Inhoudsopgave   

 


Bijeenkomst in Göteborg

Park Avenue Hotel
19 mei 1951 – 20.00 uur

Axel Fredenholm, voorzitter en vertaler


 

JAL: In de eerste plaats wil ik u allemaal bedanken dat u vanavond aan mijn uitnodiging gehoor heeft gegeven. Het was een mooie gelegenheid om naar Zweden en de andere landen te komen, en ik hoop, als de tijd het toelaat, zoveel mogelijk leden te ontmoeten, zodat ik met u kan kennismaken en zo met meer begrip met u kan meedenken en samenwerken om aan dit samenwerkingsverband dat begon toen ik leader werd, werkelijk inhoud te geven.

Ik heb geen specifieke boodschap voor de leden in Göteborg, behalve dat ik u in de eerste plaats wil zeggen dat u een mooie stad heeft. Wanneer men de wereld rondreist en door de verschillende steden van Europa en van de andere landen gaat, begint men een stad eerder aan te voelen dan te zien, en Göteborg doet voor mijn gevoel heel prettig aan. Zodra we vandaag aankwamen, namen we na de lunch de trein naar Trollhättan om daar ongeveer een uur lang een bezoek te brengen aan een zeer ‘jonge’ dame van 89 jaar, en keerden hier precies op tijd terug om iets te eten en naar deze bijeenkomst te gaan. Wanneer ik zeg dat ik het waardeer dat u allemaal hier bent gekomen om met mij van gedachten te wisselen, is dit slechts zacht uitgedrukt.

In de verantwoordelijkheden die kolonel Conger me gaf, heb ik altijd met hem gewerkt op basis van onderling begrip, door eenvoudig en openlijk en eerlijk te spreken, mijn fouten te erkennen en te proberen ze te verbeteren en door anderen aan te moedigen hetzelfde te doen. Door die methode te volgen kon ik veel meer bereiken dan door op de gewone manier te werken en sympathieën en antipathieën en meningsverschillen zich te laten verscherpen, in plaats van ze te verzachten en tenslotte tot wederzijds begrip te komen.

Toen ik de taak kreeg dit samenwerkingsverband in te luiden, dat een spiritueel
samenwerkingsverband is in de ware betekenis van het woord, werd me duidelijk dat ik dit alleen tot stand zou kunnen brengen door eerlijk en openlijk te spreken met zoveel mogelijk leden waarmee ik in contact kon komen, niet slechts op één reis naar Europa, maar op zoveel reizen als noodzakelijk zullen blijken – en die noodzaak wordt bepaald door het beroep dat door de leden in Europa op mij in Pasadena wordt gedaan. De roep die mij bewoog tot deze reis was heel sterk. De honderden brieven die op het Hoofdkwartier binnenkwamen waren zodanig dat ze niet konden worden genegeerd; vanuit ieder land vroeg men hoe snel ik de gelegenheid zou hebben hen te bezoeken. Ik besefte niet dat het zo snel zou gebeuren. Maar nu ik hier ben met de tamelijk beperkte tijd die ik in Europa heb, wil ik proberen mijn verantwoordelijkheid te vervullen door de basis te leggen voor het werk in de nieuwe cyclus.

Ik heb geen bijzondere boodschap dan alleen de mededeling dat de kracht van het werk van deze Society over de hele wereld zich zo bijzonder sterk en overtuigend heeft geopenbaard in deze korte periode van dit bestuur dat het iets goeds belooft voor de toekomst en voor de lange, zware tocht naar 1975. Toen kolonel Conger niet lang voor zijn heengaan erop wees dat de kracht van de Loge, de kracht van de Esoterische Sectie, die nu gesloten is, door de TS stroomt, drukte hij dit feit nog veel te zwak uit. Denk echter geen moment dat ik als leader hiervoor met de eer ga strijken. De eer komt mij niet toe. De eer, indien er eer toegekend moet worden, komt de leden van deze TS toe, omdat er niets in de wereld gebeurt buiten karma om, en de leden hebben het recht verworven om de kans te krijgen met die grotere occulte kracht te werken, anders zouden ze haar niet hebben ontvangen. Ze hebben het recht verworven om in deze tijd de gelegenheid te hebben in de Society te werken, anders zouden ze dat niet hebben gekregen.

Wat betekent dit in praktisch opzicht voor u en voor mij? Het betekent eenvoudig dit: dat door zowel het uiterlijke als het innerlijke bewustzijn van ieder lid van deze TS een helderder licht van waarheid schijnt, en het geeft ieder lid de extra verantwoordelijkheid om de goede dingen in zijn karakter te gebruiken en om die aspecten van zijn wezen en zijn bewustzijn die verbeterd moeten worden, eerlijk onder ogen te zien. Dat geldt voor ieder van ons, ook de leader. Daarom is het voor ieder lid van groot belang om te proberen op eigen benen te staan en zichzelf eerlijk onder ogen te zien en de eenvoudige vraag te stellen: wat kan ik doen om mijn karakter te verbeteren, opdat ik mijn medemensen meer van dienst kan zijn? Per slot van rekening is de eerste en enige taak van deze TS het lijden van onze medemensen te verlichten en een helpende hand uit te steken aan hen die dat nodig hebben.

We zijn in de eerste plaats theosofen omdat we in ons hart een verlangen hebben niet alleen om betere mannen en vrouwen te worden, maar ook om onze medemensen te helpen. We kennen allemaal het occulte axioma dat ‘onze moeilijkheden evenredig zijn aan onze aspiraties’. Dat is waar. Wanneer zoals nu verschillende cyclussen samenkomen – het passeren van het midden van de eeuw en van de mijlpaal na driekwart van de eerste eeuw van de TS, de nieuwe messiaanse cyclus, en andere grotere cyclussen – hebben al deze hun invloed op de constitutie, alle zijn met elkaar verbonden en leggen een enorm zware verantwoordelijkheid op ieder TS-lid, niet tegenover een of andere persoon, niet tegenover een of andere organisatie, niet tegenover een of andere leader of voorzitter van een afdeling of logevoorzitter, maar tegenover zichzelf. We krijgen allemaal de gelegenheid om spiritueel zelfvertrouwen te ontwikkelen en daarvoor moeten we zelf denken, kritisch zijn ten opzichte van onze eigen gedachten, en geheel open staan voor de tekenen van de tijd. We moeten eveneens heel vriendelijk en welwillend zijn voor anderen met hun tekortkomingen.

Die leden die de gelofte hebben afgelegd en lid zijn geweest van de Esoterische Sectie, hebben een dubbele verantwoordelijkheid. Maar zelfs die verantwoordelijkheid is niet zo groot als van sommige anderen. We weten dat de TS zelf de buitenhof is van een tempel waarin het lid zich plaatst in de positie van dienstbetoon aan zijn medemensen of tenminste erover denkt om zichzelf daarop voor te bereiden. We weten dat het lid van de Esoterische Sectie zich met dit aspect van het werk verbindt op basis van beproeving. Het doet er niet toe hoe lang hij lid was; hij werd beproefd. En wanneer de leader of leraar of het Outer Head daarnaast een nieuwe groep begon, zoals bijvoorbeeld toen GdeP de KTMG begon, werden bepaalde leden uitgekozen van wie hij het gevoel had dat ze het recht hadden verworven om verdere beproevingen te ondergaan, om een strengere proefervaring op te doen. En toen hij de hogere graad van zijn innerlijke groep bijeenbracht, had de leraar het gevoel dat degenen die door hem voor die groep waren gekozen het recht hadden verworven op een nog diepere beproeving. En de leraar gaf in elk van deze graden iets meer.

Waarom zeg ik deze dingen? Om de gevaren aan te geven die op het pad van een leerling liggen, of van een lid van de TS, die het theosofische leven echt probeert te leiden en zich houdt aan de wetten van het praktisch occultisme, zoals ze in deze Society werken. Dat is het gevaar dat bestaat, wanneer het heldere licht van de waarheid ten volle op ons bewustzijn wordt geworpen, vooral op ons innerlijke bewustzijn; en de verleiding is voor ons heel groot, niet alleen om te denken dat we belangrijk zijn, maar ook dat we voor deze extra voorrechten zijn uitgekozen omdat we zoveel beter zijn dan het gemiddelde TS-lid. Dat is de eerste stap van iemands val. Er is geen gevaar zo groot als wanneer een lid – het kan me niet schelen tot welke groep hij in het verleden behoorde, en het kan me niet schelen of het de leader zelf is – begint te denken en te geloven dat hij beter is dan enig ander lid van de TS. Een leader zelf is niet beter dan het slechtste, en niet slechter dan het beste lid; en datzelfde geldt voor ieder lid van de TS. We zijn allemaal karmisch met elkaar verbonden, en niemand van ons is in enig opzicht slechter dan de beste, of in enig opzicht beter dan de slechtste. Dat is een paradox, maar het is waar.

Zo komt iemand die op die manier dit heldere licht van waarheid en van praktisch occultisme in zijn wezen ervaart, niet alleen in de verleiding om te denken dat hij belangrijk is, maar ook dat hij bepaalde voorrechten geniet die andere leden niet hebben, en hij zal beginnen om van enkele gebruik te maken. Als hij dat doet, merkt hij dat hij in moeilijkheden begint te komen. Maar hij verontschuldigt zich en dan komt hij opnieuw in moeilijkheden, telkens in zo geringe mate dat niemand behalve hijzelf het merkt. Maar dan begint hij compromissen te sluiten en na nog een paar fouten groeit dat verlangen, en al snel raakt hij er zo in verstrikt dat hij het met de negatieve elementen die met hem in contact komen op een akkoordje gooit – die elementen die de kanalen vertegenwoordigen voor de negatieve afbrekende krachten, diezelfde krachten die, als ze dat konden, het heldere licht van de theosofie en de TS zouden doven.

Ik zeg deze dingen niet alleen in Göteborg. Nee – ik heb deze dingen op verschillende manieren al eerder gezegd, en ik vertel ze nu, omdat het precies datgene is wat ieder van ons onder ogen moet zien, of wat hij in de toekomst onder ogen zal moeten zien, indien we werkelijk verlangen onze medemensen te helpen en theosofen te zijn. Zodra iemand compromissen gaat sluiten met de negatieve krachten om hem heen, begint hij het goede in hemzelf uit te leveren aan het kwade in hemzelf. Hij levert het hogere zelf uit aan het lagere zelf, en hij is er dan in feite slechter aan toe dan Arjuna toen deze vóór de strijd dat gedenkwaardige gesprek met Krishna had.

Wat is de panacee, wat is het middel om een dergelijke toestand te vermijden? Het is heel eenvoudig. Door meer aan het welzijn van anderen te denken dan aan zichzelf. Door op de weegschaal van onderscheidingsvermogen en intuïtie de gedachten te wegen die van anderen tot ons komen, en te bepalen, met dit eenvoudige middel, of de gedachte of het idee iedereen ten goede komt of slechts enkelen; of het een zelfzuchtig dan wel een onzelfzuchtig aspect heeft. Dat eenvoudige middel zal helpen. Wanneer we dat beginnen te doen, beginnen we de stem van de stilte te laten werken, die wachter en beschermer van onze zielen, die, wanneer we werkelijk onpersoonlijk en onzelfzuchtig zijn, ons nooit in de steek laat, ons nooit verkeerd leidt.

Om terug te komen op ons uitgangspunt, en dan zal ik de formele gedachten afronden en kunnen we overgaan tot het vraag-en-antwoord-gedeelte. Ik zeg al deze dingen omdat, zoals in het begin is uiteengezet, de volle sterkte van de logekracht die vroeger door de esoterische kant van de Society stroomde, nu door de TS stroomt. Het esoterische aspect is voor onbepaalde tijd gesloten, en dat betekent dat u en ik in de wereld van vandaag, voor de theosofie werken met geweldig veel extra hulp, maar ook met een extra grote verantwoordelijkheid, die daarom een geweldige toename van discipline en zorgvuldigheid vereist. Dat het esoterische exoterisch is geworden, en als gevolg daarvan het exoterische esoterisch, betekent uiteindelijk dat ons dagelijks leven als theosofen een eenvoudige maar toch grote verantwoordelijkheid met zich meebrengt om van onszelf spiritueel zelfstandige wezens te maken, die elk een sterkere eenheid in het werk van de TS zullen worden, opdat de TS haar eigen invloed kan uitoefenen, niet uiterlijk maar innerlijk, op de hele wereld. Dan zullen we als een waardig voorbeeld deel uitmaken van die kern van een universele broederschap, die gevormd wordt door onze toegewijde en waardige leden in ieder land, die zich onderling hebben verbonden, en van wie de invloed op de uiterlijke wereld werkelijk tot een stap vooruit in de ontwikkeling van de beschaving zal leiden.

Na deze opmerkingen zal ik graag iedere vraag beantwoorden die u misschien over het werk heeft. Voel u vrij om elke vraag die u misschien in gedachten heeft, naar voren te brengen, en ik zal mijn best doen om te proberen haar te beantwoorden. Wees niet verlegen. Dit zou geen stijve formele bijeenkomst moeten zijn, want daar houd ik niet van. Wees op uw gemak, en indien u vragen heeft, stel ze dan.

Edith Kahlson: Ik zou willen vragen of dhr. Fredenholm de leader over onze problemen hier in Göteborg verteld heeft?

JAL: Nee, ik heb het werk in Göteborg niet met hem of met iemand anders besproken; maar als ik de menselijke natuur in theosofische aangelegenheden enigszins ken, dan ben ik ervan overtuigd dat er hier in Göteborg in feite geen ernstige problemen zijn die niet door wat tijd, een beetje geduld en een beetje eerlijk theosofisch nadenken kunnen worden opgelost. Indien er in het werk in Göteborg iets ernstigs aan de hand is, zou ik het graag willen weten. Het enige wat ik gehoord heb was dat enkele leden mij niet als leader van de Society aanvaardden, en er de voorkeur aan gaven dhr. Hartley te kiezen op basis van zijn proclamatie. Wel, die leden hebben het volste recht dat te doen. Ik ben hier niet gekomen om steun voor mijzelf als leader van de TS te zoeken. Krijg die indruk toch alstublieft niet. Dat is niet het doel van mijn bezoek hier. Indien ik dat moet doen om steun te krijgen als leader van de TS zou ik er morgen mee ophouden. Laten we dat nu goed begrijpen. Niettemin heeft ieder individueel lid een verantwoordelijkheid om een leader van deze TS al of niet te aanvaarden. Ieder individu heeft die verantwoordelijkheid. Nu herhaal ik, begrijp me alstublieft niet verkeerd. Ik houd ervan om openhartig en eerlijk te spreken. Ik zoek geen enkele steun voor mijzelf. Indien ik dat zou moeten doen zou ik geen leader zijn. Ik zou het niet verdienen leader te zijn. Ik zou het niet verdienen om de mantel van verantwoordelijkheid die daarbij hoort te ontvangen, en of nu meneer zus of mevrouw zo mij al of niet als leader aanvaardt, daarover maak ik me geen zorgen.

Het werk van deze Society is al weer verdergegaan en die leden van deze Society die zich bij deze karavaan willen aansluiten en mee willen trekken naar 1975, zijn hartelijk welkom. Indien er leden zijn die dat niet verkiezen, dan is dat uitstekend. Ieder lid heeft het recht om voor zichzelf te beslissen. Dit is het enige wat ik vraag: dat ieder lid voor zichzelf beslist; en indien hij misschien zou besluiten niet met deze karavaan mee te trekken en deel uit te maken van dit samenwerkingsverband, wees dan alstublieft, zoals ik in mijn brieven heb gezegd, eerlijke mannen en vrouwen en zeg dat dan, en bedank en ga de weg die u wilt gaan, waar u zich ook bevindt, in Göteborg, in Stockholm of in Singapore. Maar wees eerlijke mannen en vrouwen en volg de weg die u wilt gaan, en bedank voor deze Society, omdat wij het werk moeten voortzetten, en we kunnen het werk niet voortzetten als er gekibbel en twijfel heerst onder de leden van deze Society. We kunnen het dan niet volbrengen.

In Nederland waren de leden erg verontrust omdat een kleine groep, die zich om Jan Venema had geschaard, volgens hen heel wat moeilijkheden had veroorzaakt. Na afloop van het Congres had ik een boodschap aan de Nederlandse leden. Nadat ik had aangegeven dat iedereen zelf moet nadenken, en enkele andere dingen, trok ik het lidmaatschap van ieder lid in Nederland in, terwijl ik tegelijkertijd diegenen die in de nieuwe cyclus in dit samenwerkingsverband willen werken uitnodigde dit mee te delen. Binnen 7 à 10 dagen had 90% van de actieve leden in Nederland naar hotel Atlanta in Rotterdam de vrijwillig getekende strookjes gestuurd waarop ze hun wens kenbaar maakten om met deze karavaan mee te trekken. Van de leden in Zweden vraag ik dit niet. Ik ga niet veel lidmaatschappen intrekken.

Indien er in Göteborg misschien enkelen zijn die enige twijfel koesteren, ga dan in hemelsnaam, juist omdat ik eerlijk en openlijk tot u heb gesproken, niet naar huis om onmiddellijk voor het lidmaatschap te bedanken. Nee, dat bedoel ik niet. Maar doe dit: ga naar huis, neem de tijd en overdenk de zaak. Denk zelf na. En indien u niet alle feiten kent, maar slechts een deel ervan, aarzel dan niet mij of een lid van mijn staf te schrijven. Ze hebben geen zelfzuchtige bijbedoelingen. Ze weten waar ze staan. Ze hebben heel wat stormen doorstaan en zullen u vanuit dat gezichtspunt de feiten meedelen, indien u ze nodig heeft.

Bij iedere verandering is er in het hart en het denken van veel mensen een natuurlijke normale strijd geweest. Het is niets nieuws. Maar ik doe een beroep op u om niet in een kring rond te draaien. Denk zelf rustig na. Verzamel uw eigen feiten op uw eigen manier. Wat u ook maar wilt weten, u zult eerlijke antwoorden van mij ontvangen, of van mijn staf, die niet zal proberen uw oordeel te beïnvloeden, maar eerlijk al uw vragen zal beantwoorden. Indien u hiervoor wat tijd neemt en geduld oefent om in uw hart het juiste gevoel te krijgen vanaf nu tot aan de herfstnachtevening, de oogsttijd, zult u denk ik het antwoord vinden dat u zal tevredenstellen – wat het ook is. Indien u dan, na kalm en rustig overleg het gevoel heeft dit beleid niet te kunnen ondersteunen, overweeg dan te bedanken. Maar loop niet hard van stapel om het te doen, alleen omdat ik er vanavond over sprak. Ik spreek vanavond over beginselen.

Er is maar één ding belangrijk in het leven van een theosoof, indien hij theosoof is, en dat is het werk van de meesters. Dat is voor mij van belang, en daaraan wijd ik mijn leven, en ik heb de verzekering gekregen, zoals iedere leader de verzekering heeft gekregen, dat zolang er drie toegewijde, waarachtig toegewijde leden in de TS blijven, ze nooit zal mislukken. Ik heb niet om deze taak gevraagd. Het gebeurde. Maar ik zal haar naar beste vermogen volbrengen. En dit samenwerkingsverband dat van start is gegaan moet slagen, en het zal slagen. Het is al geslaagd, en we zijn onderweg. En ik zou willen dat zoveel mogelijk mensen er de vreugde van ervaren, omdat de vreugde, de werkelijke spirituele vreugde, die in het hart opwelt als we voor onze medemensen werken in de zaak van de meesters, door niets kan worden geëvenaard.

Mw. Kahlson: Ik zou willen weten of de voorzitter van de loge en de leden willen dat ik u hun problemen vertel? Ik hoop dat u ze zult begrijpen en onze problemen zult doorzien. Ik zou ze graag aan u voorleggen.

De leader wilde dit liever aan hun voorzitter overlaten, die het eerst niet nodig vond om enig probleem naar voren te brengen, maar toen werd overeengekomen dat Mw. Kahlson de moeilijkheden die de loge had, onder woorden zou brengen.

Mw. Kahlson: Ik zou willen verwijzen naar het eerste verslag dat we uit Pasadena ontvingen. Dit werd niet goed begrepen; ze konden het niet goed begrijpen en hebben enige uitleg nodig. Dat was het eerste punt. Dan was er nog iets, enkele leden die niet op een bepaalde bijeenkomst in Hälsingborg aanwezig waren, maar van wie de namen genoemd werden, werden beschuldigd van ontrouw. Later waren enkele van de genoemde leden in Stockholm wel aanwezig. We hebben de gelofte afgelegd nooit zonder protest te luisteren naar iets dat ten nadele van een broeder-theosoof wordt gezegd. Dan is er nog een derde punt. In de Sectionsbrev [brief van de nationale afdeling] werd geschreven dat iedereen die wil bedanken, vrij zou zijn dat te doen; maar niemand hier wilde bedanken, maar we wilden de loop van de gebeurtenissen afwachten.

Dit zijn de drie vragen. We waren niet blij met de gang van zaken, maar wilden niet bedanken, maar afwachten.

JAL: Ik ben heel blij dat ik deze gelegenheid krijg om die zaak op te helderen voor Mw. Kahlson en voor die leden die deze vraag stelden. Allereerst, had uw vraag betrekking op de eerste vergadering van het Kabinet? Wel, u heeft in Göteborg evenveel uitleg gehad als ieder ander elders ontving. Dat verslag werd verzonden in het volle besef van de leden van het Kabinet dat het voor sommige leden moeilijk zou zijn te begrijpen. Het werd kort daarna gevolgd door andere verslagen die meer licht op de situatie wierpen. Alle feiten zijn daarin opgenomen. Wat in sommige gevallen gebeurde was dat enkele leden die deze kabinetsverslagen lazen zich zo zeer interesseerden voor de verwikkelingen zelf dat ze de sleutels tot het mysterie volledig over het hoofd zagen, de aanwijzingen als u het zo wilt noemen. Het is precies hetzelfde als wanneer we een detectiveverhaal lezen en zo worden gepakt of door de gebeurtenissen in het verhaal worden meegesleept dat de sleutels tot de oplossing van het mysterie ons ontgaan. De sleutels zijn alle aanwezig, en waren er al die tijd, en degenen die rustig en onverstoord bleven, en niet toestonden dat ze te veel opgingen in de verwikkelingen, zagen de sleutels, en voor hen was er geen probleem. Maar alle feiten zijn er.

De tweede vraag betrof mijn goede vriend Peter Flach. Ik zal mijn antwoord beginnen met een andere vraag: Ik vraag me af wat ieder van u onder die omstandigheden – indien u in Peter Flachs schoenen had gestaan – zou hebben gedaan terwijl u probeerde een verzoek van de leader van de Society uit te voeren om die feiten mee te delen die werden meegedeeld, en de situatie eerlijk te bespreken en duidelijk te maken dat indien iemand zou willen bedanken, hem niets in de weg zou worden gelegd. Veel leden legden dit uit als een uitnodiging om te bedanken. Zo was het niet bedoeld. De woorden die Peter sprak in dat opzicht waren woorden die door mij in zijn mond waren gelegd. Ik vroeg hem dat verslag uit te brengen en die mededelingen te doen. Ik vraag me af wat ieder van ons in diezelfde positie zou hebben gedaan. Misschien zouden we door de opwinding van het moment wat meer aangedaan zijn geweest en misschien veel meer hebben gezegd dan Peter. Ik geef geen verontschuldigingen voor Peter Flach, en ik wil dat u allemaal weet dat ik hem voor 100% steun, en dat dit zo zal blijven zolang hij de theosofie in zijn hart hooghoudt, zoals hij nu doet, hoeveel fouten hij in uw ogen misschien ook maakt of zal maken. Naar mijn oordeel heeft hij er heel, heel weinig gemaakt, als we ze zelfs als fouten kunnen aanmerken.

Peters mededelingen op de door u genoemde bijeenkomsten hadden betrekking op de daden van bepaalde theosofen. Ik noemde eerder al die hoge innerlijke groep van GdeP. Het spijt me te zeggen dat bepaalde leden van die zogenaamde bijzondere groep niet alleen op het Hoofdkwartier maar overal in de wereld, in Zweden en in Nederland, en in de Verenigde Staten en Engeland, allemaal in dezelfde valkuil vielen, en de weinige leden waren die kolonel Conger, en zelfs GdeP in bepaalde gevallen, de meeste moeilijkheden bezorgden. Het waren enkele leden van die innerlijke groep die dachten dat ze meer wisten over het leiden van de TS dan GdeP en kolonel Conger, en die de oorzaak waren van de geringe moeilijkheden die er zijn. En waarom? Omdat ze dachten dat ze belangrijk waren.

Om terug te komen op Peter en zijn mededelingen in Hälsingborg: ik had hem gevraagd de feiten mee te delen ongeacht de gevolgen, opdat de waarheid aan het licht zou komen en de theosofie overal waar dat in Zweden nodig was ontward zou worden. In Stockholm noemde hij namen, wat volkomen juist is, maar ik bekritiseer helemaal geen personen. Ik bekritiseer hun handelingen.

Ik heb de grootste bewondering voor iedereen in de TS die met de juiste houding van hart en ziel de verzoeken van de leader en het Outer Head probeert in te willigen. Wij op het Hoofdkwartier, die dicht bij de leaders hebben gewerkt, weten wat dat betekent, en dat ze ons enkele heel lastige taken opleggen. Maar we moeten ze uitvoeren, of tekortschieten. En als we inderdaad tekortschieten, zouden we niet lang op het Hoofdkwartier blijven. Ik zou u heel wat onplezierige karweitjes kunnen noemen die ikzelf heb moeten doen.

Vergeet niet dat het om het motief gaat. En niets van wat Peter misschien gezegd heeft en iemands gevoelens kwetste, was persoonlijk bedoeld, en ik weet dat hij de eerste zou zijn om te doen wat hij kan om die wonden te helen. Ik denk dat ik de vraag nu volledig heb behandeld, maar of ik het naar tevredenheid heb gedaan weet ik niet, en indien u over enkele aspecten ervan wilt praten zal ik graag mijn best doen.

Er ontstond een kleine discussie in het Zweeds over de exacte betekenis van de mededeling van Peter Flach dat leden zouden moeten bedanken als ze een andere weg wilden gaan, enz.

Geef alstublieft mij daarvan de schuld. Ik heb op deze tocht door Nederland en Zweden geleerd dat ik zorgvuldiger moet afwegen, niet wat ik te zeggen heb, maar hoe ik in het Engels moet uitdrukken wat ik wil zeggen, opdat het met de juiste betekenis kan worden vertaald. Waar Peter in zijn mededeling op zinspeelde was precies datgene wat ieder lid van de TS al had vernomen, namelijk om duidelijk te maken dat ieder die verkoos te bedanken dat ongehinderd kon doen. Dat zijn niet letterlijk de woorden, maar dat was de gedachte. Nu kan ik goed begrijpen dat door dit in een vreemde taal te vertalen het moeilijk kan zijn om de juiste betekenisnuance over te brengen. Voortaan zal ik voor ik weer iets van zo’n vitaal belang verzend, proberen te weten te komen wat de moeilijkheid van de vertaling is, zodat het tweemaal kan worden gecontroleerd vóór het hierheen wordt gestuurd. Geef daarom alstublieft mij daarvan de schuld. Ik zal de volle verantwoordelijkheid op me nemen. Dit drong laatst op een avond in het bijzonder tot me door toen op een bijeenkomst, nadat ik een vraag had beantwoord, iemand spontaan zei: ‘Het is jammer dat te moeten vertalen.’ De gedachte was niet dat de Zweedse taal niet zo goed zou zijn als het Engels, maar dat het bij het vertalen zo moeilijk zou zijn de betekenisnuance goed weer te geven. Dat is het probleem waarin we ons op het Hoofdkwartier moeten verdiepen, in het bijzonder in verband met onze publicaties.

Agnes Andersson: Ik behoor tot de loge in Göteborg, hoewel ik een flink eind hiervandaan woon. Maar toen ik de eerste verslagen ontving die u vanuit Pasadena verzond, las ik ze in het Engels, luisterde naar de innerlijke stem en kreeg antwoord. Ik vond het opmerkelijk dat dhr. Long genoeg moed had om te doen wat hij deed. Ik had het gevoel dat hij de juiste man op de juiste plaats was. En wanneer het aankomt op de vragen die gesteld zijn, dan denk ik dat we alle antwoorden die we werkelijk nodig hadden, ontvingen in de verslagen die we uit Pasadena ontvingen, en natuurlijk ook in de brieven van de Zweedse Afdeling, de Sectionsbrev.

JAL: Dank u zeer Mw. Andersson. Ik zou nu heel beknopt het volgende punt willen belichten. Indien we in de meesters geloven, indien we in karma geloven, indien we in cyclussen geloven, wat zouden we dan verwachten dat er op een natuurlijke manier, overeenkomstig de wet, bij deze verandering van beleid zou gebeuren? Ik spreek niet over leaders, begrijp dit alstublieft goed; ik spreek over het werk van de TS en over de verantwoordelijkheid van de leden daarin. Zouden we niet verwachten dat, wanneer het moment was aangebroken, ieder lid van de TS door de occulte kracht van de omstandigheden zou worden beproefd, die ieder van ons zou dwingen zijn eigen intuïtie te gebruiken om het zich ontvouwende karmische draaiboek van de TS te lezen? We konden onmogelijk ad infinitum blijven doorgaan zoals we tot kolonel Congers leiderschap hadden gedaan: steeds maar weer leringen ontvangen, met het voorbeeld van de leaders, en de instructies van de leaders, en er niets mee doen. De opeengehoopte kracht van die leringen moest natuurlijk ergens tot uitdrukking komen. Als we voedsel tot ons nemen en steeds maar weer voedsel tot ons nemen en niet stopten om het te laten verteren, zouden we ziek worden. Hetzelfde is waar in spirituele zin: als we spiritueel voedsel tot ons nemen, en steeds meer spiritueel voedsel, en het nooit verteren of in ons opnemen, het nooit in ons karakter of in onze constitutie laten doordringen, krijgen we een soort spirituele indigestie. Wanneer we dat krijgen, kunnen we niet goed zien, kunnen we niet goed denken, kunnen we niet goed voelen.

Dit onderwerp ‘praktisch occultisme’ is een zaak van de leer van het hart. We weten allemaal hoe vaak HPB en anderen over de leer van het oog en de leer van het hart hebben gesproken. Ik hoef dat niet uit te leggen. Diegenen onder ons die werkelijk in onze theosofie geloven en de leer van het hart in ons leven tot uitdrukking proberen te brengen, zullen nooit enige ernstige moeilijkheden ondervinden bij het lezen van het zich ontvouwende karmische draaiboek van de TS of van onze eigen individuele leven. We zullen de wegwijzers die de richting aangeven van waarachtig spiritueel leven herkennen, en nooit gekweld worden door spirituele trots of spirituele zelfzucht of spirituele indigestie.

Ik heb zojuist op mijn horloge gekeken en zie dat het al half 11 is. Ik dacht niet dat het al zo laat was. De tijd vliegt altijd als we over theosofie praten. Zijn er nog meer vragen? Ik wil u niet te lang ophouden, maar ik zou graag dhr. Fredenholm, na hem te bedanken voor zijn uitstekende vertaalwerk, de gelegenheid willen geven om als voorzitter van een van de loges hier een paar woorden te spreken over wat hij misschien zou willen zeggen.

Fredenholm: Wat ik zou willen zeggen is dat we het bijzonder waarderen dat u hierheen bent gekomen en ons een verklaring van uw werk en van vele andere zaken heeft gegeven die we werkelijk nodig hadden. Verder heb ik niets anders te zeggen dan u te bedanken voor het geduld dat u met ons heeft en voor wat wij van u en van de TS vanavond hebben ontvangen. Dat is alles.

JAL: Dank u zeer, meneer Fredenholm. Ik heb u vanavond werkelijk heel weinig gegeven. U heeft me heel veel gegeven. Vóór ik kwam heb ik geweigerd me ook maar enige mening over Göteborg te vormen. Ik ga hier vandaan met een mening, een mening uit de eerste hand, het enige soort oordeel dat ik me wil vormen, want ik zal geen genoegen nemen met enig oordeel uit de tweede hand. Wat ik in Göteborg heb gevonden, heb ik tot dusver overal in Zweden gevonden, een ingeboren, inherent verlangen om voor de theosofie het juiste te doen. En indien er misverstanden zijn geweest over de documenten die door Pasadena en mij of het Kabinet zijn verzonden, of door Peter Flach in zijn afdelingsbrieven, dan hoop ik dat u dit zult vergeten en beseffen dat ze zijn gezonden met de oprechte bedoeling om u alles te geven wat we konden.

Wat de vraag betreft die door Mw. Kahlson is gesteld, zou ik niet graag willen dat iemand het gevoel zou krijgen dat hij wordt aangezet om in deze zaak snel tot een beslissing te komen. Het belangrijkste en enige waarop ik de nadruk wil leggen en dat ik wil herhalen is: denk hier zelf over na. Als u nog meer feiten wilt, schrijf dan niet alleen aan één persoon, maar aan iedereen die ermee te maken heeft, en probeer alle feiten te krijgen die u kunt krijgen en neem ze mee naar huis. En dan, zoals de meester Jezus zegt: ‘Als jullie bidden, bid dan tot je Vader in het verborgene, en hij zal je openlijk belonen.’ Dat is de ware occulte theosofische benadering. Als een theosoof in het binnenste van zijn eigen hart een beroep doet op zijn hogere zelf, rustig, kalm en verborgen, in de stilte van zijn eigen gedachtewereld, zal het hogere zelf hem openlijk belonen met de juiste beslissing – altijd. Het zal nooit tekortschieten.

Ik wil nog een paar minuten van uw tijd vragen, als het mag. [Zich richtend tot Eufrosyne Collander, voorzitter van Loge 3 in Göteborg.] Ik geloof dat hier een dame is van een andere loge, en indien u enkele woorden zou willen zeggen dan kan dat nu.

Mw. Collander: Ik waardeer het bijzonder dat u naar Göteborg bent gekomen en er niet alleen maar langs reed, want het is voor ons een prachtige gelegenheid geweest om onze leader te horen. De breuk die hier was, wijst er volgens mij op dat we door de poorten van loutering gaan. Deze ontstond niet doordat we lauw waren, maar we ondergingen dit omdat het karmisch is. Nu we dit weten, beseffen we dat, als we ons met hart en ziel inzetten voor de leringen, we ons allen in deze broederschap, die een zeer heilige broederschap is, verenigd zullen voelen. En we zullen nu, na deze avond onze blik naar binnen richten en deze dingen overdenken. Het is moeilijk voor u, omdat we zoveel van u vergen, maar onze dankbaarheid is heel groot voor het feit dat u hierheen kwam en ons dit alles gaf. En we kunnen, evenals u, proberen de meesters te dienen door de mensheid te helpen; dan doen we iets.

JAL: Ik zou graag een paar korte opmerkingen hierover willen maken. Mw. Collander heeft in haar uiteenzetting de kern geraakt van de ware situatie in de TS, als ze spreekt over het gaan door de louteringspoorten. Dat proces vindt bij ieder werkelijk toegewijd lid plaats, en bij iedere loge die enige activiteit vertoont. En ze heeft gelijk als ze zegt dat het niet zou gebeuren als u lauw zou zijn.

Met één ding wat Mw. Collander zei ben ik het eens en ook weer niet eens, en dat is dat we succes zullen hebben als we onze leringen trouw blijven. Ik ben het daar niet mee eens. Ik zou zeggen dat we succes zullen hebben als we onze leringen in praktijk brengen en ik denk dat Mw. Collander dat ook zo bedoelde. Ik dank u zeer voor uw uiteenzetting. U sprak vanuit het hart en voor mij is dat allemaal een onderdeel van Göteborg.

Ik wil u allemaal nogmaals bedanken voor uw komst, en aarzel alstublieft niet om te schrijven wanneer u de behoefte heeft om te schrijven. Dit is een samenwerkingsverband en de leden die het als zodanig hebben onderschreven, hebben ontdekt dat ik niets achterhoud. U heeft mij heel veel gegeven en ik kan alleen maar geven, wanneer en waar dan ook, of het één persoon betreft of honderd, wat door u wordt opgeroepen. Niets meer en niets minder. Ik verdien dus geen dank. Maar u verdient mijn waardering omdat u mij in de gelegenheid heeft gesteld u te ontmoeten en u een beetje beter te leren kennen.

Hiermee zullen we, denk ik, de bijeenkomst besluiten. Ik zou graag ieder van u de hand schudden als u vertrekt, en de hoop uitspreken dat ik u allemaal binnen niet al te lange tijd terug kan zien. Ik kan niets beloven. Omdat er lange tijd geen gelegenheid was voor een leader om naar Europa te komen, hoop ik dat goed te maken en u zoveel mogelijk van dienst te zijn.

Ik dank u allemaal nogmaals.

De bijeenkomst werd om 22.45 uur gesloten.


James A. Long – Tourverslagen 1951

Theosophical University Press Agency online editie

© 2008 Theosophical University Press Agency. Online-editie, isbn 978-90-70328-64-1.