Inhoudsopgave   

 


Bijeenkomst in Neurenberg

Hotel Carlton
3 juni 1951 – 14.00 uur

J.G. Crabbendam, voorzitter
Wilhelm Oehrens, vertaler


 

J.G. Crabbendam: Beste leader, ik heb de leden hier zojuist welkom geheten en hun verteld dat ik hun niet veel te zeggen heb. Ik heb hun gezegd dat het me een bijzonder genoegen is dat ik gezichten heb ontdekt van leden van wie ik weet dat ze van heel ver zijn gekomen om deze bijeenkomst bij te wonen, en dat het u een bijzonder genoegen is hen te ontmoeten. Maar dat ik hun niet zou kunnen vertellen wat er vanmiddag gaat gebeuren als ze dat van mij verwachten, omdat we dat nooit weten.

JAL: Dat weet ik ook niet.

Crabbendam: Toen zei ik dat ik het gevoel heb dat de leader ons iets wil zeggen, en als dat zo is, dat ik dan graag van de gelegenheid wil gebruikmaken om u te vragen dat te doen.

JAL: Dank u meneer de voorzitter en vrienden. Wat broeder Crabbendam heeft gezegd is waar.

We lezen in de bijbel dat meester Jezus heeft gezegd: ‘Tenzij u wordt als kleine kinderen, zult u het koninkrijk der hemelen niet binnengaan.’ Deze gedachte komt in mij op terwijl ik hier sta, en ik denk dat we vanmiddag een tijdje samen kunnen nadenken wat deze uitspraak van meester Jezus werkelijk betekent. Voor mij is dit een van de meest occulte uitspraken uit de bijbel. Ze is zo eenvoudig dat niet alleen wij, maar alle christelijke predikers er al die jaren niet die aandacht aan hebben geschonken die ze verdient.

Tot wie richtte meester Jezus zich toen hij dit zei? Niet tot kinderen, niet tot halfvolwassen mensen, of tot mensen die net meerderjarig waren geworden. Hij richtte zich tot oudere mensen, die al een heel stuk van hun leven achter de rug hadden en vele problemen hadden gekend, zowel materieel als spiritueel; ze waren naar meester Jezus gekomen om hulp die hij hun zou kunnen geven. Hij sprak dezelfde gedachte ook uit tegen zijn discipelen.

Waar doelde hij op? Hij zag hun problemen, zowel de innerlijke als de uiterlijke, en hij zag hoe ze probeerden deze op te lossen. Ik twijfel er geen ogenblik aan of hij zag in hun gezichten precies hetzelfde wat wij in de gezichten van onze medemensen overal in de wereld zien. In tijden van nood, grote moeilijkheden en spanningen worden we zodanig in beslag genomen door de problemen die zich direct aan ons voordoen dat we uit het oog verliezen dat die situatie er slechts één is in een reeks van situaties; en omdat we dat niet inzien, snijden we onszelf bijna geheel af van de omstandigheden die tot deze situatie hebben geleid, en verliezen daardoor niet alleen het zicht op de juiste verhoudingen maar ook de waardevolle ervaringen die we hebben opgedaan in de reeks situaties die tot deze hebben geleid en die klaarstaan om ons te helpen dit probleem op te lossen. Omdat we ons zo hebben geïsoleerd, gaan we denken dat het leven ons tot last is. We kunnen onmogelijk de omstandigheden die zich aan ons voordoen in verband brengen met wat we zelf hebben gedaan om ze teweeg te brengen. Als gevolg daarvan geven we aan iedereen de schuld, behalve aan onszelf. We beschuldigen onze medetheosofen, misschien onze familieleden, de regering, iedereen, maar niet onszelf. Ik ben er zo goed als zeker van dat meester Jezus dat heeft gelezen op het gezicht van de mensen tot wie hij die woorden richtte. Ik twijfel er niet aan of hij kon gemakkelijk zien hoe hun bewustzijn geheel was verduisterd en hoeveel dichte sluiers ze hadden laten komen tussen datgene wat ze waren toen ze kleine kinderen waren en datgene wat ze waren toen meester Jezus zich tot hen richtte.

Als theosofen – vooral diegenen onder ons die zich erop beroemen dat ze goede bestudeerders van de theosofische leringen zijn – hebben we ons leven onnodig moeilijk gemaakt, zonder een redelijk excuus voor de complicaties die ontstaan. We bestuderen de theosofie en leren over de leer van het hart en de leer van het oog. Er wordt ons verteld over intellect en intuïtie. We zouden voldoende onderscheidingsvermogen moeten hebben om te beseffen dat de problemen van het leven en van het werk waarin we geïnteresseerd zijn, worden opgelost door intuïtie, niet door geredeneer. Ze worden ook opgelost door onderscheidingsvermogen, niet door sentimentaliteit. Ze worden niet opgelost wanneer we geen kracht en steun ontvangen via een verbinding met datgene waarop de meester zinspeelde en dat aanwezig is in ‘kleine kinderen’.

Ik denk dat we allemaal met kinderen te maken hebben gehad en we staan verbaasd, als we ervoor openstaan, over de zuivere intuïtie waarvan ze blijk geven. We weten ook, als we hen in hun spel gadeslaan, dat ze een zuiver oordeel hebben ondanks hun korte ervaring, en dat sentimentaliteit niet veel invloed op hen heeft. ‘Tenzij u wordt als kleine kinderen . . .’

Kinderen stellen ons vragen, soms verbazingwekkende vragen. Het is vaak heel moeilijk hun een bevredigend antwoord te geven als we een beroep doen op hun verstand of hun gevoelens. Maar stralen hun ogen niet als we een beroep doen op die aangeboren intuïtie en hun onderscheidingsvermogen? Degenen onder ons die van kinderen houden, hebben dat ervaren.

Daarom, vrienden, zou ik vanmiddag een beroep willen doen op die eigenschap in ieder van u, die is als van een kind. Wat is er tijdens het opgroeien met ons gebeurd? We doorlopen de school, of als we geluk hebben misschien de universiteit. En dan treden we het leven en alle avonturen van het leven binnen en terwijl we dit doormaken, krijgen we het gevoel alsof we iets leren. In zekere zin leren we ook heel veel. Maar wat doen we met deze kennis? – het maakt niet uit of dit schools of theosofisch is. Ik ben bang dat we in veel gevallen datgene wat ons op school en in de theosofie werd geleerd slechts als woorden – gesproken of uit een boek – hebben opgevat, en deze in ons hoofd hebben opgeslagen om eventueel later te gebruiken. Dat proces heeft in velen van ons heel wat jaren doorgewerkt; dit heeft ertoe geleid dat we, als we worden geconfronteerd met een moeilijke situatie, proberen van die kennis gebruik te maken, en alle mogelijke moeite doen om uit dat dossier in ons geheugen die dingen tevoorschijn te halen die ons kunnen helpen bij het oplossen van ons probleem, maar heel vaak vinden we er geen bevredigende oplossing voor. Waarom niet? Ik denk hier weer aan dat waar meester Jezus in zijn woorden op doelde. Ik vraag me af wat er zou zijn gebeurd als we bij ditzelfde probleem, in plaats van het alleen met onze hersens op te nemen en het in ons geheugen op te bergen, over het geleerde hadden nagedacht en hadden gezegd: Welke betekenis heeft ze voor mij, voor de omstandigheden die zich aan mij voordoen, en hoe kan ik het gebruiken om mezelf waardevoller te maken voor de wereld? Als we erover blijven nadenken, vinden we misschien een toepassing ervan waardoor het waarde krijgt. Als we dat doen, dan slaan we het op in ons hart. Daardoor zal het verstand ons niet in de weg staan wanneer we ouder worden en we voor ernstige problemen komen te staan, want het hart zal ons de weg naar het antwoord wijzen. Dan zal de intuïtie werken, en het verstand zal haar dienaar en niet haar meester zijn.

Op het eerste gezicht lijkt het voor degenen onder ons die oud zijn en vele fouten hebben gemaakt misschien een heel moeilijke opgave om in korte tijd als kleine kinderen te worden. Maar dat is niet het geval. Meester Jezus wist dat het niet moeilijk was, anders zou hij hen niet hebben opgeroepen om juist dat te doen. En vanmiddag wil ik zeggen dat ik uit eigen ervaring weet dat het niet moeilijk is, vooral niet voor een theosoof die probeert zijn medemens te dienen.

Laten we terugkomen op de kinderen en ons afvragen: Wat is het in het bewustzijn van een kind waardoor het zijn intuïtie en onderscheidingsvermogen zo zuiver kan laten werken? Het is kortgeleden uit een andere wereld gekomen. Het is nog maar pas van de andere oever het leven binnengetreden, en op zijn jeugdige leeftijd wordt het niet belemmerd door de moeilijkheden van zijn vroegere incarnatie, zodat het werkelijk een maagdelijk bewustzijn heeft waarmee het zich kan voorbereiden op de incarnatie die vóór hem ligt. De toestand in kamaloka en devachan is beëindigd en zijn innerlijke beginselen hebben hun periodieke pelgrimstocht volbracht, zodat het het leven ‘fris als een pasgeboren kindje’ binnentreedt. Waarom denkt u dat we deze uitdrukking gebruiken en er niet veel aandacht aan besteden? Het is een algemene uitdrukking. Wat brengt het in de eerste plaats met zich mee? Datgene waarover ik zojuist heb gesproken. Het is vertrouwen, die ware grondslag waarop het spirituele werk van de wereld moet worden gebouwd. Welke mens die ook maar een sprankje liefde in zich heeft, zal niet het onvoorwaardelijke vertrouwen herkennen in de ogen van een kind dat de wereld en de mensen die hij ziet, fris beschouwt als iets dat groter is dan hijzelf, iets dat hij hoopt te worden? En terwijl hij door het leven gaat en ouder wordt, vindt hij steeds minder vertrouwen in het hart van de mensen met wie hij moet omgaan. Als gevolg daarvan raakt hij in verwarring. Dan wordt hij volwassen en beginnen de problemen pas echt. Als hij al eerder in aanraking is geweest met het werk, zal hij er weer mee in contact komen. En als hij ermee in aanraking komt, begint hij enig licht te zien, of althans te voelen.

Ik denk dat ik gerust kan zeggen dat ieder van ons dezelfde ervaring heeft gehad. Daarom zouden we nu moeten beginnen de ware omstandigheden waarin we ons bevinden te beseffen: dat we werkelijk op een punt in de geschiedenis van de wereld en van de Society zijn aangekomen waarop we de leringen die we het voorrecht hadden te ontvangen, een actieve rol moeten laten spelen in ons bewustzijn en in ons dagelijks leven, en ze niet in ons geheugen moeten opbergen als iets kostbaars dat we zelf hebben ontvangen, en dan denken dat we meer kennis hebben dan onze medemens.

De technische leringen van de theosofie zijn in veel, heel veel gevallen verkeerd toegepast en verkeerd gebruikt. G. de Purucker – de periode van zijn leiderschap zou in twee woorden kunnen worden samengevat: ‘technische theosofie’ – werd er vaak droevig van als hij zag hoe de leden het doel waarvoor hij deze technische leringen had gegeven, totaal verkeerd interpreteerden. Niet alleen ikzelf heb tijdens het korte contact dat ik met De Purucker heb gehad het verdriet in zijn hart gezien en zijn woorden van vertwijfeling gehoord, toen wat hij probeerde te doen verkeerd werd geïnterpreteerd, maar ook Mw. Knoche en veel andere naaste medewerkers zijn hiervan getuige geweest.

We hebben werkelijk veel leden aan het Hoofdkwartier en elders meegemaakt die zo waren gehecht aan die technische leringen en aan de persoon die ze verkondigde dat ze geen openbare lezing konden houden zonder De Purucker voortdurend te citeren en zelfs te proberen zijn gebaren te imiteren. Dat is echt hartverscheurend. Kunt u zich voorstellen hoe De Purucker zich voelde? Hij had gehoopt dat ze, in plaats van alles letterlijk te onthouden en in hun geheugen op te bergen, de leringen ter harte zouden nemen en in hun dagelijks leven zouden toepassen, en zijn technische leringen zouden omzetten in het alchemistische laboratorium van hun eigen wezen, zodat ze wanneer ze in het openbaar zouden spreken, dit vanuit hun hart zouden doen. Dit zien we op het ogenblik op veel plaatsen gebeuren. En pas wanneer we werkelijk als kleine kinderen worden, zullen we die bewustzijnstoestand bereiken waarin we de volle waarde en hulpvaardigheid van de spirituele kracht van de grote Witte Loge voelen.

Ik heb gezegd dat het niet moeilijk was om als kinderen te worden. Er is één eenvoudige manier om dat te bereiken. Ze spreekt ons niet aan omdat we mensen zijn, maar ze is door de eeuwen heen altijd dezelfde geweest. We kennen allemaal de uitdrukking: ‘Mens ken uzelf.’ De enige manier waarop we onszelf kunnen kennen is door onszelf eerlijk te onderzoeken en onszelf te vertellen wat er met ons aan de hand is. Als we dat doen, zullen we ophouden anderen de schuld te geven van de omstandigheden waarin we verkeren en als we werkelijk oprecht zijn en er iets aan willen doen, zullen we zeggen: ‘Goed, hier ben ik. Ik ga deze dingen veranderen en zal als een kind worden, al zou ik bij de poging daartoe omkomen.’ Dat is heel moeilijk. Maar toch is het ook gemakkelijk. We hebben onszelf zo volgepropt door mentale feiten op te slaan dat we zelf de deur van ons hart, waarin zuivere intuïtie en de hulp van de meesters wonen, niet kunnen openbreken. Maar ik kan ieder van u in de zaal verzekeren dat op het moment waarop we onszelf en de feiten onder ogen zien en zeggen: ‘Ik heb niet altijd gelijk, ik heb waarschijnlijk vaker ongelijk dan gelijk’ – dat als we dat eerlijk doen – de goden in de hemel dat weten en naar ons zullen neerbuigen om ons te helpen. Ik kan u allemaal verzekeren dat het een onschendbare wet is die in feite ten grondslag ligt aan de bekende uitdrukking: ‘God helpt hen die zichzelf helpen.’

Wat is theosofie eigenlijk? We hebben verschillende pogingen gehoord om haar te omschrijven, en ze kan in feite niet worden gedefinieerd. Maar ik houd ervan de theosofie als stelsel van karaktervorming te beschouwen. Jarenlang heb ik haar zo opgevat. De eerste keer dat ik haar zo zag, was onmiddellijk nadat ik een hevige strijd had gestreden om de problemen van mijn leven op te lossen met wat ik in mijn geheugen had opgeborgen, en plotseling kwam ik tot het inzicht dat ik mezelf onder ogen moest zien en iets anders moest gebruiken dan de feiten die ik had opgeslagen. Ik deed datgene waarover ik zojuist heb gesproken. Ik onderzocht mijzelf, nam de volle verantwoordelijkheid voor mijn omstandigheden op me en nam dat besluit – en toen bogen de goden, op onverwachte momenten, via onverwachte personen, en op onverwachte manieren werkelijk neer om te helpen. Het is een mooie ervaring. Toen begreep ik pas wat theosofie voor mij betekende. Het was een stelsel van karaktervorming met een doel – niet dat ik misschien een beter mens zou worden zodat ik zou kunnen zeggen, ik ben beter dan die of die, maar een beter mens en daarom beter geschikt om mijn medemensen te dienen.

Wij in deze TS die van tijd tot tijd in de verleiding komen om te denken dat we iets beter zijn dan een van onze medetheosofen, zouden even moeten stilhouden om na te denken over de werkelijke occulte basis van de Society en over de wereld waarin ze bestaat. Ieder van ons is geen zier beter dan het slechtste lid van deze Society, noch is hij slechter dan het beste lid van deze Society. We hoeven geen hoop te koesteren dat we veel vorderingen zullen maken bij de inspanningen die we ons getroosten vóór we ons letterlijk van dat feit bewust worden, en de waarheid van de betekenis ervan in ons bewustzijn laten doordringen. Dat is de basis van ware broederschap. En toen ik aankondigde dat ik mijn leven zou wijden aan het bevorderen van die broederschap, die niets meer of minder is dan een waar spiritueel samenwerkingsverband, nam ik de verantwoordelijkheid op me om zoveel mogelijk van mijn tijd te delen met ieder lid van de Society, opdat we een echt spiritueel voertuig kunnen opbouwen waarin de logekracht vrij zou kunnen circuleren van de leden naar het Hoofdkwartier en omgekeerd. Daardoor kunnen we de wereld werkelijk een voorbeeld en een dynamisch centrum van spirituele betekenis geven, zodat we de meesters automatisch de karmische gelegenheid zullen geven om hun verantwoordelijkheid als beschermers van de mensheid te vervullen. Zo kunnen we allemaal samenwerken, de meesters en de leden van de Society, om het oorspronkelijke programma dat ze hebben vastgesteld ten uitvoer te brengen, zodat die kracht die in de uiterlijke wereld zal doordringen, alle landen uiteindelijk op het spoor zal zetten van ware harmonie en ware vrede. Als ieder van ons een heel klein druppeltje spiritueel water kan toevoegen aan dat reservoir van kracht dat de meesters moeten gebruiken, dan zullen we aan onze verantwoordelijkheid als leden voldoen en kunnen we ons werkelijk helpers van de helpers van de mensheid voelen.

Dhr. Crabbendam kondigt aan dat de leader gereed is vragen te beantwoorden, maar dat het nodig is deze bijeenkomst om 16.00 uur te sluiten, omdat de zaal dan leeg moet zijn.

Mw. Leidig: Wat voor soort vragen zou u willen dat we stellen?

JAL: Elke vraag die betrekking heeft op theosofie en die het werk ten goede komt, maar ze hoeven niet te worden beperkt tot wat ik vanmiddag heb gezegd.

Mw. Emma Fersch: Is het waar dat de Theosofische Beweging even oud is als de Esoterische School?

JAL: Als ik die vraag goed begrijp is het antwoord nee; maar als de vraagsteller bedoelt of de poging die tegenwoordig door middel van de Theosofische Beweging, zoals we haar nu noemen, tot uitdrukking komt even oud is als de Esoterische School, dan is het antwoord ja. De Esoterische School is ontstaan bij het begin van het manvantara en de activiteiten ervan zullen pas ophouden als het manvantara eindigt. Ik heb niet gezegd de Esoterische Sectie.

Mw. Fersch: Is het mogelijk om door inspanning van de wil het contact met iemands goeroe te forceren, zoals in een brief van Subba Row aan Judge wordt gezegd, en is het voor iemand mogelijk dat te doen door alleen maar zijn wil voortdurend daarop te richten? Is dat de goede manier, of is er een andere, misschien betere weg?

JAL: Dit is een goede vraag en ik moet haar eerlijk en oprecht beantwoorden. Naar mijn bescheiden mening zal iedere man of vrouw die zich ten doel stelt met zijn of haar goeroe in contact te komen daar nooit in slagen. Dat zou absoluut indruisen tegen de occulte wetten van dit heelal, en hoe sneller ieder van ons zijn poging staakt om met onze meesters in aanraking te komen, des te eerder zal deze TS een stempel op de hedendaagse wereld drukken. Ik heb het niet tegen Mw. Fersch. Ik verklaar dit in het algemeen.

De chela die werkelijk een chela van de meester wordt, probeert dit nooit te doen. Wanneer hij als chela wordt aangenomen, weet hij dit niet, vele levens lang is hij zich niet daarvan bewust; hij weet het pas als de meesters de dugpa’s op hem hebben losgelaten om hem tot het allerlaatste moment op de proef te stellen. Maar op dit moment is er geen enkel lid in deze Society dat ook maar in de buurt komt van het punt waarop hij door de meesters met de dugpa’s op de proef wordt gesteld. Hoe eerder we deze ideeën opgeven, des te eerder zullen we weten wat werkelijke theosofie is en werkelijke praktische occultisten worden, en beginnen we iets te begrijpen van wat het betekent om onze medemensen te dienen.

Nog een andere gedachte; en nogmaals, dit is geen aanmerking op Mw. Fersch. Maar alles wat met deze vraag samenhangt is een prachtig voorbeeld van datgene waarover ik heb gesproken. We lezen wat Subba Row en Judge over de wil zeggen en we denken te weten waar ze het over hebben. Maar dat weten we niet. De spirituele wil houdt het universum in stand en in zijn baan. Ziet u een of andere kracht aan het werk? Kunt u die zien? De spirituele wil is een zaak van het hart en niet van het verstand. En wanneer we de spirituele wil gebruiken, gebruiken we deze in alle rust en stilte, zonder geweld en zonder krachtsinspanning. Het enige voorschrift dat ik ken, en dat ik u zou kunnen aanraden om bewust toe te passen om onze spirituele wil te versterken en te verbeteren – en hier moet ik weer de uitspraak van de meester Jezus gebruiken – is deze: ‘Als jullie bidden, trek je dan in de stilte van je binnenkamer terug en bid tot je Vader in het verborgene en hij zal u openlijk belonen.’ Wat wil dat, uitgedrukt in theosofische termen, zeggen? Het betekent dit: dat we, als we stil en rustig de binnenkamer van ons hart betreden en ons niet met woorden, maar met ons hele hart, met ons hogere zelf in verbinding stellen, met die godsvonk die in ieder van ons aanwezig is en die volgens de christelijke terminologie verblijft in de hemel – als we ernaar verlangen die godsvonk steeds meer in ons leven tot uitdrukking te brengen, en we koesteren dat verlangen in de stilte van ons hart, dan zal die godsvonk in diezelfde stilte en diezelfde verborgenheid de beloning naar buiten brengen in de vorm van een edeler karakter, en een waardiger instrument in dienst van die goddelijke kracht waarvan diezelfde vonk deel uitmaakt.

Hans Geer: Dit antwoord heeft de stem van mijn hart diep getroffen. Heeft Subba Row gelijk als hij zegt dat iemand die eerlijke pogingen onderneemt om een beter mens te worden, die de periode van karaktervorming doormaakt en die op zoek is naar het ego, en voelt dat hij en het universum één zijn, dat hijzelf dan alle wezens in het universum zou zijn: ieder mens, iedere meester, iedere God? Alles? Is het waar dat als we het pad naar zelfkennis volgen, de aanraking met het goddelijke deel van ons wezen en dus met de meester plaatsvindt op een rustige, ongeforceerde, natuurlijke manier, zacht als het vallen van de avond, mooi als de zonsondergang? Ik denk dat Subba Row dit bedoelde toen hij in een brief aan W.Q. Judge hierover schreef.

JAL: Dank u, meneer Geer. Dit geeft me een prachtige gelegenheid om nog eens in te gaan op wat ik in mijn inleiding heb gezegd, en ook om te wijzen op verschillende andere aspecten van onze verantwoordelijkheid en de problemen waarmee we tegenwoordig te maken hebben bij onze pogingen theosoof te zijn.

We moeten Subba Row en zijn inspanningen plaatsen in de tijd waarin ze plaatsvonden, en zijn achtergrond beschouwen in verhouding tot waar we nu staan. Subba Row was geloof ik een brahmaan. Hij was doorkneed in de brahmaanse leer, en getraind in de brahmaanse school. Hij was oosters in de volle betekenis van het woord. Hij had niet de svabhava van ons westerse occultisme. En wat Subba Row onder het waakzaam oog van de meester schreef, toen de Society pas was opgericht, had in die tijd zijn waarde – dat hoopten ze tenminste. Maar zowel de meesters als Judge, door hen geleid, kwamen al snel tot de ontdekking dat het nutteloos zou zijn te proberen de oosterse svabhava te gebruiken om het nieuwe zuivere westers occultisme tot aanzijn te roepen – het westerse occultisme dat de basis voor de innerlijke groei van het zesde wortelras biedt en zal bieden.

Met wat ik gezegd heb wil ik niets tegen Subba Row inbrengen, omdat hij veel mooie dingen heeft gezegd en zijn werk over de Bhagavad Gita een grote steun is geweest. Maar evenals vele anderen die met de Society in aanraking kwamen, lieten de meesters hem als een baksteen vallen toen hij zichzelf belangrijk begon te vinden. Omdat de naam Subba Row ter sprake is gekomen zou ik nog een andere willen noemen en de resultaten vergelijken: Subba Row heeft met zijn intellect gewerkt zoals alle brahmanen van nu en van zijn generatie en daarna en lang daarvoor hebben gedaan, omdat ze het contact met het hart hebben verloren – dit alles dateert al vanaf het verval van het werkelijk mystieke oosten, in India en andere landen. In scherpe tegenstelling daarmee zien we de meesters werken met een man die de naam Damodar draagt. Lees het weinige wat Damodar heeft geschreven, en laat het in uw hart doordringen. Lees dan Subba Row en het zal u niet moeilijk vallen te begrijpen, waarom Damodar is verdwenen en nu met de meesters samenwerkt en Subba Row slechts een herinnering is.

Ik zou willen dat ik de tijd, de kracht en het vermogen had om de wereld rond te reizen en met iedere theosoof van de Society te spreken, om hem meer en meer te doen begrijpen wat ware theosofie is. Veel hindoes die nu in de Verenigde Staten en in andere landen van het Westen wonen, werden aangetrokken door HPB’s en Judge’s pogingen om de theosofie te brengen, en ze hebben de gelegenheid aangegrepen om te komen naar wat hun een goed jachtterrein leek, waar ze reclame konden maken voor wat zij hadden aan te bieden. Hoe doen ze dat?

Neem de aanhangers van de Vedanta, die zo ongeveer de beste van allen zijn. Wat is de grondtoon van hun literatuur? Zelfverwezenlijking. Deze term hebben we allemaal wel eens gehoord. Dat alleen al heft de waarde van elke werkelijke spirituele achtergrond die ze misschien hebben gehad, op. Ze doen een beroep op de zelfzuchtige kant van het Westen en dit doen andere pseudo-occulte organisaties eveneens. Er is slechts één occulte organisatie in het Westen die bewust een beroep doet op de onzelfzuchtige kant van de onderzoeker en dat is de TS. Daarom is ons ledenaantal maar zo gering, en de goden zij dank dat er maar zo weinig zijn, want zelfs onder dit kleine aantal is een groot genoeg percentage dat werkt voor de zelfzuchtige kant van de persoonlijke verwezenlijking om de vooruitgang van het geheel in grotere mate te vertragen dan we ons kunnen voorstellen. En hoe eerder we uit ons bewustzijn ditzelfde beginsel kunnen bannen dat die Vedanta-leer bevat, namelijk om steeds naar zelfverwezenlijking te streven, totdat we dat punt van gelukzaligheid bereiken dat de vooruitzichten op nirvana opent – des te beter we als theosofen zullen zijn. Al dit soort dingen leidt slechts naar pratyekaboeddhaschap. We zijn niet geïnteresseerd in pratyekaboeddhaschap. We willen uiteindelijk boeddha’s van mededogen worden, zodat we als we het proces van karaktervorming hebben doorgemaakt en tot voor de poort van nirvana zijn gekomen, teruggaan en zeggen: ‘Nee, dank u. De slechtste onder ons is nog niet zover gekomen, en ik zal niet binnengaan voordat hij met me mee kan.’ Dat is ware theosofie. Maar het grote gevaar waarmee we allemaal te maken hebben is dit: dat de pratyekaboeddha in wording dezelfde spirituele krachten gebruikt en in alle opzichten even spiritueel is totdat hij de poort van nirvana bereikt – het grote gevaar schuilt hierin dat het moeilijk is in deze spirituele zaken die alle eender klinken onderscheid te maken, en na te gaan welke de kwaliteit dragen van het pratyekaboeddhaschap en welke de ware kwaliteit bezitten om het meesterschap te bereiken. Ik hoop dat dit een antwoord is op de vraag van dhr. Geer.

Geer: Dank u.

Mw. Leidig: Dit is geen vraag. Ik geef alleen uitdrukking aan de wens van ons allemaal meer te weten en te horen over dit samenwerkingsverband dat we moeten vormen om het werk tot stand te brengen en het werk van de meesters te steunen.

JAL: Achter in de zaal zie ik een hand. Wilt u zo goed zijn eerst deze heer te vragen wat hij te zeggen heeft, voordat ik hierop antwoord geef.

Dr. Spatz: Ik zou u uit naam van de loge in Neurenberg willen bedanken voor de gelegenheid die de leader ons heeft gegeven. We zijn zeer onder de indruk van wat hij gisteravond en vanmiddag heeft gezegd, want in ons hart weten we deze dingen. We bedanken hem nogmaals voor de bijzondere gelegenheid die hij ons heeft gegeven, en dat hij ons deze dingen heeft gezegd die we in ons hart bewaarden.

JAL: Dank u zeer, doctor. Hoewel ik in het diepst van mijn hart alles wat u heeft gezegd, waardeer, verdien ik geen lof. Ik kan aan de mensen die ik bezoek alleen dat geven wat ze oproepen, en ze kunnen slechts oproepen wat ze in hun hart hebben; met een kleine toelichting hierop is dit het antwoord op de vraag van Mw. Leidig.

Ik hoop dat geen enkel lid van de Society zijn gedachten die betrekking hebben op dit samenwerkingsverband zal toestaan in het gebied van het verstand te blijven, want als hij dat doet zal hij denken dat hij met de leader een samenwerkingsverband vormt. Mijn doel is dat de leden een samenwerkingsverband vormen met de logekracht die door deze TS stroomt. Ik zoek niet veel mensen om met mij samen te werken op de manier waarop ik dat wil. Ik ben slechts de dienaar van hen allen, en ook van de meesters. Indien dit samenwerkingsverband zich zou keren naar de persoonlijke kant van de dingen, dan zou ik de eerste zijn die er een halt aan zou toeroepen. Er is geen leader in deze TS geweest die niet in zijn of haar hart de handelingen van de leden heeft verfoeid als ze hem of haar op een voetstuk plaatsen en de persoon van de leader gaan vereren, waarbij ze de ware betekenis van het leiderschap geheel over het hoofd zien, namelijk dat de kracht van de Loge niet door de persoonlijkheid stroomt, die slechts een armzalig instrument is voor het orgaan van het hart en op geen enkele blijvende basis is verbonden met de persoonlijkheid. Daar lag in het verleden de grote moeilijkheid. Een leader sterft en die individuele leden die zich gehecht hebben aan de persoon van de leader tasten voor langere of kortere tijd in het duister. Sommigen van hen vinden nooit meer de weg daaruit terug. Maar die leden die zich niet hadden gehecht aan de persoon van een leader, maar een sterke band hadden gevormd met datgene waarvoor hij het kanaal is, en hebben gewerkt met wat de leader vertegenwoordigt, zullen het werkelijke hart vormen van het samenwerkingsverband waarvan ik spreek. En ik hoop van harte dat de leden die blijven kijken naar de persoonlijkheid, eens een beter inzicht zullen hebben. De meesters, en ik ook gelukkig, hebben ingezien dat verering van de leader moet ophouden. Vandaar dat ik op de tweede bijeenkomst van het Kabinet, toen ik mijzelf als leader bekendmaakte heb verklaard dat de nieuwe leader zichzelf niet zou beschouwen als ‘eerste onder gelijken’, maar als ‘een onder gelijken’. Op die basis kunnen we een werkelijk spiritueel samenwerkingsverband opbouwen.

Tot slot wil ik u slechts één raad geven. Vergeet het verleden in de volle betekenis van het woord, behalve die eigenschappen die in het hart blijven, en bouw geheel en onvoorwaardelijk, zonder enig voorbehoud op dat vertrouwen waarover ik heb gesproken en laat ieder van ons bewust een poging doen om te worden als kleine kinderen. Dan zullen we werkelijk het ‘koninkrijk der hemelen’ binnengaan.

Na het reciteren van de Gayatri in het Sanskriet door Mw. Knoche werd de bijeenkomst om 16.00 uur gesloten.


James A. Long – Tourverslagen 1951

Theosophical University Press Agency online editie

© 2008 Theosophical University Press Agency. Online-editie, isbn 978-90-70328-64-1.