niet ten onrechte, dat u allen in één nieuwe branch wilt samenwerken, want als hierover verschil van mening bestaat, laat ons daar dan nu over spreken. Voor mij zou het het enige juiste zijn om op een verenigde en stevige grondslag samen te werken. Ik geloof echter dat bij de organisatie en aanstelling van de staf van werkers hiermee rekening moet worden gehouden. Dit had ik eerder moeten zeggen, maar het is me ontschoten. Ik hoop dat iedereen het daarmee eens is, want we moeten een verenigd front vormen. Ik denk dat dat bestaat; en als iedereen samenwerkt, in de branches, in de afdelingen en aan het Hoofdkwartier, kan niets ons tegenhouden. Natuurlijk is er geen reden waarom u niet zoveel studiegroepen kunt houden als raadzaam is in verband met de beschikbare plaats en tijd, maar allen moeten samenwerken om de hele TS te voeden en kracht te geven.

Fred Lindemans: Heeft iemand nog meer vragen?

Mw. Minderman: Ik zou u dit willen vragen: U heeft vaak toespelingen gemaakt op het keerpunt van deze eeuw en ik heb aan de woorden van GdeP in zijn Esoterische Traditie gedacht, waar hij sprak over de involutie van de geest en de evolutie van de stof en, wanneer het keerpunt zou komen, een evolutie van de geest en een involutie van de stof. Toen ik zag dat de bezittingen van het Hoofdkwartier in Californië werden verkocht en u en kolonel Conger en zijn staf naar Pasadena gingen, heb ik vaak gedacht dat het openbare werk niet meer zo belangrijk was. Ik kreeg het gevoel dat we nu wat op de achtergrond moesten treden en meer spiritueel en meer diepgaand moesten werken. Toen dacht ik dat ik de leader graag zou willen vragen of dat zijn bedoeling was en of mijn gevoel juist is dat de openbare bijeenkomsten met het doel theosofie aan iedereen te geven niet meer zo belangrijk zijn als vroeger. Het viel me vanmiddag op dat u niet heeft gesproken over openbare bijeenkomsten.

JAL: Dat was niet omdat ze niet belangrijk zouden zijn. Er kan geen vast plan of beleid zijn voor wat betreft de openbare bijeenkomsten. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld zijn ze bijna een volkomen fiasco. Het is moeilijk er meer dan dertig, veertig of op z’n hoogst vijftig belangstellenden bij elkaar te krijgen, terwijl in Nederland en Duitsland daarentegen bij zulke gelegenheden gemakkelijk twee- tot vierhonderd mensen komen. Wat goed is in het ene land hoeft daarom nog niet goed te zijn in een ander land. Daarom wil ik dat al deze dingen overal op een meer natuurlijke manier gebeuren.

Ik geloof dat u in Nederland openbare bijeenkomsten moet houden en de Haagse branch moet ermee doorgaan nadat ze is gevormd. Ga niet overhaast te werk. We zullen erover spreken maar ik geloof niet dat we met het openbare werk moeten ophouden. We moeten het initiatief nemen en de zaak aanpakken. De tijd voor openbaar werk is niet voorbij, zeker niet. Ieder mens, iedere branch en iedere nationale groep moet voor de theosofie werken, zoals dat nodig is binnen de respectieve gebieden waarvoor ze verantwoordelijk zijn.

Nu geloof ik, en kolonel Conger heeft daarop al gezinspeeld, dat onze belangrijkste middelen om met mensen in contact te komen, onze publicaties zijn. Als we de wereld als geheel beschouwen, is deze weg veel beter dan ons openbaar werk. Maar dat wil niet zeggen dat u geen openbaar werk meer moet doen waar het wel zin heeft.

Van der Noordt: Mag ik nu mijn tweede vraag stellen? In de Dialogen van G. de Purucker, deel 1, blz. 108-9, zei GdeP: ‘Natuurlijk zou ik ook in het openbaar, wanneer mij werd gevraagd of ik dacht dat de TS een kanaal voor waarheid was, met nadruk zeggen: Zeker, meneer, of beste vriend. Werd mij gevraagd of het het enige kanaal was, dan zou ik zeggen: Beslist niet, en dat is het ook nooit geweest. Als een ES-student mij zou vragen: Bestaat er naast onze groep nog een andere groep van leerlingen van het ware occultisme in de wereld die direct is verbonden met de Loge en door de leraren wordt geholpen, dan zou ik zeggen: Nee, er is geen ander formeel georganiseerd lichaam of groep of genootschap in de uiterlijke of exoterische wereld, dat toch op een occulte manier actief is.’ Dit is mijn vraag: Is er een onderscheid tussen de TS van nu in de nieuwe cyclus en de TS en de ES in de tijd dat GdeP dit verklaarde?

JAL: Dank u zeer voor deze vraag. Ik zal u, denk ik, een gouden medaille op de borst spelden omdat dit een goede vraag is en kan haar met één woord beantwoorden: Ja. Of ik er meer over zou moeten zeggen weet ik eigenlijk niet.

De TS is evenals iedere andere groeiende entiteit nooit één ogenblik hetzelfde, evenmin als u nu dezelfde bent als toen u de vraag stelde. In dat commentaar dat u net heeft gelezen, zinspeelt GdeP op wat nu in meer of mindere mate plaatsvindt, zoals we zullen zien naarmate de tijd voortschrijdt. Ik geloof dat hij in het eerste deel zei dat die leringen die hij aan de KTMG gaf, op een dag zouden worden gepubliceerd, maar dat het niet aan hem was te zeggen wanneer, of door wie, maar iemand zou het doen. Herinnert u zich, dat u dat heeft gelezen? [‘Ja’].

Als een leader in de stroom van de logekracht werkt – zoals alle leaders dat moeten doen, anders zouden ze geen leaders zijn – dan weten ze dat bepaalde dingen op een gegeven moment zullen gebeuren, maar ze weten niet wanneer, hoe, of waar en door wie. Ik houd van de manier waarop GdeP het daar heeft gezegd. Ik heb zelf van tijd tot tijd gezegd dat dit de enige formele organisatie is waardoor de logekracht stroomt. Hij gebruikt daar de zin: het enige kanaal voor de waarheid. Dit is de enige formele organisatie waardoor de waarheid van de Grote Loge vloeit, maar het is niet de enige organisatie of het enige kanaal, waardoorheen de waarheid naar de wereld stroomt, helemaal niet. Maar wanneer we spreken over de Esoterische School, of over die Heilige Orde die GdeP noemt, dan zult u dat nergens anders vinden dan in deze TS. Veel meer kan ik er niet aan toevoegen.

Ik zou vanmiddag deze bijeenkomst van de nieuwe Haagse branch hiermee willen besluiten: met de kracht van het zuivere occultisme, zuiver altruïsme, die op dit moment sterker door de TS vloeit, zal ieder lid van de TS dat weloverwogen en actief deelneemt aan dit nieuwe samenwerkingsverband zien dat hij, naarmate zijn toewijding de diepte heeft bereikt van het begripvolle hart dat gepaard gaat met werkelijk theosofisch werken en denken, contact maakt met iets dat aan het verlangen van zijn hart zal beantwoorden. Het zal worden erkend en beantwoord en dan zal hij weten dat hij een stap dichter bij de meester is gekomen.

Ik dank u allen dat u vanmiddag bent gekomen, en ik hoop dat de Haagse branch, wanneer ik volgend jaar naar Nederland kom, nog meer zal stralen dan vanmiddag. Ik kan niets anders zeggen dan God zegene u allen!

De bijeenkomst eindigde om 16.30 uur.


James A. Long – Tourverslagen 1951

Theosophical University Press Agency online editie

© 2008 Theosophical University Press Agency. Online-editie, isbn 978-90-70328-64-1.