Inhoudsopgave   

 


Bijeenkomst in Hannover

Kunstler Haus
8 juni 1951 – 16.30 uur

Ernst Ludwig, voorzitter
Wilhelm Oehrens, vertaler



Ernst Ludwig: ‘Liefde is het cement van het heelal’. Met deze woorden heet ik de leader welkom in onze loge in Hannover, Loge 17 van de Duitse Afdeling van de Theosophical Society. Namens onze loge dank ik u dat u ons vanmiddag bezoekt. En nu zou dhr. Servatius van de loge in Keulen graag iets tegen u willen zeggen.

Servatius: Beste leader, ik kom hier als vertegenwoordiger van de loge in Keulen. Helaas zijn we niet zo gelukkig om u in onze loge te kunnen verwelkomen, maar ik moet u de beste wensen van de leden van onze loge en van allen overbrengen.

JAL: Dank u zeer.

Ludwig: En nu zou ik willen dat u tot ons spreekt en ons vertelt waarom u deze bijeenkomst voor ons mogelijk heeft gemaakt.

JAL: Dankeschön. Allereerst wil ik mijn grote dank uitspreken dat u vanmiddag allemaal hier bent gekomen. Dhr. Ludwig heeft me gevraagd te vertellen waarom ik naar Hannover wilde komen om deze bijeenkomst te houden, en ik geloof dat ik die vraag niet anders kan beantwoorden dan door te zeggen dat het op deze hele tournee mijn wens is geweest om zoveel mogelijk mensen te ontmoeten en zoveel mogelijk loges te bezoeken, voor zover de tijd dit toelaat. Misschien zullen we na de bijeenkomst meer weten over de reden waarom we hier allemaal zijn.

Ik zou het op prijs stellen als de voorzitter en de leden het goed vinden dat dit nu de laatste formele woorden zijn die ik spreek. Ik zou graag bij u komen zitten; we kunnen dan beter met elkaar praten en zien wat daaruit voortkomt. Mag ik?

Ludwig: Ja, laten we nu met elkaar praten en van de gelegenheid gebruikmaken om ons hart te laten spreken.

JAL: Dank u zeer. Alvorens ik doorga met wat ik wilde zeggen, wil ik u eerst bedanken voor de mooie ontvangst en voor de prachtige manier waarop u de zaal met al die bloemen heeft versierd. Wat deze rangschikking van de tafels betreft, lijkt het wel alsof iemand uit Hamburg uit de school heeft geklapt! Maar behalve dat is er nog iets. Toen ik uit de trein stapte, werd ik bijzonder verrast door een aardige jongeman die naar me toekwam en me deze prachtige gele rozen overhandigde. Dat is me nooit eerder overkomen, en geloof me, wie denkt dat ik niet voor de rest van mijn leven Hannover een zeer warm hart toedraag, vergist zich heel erg. Ik zal dat moment nooit vergeten. Ik was zo verrast, en plotseling zag ik deze gele rozen, en toen zag ik de jongeman. Ik houd heel veel van kinderen ziet u. Ik ben zijn vader en hem heel dankbaar dat hij hier vanmiddag bij ons zit.

Op de bijeenkomst van gisteravond in Hamburg was de basisgedachte die ik tot uitdrukking bracht dat, tenzij we erkennen dat theosofie hoofdzakelijk iets innerlijks is en we bewust met dat feit werken bij het vervullen van onze dagelijkse verantwoordelijkheden, de theosofie niet ver zal komen in onze respectieve woonplaatsen. Dus kwam ik vandaag naar Hannover, en na een blik in het hart van een roos, kom ik hier en kijk in het hart van de loge in Hannover. Ik zie dat Hannover al langgeleden heeft ervaren dat theosofie iets innerlijks is, meer dan iets uiterlijks, en dat er bewust op die basis is gewerkt. Ik probeer niet Hannover uit te verkiezen en deze leden voor beter te houden dan andere. Maar wanneer we elkaar van hart tot hart ontmoeten, zoals hier vanmiddag is gebeurd in de korte tijd dat ik hier ben, bewijst dit één ding, namelijk dat de kracht van de Grote Witte Loge van de meesters heel dicht bij ons is. Zolang we dit kunnen doen, door als mannen en vrouwen in onze woonplaats onze plicht te vervullen, op de manier waarop u het hier in Hannover heeft gedaan, hoeven we ons nooit zorgen te maken over de resultaten van de TS en de Beweging.

Dat zou kunnen klinken als een hoop mooie woorden, maar ze moesten me van het hart, om u mijn gevoelens te laten weten vóór ik met deze bijeenkomst kon verdergaan. Ik ben eerlijk wanneer ik zeg dat ik op heel weinig plaatsen ben geweest waar de hartentoon zo overheerst als hier. Aantallen zijn onbelangrijk. De wet die door meester Jezus tot uitdrukking werd gebracht, werkt altijd en schiet nooit tekort: ‘Waar twee of drie bijeen zijn in mijn naam, daar ben ik ook’ – waar twee of drie mensen bijeenkomen in naam van de meester, bij wie de geest van de theosofie in hun hart werkelijk hun denken en hun gevoel bepaalt, daar is de logekracht ook.

Het spijt me dat ik niet veel tijd voor Hannover heb en daarom lijkt het me beter dat ik niets meer zeg. Als iemand misschien vragen heeft of een bepaald onderwerp wil bespreken, en mij er samen met u over wil laten denken, spreek dan alstublieft en ik zal het proberen. Voel u vrij om te spreken.

Servatius: Ik ontving het verslag van het Congres in Utrecht en vond daarin iets dat in onze Keulse loge aanleiding gaf tot vragen. U noemde daarin de meesters, en zelfs vandaag spreekt u over het begrip ‘meesters’. Dit was in het bijzonder het geval in onze groep toen nieuwe gasten werden geïntroduceerd en voor de eerste keer hoorden over de meesters. In hun hart voelden ze voor de theosofie, maar toen kregen ze moeilijkheden met het begrip meesters. Kunt u ons een aanwijzing geven hoe men zulke mensen zou kunnen overtuigen van het feit dat de meesters bestaan?

JAL: Dank u. Ik betwijfel zeer of onze goede vriend en broeder uit Keulen, of zelfs een leader, iemand zou kunnen overtuigen van het bestaan van de meesters. Het zou zelfs niet verstandig zijn het te proberen. Dat is iets waarvan ieder mens zichzelf moet overtuigen. Meester M schreef in een brief aan een lid in Chicago, vóór de Conventie van 1895: ‘U heeft trouw voor ons gewerkt door de TS te steunen en u vaak afgevraagd of we werkelijk bestaan.
Dat dit zo is, kunt u alleen intuïtief weten, omdat verschijnselen het niet kunnen bewijzen.’ Nu zeg ik dit niet om onze broeder uit Keulen zo’n belangstellende te laten vertellen: ‘U moet uw intuïtie gebruiken.’ Volstrekt niet. Maar wanneer zo’n geval van twijfel en verbazing zich bij belangstellenden voordoet, kunnen we alleen maar op de vriendelijkste manier zeggen dat we weten wat we geloven en wat we voelen, en dat we ons volkomen erbij neerleggen als zij dat niet kunnen aannemen. Ze hoeven het niet noodzakelijk aan te nemen. Als ze onderwerpen in de theosofie zien die hen interesseren en ze willen doorgaan met studeren, zijn ze hartelijk welkom. Ze hoeven niet in de meesters te geloven. Maar als ze werkelijk oprechte waarheidszoekers zijn, zal de tijd komen dat ze vanzelf inzien dat er wezens moeten zijn edeler dan wijzelf, en dat die wezens die het dichtst bij de mensheid staan, nog steeds werken om haar op haar lange moeilijke weg vooruit te helpen. Maar met onze woorden kunnen we nooit bereiken dat ze sneller tot die erkenning komen. Het voorbeeld van ons eigen leven, door een goede theosoof te zijn en theosofie in praktijk te brengen, zal veel meer uitwerking hebben dan allerlei woorden door wie ook uitgesproken.

Ik aarzel zelf nooit om de meesters in mijn toespraken te noemen. Dat heeft geen leader ooit gedaan. Het is niet iets dat voor de beginner verborgen moet worden gehouden. Hoe eerder ze iets erover weten des te beter het is. Maar als ze hen zonder meer aanvaardden, en er bij hen hoegenaamd geen twijfel was, zou het niet half zo goed zijn als wanneer ze zich door die scepsis heen moeten werken. Het feit dat ze met theosofie in aanraking zijn gekomen wijst erop dat er een karmische aantrekkingskracht uit vroegere tijden moet bestaan die hen opnieuw ermee in aanraking brengt; en ze hebben het recht verdiend om zich door die scepsis heen te werken, zodat, indien en wanneer ze in een andere incarnatie toch tot een erkenning komen, ze daar niet meer doorheen hoeven te gaan. Helpt dit enigszins?

Servatius: Ja, maar het lost het probleem niet op. Ik wil alleen maar weten wat tegen een beginner moet worden gezegd om hem ervan te weerhouden onmiddellijk weer te vertrekken. Ik zal een voorbeeld geven. In een van uw toespraken zei u dat Jezus een meester werd genoemd; u zei: meester Jezus. Ik kan dat zeggen tegen een christen die is opgegroeid in de christelijke godsdienst. Maar men zou moeten weten of er meer voorbeelden zijn die aan zo’n beginner zouden kunnen worden gegeven. Ik kan tegen de man die twijfelt zeggen: Kijk eens hier, Jezus was een meester. Zijn er misschien nog andere personen?

JAL: Ik heb met mijn uiteenzetting niet bedoeld dat op iedere bijeenkomst van de loge het onderwerp meesters naar voren moet worden gebracht. In mijn bijeenkomsten heb ik in de meeste gevallen met leden gesproken. Ik ben de leader en het is onmogelijk voor mij om eerlijk en ronduit tegen de leden te spreken zonder nu en dan de meesters te noemen. Maar als ik logebijeenkomsten en studiegroepen leid, spreek ik nooit de eerste of tweede of derde keer tegen een beginner over de meesters, misschien zelfs niet de vierde, vijfde of zesde keer. In feite spreek ik tegen een beginner nooit over hen tot hij zelf de vraag opwerpt. Dan vind ik het nodig over hen te spreken, want, wanneer hij de vraag stelt, is er tenminste een kleine aanwijzing dat hij openstaat voor enkele feiten over dit onderwerp. Ieder geval is anders. In uw geval zou ik me niet zoveel moeite geven en me zoveel zorgen maken om te proberen iemand te overtuigen. Als er een bezoeker binnenkomt, en voor de eerste keer hoort dat er meesters achter de theosofische beweging staan, en hem dat zo afschrikt dat hij niet meer terugkeert, zou ik me daarover geen zorgen maken, want, als hij oprecht is, zal hij terugkomen. Is hij niet oprecht, dan is er hoegenaamd niets verloren, omdat we wel een paard naar het water kunnen leiden, maar niet ervoor kunnen zorgen dat het drinkt. Maar ik zou zeker niet proberen iemand uw mening op te dringen, evenmin als u zou willen dat iemand zijn mening aan u opdrong.

Wanneer een belangstellende naar een theosofische bijeenkomst komt, zijn we het aan hem verplicht over theosofie te spreken. Als hij dat niet prettig vindt en het hem niet aanspreekt, dan is er niets dat we kunnen doen om ervoor te zorgen dat het hem wel aanspreekt, als hij dat niet wil. Maar er is een groot aantal mensen in Duitsland en elders die gereed zijn om theosofie te ontvangen, en wanneer ze tenslotte ermee in contact komen, zal het hen niet hinderen als ze over de meesters horen en ze zullen er niet door in verwarring worden gebracht, omdat een groot percentage van hen vroeger in het werk is geweest, vooral de jonge mensen, en wanneer ze ermee in contact komen zullen ze hun thuis hebben gevonden. Laten we ons niet ongerust maken dat ze nu niet snel genoeg komen. Ze zullen komen, als we ons hart openhouden en proberen theosofie tot een levende kracht in ons leven te maken. De macht van die spirituele kracht zal uiteindelijk degenen die zoekende zijn, aantrekken. Als we per slot van rekening in deze Society belangstelling hadden voor grote aantallen leden, zouden we die heel gemakkelijk kunnen krijgen. Maar onze Society is klein, omdat we geen belangstelling hebben voor grote aantallen. We zijn geïnteresseerd in de spirituele vooruitgang van de mensheid en in het ontwikkelen van onze eigen karakter om steeds minder zelfzuchtig te worden, en daarom doen we veeleer een beroep op de onzelfzuchtige kant van een onderzoeker dan op de zelfzuchtige kant. Daarom zijn we klein in aantal.

Ik denk dat de heer uit Keulen de antwoorden op zijn vragen zal vinden, als hij niet te veel zijn best doet, en zich niet te veel zorgen maakt als zo nu en dan iemand zich terugtrekt. We kunnen het bestaan van de meesters niet ontkennen, noch dat zij achter de beweging staan en haar met HPB in 1875 hebben opgericht, omdat dit feiten zijn en zonder hen de Society niets zou betekenen.

Servatius: Dank u zeer.

Wehrenpfennig: Over deze vraag zou ik graag nog iets willen zeggen. We kunnen er zeker van zijn dat belangstellenden eraan twijfelen dat er meesters zijn. Zoals al is gezegd, is het een kwestie van ontwikkeling, en als de tijd daar is, zal ook de kennis er zijn.

JAL: Dat is juist, dat is goed, praktisch hetzelfde als wat ik heb geprobeerd te zeggen.

Wehrenpfennig: Deze vragen worden vaak gesteld, maar mijn ervaring heeft me ertoe gebracht alleen ‘ja’ te antwoorden als me over dit onderwerp iets wordt gevraagd. Het is natuurlijk moeilijk het aan belangstellenden duidelijk te maken, even moeilijk als te spreken over alle occulte verschijnselen.

Knoblauch: Staat u als Outer Head in een andere verhouding tot de meesters dan wij als leden?

JAL: Hoe lang is deze heer lid?

Knoblauch: Ongeveer een jaar.

JAL: Ik ben in zekere zin blij dat u deze vraag stelt, en ik kan slechts als volgt hierop antwoorden. De Theosophical Society is de enige formele organisatie in de wereld waardoor de meesters werken. Ik bedoel niet dat ze met niemand buiten de TS werken, want dat is wel het geval. Ze werken met iedereen in wiens hart het buddhische licht helder genoeg schijnt om hun aandacht te trekken. Maar deze TS is de enige formele exoterische organisatie waardoor ze in de wereld werken, en de leader is het hoofd van die organisatie, is hun uiterlijke vertegenwoordiger in deze formele organisatie, en is ervoor verantwoordelijk dat ze een kanaal wordt of is voor de kracht van hun pogingen in die richting, waardoor die kracht naar alle leden in de TS moet vloeien. De leader moet ook een kanaal zijn waardoor de spirituele kracht van de leden kan terugvloeien door het Hoofdkwartier en naar de meesters zelf.

Ook al verschilt de functie die de leader vervult misschien van die van de leden, het verschil dat er is, is er nu eenmaal. Ik kan alleen zeggen: er is niets dat een lid in de TS ervan weerhoudt om zichzelf tot een steeds beter kanaal te maken. De leden die het meeste succes hebben in het werk, zijn degenen die zichzelf tot kanalen hebben gemaakt voor de stroom van waarheid en de spirituele eigenschappen die door de meesters worden vertegenwoordigd. Er is niets dat hen tegenhoudt om volmaakte kanalen te worden. Dat is ongeveer het beste wat ik voor u kan doen vanmiddag. Ik hoop dat het u enigszins heeft geholpen.

Struebig: Ik heb verschillende keren de uitdrukking gehoord ‘op mijn door niets gesteunde woord’. Het is me niet duidelijk, wat deze uitdrukking betekent. Heeft ze een bijzondere betekenis? Misschien kunt u iets erover zeggen.

JAL: Hoe kan ik hierop een antwoord geven dat de zaak duidelijk maakt? Het is net zoals wanneer we met een vriend over een onderwerp spreken waarin hij geïnteresseerd is, bijvoorbeeld over theosofie, en hij zou zeggen: ‘Hoe weet je dat?’ En u zou dan misschien antwoorden: ‘Je zult me op mijn woord moeten geloven.’ Dat is hetzelfde, alleen anders uitgedrukt. Met andere woorden, wanneer een leader een vraag wordt gesteld die een dergelijk antwoord vereist, zal hij niet zeggen: ‘U moet me op mijn woord geloven.’ Hij zal proberen er een beleefder vorm aan te geven en kan dan zeggen: ‘U heeft alleen mijn door niets gesteunde woord.’ Dat is alles.

Struebig: Dat is hetzelfde, als wanneer u tot iemand zegt: ‘Het is waar, je moet het aannemen.’ Is het dat min of meer?

JAL: Nee, niet noodzakelijk. Dit kan het misschien verduidelijken. In de theosofie is alles wat we aan iemand voorleggen gebaseerd op wat we geloven, voelen en weten. En de toehoorder of vriend kan het geloven of niet. Er zijn veel dingen die hij moet aannemen van ons, als hij wil geloven wat we hebben gezegd, omdat we het niet kunnen bewijzen. Het zou dwaas zijn om te proberen het te bewijzen. Maar we moeten niet tegen iedereen zeggen: ‘U moet het op mijn woord geloven.’ Dat moet iedereen zelf bepalen. Het kan geen kwaad, als iemand zegt wat hij denkt. De ander hoeft het niet te geloven.

Mw. Sonja Wilckens: Mag ik een vraag stellen over technische theosofie?

JAL: Natuurlijk.

Mw. Wilckens: Waar zouden de lipika’s geplaatst kunnen worden in het zeven- of tien- of twaalfvoudige stelsel?

JAL: De vraag is een beetje onduidelijk. Bedoelt u op welk gebied ze thuishoren?

Mw. Wilckens: Wanneer ik karma uitstel, scheid ik me op dat ogenblik af van mijn ziel, en dit is de achtergrond van mijn vraag over de lipika’s.

JAL: Ik wil in dit verband proberen mee te denken met Mw. Wilckens en ik zal niet al te ver ingaan op de technische kant van de zaak, omdat hier enkele niet-leden aanwezig zijn en de hele modus operandi op een nogal esoterische basis berust. Ik wil ruiterlijk bekennen dat het soms moeilijk voor me is de juiste betekenis van de vraag te vatten, omdat de vraag voor mij wordt vertaald en de vraagsteller dus niet direct tot mij spreekt. Maar ik zal proberen aan te voelen wat er achter de woorden van de vraag schuilt. Met betrekking tot het eerste gedeelte vermoed ik dat u doelt op de plaats van de lipika’s: in de werkelijke esoterische zin staan ze volgens mij buiten het zeven-, tien- of twaalfvoudige stelsel. Maar dat is alleen maar een aanwijzing, en moet niet letterlijk worden genomen, maar heeft betrekking op de gedachte dat de zeven-, tien- en twaalfvoudige gebieden alle door karma tot aanzijn komen en hun oorsprong vinden in een kiem. Maar meer kan ik niet zeggen.

In verband met het tweede gedeelte van de vraag, en wat u de achtergrond van de vraag noemt: volgens mij houdt dit slechts zijdelings verband met de lipika’s in de zin waarin het eerste deel van de vraag werd gesteld. Karma wordt slechts gedurende een paar levens uitgesteld, in uitzonderlijke gevallen misschien langer. Maar karma zal zonder twijfel worden uitgewerkt binnen een bepaalde grotere cyclus, al hoeft dit geen manvantara te zijn. Waarschijnlijk wordt wat u met uw vraag bedoelt eenvoudiger opgelost als u haar niet betrekt op zo’n breed terrein van gedachten, dat niet zo rechtstreeks verband houdt met de leringen over de lipika’s.

Het is geen erg goed antwoord, want ik zou eerst een beter inzicht moeten hebben in wat de vraagsteller bezighoudt, om meer in detail te kunnen treden. Indien wat ik tot dusver heb gezegd geen enkele aanwijzing bevat voor wat u heeft willen vragen, dan heb ik na de bijeenkomst voor u hopelijk een paar minuten beschikbaar vóór we de nachttrein nemen, om meer rechtstreeks met u te spreken.

Mw. Wilckens: Ik dank u zeer.

JAL: Zijn hier ook niet-leden aanwezig die vragen willen stellen? U hoeft geen lid te zijn om een vraag te stellen.

Vraagsteller: Hoe staat u als leader tegenover hen die niet kunnen besluiten om lid te worden, maar die niettemin de theosofie waarderen, en die overeenkomstig hun denken in die richting werken en handelen?

JAL: Ik weet niet hoe anderen erover denken, maar wel hoop ik dat ze mijn gevoelens delen. Ikzelf zou zo iemand in overweging geven – ook als het uzelf betreft – geen lid van de Society te worden totdat iets in uw hart zegt: ‘Ik kan niet anders dan lid worden van de Society en deelnemen aan het werk.’ Maakt u zich geen zorgen zolang dit niet gebeurt, want we zijn allemaal verschillend. En als u alleen maar lid zou worden om de voorzitter van een loge of iemand anders een plezier te doen, en niet uit een innerlijke drang, dan zou u zich ongelukkig gaan voelen; en de werkelijke waarde die de theosofie tot nu toe voor u heeft gehad, zou heel wat van haar kracht verliezen.

Vraagsteller: Ik dank u zeer, meneer.

JAL: Tegen alle leden wil ik dit zeggen: Ik zou nooit iemand willen aanmoedigen lid te worden van de TS. Toon hun door uw eigen voorbeeld en door de werkelijke waarheid van de leringen zelf dat theosofie een stelsel van karaktervorming belichaamt dat in de wereld niet wordt geëvenaard. Wanneer de tijd aanbreekt dat ze hun karakter willen verbeteren, bewust en door de inspanningen van hun zelfgeleide evolutie, dan zullen ze de impuls krijgen en lid worden. Dan zullen ze niet alleen de voordelen van het directe lidmaatschap ontvangen, maar zullen eveneens willen delen in de verantwoordelijkheden daarvan. Er zijn verantwoordelijkheden, ernstige verantwoordelijkheden, maar niet ten opzichte van een of andere loge, logevoorzitter, niet tegenover de Society, of de leader, maar tegenover het eigen hogere zelf. Hoeveel we onszelf ook voor de gek houden, we kunnen geen lid worden van de Society en geloven dat universele broederschap een feit in de natuur is en besluiten om de andere leden te helpen dat te verwezenlijken, zonder daarbij die verantwoordelijkheid op ons te nemen. Die verantwoordelijkheid is voor ieder van ons om als individu van onszelf betere mannen en vrouwen te maken, opdat we de meesters kunnen helpen de mensheid te helpen langs de juiste weg naar werkelijke universele broederschap.

Servatius: Mag ik nóg een vraag stellen? Broeder Ludwig noemde het boek Theosophy and Christianity. Dat boek is uitgegeven in Amerika. Misschien geeft dit boek een antwoord op de vraag die ik naar voren zou willen brengen, maar ik ken dit boek niet, en daarom zou ik willen vragen: Zijn wij theosofen christenen, of zijn we niet langer christenen? De christelijke godsdienst heeft Christus als centrale figuur. Voor zover ik weet is dat bij theosofen niet het geval. Misschien wil de leader iets zeggen over de vraag of we ons als christenen kunnen beschouwen of niet?

JAL: U kunt uzelf een christen noemen, ik kan mezelf een boeddhist noemen; dr. Oehrens kan zichzelf een moslim noemen, of een taoïst, of nog iets anders, maar dat doet er niet zo toe zolang we allemaal theosofen zijn. We kunnen theosoof zijn en tegelijkertijd elk geloof belijden dat we willen. Zolang u de voorkeur eraan geeft om lid te blijven van welk bijzonder geloof ook, kan ik u verzekeren dat u een betere christen of boeddhist of moslim zult zijn als gevolg van uw kennis van theosofie en de sleutels die u een beter begrip geven van elke religie. Het is volgens mij waar dat alle theosofen in de wereld, in het bijzonder in West-Europa en de Verenigde Staten, goede kansen hebben laten liggen om meer te begrijpen van de bijbel en zijn werkelijke betekenis vanuit een theosofisch standpunt. Ik werd zelf christelijk opgevoed en ik zou erom durven wedden dat 90 procent van onze belangstellenden eveneens christelijk zijn opgevoed. Als iemand bij ons aanklopt, kunnen we van hem niet verwachten de kloof te overbruggen, of dat hij een sprong maakt over de afgrond die er tussen hem en ons is. We zullen hem stap voor stap, langzaam en geleidelijk moeten leiden van waar hij staat naar een juist inzicht in wat de theosofie is, en hem helpen de bijbel beter te begrijpen. Als we de belangstellende de sleutels verschaffen tot een beter begrip van zijn eigen geloof, zult u verbaasd zijn hoe weinig tijd ervoor nodig is om hem te doen inzien, tenminste als hij serieus is, dat het christendom is voortgekomen uit de oude wijsheid, die we theosofie noemen, en oorspronkelijk daaraan gelijk was, maar in de eeuwen die volgden nadat het zijn intrede had gedaan, zijn zuivere waarheid heeft verloren.

Datzelfde geldt voor iedere andere grote religie in de wereld. Ze werden op dezelfde basis gesticht, in hun respectieve tijdperken, voor de mensen van die tijd. In de loop van de jaren ging de oorspronkelijke zuiverheid verloren door ontaarding. Heeft u iets aan dit antwoord?

Servatius: Ja, maar het lost mijn probleem niet helemaal op. Ik wil nog zeggen dat een rooms-katholiek geen theosoof kan zijn binnen zijn kerkgemeenschap, want hij zou daaruit worden gezet.

JAL: Dat is volkomen juist. Voor zover het de parochie en haar priester betreft zal hij het moeilijk vinden tegelijk een echte theosoof en een lid van de katholieke kerk te zijn. Dat is op dit moment de enige uitzondering op wat ik heb gezegd. Ik was van plan dit te zeggen, maar bedacht dat het beter was dit niet te doen, omdat ik nooit precies weet wie er in de zaal zit, en ik zou niet graag de indruk wekken onverdraagzaam te zijn – ik houd er niet van iemands gevoelens te kwetsen. Maar wat u zegt is juist. We hebben nogal wat leden die vroeger lid waren van de katholieke kerk. Sommigen gaven dit lidmaatschap vrijwillig op. In feite de meesten. Ik kan me de exacte details niet herinneren, maar van één hoorde ik dat hij door de geestelijkheid voor de keuze werd gesteld om de theosofie op te geven óf van de ledenlijst van de kerk geschrapt te worden. Hij koos voor het laatste.

Knoblauch: Op het Congres in Utrecht werd, geloof ik, gezegd dat het esoterische exoterisch zou worden, maar dat dit niet betekent dat er in de toekomst geen Esoterische Sectie zal zijn, maar ik neem aan dat dit alleen betrekking heeft op de grote cyclus?

JAL: Ik zal hier moeten doen wat ik gisteravond ook deed, en dat is uw aandacht vestigen op het feit dat de Esoterische Sectie gesloten is, maar de Esoterische School niet. Er is een verschil – tenminste in graad.

Op dit specifieke punt in de geschiedenis van de Society, nu we voorbij het laagste punt van de cyclus van deze eeuw zijn, voorbij het punt waar het ontvangen overgaat in het geven van theosofie, is het van essentieel belang dat we met de tijd meewerken. Gedurende bijna tien jaar is het esoterische exoterisch aan het worden. Maar als een Esoterische Sectie wordt gesloten, dan betekent dit niet noodzakelijk dat de leden geen verdere leringen zullen ontvangen. Er is voldoende reden om aan te nemen dat er in deze huidige cyclus, en voor onbepaalde tijd, geen formele Esoterische Sectie zal zijn waarin leringen worden gegeven. We laten steeds meer de vorm achter ons om meer de spirituele weg in te slaan. En ik kan ieder lid van de TS verzekeren, ook hen die lid van de Esoterische Sectie waren, dat naarmate ze meer leringen verdienen dan er gegeven zijn, die behoefte zal worden erkend. Maar ze zullen ze niet krijgen op een of andere formele manier. Ze zullen ontvangen worden in de stilte. Ik hoop dat u dit niet verkeerd zult begrijpen. Ik doel hier niet op een of andere bijzondere gebeurtenis, dat u een bericht zult ontvangen van de meesters, of van de leader of van iemand anders. Ik probeer u dit duidelijk te maken: wanneer we door ons voorbeeld in praktijk hebben gebracht wat ons werd gegeven, zal in de stilte van ons hart tot ons komen wat we nodig hebben, rustig en zonder ophef, zonder drukte of vertoon. Het zal komen wanneer het het meest nodig is en het beste zal worden begrepen, en we zullen het weten wanneer we het ontvangen. Is dit een antwoord op uw vraag?

Het ziet er naar uit dat ik na de bijeenkomst niet veel tijd meer zal hebben, en ik houd er niet van om een gestelde vraag niet helemaal te beantwoorden. Ik zou nu dus nog wat meer willen zeggen over de vraag van Mw. Wilckens, en zo mogelijk een wat duidelijker antwoord willen geven zonder al te technisch te worden.

Zoals ieder van u weet die de leringen over de lipika’s heeft bestudeerd, tekenen ze het karma op, en het is hun verantwoordelijkheid om erop toe te zien dat er volkomen rechtvaardigheid in het universum heerst, en in alles wat daartoe behoort. Indien iemand van ons, met of zonder opzet, probeert karma uit te stellen of te versnellen – en we kunnen beide doen – kunnen we er absoluut zeker van zijn dat er, wat er ook gebeurt, volkomen rechtvaardigheid zal heersen. Hoe meer onze ervaring in de theosofie toeneemt, en hoe langer we in de Society zijn, des te beter leren we onze karmische verantwoordelijkheden met gelijkmoedigheid tegemoet te treden, zowel de moeilijke als de prettige, als u ze zo zou willen noemen. Ik weet dat het soms erg moeilijk is. Ikzelf heb enige zeer zware karmische lasten moeten dragen en vaak heb ik me afgevraagd of ik ze zou kunnen doorstaan. Maar vlak voor het aanbreken van de dag is het het donkerst, en dat is een zeer waar occult gezegde. Als de donkere wolken van moeilijk karma laag over ons hangen, kunnen we er absoluut zeker van zijn dat de manier waarop we de last van karma hebben aanvaard, niet aan de lipika’s is ontgaan, en dat ze al onze gedachten hebben opgetekend, en dat de harmonie in ons leven op volkomen rechtvaardige wijze wordt hersteld. Ik zou kunnen zeggen disharmonie, maar daar geloof ik niet in. Ik geloof dat we de harmonie in ons leven tot uitdrukking brengen, omdat er sprake is van prachtige harmonie als zowel donkere wolken als zonneschijn zich weerspiegelen in het karakter van een echte theosoof. Ik geloof dat dit alles is wat ik nu hierover kan zeggen. Helpt dat enigszins?

Mw. Wilckens: Ja, ja, dank u.

Mw. Ludwig: Ik heb ergens gelezen dat Mw. Blavatsky over de arme mensheid sprak als over een mensheid van weeskinderen, en we hebben ons beiden afgevraagd: waarom worden de mensen weeskinderen genoemd?

Dhr. Ludwig: We lazen in een boek over de arme mensheid die geen ouders had, en we begrepen niet waarom ze arm en zonder ouders zou zijn, als het universum, zoals we denken, harmonie en rechtvaardigheid is.

JAL: In de Bhagavad Gita zegt Krishna, en we hebben dit gelezen in onze eigen theosofische leringen, bij GdeP en anderen, dat we nooit zijn geboren en nooit zullen sterven. Dat wil zeggen de werkelijke wij, de werkelijke u, en de werkelijke ik. Dus wanneer we ongeboren zijn en nooit sterven, hebben we geen ouders.

Laten we overgaan van de individuele mens naar de mensheid in haar geheel. Wanneer dit opgaat voor één individu, dan moet dit gelden voor alle individuen, en deze vormen samen de mensheid. Dus toen deze oude wereld werd geboren, toen ze tot stand kwam, was ze gereed om de menselijke levensgolf te ontvangen, die niet zomaar uit het niets verscheen. Ze kwam in deze wereld, en op deze planeet, om hier ervaring op te doen, en deze levensgolf van mensen heeft hier ervaring opgedaan. Omdat iedere familie, ieder ras, ieder onderras, ieder wortelras en de mensheid zelf altijd voorlopers heeft, is het dan niet duidelijk dat deze voorlopers, die hun hele wezen hebben gegeven om hun medemensen, de mensheid, te helpen, de mensheid in dat licht of in die zin zouden kunnen zien? De lijdende mensheid die haar weg zoekt door de normale gebeurtenissen van het dagelijks leven langs de evolutieladder van spirituele vooruitgang, en het lange kronkelende pad volgt dat zich rond de berg slingert en in incarnatie na incarnatie langzaam en geleidelijk stijgt naar de top van volmaking. Terwijl het anderzijds mogelijk is dat iemand, als hij eenmaal zijn werkelijke goddelijkheid erkent en zelfbewust deze evolutie wil versnellen, deze berghelling recht omhoog kan beklimmen. Deze weg is veel moeilijker, en toch is dat wat wij als theosofen proberen te doen.

En waarom proberen we dat? Dit grijpt weer direct terug op uw vraag. De meesters en zij die boven hen staan in deze heilige orde, die we de Grote Witte Loge noemen, zijn op weg om dat punt van volmaking te bereiken, waarna ze het recht hebben over de drempel heen te stappen naar wat met een oosterse term nirvana wordt genoemd, waar ze zouden kunnen verblijven in volmaakte gelukzaligheid, en kunnen uitrusten gedurende de rest van het manvantara. In plaats daarvan zien ze af van deze gelukzaligheid, totdat het laatste lid van de mensheid samen met hen over die drempel kan heenstappen. Het is deze eigenschap van werkelijk mededogen die in het hart van die voorlopers leeft, van de voorlopers van de voorlopers, die hen ertoe brengt om aan de lijdende mensheid te denken – een mensheid zonder vader en moeder, een wees in de ware zin van het woord, op deze specifieke planeet die de waakzame zorg nodig heeft van de beschermers van deze mensheid – en die de basis vormt voor de eerbied voor de Grote Witte Loge als de beschermer van de mensheid. Wij als theosofen streven, als we oprecht zijn, naar die taak, die verantwoordelijkheid en dat mededogen, niet om nirvana en gelukzaligheid te verkrijgen, maar om die beschermers te helpen de taak te verrichten die ze willen volbrengen, en werkelijk helpers van de helpers van de mensheid te worden.

Ik denk dat we de bijeenkomst met deze gedachte beter kunnen besluiten. Ik dank u zeer. Ik zou nog eens iedereen hier willen bedanken voor deze gelegenheid u allemaal te ontmoeten, en ik hoop, wanneer ik hopelijk volgend jaar weer naar Europa kom, u allemaal weer te ontmoeten.

Ludwig: Namens iedereen die hier aanwezig is, dank ik u voor deze prachtige bijeenkomst die we hier in Hannover hebben gehad, en ik verzoek u ons een gedachte mee te geven voor onderweg naar huis, iets voor ons hart, opdat we in de toekomst zullen werken en hulp geven aan de helpende handen.

JAL: Dank u zeer.

Wehrenpfennig: Vrienden, bij deze gelegenheid wil ik op deze bijeenkomst tot onze nieuwe leader, dhr. Long, graag enkele woorden van dankbaarheid uitspreken. Deze zullen niet slechts met de mond worden geuit, maar we leggen vandaag de gelofte af aan dhr. Long om hem te helpen bij zijn grote taak en hem onze kracht te geven, want deze verenigde kracht komt ten goede aan onze TS, aan onze Grote Witte Loge, voor het welzijn van de mensheid en van ieder wezen.

JAL: Ik kan hieraan geen woorden meer aan toevoegen. De juiste geest is hier aanwezig. We kunnen niet anders dan dit herkennen en aanvoelen. Waar de juiste geest heerst, zal al het andere goed komen. U heeft me veel kracht gegeven, meer dan ik kan zeggen. U bent een voorbeeld geweest van collega’s in de ware zin zoals ik het heb opgevat in dit grote samenwerkingsverband dat zich nu aan het vormen is. Ik zal Hannover voortaan een warm hart toe dragen, en nu zou ik graag naar de deur willen gaan en u allemaal de hand schudden, vóór ik de trein neem.

Nogmaals heel erg bedankt.

De bijeenkomst werd om 18.30 uur gesloten.


James A. Long – Tourverslagen 1951

Theosophical University Press Agency online editie

© 2008 Theosophical University Press Agency. Online-editie, isbn 978-90-70328-64-1.