Inhoudsopgave 
Bijeenkomst in Hälsingborg
Hotel Astoria
20 mei 1951 – 14.00 uur
Peter Flach, voorzitter
Lory Holmgren, vertaler
JAL: Allereerst wil ik u bedanken dat u vanmiddag hierheen
bent gekomen, en dat u op deze prachtige zonnige zondag tijd hiervoor
heeft vrijgemaakt, waarvan u allemaal, dat weet ik, buiten zou hebben
genoten. Ik waardeer het zeer in de gelegenheid te zijn u te ontmoeten
en hopelijk u te leren kennen en begrijpen. Ik dank u ook voor de prachtige
bloemen.
Zonder dat er een duidelijke reden voor is, voel ik me nogal bezwaard.
Ik vertelde aan iemand in Göteborg, toen hij mij vroeg hoe ik over
hun stad dacht, dat het niet zo zeer is wat ik zie, dan wel wat ik voel.
Wat ik gezien heb in Hälsingborg is prachtig; wat ik voel –
wel, ik voel me verdrietig, maar ik hoop dat het snel voorbijgaat, en
dat ik dan vrolijk gestemd tot u kan spreken.
Er zijn drie redenen voor mijn bezoek aan Hälsingborg. De eerste
is, zoals ik al heb gezegd, om u te ontmoeten en kennis met u te maken.
De tweede is om mijn waardering uit te spreken over dr. Bogren die,
zoals u weet, een van de edelste voorbeelden van theosofie en van een
actieve theosoof was, dat de Society heeft gekend. Het derde doel was
om zo mogelijk met de vroegere leden van Loge 2 samen te komen en die
loge opnieuw te vormen ter nagedachtenis van en als huldeblijk aan dr.
Bogren. Maar het schijnt dat iets van de leer van het oog aan het werk
is geweest in plaats van de leer van het hart, en wanneer dit gebeurt,
lijdt de leer van het hart. Ik denk niet dat het ernstig is, en ik ben
niet persoonlijk teleurgesteld als het misschien niet mogelijk is het
derde doel van mijn bezoek te verwezenlijken. Maar mijn hart is bedroefd
over de pijn die sommige leden in hun hart voelen als gevolg van de
dingen die de laatste twee maanden hebben plaatsgevonden, waarvoor zijzelf
in feite niet verantwoordelijk zijn.
Ik heb maar één manier om een probleem in het theosofische
werk aan te pakken, de enige manier die een leader kan gebruiken, en
dat is de onpersoonlijke onpartijdige manier, door te proberen het hart
van de leden te bereiken vanuit mijn eigen hart. Dat is de enige manier
die ik ken. En wanneer ik probeer mijn verantwoordelijkheid inhoud te
geven, probeer ik dit op een eenvoudige, openhartige, eerlijke manier
te doen, met alle feiten die ik ter beschikking heb, en met alle feiten
die iemand anders kan hebben of denkt te hebben, vóór
ons open op tafel, waar we alles kunnen zien en dan onze beslissingen
kunnen nemen, niet met sentimentaliteit, maar met onderscheidingsvermogen
– met onze eigen intuïtie en ons hart, en niet met ons redenerend
hersenverstand. Als u geduld met me heeft, zal ik proberen samen met
u hardop te denken, met u te denken en te spreken, niet tot u, als u
me daarbij wilt helpen. Ik zou beslist willen dat ik vanmiddag Zweeds
kon spreken.
Ik heb bij verschillende gelegenheden gezegd dat de occulte kracht
die nu door de Society stroomt – nu de Esoterische Sectie gesloten
is, en voor onbepaalde tijd gesloten zal zijn, wat geheel afhankelijk
is van het karma van de Society – groter is dan ze ooit was toen
ze door de Esoterische Sectie van de Society stroomde. Ik zou willen
dat de leden deze gedachte niet als een holle frase opvatten, omdat
ze als het ware de sleutel is tot de hele situatie waarin de Society
zich nu bevindt.
Ik neem aan dat niet ieder van u lid is geweest van de Esoterische
Sectie. Maar dat doet er niet toe. Voor de meesten van u die geen lid
zijn geweest van de Esoterische Sectie, is dat in zeker opzicht een
zegen. Maar ik denk dat u allemaal de betekenis kent van de term ‘louteringspoorten’.
Ieder individueel lid van de TS moet in de een of andere vorm, geheel
afhankelijk van de oprechtheid en de kracht van zijn aspiraties, door
deze louteringspoorten gaan. De meesten van u hebben de gevolgen gezien
van die wet die in individuele leden werkt. Mw. Blavatsky noemde het
geloftekoorts; maar ik heb vele, vele gevallen gezien van zeer heftige
reacties in TS-leden die nooit hebben geweten dat er een Esoterische
Sectie was. En waarom hadden ze zulke hevige aanvallen van geloftekoorts?
Eenvoudig omdat hun aspiraties oprecht en sterk waren, en ze juist door
dat feit de tests en beproevingen aantrokken die automatisch vanuit
het dagelijks leven tot ons komen wanneer we werkelijk streven.
Als we de theosofie, die ons jaren lang is geleerd, geloven, dan moeten
we beseffen dat iedere groep leden, hetzij in een studiegroep, in een
loge, of in de Society als geheel, als een eenheid door die louteringspoorten
moet gaan, evenredig aan de oprechte aspiraties in het hart van de leden
die deze groep vormen. Zo zien we dat in bepaalde cyclische perioden
de goede wet van karma tegelijkertijd werkt op wat wij drie verschillende
terreinen zouden kunnen noemen: in het individuele lid, in de loge waarvan
hij of zij lid is, en in de organisatie waarvan hij of zij lid is en
waarvan de loge deel uitmaakt. Onder normale omstandigheden komen die
drie werkingen van karma niet gelijktijdig voor. Ze kunnen op het ene
moment in het individuele lid voorkomen, later bij de loge en op een
andere tijdstip bij de Society. Maar er zijn bepaalde tijden waarin
het proces op alle drie de terreinen gelijktijdig plaatsvindt. Niet
bij iedere wisseling van leader vindt dit op ieder terrein plaats. Maar
het naderen van het punt halverwege deze eeuw, het 75-jarig bestaan
van de Society, de nieuwe messiaanse cyclus, evenals grotere cyclussen
die samenvielen met het begin van het bestuur van kolonel Conger en
hun climax bereikten aan het einde daarvan en bij het begin van mijn
eigen bestuursperiode, hebben een sterke en krachtige invloed gehad
op het individuele lid, de loge en de TS zelf.
De meesters zijn zeer praktische mensen, en degenen onder u die zakenmensen
zijn, zullen in het bijzonder deze analogie weten te waarderen. Indien
u een zaak zou hebben, en indien u werd gezegd dat u in 1975 een bepaald
doel moest bereiken, een bijzondere taak moest vervullen, en u werd
intussen de tijd gegeven om u voor te bereiden, wat zou u dan doen?
Wat zou iedereen doen die over een gezond verstand beschikt? U zou beginnen
uw personeel te trainen. U zou beginnen orde op zaken te stellen, zodat,
als het jaar 1975 aanbreekt, en het werk moet worden gedaan, u een groep
mensen in uw organisatie heeft waarop zonder enige twijfel kan worden
gerekend om dat werk te doen. Wel, zo praktisch zijn de meesters.
De wet van karma is tegelijkertijd op deze drie terreinen aan het werk,
en werkt krachtig. Daardoor geeft ze niet alleen het individuele lid,
maar ook de loge en de Society de gelegenheid de toets van de tijd te
doorstaan, en óf verder op te klimmen óf terug te vallen,
afhankelijk van het succes waarmee ze aan deze beproevingen het hoofd
bieden.
Wat waren en zijn deze beproevingen? Wanneer we proberen over het antwoord
op die vraag na te denken, laten we dan proberen praktisch te zijn in
ons denken. Laten we de vraag eerst eens beschouwen vanuit het standpunt
van het individuele lid. Aan veel leden, niet alleen in Zweden, maar
ook in andere plaatsen, zijn heel wat feiten gegeven die hen hebben
verontrust – een grote hoeveelheid onjuiste feiten, waarvan sommige
eenvoudig schaamteloze leugens zijn. Ik moet openhartig zijn. Het lijkt
misschien dat ik nu ver afdwaal van de beproevingen, waarover ik het
heb, maar dat is niet zo.
Ik zal kort herhalen wat ik gisteravond de leden in Göteborg vertelde.
De Esoterische Sectie was een proefterrein voor leden die wat harder
wilden werken aan het verbeteren van hun karakter dan de gemiddelde
leden van de TS. Iedere leader heeft naast deze Esoterische Sectie zijn
innerlijke groepen gehad. Judge had ze, KT had ze, GdeP had ze, ieder
op hun eigen manier. Naast de Esoterische Sectie had GdeP de Katherine
Tingley Memorial Group, waarvan de leringen nu in The Dialogues
of G. de Purucker openbaar zijn gemaakt. Aan de leden van de KTMG
die door GdeP waren uitgenodigd deze bijeenkomsten bij te wonen, gaf
hij méér omdat ze door hun innerlijke aspiraties dat recht
hadden verworven. GdeP zag dat ze het waard waren nog meer getest te
worden naast de spanning en druk van de beproevingen van de Esoterische
Sectie. GdeP had ook een hogere groep, een innerlijke groep van nog
minder leden. En ook in die groep werden de leden uitgenodigd omdat
ze het recht hadden verworven op zelfs nog zwaardere beproevingen. Sommigen
van hen beseften dat niet. Velen van hen dachten dat ze waren uitgekozen,
omdat ze een beetje beter waren dan de anderen, en daarom het recht
hadden verdiend meer leringen te ontvangen. God helpe hun zielen, zeg
ik, wanneer ze dat gaan denken. Telkens als een lid denkt dat hij is
uitgekozen om meer leringen te ontvangen omdat hij beter is dan een
ander, is hij begonnen een stap terug te zetten.
Ieder van ons wordt op zijn eigen manier beproefd. Niet altijd door
een leraar, omdat een leraar heel zelden iemand opzettelijk beproeft.
Een leraar werkt met karma, en laat het leven – de enige inwijdingskamer
die wij nu hebben – en de omstandigheden in het dagelijks leven
van die mens als inwoner van Zweden of een ander land, en als lid van
de TS, het beproevingswerk doen. Wanneer de leden aan zo’n vreselijke
beproeving worden onderworpen en ze schieten tekort, dan is het helaas
alsof een grote steen in een poel wordt geworpen en de rimpelingen zich
tot aan de oever uitbreiden en terugkomen, en zich uitbreiden en terugkomen;
en hun beoordelingsfouten en verkeerde opvatting van echt praktisch
occultisme bereiken het denken van anderen. Let wel, ik zeg: het denken,
niet het hart, omdat zoiets nooit iemands hart zal raken. Alleen de
leer van het hart kan dit doen.
Na de dood van GdeP hebben bepaalde leden van zijn hogere groep geprobeerd
de TS te besturen, omdat ze dachten dat ze goed genoeg waren om zich
door een leraar te laten vertellen hoe ze een leader en een Outer Head
moeten beproeven. Als de omstandigheden niet zo heilig waren, zou men
bijna moeten lachen. Deze rimpelingen zijn nog niet tot rust gekomen.
U heeft enkele voorbeelden ervan gezien hier in Zweden. We hebben er
een paar van in Amerika. Maar ze zijn bijna opgehouden.
Toen ik leader werd, deed Emmett Small weinig om de leden in Amerika
te beïnvloeden – maar wat deed hij wel? Hij zond telegrammen
naar Europa, en wie probeerde hij te beïnvloeden? Waar gingen de
telegrammen heen? Ze gingen naar leden die afwisten van of verbonden
waren met die hogere groep, in een poging om de afdelingsvoorzitters
in heel Europa te beïnvloeden. Maar het Congres in Utrecht heeft
eigenlijk de hele poging belachelijk gemaakt. Begrijp me alstublieft
niet verkeerd. Ik bekritiseer niet de mensen. Mijn hart doet pijn om
hen, en dat moet u geloven. Ik bekritiseer echter de daden, en probeer
aan te geven welke vormen sommige van deze beproevingen – waarvoor
we van tijd tot tijd worden geplaatst – in de praktijk aannemen.
Aan de ene kant vind ik het jammer dat het op dit moment nodig blijkt
te zijn over dit onderwerp te praten. Aan de andere kant moeten we de
waarheid zeggen, en dat is de enige manier waarop we in het theosofische
werk ooit iets zullen bereiken.
Nu was het zo dat die mensen die sleutelposities aan het Hoofdkwartier
hadden en vertrokken, leden waren van die innerlijke groep. Kolonel
Conger heeft hun nooit gevraagd om weg te gaan. Ze gingen allemaal vrijwillig,
behalve Helen en Iverson Harris, die na een jaar verzocht werden om
te vertrekken, omdat ze bleven en bleven en al die tijd misbruik maakten
van de goedheid van kolonel Conger, terwijl ze doorgingen met ‘vijfde
colonne’-werk, zonder eerbied of respect te tonen. Dat is het
soort beproeving die iemand krijgt in de zogenoemde hogere graden, en
dat zijn het soort activiteiten die men onderneemt als men tekortschiet.
Er waren zelfs enkele leden van die groep die het leugenachtige verhaal
verspreidden of in ieder geval lieten voortbestaan dat dr. Edge, die
praktisch zijn hele leven de theosofie had gediend, buiten het Hoofdkwartier
op straat van honger was gestorven, omdat wij hem geen voedsel wilden
geven. Dit is belachelijk. Een bijzonder goede Zweedse verpleegster,
Gerda Fick, verzorgde hem tot zijn laatste ademtocht aan het Hoofdkwartier
in Covina, terwijl kolonel Conger alles deed wat hij kon om het hem
tot het einde toe zo aangenaam mogelijk te maken, en die zelf over dr.
Edge letterlijk zei: ‘Er wordt meer tegen hem gezondigd dan dat
hij zelf zondigt.’ En dat was waar. Want dr. Edge werd op zijn
oude dag als instrument gebruikt door leden die beweerden van hem te
houden en zichzelf betere theosofen vonden dan de gemiddelde theosoof.
We moeten eerlijk en waarheidsgetrouw tot de wortel van deze dingen
doordringen, zodat de theosofie haar weg kan vervolgen en haar steentje
kan bijdragen voor de lijdende mensheid, en de eerste doelstelling in
het oorspronkelijke plan van de meesters kan bereiken. Dat wat betreft
de individuele leden.
Wat gebeurt er nu met de loges wanneer ze gevangen raken in deze maalstroom
van karmische reactie die we de louteringspoorten noemen? Wanneer een
logelid het denken en het bewustzijn van zijn medeleden in eigen handen
neemt, begint hij dubbel, driedubbel en vierdubbel karma te maken. Een
logevoorzitter die zich laat meevoeren in de stroom van handelingen
zoals ik die voor u heb geschilderd, ondervindt onmiddellijk een vreselijke
reactie. Omdat hij het werk goed heeft gediend, omdat hij werkt onder
de beschermende vleugels van zijn lidmaatschap, onder de beschermende
vleugels van het logevoorzitterschap, in de beschermende stromen die
door de TS vloeien, wordt de reactie, als hij twijfel en tweedracht
begint te zaaien, vele, vele malen verveelvoudigd wanneer die tenslotte
het individu treft.
De meesters zijn niet voor slechts één enkel leven in
een lid geïnteresseerd. Ze denken in termen van vele levens. Ze
denken niet in termen van de persoonlijkheid, omdat die vergankelijk
is en nooit in een andere incarnatie zal terugkeren. Ze denken aan het
reïncarnerende element, dat steeds opnieuw zal terugkomen. Naar
het beschermen daarvan gaat hun belangstelling uit. Dat willen ze ontwikkelen,
opdat ze steeds betere instrumenten krijgen die ze kunnen gebruiken
voor het werk dat hen interesseert – hun verantwoordelijkheid
als beschermers van de mensheid.
Wanneer de krachten van inwijding fel branden in de ziel van een individueel
lid en deze persoon zich door zijn daden laat verleiden tot verkeerde
beslissingen en verkeerde opvattingen, gebaseerd op onjuiste feiten
en op het tegenovergestelde van de waarheid, dan wordt het de verantwoordelijkheid
van de leader om het werk te beschermen, en het individu voor het werk
te beschermen, en, als karma het toelaat, die persoon een poosje uit
de witte gloeihitte te verwijderen – lang genoeg voor hem om tot
zichzelf te komen en tot een normale toestand terug te keren. Dat beschermt
én het individu én het werk. En wanneer deze inwijdingskrachten
en de negatieve reacties door de verkeerde beslissingen een groep, een
loge als eenheid, beïnvloeden, dan betekent een belangrijke ingreep
door de leader op den duur een grote weldadige kracht voor het beschermen
van de loge en de logeleden als geheel, doordat hij de temperatuur wat
doet dalen, vóór hij verdere stappen zet voor het opnieuw
vormen van die loge en voor de nieuwe activiteit, die deze loge in haar
hart meedraagt om aan de wereld te geven.
Ik dank de goden dat er door dit hele proces maar heel weinig loges
zijn beïnvloed. Maar de tijd is gekomen – en het gaat hierbij
om de TS als geheel – dat de meesters niet langer bereid zijn
zo mild voor ons te zijn zoals het geval was op de neergaande boog van
de eeuw. We zijn minder dan 25 jaar verwijderd van 1975, en ze zijn
niet langer bereid een individueel lid of een groep van deze mensen
toe te staan zichzelf te misleiden door te geloven dat ze bezig zijn
het werk van de Society te redden, wanneer ze in feite enorme struikelblokken
voor het werk van de meesters vormen.
Zo zien we op dit moment, bij de dood van kolonel Conger en het aanvaarden
van het leiderschap door mijzelf, dat er door de meesters een specifieke
poging werd ondernomen door en met kolonel Conger en GdeP. Het begon
al in 1935. Laten we het feit niet uit het oog verliezen dat GdeP het
document schreef dat de meesters hem vroegen te schrijven, zodat er
een 3-jarig bestuur van het Kabinet zou zijn. Dit was allemaal onderdeel
van een louteringsproces dat leidde naar dit bijzondere punt in de cyclus
waarop we een totale ommekeer moeten maken en beseffen dat we dat moment
hebben bereikt waarop we aan de wereld moeten geven van wat we hebben
ontvangen, en dat dit moet worden getest en beproefd, zodat wat we geven
het geven waard is. En we zullen in de eerstvolgende 25 jaar op een
praktische theosofische manier moeten werken, als we gereed willen zijn.
Dus deze hele beproeving waaraan de Society wordt onderworpen, is goed,
heel goed.
Vanaf het moment dat ik mijn ambt aanvaardde en we onmiddellijk de
rapporten verzonden van de eerste vergaderingen van het Kabinet, die
iedereen volkomen in verwarring brachten, vanaf dat moment tot de ‘proclamatie’
en de daarop volgende resoluties van het Congres in Utrecht, onderging
ieder lid van de TS, ieder loge van de TS, en de TS zelf een beproeving.
Ik zei al eerder dat leden van de Society die geen leden van de Esoterische
Sectie waren geworden, in zekere zin geluk hadden. Ik zal u nu vertellen
waarom ik dat zei, omdat het u misschien zal interesseren te weten dat,
zo er al in het denken van leden twijfel heeft bestaan over die befaamde
kabinetsdocumenten, die twijfel in bijna elk geval aanwezig was in het
denken van leden van de Esoterische Sectie. Slechts één
of twee, die alleen maar TS-leden waren, hadden wat moeilijkheden. Ik
bekritiseer niet het lid van de Esoterische Sectie. Helemaal niet. Maar
daar kwam ook de zwaarste, de grootste beproeving. Het waren alleen
die leden van de Esoterische Sectie die dachten dat ze uitverkoren waren
en meer wisten dan het gewone TS-lid, en dat ze bevoorrechte figuren
waren, die twijfelden. Ze hadden met hun denken gewerkt en niet met
hun hart.
U zult nu inzien, vrienden, waarom het op dit punt van de eeuw nodig
is en raadzaam en ook heel praktisch dat het esoterische exoterisch
is geworden; en als voortvloeisel daarvan het exoterische esoterisch.
We worden nu allemaal, afhankelijk van onze inspiraties, aan sterkere
beproevingen onderworpen dan ooit te voren. Laten we ze niet uit de
weg gaan. Laten we er geen afkeer van krijgen. Laten we ze verwelkomen.
Ze zullen niet door mij of een logevoorzitter worden gegeven. Het leven
zelf zal ze geven. En wanneer het vuur van onze aspiraties alles wat
onzuiver is begint weg te branden uit de donkere hoeken van onze natuur,
laten we dit dan met open armen verwelkomen, en ons verheugen in de
strijd, zoals ook Arjuna tenslotte zijn verantwoordelijkheid erkende
en zijn zwaard trok om het tegenovergestelde van de waarheid te verslaan.
Ik wil hier nog één opmerking maken, en dan zullen we
gelegenheid geven om vragen te stellen. Ik wil mijn gedachte zo uitdrukken
dat ik geen verder misverstand schep. Ik denk dat u moet weten dat mijn
belangstelling voor de mensen die ik heb genoemd niet persoonlijk is.
Ik heb alleen belangstelling voor het schetsen van een juist beeld.
En ik wil dat u weet dat er vanaf het begin tot het einde van het bestuur
van kolonel Conger momenten waren dat degenen onder ons die het voorrecht
hadden dicht in zijn nabijheid te zijn, bijna begonnen te denken dat
hij aan niets anders dacht dan aan die leden die verraad hadden gepleegd,
niet aan hem, maar aan henzelf. Hij hoopte voortdurend op hun terugkeer
in de stroom van positief werk. Hij bracht herhaaldelijk het onderwerp
onder de aandacht. Het liet hem niet los, omdat hij wist dat zijn verantwoordelijkheid
voor hen even groot was als voor de leden die niet in verwarring waren
geraakt, en hij leed, meer dan eens zelfs met tranen in de ogen. Maar
toen het einde van zijn bestuursperiode kwam – ik zag het toen
niet zo goed als nu in perspectief, omdat het nu duidelijker is –
wist hij dat de tijd om te handelen was gekomen. Hij had zijn instructies
van hogerhand. Ik werd op een reis rond de wereld gezonden om met de
afdelingsfunctionarissen en hun staf te spreken, opdat ze orde op zaken
zouden stellen voor de lange tocht naar 1975, met de duidelijke boodschap
dat de tijd snel naderde en in feite al was gekomen, dat ze niet langer
mild konden zijn, maar moesten handelen; dat de negatieve elementen
niet langer onder de beschermende vleugel van het werk van de meesters
actief konden zijn.
Vóór ik van mijn wereldreis was teruggekeerd, werd duidelijk
wat er was gebeurd en welke orders hij had ontvangen. Hij gaf het signaal
dat het keerpunt was gekomen toen hij Jan Venema’s lidmaatschap
in Nederland introk. En vóór mijn terugkeer zond hij twee
leden van zijn staf naar San Diego, om de Amerikaanse Loge 1 te sluiten,
de oudste loge in de Verenigde Staten. Hij stuurde hen ook naar San
Fransisco en Oakland om die twee loges te sluiten. Het is mijn taak
om zijn woorden, die hij sprak in de nacht vóór hij zijn
hartaanval kreeg in vervulling te doen gaan: ‘Maak de taak waaraan
je bent begonnen helemaal af.’
Dat werk bestaat niet uit het met een bijl rondgaan en hoofden afslaan,
en lidmaatschappen intrekken en loges sluiten. Mijn taak is het werk
van de Society te beschermen, en ik hoop dat ik geen lidmaatschappen
meer hoef in te trekken, of loges hoef te sluiten. Ik hoop van niet.
Dat zal helemaal van de leden en de loges afhangen. Ik weet nu wat ik
voelde toen ik deze kamer binnenkwam, en het was niet uw schuld. Maar
ik weet nu waarom mijn hart pijn deed, en ik vind dat u dit moet weten.
Vergeet de persoonlijkheid van de leden die ik noemde. Ze zullen altijd
welkom zijn, en hoe eerder ik hen weer kan verwelkomen in de stroom
van het werk, des te gelukkiger ik zal zijn. Deze leden drukken zwaar
op mijn hart, precies zoals dat bij kolonel Conger het geval was. Ik
weet zeker dat niemand van ons gelukkig zal zijn, voordat we allemaal
gelukkig zijn. Dat kunnen we niet zijn, anders zouden we geen theosofen
zijn.
Pauze van 10 minuten.
De voorzitter kondigde aan dat de leader gereed was om vragen
van de leden te beantwoorden.
Thure Holmgren: Ik spreek namens een aantal leden van de vroegere
Loge 2. Ze hebben me verzocht u de vraag voor te leggen of het niet
mogelijk zou zijn, terwijl u hier in Hälsingborg bent, de eerste
steen te leggen voor een nieuwe loge ter nagedachtenis van dr. Bogren.
Christofferson: Ik denk aan de traditie van de oude loge van
dr. Bogren, en wat die voor alle leden heeft betekend. Ik vraag me echter
af wat de bedoeling is van het sluiten van een loge om daarna een nieuwe
loge te beginnen? Ik kan niet geloven dat een loge, dat wil zeggen de
oude loge van Bogren, op innerlijke gebieden kan worden gesloten. Is
het sluiten van de loge slechts het middel om de oude trouwe leden uit
te schakelen, die de krijgers waren met dr. Bogren en die geleerd hadden
lief te hebben en te vergeven? Is dat het doel?
JAL: Dank u zeer, meneer Christofferson. [Wendt zich tot
dhr. Holmgren] Wilt u me toestaan dat ik deze vraag het eerst beantwoord,
omdat uw twee vragen nauw verbonden zijn? Dank u. Mag ik aannemen meneer
Christofferson – en vertaal zijn antwoord alstublieft direct –
dat wat u gevraagd heeft de mening juist weergeeft van de vroegere leden
van Loge 2 die, laten we zeggen, zich verzetten tegen het plan om het
logecharter te laten vervallen?
Christofferson: Ik vertegenwoordig ze niet allemaal, omdat
veel van hen niet zelf nadenken, maar in ieder geval vertegenwoordig
ik een groot aantal van de oudere leden.
JAL: Nog een andere vraag en die is niet persoonlijk. Hoe
lang is dhr. Christofferson lid van de Society?
Christofferson: Ongeveer 30 jaar.
JAL: Dank u. Ik geloof dat ik nu kan proberen de vraag te
beantwoorden. Er is niets blijvends in deze wereld, in dit universum,
alleen maar verandering. Dr. Bogren verdient de eer die ik hem graag
zou willen betuigen, omdat hij een theosoof was die de noodzaak van
verandering in de natuur en in het theosofisch leven erkende. Hoewel
ik dr. Bogren niet heb gekend, herken ik de geest van hem en durf ik
de mening uit te spreken dat dr. Bogren de eerste zou zijn geweest om
de actie die is ondernomen goed te keuren. Er kan geen groei zijn in
het individuele lid, in de loge of in de Society, tenzij er voortdurend
verandering is. Niet alleen uiterlijke verandering, want die komt pas
op de tweede plaats, maar innerlijke verandering, zodat ons hart gelijke
tred houdt met de veranderende omstandigheden die zich in het werk van
de meesters voordoen.
Men kan heel logisch de vraag stellen: Waarom hief kolonel Conger geheel
onverwacht de oudste loge in Amerika op? Daar was een loge, die vele
jaren lang niet slechts de inspiratie van de meest toegewijde leden
van het soort van dr. Bogren had, maar ze had bovendien de inspiratie
van Katherine Tingley en GdeP, en ook van kolonel Conger. De loge steunde
kolonel Conger altijd meer dan 100%. Waarom hief hij die loge zo plotseling
op, als een donderslag bij heldere hemel? Het was niet alleen maar een
groep leden, die deze loge vormden; ze hadden bezittingen, een mooi
theosofisch gebouw, waarvoor ze bloed gezweet hadden, en de toewijding
van ieder lid van die loge ging uit naar het verwerven van en het betalen
van dat gebouw.
Ik heb vanmiddag gesproken over de louteringspoorten. Ik weet zeker
dat de vraagsteller, iemand die meer dan 30 jaar lid is van de Society,
weet wat dat betekent. Ik heb gezegd dat de leden, de loges en ook de
TS zelf door deze louteringspoorten moeten gaan. Voelt een lid dat een
zware aanval van geloftekoorts doormaakt, terwijl hij door de louteringspoorten
gaat, ooit dat er met hemzelf iets mis is? Nooit. Ik heb het doorgemaakt,
en ik zal waarschijnlijk veel meer ervaringen moeten doormaken. Maar
het is altijd de ander, altijd iemand anders, die hem zijn moeilijkheden
heeft bezorgd. En niet voordat hij zozeer lijdt dat hij begint te beseffen
dat het probleem, de moeilijkheid, bij hemzelf ligt, zal hij, en misschien
zelfs dan nog niet ten volle, vrede vinden. Wanneer hij dit beseft,
besluit hij zichzelf eerlijk onder ogen te zien, en te zeggen: ‘Dit
is mijn fout en niet die van iemand anders; ik ben van plan haar onder
ogen te zien; ik erken mijn fout; ik ga het vanaf nu op de goede manier
doen.’ Wanneer hij dat eerlijk doet, dan beginnen de goden zich
neer te buigen en geven die mens de hulp die hij nodig heeft.
Datzelfde is van toepassing op loges. Ik vind dat het heel gunstig
was dat de ervaring van Loge 2 van Hälsingborg tegelijkertijd kwam
met de ervaring van de TS die door de louteringspoorten ging. En als
er leden van Loge 2 zijn die denken dat zij of de loge zelf te goed
zijn om een verdere loutering nodig te hebben, dan ben ik teleurgesteld
in de leden van Loge 2. Niet één van ons is daar te goed
voor.
Dit wordt een heel lang antwoord, meneer Christofferson, maar ik zal
doorgaan als de vertalers geduld met me willen hebben. Nu ik op dit
punt ben aangekomen, zou ik een ervaring aan u willen vertellen die
ik had toen ik met de trein naar Hälsingborg kwam. Een lid uit
Malmö dat de bijeenkomst gisteravond in Göteborg bijwoonde,
zat in dezelfde trein. Ik zou het niet geweten hebben, maar hij kwam
naar ons toe, en groette ons en maakte het grootste deel van de reis
met ons mee. En we praatten zo over koetjes en kalfjes, werkelijk niets
belangrijks. Maar ik ken de menselijke natuur een beetje, en zag dat
dit lid ergens over nadacht, en dat hij een vraag wilde stellen. Even
later deed hij dat ook. Hij stelde deze vraag: ‘Meneer Long, wat
denkt u over de Zweden, niet als theosofen, maar als Zweden?’
Ik zei: ‘Ik weet niet precies wat u bedoelt met deze vraag. Bedoelt
u wat ik denk over het nationale karakter van een Zweed?’
Hij dacht even na en zei: ‘Ja, dat is precies wat ik bedoel.’
Ik vertelde hem dat ik het karakter van de inwoner van elk land in de
eerste plaats beoordeelde op grond van de geologische svabhava van het
land dat hij vertegenwoordigde, en dat in het geval van Zweden voor
mij de Zweed het klimaat van Zweden vertegenwoordigt: de hele lange
winter met weinig zon, en de korte warme zomer, en dat de Zweed in zijn
uiterlijke karakter natuurlijk de eigenaardigheden had ontwikkeld van
de psychologische elementen, vertegenwoordigd door die hele lange winter,
welke elementen en eigenaardigheden zeer diep gaan. Maar ik zei dat
de Zweed in zijn hart en onder die uiterlijke winter ook de hete en
stralende zomer had, met zijn prachtige zonneschijn, en indien we het
geduld en de liefde in ons hart hadden om door de uiterlijke winter
van de Zweed heen te dringen, en met de kracht van ons hart die stralende
zomerzonneschijn in zijn hart te bereiken, dan zouden we de Zweed begrijpen
en liefhebben.
Dat is wat ik over de Zweden denk. Wat er nu gebeurd is met mijn dierbare
vrienden die nu verward en geschokt zijn, is dat iemand van buitenaf
die nationale eigenaardigheden niet herkende en een roodgloeiende toorts
in dat winterse aspect van zijn wezen stak, en die rondzwaaide om hem
feller te doen branden, zodat de Zweed vergat dat hij een hart had,
vergat dat hij zonneschijn in zijn hart gereed had om aan zijn medemensen
te geven, en hij kwam daardoor op het verkeerde spoor. Als de leader
tot die ontdekking komt, moet hij er iets aan doen, omdat hij zijn Zweden
liefheeft, niemand uitgezonderd, de goeden, de slechten en zij die daar
tussenin staan. Daarom is Loge 2 gesloten, en ze zal geopend worden,
zodra het kan; en ieder lid van de vroegere Loge 2 heeft volkomen het
recht deel te nemen aan de nieuwe loge in een nieuwe incarnatie van
de loge van Bogren, die veel stralender zal schijnen dan de vorige.
Dat is mijn antwoord op uw vraag, meneer.
Cristofferson: Tot mijn spijt kan ik niet in uw eigen taal
tot u spreken om u te bedanken voor het antwoord dat u me gaf. Ik hoop
dat het zal zijn zoals u heeft aangegeven, en dat de leden deel zullen
hebben aan deze nieuwe geest, zodat deze nieuwe loge tot aanzijn zal
komen. Ik dank u hartelijk voor wat u heeft gezegd.
JAL: Dank u, meneer Christofferson. Het spijt me dat ik zoveel
tijd nodig heb gehad om dit onderwerp te behandelen, omdat hier nog
andere loges aanwezig zijn. Vóór het vraag-en-antwoord-gedeelte
kreeg ik het idee dat het misschien mogelijk is om vanavond om 7 uur
hier met een groep van de vroegere leden van Loge 2 bijeen te komen,
of op een ander uur zodat we de nachttrein nog kunnen halen. Maar ik
weet niet zeker of dat verstandig is, omdat er misschien niet genoeg
tijd geweest is om de gevolgen van de brandende toorts te doen verdwijnen.
Ik wil niet de fout maken te hard van stapel te lopen en dit later te
betreuren. Ik wil de zonneschijn in het hart van ieder vroeger lid van
Loge 2 bereiken. Dat is mijn doel. Ik geef niets om een charter, een
logegebouw of iets anders, als ik ronduit mag spreken. Niemand wil liever
dan ik dat Loge 2 weer op gang komt, en niets zou me gelukkiger maken
dan dat de vroegere leden van Loge 2 zouden samenkomen en mij een aanvraag
zouden sturen voor een nieuwe charter. In mijn bevoegdheid als leader
voel ik het als een plicht om het op die manier te laten werken. Dan
zullen we een Loge 2 hebben die opnieuw gevormd is uit zichzelf en door
zichzelf, echter niet voor zichzelf maar voor de theosofie en de wereld.
Ik moet hier wijzen op een ander aspect van de uitwerking van de waarheid
wanneer ze in ons hart doordringt. Meester Jezus zei: ‘Ik ben
niet gekomen om de vrede te brengen maar het zwaard.’ Hij zei
vervolgens: De vader zal zich tegen zijn zoon keren, de broeder tegen
de zuster, de vriend tegen de vriend, enz. Ik bestudeerde de bijbel
vóór ik met de theosofie in aanraking kwam, en die uitspraak
verontrustte me altijd, want hoe was het mogelijk dat zo’n goed
mens als Jezus niet kwam om vrede te brengen, maar het zwaard, en om
de vader zich tegen de zoon te laten keren, de dochter tegen de moeder,
enz.? Pas toen ik theosoof werd en door vele louteringspoorten gegaan
was, zag ik de ware betekenis van de woorden van meester Jezus. Wanneer
de waarheid het hart van een mens binnentreedt, de werkelijke occulte
of theosofische waarheid, begint de beproevingstijd. Als die mens zich
vastberaden aan die waarheid houdt, zal hij het niet eens zijn met zijn
vader, of zijn moeder, of zijn broeder of zijn vriend, tenzij zijn broeder
of vriend diezelfde vlam van waarheid die in zijn eigen hart brandt,
begrijpt en voelt. Dat zijn onze moeilijkheden.
Wanneer we met elkaar in deze situatie komen, laten we er dan rustig
bij gaan zitten en er met elkaar over praten. De oudste onder ons heeft
niet alles geleerd en de jongste onder ons kan misschien meer weten
dan wij. Zoals ik gisteravond in Göteborg zei: niemand van ons
is beter dan de slechtste onder de leden en niemand van ons is slechter
dan de beste onder de leden. Dat is een paradox, maar het is waar. We
zijn broeders. We bouwen een kern van universele broederschap, en als
we niet met een hart vol goedheid met elkaar onze slechte en onze goede
dingen rustig kunnen bespreken, zonder boze gevoelens en misverstanden
te wekken, dan moeten we nog een lange weg gaan om theosofen te worden.
Maar ik denk dat het in het hart en in het vermogen van ieder lid van
de TS besloten ligt om het leven eerlijk onder ogen te zien, om het
werk eerlijk onder ogen te zien, en zijn medemensen en zijn medetheosofen
lief te hebben ondanks hun zwakheden. En als we samenwerken en erkennen
dat we niet bang moeten zijn onze eigen zwakheden toe te geven, en niet
bang om onszelf ernstig onder handen te nemen, niet bang om openhartig
en eerlijk tegenover onze broeder te zijn, en tegelijkertijd vriendelijk
en behulpzaam, dan zullen we iets bereiken. Vrienden, dat is mijn taak
in deze nieuwe cyclus. Dat is wat dit samenwerkingsverband betekent,
en met de hulp van de meesters en van u zullen we het tot stand brengen.
Mw. Lindahl: Er zijn enkele leden die zich afvragen of u niet,
terwijl u hier bent, van de gelegenheid wilt gebruikmaken om een duidelijke
stap te zetten om deze loge opnieuw te vormen, omdat een flink aantal
leden hier al een aantal jaren op heeft gewacht.
JAL: Ik was juist van plan om meneer Christofferson en meneer
Holmgren en de andere leden van Loge 2 die hier aanwezig zijn, te vragen
of ze ernstige bezwaren hebben tegen het volgende plan dat als gevolg
van uw verzoeken zojuist bij me is opgekomen. Ik wil namelijk mijn gedachten
in een brief samenvatten en die naar ieder lid van de vroegere Loge
2 zenden, waarbij ik ieder de gelegenheid wil geven om zich uit te spreken
over het feit of ze willen deelnemen aan deze nieuwe loge. Zij die daartoe
besluiten, kunnen een brief zenden. Zij die dit niet wensen te doen
zullen op eigen initiatief hiervan vrijgesteld zijn. Indien ze willen
wachten en later een aanvraag indienen, is dat ook goed. We kunnen een
kaart of een strookje insluiten, die kan worden teruggestuurd met daarop
ongeveer deze woorden: Ja, ik ben bereid verder te werken met de nieuwe
cyclus en wens deel te nemen aan de nieuwe Bogren Loge. Maar laten we
goed begrijpen dat degenen die deze strook niet willen inzenden, door
mij niet boos zullen worden aangekeken, en ze zullen ruimschoots de
tijd hebben om hun eigen beslissing te nemen.
Mw. Lindahl: Ik werd een paar dagen geleden uitgenodigd voor
een logebijeenkomst en toen ik daar kwam, waren er ongeveer 25 à
26 leden aanwezig die allemaal dhr. Hartley aanvaardden. De logevoorzitter
riep me en vroeg zich af waarom ik dinsdagavond niet wilde komen, omdat
ze van plan waren logebijeenkomsten te gaan houden. Maar ik zei: ‘Ik
aanvaard dhr. Hartley niet. Als u dat wilt, ga dan door met uw bijeenkomsten,
maar ik dacht dat we een loge zouden vormen onder dhr. Long en niet
onder dhr. Hartley.’
Harts: Neem me niet kwalijk, maar iemand zegt dat de mededeling
van deze dame niet juist is. Misschien kunt u dit onderzoeken.
JAL: Of het waar is of niet, is voor mij niet van zo groot
belang. Maar hier is een punt dat een verklaring van mijn kant rechtvaardigt.
Ik denk dat de dame een essentieel punt naar voren brengt, ongeacht
de details van de omstandigheden. Indien deze brief van mij naar de
leden van Loge 2 wordt gezonden, wordt het duidelijk dat een vroeger
lid van Loge 2 dat heeft verklaard dhr. Hartley te steunen, niet ook
mij als leader van deze TS kan steunen. We hebben alleen met de TS te
maken waarmee we karmisch zijn verbonden en waarvoor ik verantwoordelijk
ben, en alles wat ik misschien op uw verzoek van vanmiddag ga verzenden,
zal betrekking hebben op een loge van de TS waarvan ik de leader ben.
Ik zou geen enkele brief aannemen of goedkeuren van een lid dat er
ook een heeft gezonden tot steun van dhr. Hartley, tenzij en totdat
dit lid een brief heeft gezonden aan dhr. Hartley waarin hij zijn belangstelling
voor diens werk opzegt, teneinde zijn steun te kunnen geven aan de nieuwe
loge. Ieder die Brieven die me hebben geholpen van W.Q. Judge
heeft gelezen, weet dat er een onschendbare occulte wet is, die gevaar
oplevert wanneer ze wordt overtreden. Wanneer namelijk een leerling
van de een of andere leraar besluit zich tot een ander te wenden, is
hij volkomen vrij dat te doen, mits hij zijn vroegere leraar ervan in
kennis stelt dat hij hem niet langer als leraar aanvaardt, en dat hij
van plan is een andere leraar te nemen. Blijkbaar hebben enkele leden
van de vroegere Loge 2 een andere leraar aangenomen, zonder mij daarover
in te lichten. Dat is hun karma. Ik kan daar niets aan doen. Maar ik
zou hun zeker niet toestaan zich dubbel karma op de hals te halen door
tweemaal deze wet te overtreden, wat beslist zijn reactie zal hebben.
Ik zou hen eenvoudig niet toestaan in deze nieuwe loge terug te komen
en mij als de leader te aanvaarden, zonder dat ze eerst dhr. Hartley
hiervan op de hoogte hebben gebracht. Omdat ze de wet al een keer hebben
geschonden, waarom zou ik hen dan toestaan dit nog eens te doen? Ik
zou hun de dubbele gevolgen van zo’n daad willen besparen. We
hebben te maken met praktisch occultisme, en we spelen niet met sentimentele
woorden die we in een boek hebben gelezen. We hebben hier te maken met
theosofie. Laten we dat goed begrijpen.
Als drie leden van de vroegere Loge 2 zich willen reorganiseren en
een nieuw charter aanvragen, hebben ze volkomen het recht dat op ieder
moment te doen. Ze hebben het constitutionele recht, en ze hebben het
recht dat ik hun nu dadelijk geef en dat ik hun niet zou willen onthouden,
ook al zou ik het kunnen. Dus is het geheel aan u te beslissen. Ik trok
het charter in om het werk te beschermen, en ik geloof niet dat het
nodig is nader te verklaren waarom. Het maakt deel uit van het louteringsvuur.
Het is mijn taak de zaak weer aan de gang te krijgen, maar ik zou het
zeker niet op de goede manier laten beginnen als ik zoiets toestond.
Indien er bezwaren zijn tegen dit plan, laat het dan alstublieft nu
weten. Zo niet, dan zal ik een samenvatting maken van wat er hier door
mij vanmiddag is gezegd, en deze naar de vroegere leden sturen, en als
er een verlangen is om de branch opnieuw te vormen, dan kan dat gebeuren.
Ik had gehoopt dat ik het hier vandaag zou kunnen doen, maar er zijn
niet genoeg vertegenwoordigers om vrij en openhartig mee te kunnen praten.
Waren er vóór deze bijeenkomst maar meer leden geweest
met dezelfde gevoelens als dhr. Christofferson, die deze dingen openhartig
en eerlijk met ons hadden kunnen bespreken. Maar één is
genoeg. Er is één Zweeds hart waarin de zon vandaag ver
genoeg is doorgebroken, althans voor mij, om haar helder te zien schijnen.
Ik ben niet van plan om de vooruitgang van deze Society ook maar iets
in de weg te leggen. Maar ik wil dat het duidelijk is dat geen lid dat
een strook heeft getekend tot steun van dhr. Hartley, een strook voor
deze nieuwe loge zou moeten insturen, tenzij hij eerst die andere band
heeft verbroken. Bedenk alstublieft dat ik geen belangstelling heb voor
het persoonlijke aspect hiervan. Ik bescherm het lid volkomen, omdat
het karma van die daad verschrikkelijk is. Ik heb het te vaak in mijn
theosofische ervaring gezien. Maar indien een lid onder de aangegeven
voorwaarden wil komen, is hij even welkom als ieder ander, omdat hij
door dat te doen zijn eigen innerlijke stem heeft gehoord. Hij zal dan
die stap hebben gezet die hem tot een betere theosoof maakt dan ooit
te voren.
Christofferson: Ik denk dat het werkelijk heel, heel goed
zou zijn als de brief, zoals u die in grote lijnen omschreef, kan worden
verstuurd, en ik heb het gevoel dat er geen lid is die het plan niet
met heel zijn hart zou willen steunen. Verder zou er wat betreft de
mededeling van Mw. Lindahl misschien een misverstand van haar kant kunnen
zijn, omdat ik als vice-voorzitter niet geloof dat er een reguliere
logebijeenkomst is geweest, maar dat er een speciale bijeenkomst was
bijeengeroepen om te bespreken wat er gedaan moest worden met betrekking
tot het leiderschap.
JAL: Ik geef heel zelden raad. Maar ik zou graag hier deze
raad willen geven aan de vroegere leden van Loge 2. Het is misschien
wel een beetje moeilijk die op te volgen. Vergeet het verleden, vergeet
het volkomen. Probeer de ware geest van de theosofie, waarin deze bijeenkomst
is gehouden, met u mee naar huis te nemen, dan zal alles goed komen.
Vergeet uw persoonlijkheden. Vergeet het verleden. Ik geloof niet dat
het voor ons nodig is de details te bespreken van wat er in het verleden
is gebeurd. Ik geef er niets om. Niemand van ons zou er wat om moeten
geven. Het is goed als we ons nu naar de toekomst wenden en naar de
zon, de zon die in het hart van ieder van ons woont. Dat is de enige
manier waarop we iets zullen bereiken. En hoewel ik deze bijeenkomst
met een zeer zwaar hart begon, heeft u mij vanmiddag allemaal veel meer
gegeven dan ik ook maar aan iemand zou kunnen geven. En door deze bijeenkomst
verlaat ik Hälsingborg vanavond met een veel beter gevoel.
Laten we het verleden vergeten. U heeft me vanmiddag de gelegenheid
gegeven u te helpen uzelf te helpen. Dat is de enige manier waarop ik
u van dienst kan zijn. Het is alleen in moeilijke omstandigheden dat
een leader specifieke maatregelen neemt, zoals die door kolonel Conger
en door mijzelf werden genomen. Maar die tijd is al voorbij, vrienden.
We zijn al aan de opgaande boog van de eeuw begonnen, en we zijn al
goed op weg. En we kunnen het verleden niet toestaan ons tegen te houden.
Ieder van ons is wel op de een of andere manier tekortgeschoten. Maar
ik moet teruggaan naar de eenvoudige maar juiste uitspraak van W.Q.
Judge: ‘Fouten maken betekent niets, maar ophouden met proberen
is verschrikkelijk.’ Ik geef er niets om wat het verleden van
ieder van ons is geweest. We gaan nu de toekomst tegemoet, en laten
we, voor zover het Loge 2 in Zweden betreft, haar tegemoet gaan met
die zomerzonneschijn die door de winterse bewolking waaraan zij het
hoofd heeft moeten bieden, heen schijnt. Ik zal mijn deel doen als u
het uwe doet.
Ik denk dat we nu beter kunnen afsluiten. We zijn al bijna vier uur
bezig. Ik ben van plan hier in het hotel te blijven tot ongeveer 11
uur, tot we de nachttrein nemen. Ik wil dat ieder van u zich vrij voelt
om naar mij toe te komen. Misschien kunnen we dan samen koffie drinken;
ik zal beschikbaar zijn zodat we elkaar een beetje beter kunnen leren
kennen. Ik dank u allemaal hartelijk.
Peter Flach: We zijn u allemaal zeer erkentelijk. U bent van
plaats tot plaats gereisd en heeft alles gegeven wat u heeft, alles
wat u heeft voor ons en voor het werk. U heeft niets teruggevraagd.
We hebben op dit moment het gevoel dat we u zouden willen vertellen
dat we het zullen proberen, en het is onze oprechte hoop en wens dat
we onze uiterste plicht zullen doen, en een beetje meer. Dat is onze
plicht, denk ik, en we willen u bedanken uit het diepst van ons hart.
JAL: U heeft heel veel gedaan, geloof me. Ik ben vanavond
beschikbaar voor iedereen die me wil komen opzoeken.
De bijeenkomst werd om 17.45 uur gesloten.