Inhoudsopgave   

 


Bijeenkomst in Utrecht

Hotel Pays-Bas
10 juni 1951 – 14.00 uur

Fred lindemans, voorzitter
Jan Hoogervorst, vertaler


 

Fred Lindemans [Na zijn inleiding in het Nederlands]: Ik vertelde al onze vrienden dat we hier zijn bijeengekomen om te zien hoe dit samenwerkingsverband in de naaste toekomst in zijn werk zal gaan – hier in ons Nederlandse samenwerkingsverband en in onze branches. U begrijpt misschien dat onze vrienden graag van u willen horen hoe u denkt over dit mooie voorstel. Mag ik u daartoe uitnodigen?

JAL: Dank je, Fred. Als iedereen vanmiddag meewerkt dan zullen we proberen er een heel informele bijeenkomst van te maken, maar vóór we beginnen wil ik graag eerst degene bedanken die verantwoordelijk was voor het reserveren van deze mooie zaal. Ik wil u ook allemaal bedanken voor uw komst, zodat we de gelegenheid hebben om samen over ons werk te praten.

Broeder Lindemans toonde me zijn voorlopige agenda en hoewel ik me er weinig van herinner, heb ik het laatste half uur geprobeerd deze te vergeten! Maar ik ben me ervan bewust dat u graag wat meer zou willen weten over de gedachten die de leader heeft over de huidige bestuursperiode. Om te beginnen – ik denk dat ik u beter kan helpen door te luisteren naar uw vragen en daarna te proberen deze zoveel mogelijk te beantwoorden. Ik kan een of twee dingen als uitgangspunt noemen, als een algemene grondslag op basis waarvan dit samenwerkingsverband volgens mij zou moeten functioneren.

Deze bestuursperiode zal naar beste kunnen een voorbeeld zijn van praktisch occultisme of praktische theosofie in actie. Ik wil vanmiddag graag mijn standpunt verduidelijken en ook de rol die ik verwacht te spelen in dit hele samenwerkingsverband, niet alleen in de Nederlandse Afdeling, maar in de hele TS. In het verleden was het volkomen natuurlijk en juist dat het tijdens bijna elke bestuursperiode nodig was, behalve in die van kolonel Conger, om wat aanwijzingen te geven en te vertellen wat er gedaan moest worden en hoe. Maar vanaf het keerpunt, dat plaatsvond vóór het punt halverwege deze eeuw, werd het voor elk lid noodzakelijk om zelfstandiger te worden, in fysiek, psychisch, mentaal en spiritueel opzicht. Ik hoef niet uit te leggen waarom dat noodzakelijk is geworden. Als we werkelijk van onze theosofie houden en werkelijk voor de meesters werken en ernstig verlangen in 1975 een kern van ware theosofen te hebben, dan moeten we aan zelfstandigheid denken in de zin van praktische theosofie. Sommigen van ons zullen er in 1975 niet meer zijn, maar dat is geen enkele reden waarom we niet met de andere leden in dit samenwerkingsverband aan dat doel zouden werken.

Kort en duidelijk samengevat: Ik hoop en denk dat het noodzakelijk is dat elke branch, elke afdeling en hopelijk elk lid zich meer en meer bewust wordt van het karmische draaiboek dat zich dagelijks ontvouwt. De leden zullen misschien wel moe worden van deze uitspraak vóór ik sterf. Het enige wat ik kan zeggen is dat als ze er moe van worden, dat dan jammer is, want naarmate ieder individu, iedere branch en iedere nationale groep zich bewust kan worden van dat ontvouwende karma, zullen ze zich ook bewust worden van het feit dat het zich ontvouwende karma ons iets te zeggen heeft, iets dat tot ons komt als broodnodige regen op droge grond. In de grond van ons bewustzijn zal dan waardering groeien en als we dat draaiboek met begrip lezen, zullen we voor de hele wereld méér kunnen betekenen. Ik kan ieder van u verzekeren dat het werkt. Het is slechts een kwestie van ons bewust te worden van het feit dat het er voor een bepaald doel is en niet alleen om eronder te lijden of van te genieten en er verder niets mee te doen. Dat lijden en die vreugde vallen niet alleen individuen ten deel maar ook groepen van individuen die met elkaar verbonden zijn, of deze groep nu een studiegroep is, een branch, een nationale afdeling of de hele TS. Met deze uitgangspunten in gedachten wil ik vanmiddag met u praten over uw verantwoordelijkheid als branch-voorzitters en als leden van de TS en als leden van de nationale commissie. En nu, meneer de Secretaris, ben ik gereed om op het hakblok te worden gelegd, indien u er een heeft!

A.H. Niemeijer: Het spijt me dat ik de eerste ben die iets gaat zeggen.

JAL: Waarom zou het u spijten?

Niemeijer: Ik ben tamelijk jong. Misschien dat anderen die meer kennis hebben dan ik eerst zouden moeten spreken.

JAL: We hebben geen belangstelling voor leeftijd. We hebben belangstelling voor vragen over het werk.

Niemeijer: Ik heb zelf al een ervaring gehad in onze loge met betrekking tot de reglementen. Tot nu toe hebben de leden steeds moeite gehad met zulke onderwerpen. Gisteravond vertelde ik hen dat we niets meer te maken hadden met reglementen en dat we zouden merken dat we daardoor veel gemakkelijker zouden samenwerken. Verder vertelde ik hen dat we van tijd tot tijd een andere voorzitter zouden hebben. Een van hen zei tegen me: ‘U heeft veel meer ervaring met theosofische ideeën en daarom moet u de voorzitter zijn.’ Maar ik legde uit dat we allen om de beurt de verantwoordelijkheid zouden moeten dragen, omdat elk lid iets moet doen om het werk vooruit te helpen en het niet aan één persoon over te laten. Ik zou u nu willen vragen wat we moeten doen met leden die altijd zeggen, ‘Ik heb er geen tijd voor’.

JAL: Vreemd genoeg, toen ik zat te wachten op het moment dat deze bijeenkomst zou beginnen, dacht ik eraan om dit onderwerp in mijn inleiding te bespreken. Niets zou mij als leader meer genoegen doen dan wanneer elke loge in de hele Society, en elke sectie daarvan, zijn huishoudelijke reglementen zou verbranden – niet omdat dit de wens is van de leader of zelfs maar zijn hoop, maar omdat ze inzagen hoe absoluut waardeloos ze zijn. Vanaf nu moeten we uit ons denken en uit ons hart de gedachte verbannen dat mensen, theosoof of niet, kunnen worden bestuurd door een document, hetzij een huishoudelijk reglement, een branch-charter, of wat dan ook. Naar mijn mening doen in de TS vooral de huishoudelijke reglementen meer kwaad dan goed. Meer dan wat ook belemmeren en verhinderen ze een waar spiritueel samenwerkingsverband. Lang vóór ik actief deelnam aan het werk vond ik het altijd al belachelijk dat leden, die ik op dat moment als ideale mensen zag, niet zonder een stel reglementen konden samenwerken. Het leek me een paradox die ik niet kon begrijpen en ik begrijp het nog niet. Wat dus de reglementen betreft weet u hoe ik daarover denk.

Nu wat betreft de mensen die geen verantwoordelijkheid willen aanvaarden in een werkgroep. Ik zou de jongeman uit Apeldoorn willen gelukwensen met het voorbeeld dat hij aan de jongere leden van zijn loge heeft gegeven. Ik heb geen vastomlijnde gedachten over hoe lang iemand voorzitter van een groep of branch zou moeten zijn. We moeten dat aanvoelen met behulp van het dagelijkse karmische draaiboek. Niettemin denk ik dat een van de dingen die ons werk het meest van alles heeft tegengehouden, die gewoonte of traditie is, dat wanneer iemand loge- of branch-voorzitter wordt, vooral als hij een erg goede voorzitter is, hij dit zijn hele leven zal blijven. Dit is volgens mij totaal onjuist. Ik kan begrijpen hoe deze gewoonte is ontstaan. Het was waarschijnlijk het gevolg van de overweging dat aangezien de leader van de Society zijn verantwoordelijkheden tot het einde van zijn leven vervult, ook de afdelings- en loge-voorzitters hun positie hun hele leven moesten behouden. Dit idee groeide tenslotte uit tot de onjuiste opvatting dat die mensen die voorzitter van een afdeling of branch waren, leden zijn van de hiërarchie, in plaats van te begrijpen dat de posities die ze innamen exoterisch van hiërarchische aard waren, terwijl esoterisch de mannen of vrouwen die deze posities hadden niet noodzakelijk leden van de hiërarchie waren. De hiërarchische structuur van het heelal is iets esoterisch en door het scheppen van een traditie alleen kunnen we van de organisatiestructuur van de TS niet in alle opzichten tot een esoterische schakel maken met de esoterische structuur van onze heilige orde.

Naar mijn mening is het goed dat de loge- of branch-voorzitters wisselen. Het hoeft niet op een bepaalde tijd te gebeuren of met een vastgestelde regelmaat, maar dat moet iedere groep zelf beslissen. De voorzitter van een afdeling of van een branch die het best zijn taak verricht is diegene die zichzelf en zijn persoonlijkheid volkomen op de achtergrond houdt en probeert een kanaal voor het werk te zijn, zijn taak onpersoonlijk verricht, zonder enige gehechtheid aan de positie die hij heeft, en alleen denkt aan het welzijn van de leden en aan hun natuurlijke spirituele groei. Als hun voortdurend wordt verteld wat ze moeten doen en wat ze moeten geloven en ze geen enkele verantwoordelijkheid krijgen, dan kunnen ze spiritueel niet groeien.

Wat het stimuleren van de leden betreft om deel te nemen aan het werk van de branch: U kunt dit niet bereiken door voorschriften of bevelen, en die leden die ervoor terugschrikken om enige verantwoordelijkheid op zich te nemen, moeten worden behandeld overeenkomstig hun eigen specifieke persoonlijkheid en moeilijkheden. Niettemin zult u, denk ik, ontdekken dat gewoonlijk de meeste leden enige verantwoordelijkheid willen aanvaarden als ze begrijpen dat we werkelijk proberen een actief samenwerkingsverband te ontwikkelen en, belangrijker, als ze op de juiste manier worden aangemoedigd. Wanneer hiermee een begin is gemaakt en enkelen verantwoordelijkheid aanvaarden, niet noodzakelijk het voorzitterschap, dan zal dit een aansporing zijn voor diegenen die aarzelden. Als het echter mensen betreft die volledig passief zijn in dit werk, en soms komen we hen tegen, en alleen wensen te ontvangen en niet te geven, dan kunnen we niets daaraan doen. Zij zullen de verliezers zijn en als ze van nature zo zelfzuchtig zijn dat ze nooit iets wensen te geven voor wat ze ontvangen, dan zullen ze tenslotte uit beeld verdwijnen.

Iedere branch-voorzitter, vooral zij die deze positie al lange, lange tijd bekleden, is het verplicht tegenover het werk van de branch, tegenover de nationale afdeling en de TS, eerlijk in de spiegel en in zijn hart te kijken en zich deze vragen te stellen: Ben ik gehecht aan deze positie van branch-voorzitter? Is bij mij de gedachte ontstaan dat de branch niet zonder mij als voorzitter zou kunnen? Voel ik me beter dan de andere leden van deze branch? Heb ik van mijzelf een bekwaam en bevredigend kanaal gemaakt voor deze branch, mijn persoonlijke gevoelens van voor- of afkeur volkomen op de achtergrond gehouden, zodat de onpersoonlijke kracht van de Grote Loge erdoorheen kan vloeien? Als de branch-voorzitter al deze vragen op de juiste wijze kan beantwoorden, dan zou ik zeggen dat hij zijn taak nog wat langer kan verrichten. Maar als hij dat niet kan, dan zou ik willen voorstellen dat hij eens in de spiegel kijkt en zichzelf eerlijk en oprecht onder handen neemt en iets eraan doet. Ik ben er absoluut van overtuigd dat als hij iemand anders aanmoedigt, bij voorkeur iemand jonger dan hijzelf, om het voorzitterschap over te nemen, ongeacht hoeveel fouten deze persoon maakt, hij in korte tijd meer zal leren over wat hij dacht te weten dan door zijn eigen inspanningen tijdens zijn voorzitterschap.

Niet alleen ons werk in onze Society, maar ook de invloed ervan in de wereld, zal mislukken en als een lege ballon worden, tenzij we volledig als partners samenwerken, vanaf de kleinste eenheid tot de TS zelf. De verstandige voorzitter of branch-voorzitter zal nooit als eerste zeggen wat hijzelf denkt. Hij zal eerst iedereen aan het woord laten vóór hijzelf iets zegt. Hij zal hun ideeën verzamelen tot de laatste toe. Terwijl hij hiermee bezig is, zal hij tot zijn verbazing ontdekken dat hij een mand vol bruikbare ideeën heeft verkregen waaraan hijzelf nooit heeft gedacht. Als hij ze allemaal op een onpersoonlijke manier combineert dan zal hij door intuïtie weten de juiste dingen te doen en te zeggen, eenvoudig omdat hij de ander voorrang gaf boven zichzelf. Daardoor blijft het hart openstaan voor de intuïtie. Als hij in zijn denken vasthoudt aan zijn eigen idee over wat er moet gebeuren dan sluit hij niet alleen zijn eigen hart door het eerst te spreken en te proberen zijn idee ingang te doen vinden, maar hij sluit automatisch het hart en denken van zijn leden.

Dat is eenvoudige praktische theosofie. Daarvoor zijn geen regels of voorschriften. Als we bij het leiden van onze branches ons hart en onze intuïtie kunnen laten werken, in plaats van technische citaten over theosofie uit een boek te gebruiken, dan zal het licht in die branch zo helder schijnen dat het geen enkel verschil maakt wie de secretaris of de voorzitter is. Is dit een antwoord op uw vraag, meneer Niemeijer?

Niemeijer: Dank u, ja.

10 minuten pauze

Fred Lindemans: We ontvingen een vraag die de leader nu bereid is te beantwoorden.

JAL: Ik wil geen gelegenheid missen om u te tonen hoe het dagelijkse karmische draaiboek werkt. In de pauze gaf Mw. Kromwijk een briefje en kwam George Lindemans naar me toe, beiden met hetzelfde grondbeginsel in gedachten. Dat betekent dat ik iets ben vergeten bij het bespreken van de reglementen. Ten eerste zei George dat we de waarde die reglementen hebben niet uit het oog moeten verliezen nu bepaalde vroegere leden van de Society denken recht te hebben op sommige eigendommen. Toen vroeg Mw. Kromwijk, als ik het briefje goed heb begrepen, welke aanwijzing er is die aantoont dat we nu in het stadium zijn gekomen waar we de reglementen kunnen opgeven. Ik denk daarom dat ik beter beide vragen tegelijk kan behandelen.

Ik heb meerdere keren gezegd dat de beste manier om voor de theosofie te werken de natuurlijke manier is en ik verkeer niet in de positie om te weten of een loge gereed is zijn reglementen op te geven. Elke loge moet dit zelf ontdekken en zelf beslissen. Ik heb gezegd dat niets me gelukkiger zou maken dan dat elke loge ze zou verbranden, maar ik zei ook dat men het niet moet doen omdat de leader vindt dat het gedaan moet worden. Doe het wanneer u besluit dat het gedaan moet worden. Wanneer het kind met zijn eerste stapjes begint dan zal het een aantal keren vallen voor het de eerste stapjes kan volbrengen. Maar bij iedere poging komt het een beetje verder. Als we iets nieuws proberen in het theosofische werk, gebeurt misschien hetzelfde. De ene loge doet er langer over om tot die conclusie te komen dan de andere. Er is geen vaste regel voor iedere loge in een bepaald land of in de hele TS. Dit zou ik als antwoord willen geven op de vraag van Mw. Kromwijk. Er is geen regel, geen door mij gemaakte beslissing. Ik zeg alleen dat niets me gelukkiger zou maken dan te zien dat ze het punt bereiken waarop ze het kunnen doen, maar de loges moeten zelf de beslissing nemen. Is dit een antwoord op uw vraag?

Mw. Kromwijk: Ik dacht niet aan loges maar aan individuen. Hoe kan iedereen in staat zijn zoveel zelfkennis te ontwikkelen dat hij het werk zonder leiding kan verrichten?

JAL: Ik begrijp wat u bedoelt. Dat is een heel andere vraag, maar mag ik het antwoord erop even uitstellen?

We komen nu terug op de bewering van George en de mogelijke behoefte aan enkele reglementen om de eigendommen en het werk van de vroegere Nederlandse Afdeling te beschermen. Als de nationale commissie denkt dat ze daarvoor enkele reglementen nodig heeft, dan is dat goed en kan ze de oude behouden. Als we niet voldoende vertrouwen in de meesters hebben om te voelen dat zij – ik wil niet zeggen ons zullen leiden, omdat ze dat niet doen – ons werk zullen beschermen als we naar ons beste vermogen handelen, dan kunnen we beter onze theosofie opgeven. We moeten niet het feit uit het oog verliezen dat de reglementen, zowel die van de afdelingen als die van de loges, ondergeschikt zijn aan de Constitutie van de TS, en dat de Constitutie van de TS gezaghebbend en van kracht is over de hele wereld, overal waar leden zijn. Die Constitutie is erkend door het wettelijk gezag in ieder land, waaronder Nederland. Er is een clausule in die Constitutie die ongeveer als volgt luidt: de leader heeft het recht die stappen of handelingen te ondernemen die hij raadzaam acht voor de bescherming van het werk en van de Society. Dat is wat hij deed in verband met de beslissing die hier in Utrecht is genomen en ik ben ervan overtuigd dat de meesters die beslissing zullen beschermen zolang de Nederlandse leden die dit als een rechtmatige beslissing erkennen, hun bijdrage leveren aan het voortzetten van het werk zoals het moet worden voortgezet. Laat de zogenaamde oppositie doen wat ze willen en vergeet haar verder. Is dat een antwoord op je vraag, George?

George Lindemans: Jazeker. Dank u.

JAL: Mag ik nu Mw. Kromwijk verzoeken haar vraag opnieuw te stellen?

Mw. Kromwijk: De gedachte die ik had, was eenvoudig deze: Dat sommigen van ons misschien niet voldoende zelfkennis bezitten om in staat te zijn juist te handelen zonder leiding.

JAL: Met andere woorden, niet het spirituele uitvoerende vermogen hebben? Hartelijk dank, Mw. Kromwijk, voor het herhalen van die gedachte, omdat ze de kern raakt van de verantwoordelijkheid van ieder van ons en voor mij wijst op een van de moeilijkste dingen die we als individuen of logevoorzitters moeten proberen te overwinnen, namelijk: we moeten niet aarzelen of bang zijn de eerste stap te zetten, precies zoals het kind niet aarzelt wanneer het dat punt bereikt. We vallen misschien en misschien maken we een fout. Als we, in het geval van een loge, de hele situatie eerlijk en openlijk voorleggen aan de leden, dan zullen ze ons onze fouten niet kwalijk nemen als we ze toegeven. Ze zullen de eersten zijn die ons helpen ze te verbeteren. In plaats dat het een mislukking is, zullen de lessen van een fout door meerdere mensen worden gedeeld en deze tot een succes maken. Fouten maken betekent niets, zoals Judge zegt, maar ophouden met proberen is verschrikkelijk.

Ik kan hieraan iets toevoegen dat kolonel Conger me langgeleden zei en dat een diepe indruk op me heeft gemaakt, en ik denk dat het van toepassing is op ieder van ons, als individueel lid van de TS of als branch- of afdelingsvoorzitter. Het principe is hetzelfde hoewel de omstandigheden kunnen verschillen. Op een dag, lang vóór de kolonel leader werd, spraken we in Washington samen over het theosofische werk en de werkers. Ik was nog maar tamelijk kort lid, vol enthousiasme, en wilde doen wat ik kon om bij het werk te helpen. Ik wilde niet alleen openbare lezingen kunnen geven maar na verloop van tijd ook de verantwoordelijkheid dragen om met de loge te werken en zelf een groep te hebben. Hij zei: ‘Waarom doe je het niet gewoon?’

Ik antwoordde: ‘Het is voor mij onmogelijk om openbare lezingen te geven. Mijn woordenschat is erg beperkt en ik weet niet genoeg van de leringen, enz., om zo’n lezing te houden.’ Ik had een hele lijst van dingen die ik volgens mij eerst moest hebben vóór ik enig werkelijk werk kon doen.

Ik kon zijn steeds herhaalde suggestie: ‘Waarom ga je niet aan het werk?’ niet begrijpen. Tenslotte zei hij tegen me: ‘Als iemand de theosofie in zijn hart draagt en een sterk verlangen heeft om voor de theosofie te werken, dan kan het me niet schelen over hoeveel woorden hij wel of niet beschikt. Ik geef er niet om hoeveel technische theosofie hij wel of niet kent. Als hij voor een groep staat en vanuit het hart spreekt, met het gevoel dat hij in zijn hart draagt, zal hij nooit tekortschieten.’

Dat is volgens mij het beginsel waar het om gaat in de vraag die Mw. Kromwijk stelt. Als we het ware doel van ons werk boven alles stellen en dat vertrouwen hebben waarover ik sprak, kunnen we niet tekortschieten. We zullen beslist fouten maken, maar het maken van een fout is geen schande. Ze zijn in feite de treden naar succes. Maar ieder van ons moet de eerste stap zelf zetten. Het is nu de tijd dat een leader hoe langer hoe minder zal doen. Hij zal bescherming bieden, en de fouten die worden gemaakt zullen de individuen niet worden aangerekend, maar het is zijn verantwoordelijkheid dat individu of die loge te helpen die fouten te gebruiken als treden naar toekomstig succes. Dat is de grondslag van mijn uitspraak op het Congres, dat de leader de dienaar van de leden is; niet om te berispen of te bekritiseren als er iets verkeerd is gegaan, maar om, als iemand zich heeft verwond, zalf op de wond te doen en hem te helpen vooruit te kijken en het nog eens te proberen. Heeft u hier misschien iets aan?

Mw. Kromwijk: Ik dank u zeer.

A.M. Quist: U spreekt tot mijn hart over de plaats van een logevoorzitter en nu wil ik u vragen om mijn dochter, die hier is, tot u en tot allen te laten spreken over wat haar gedachten daarover zijn.

Ella Quist: Mag ik in het Nederlands spreken? Dit is een heel onverwacht moment en ik ben niet voorbereid.

JAL: Natuurlijk. Zeg maar wat u op uw hart heeft en stoor u aan niemand.

Mej. Quist: Ik voel in de branch een hele sterke kracht en ik heb het gevoel dat het absoluut noodzakelijk is dat ieder lid van een branch het werk van de voorzitter doet. En dus op zekere morgen had ik het gevoel dat als ik branch-voorzitter zou zijn, ik het zo en zo zou doen. Ik ging dus aan het werk, sloeg de boeken op, koos een bepaald onderdeel uit de leringen en vroeg aan de voorzitter toestemming om verschillende leden te laten meedoen. Ik nam de Bhagavad Gita als onderwerp. Na het lezen van het eerste hoofdstuk ontstond er een gedachtewisseling en iedereen kreeg de gelegenheid te zeggen wat hij op zijn hart had. Ik ben er zeker van dat ik nu in staat ben uitdrukking te geven aan het gevoel dat een lid krijgt als hij zich geplaatst ziet voor de verantwoordelijkheid van een branch-voorzitter en men voelt in het hart wat het betekent om lid van dit samenwerkingsverband te zijn. Het is bijna hetzelfde als wat broeder Niemeijer uit Apeldoorn zei. Als iedereen de kans krijgt te zeggen wat zijn hart inspireert, dan is de loge één – niet hier de voorzitter en daar de leden, maar een eenheid.

Een fluisterend gesprek volgde tussen dhr. Quist en zijn dochter, waarbij dhr. Quist haar vraagt iets te zeggen, wat, volgens Mej. Quist hijzelf zou moeten doen.

JAL: Dat is goed. Zeg wat u op uw hart heeft, Mej. Quist. Ziet u, meneer Quist, uw dochter is nu aan het woord, maar als u later iets wilt zeggen krijgt u daar zeker de gelegenheid voor.

Quist: Dat is goed, dank u.

JAL: Ik houd van dingen die spontaan en uit het hart naar voren komen, maar ik bedoel dat niet als kritiek op u, meneer. Onze kinderen hebben hun eigen svabhava, en als ze volwassen zijn, zijn ze net als vogels die het nest hebben verlaten. Ik wil dat ieder lid in dit samenwerkingsverband het gevoel heeft dat hij een individueel recht bezit om zich te uiten. Dat is de enige manier waarop we zelfstandig zullen worden, want als we niet spontaan uit ons eigen hart kunnen spreken, maken we al de eerste fout. Ik denk dat ik aanvoel wat dhr. Quist zijn dochter wilde laten zeggen, maar veel liever hoor ik het haar spontaan zeggen, hetzij nu of later in de bijeenkomst. Als dhr. Quist nu misschien zelf iets wil zeggen, zal ik dat graag horen, als het tenminste zijn eigen gedachten en ingevingen zijn, maar zeg tegen uw dochter dat zij u niet ingeeft wat u moet zeggen! [Gelach]

Quist: Ik denk dat Ella wilde zeggen dat ik me als logevoorzitter zou terugtrekken, zodat een jonger iemand de verantwoordelijkheid kan dragen. Dat is het enige wat ik bedoelde.

JAL: Ik voelde al aan wat u wilde zeggen. Ik weet dat u een goede kerel bent, broeder Quist, en ik maakte van deze gelegenheid gebruik om naar voren te brengen hoe absoluut noodzakelijk het ontwikkelen en opbouwen van spirituele zelfstandigheid is. Het was geen kritiek op u, beste broeder, en ik hoop dat u het niet erg vindt. Dit was slechts een gelegenheid om u een voorbeeld te geven hoe we oprecht en praktisch kunnen werken zonder enige wrok. We kunnen dit allemaal. We missen negen tiende van alle levensvreugde als we het niet zo doen.

Jaap Kooistra: Het is niet mijn bedoeling het onderwerp met een discussie te beginnen, maar er kwam een vraag op in mijn gedachten en ik hoop ook in mijn hart, nadat ik het verslag las van die Kabinetsvergadering waarin de leader zei dat hij ‘één onder gelijken’ zou zijn. Ik denk dat toen we dit lazen, we allemaal min of meer verbaasd waren en niet in staat waren dat tot op zekere hoogte te begrijpen, omdat we ons misschien afvroegen: hoe kan dat in overeenstemming zijn met de leer van de hiërarchieën? Later werd mijn vraag grotendeels beantwoord. We hebben ingezien dat de leader door deze houding werkelijk leiderschap heeft benadrukt op een manier die we nauwelijks voor mogelijk hadden gehouden. Toch is een deel van het raadsel voor mij nog niet opgelost, en ik zou graag zien dat de leader, indien mogelijk, dit punt van ‘één onder gelijken’ in plaats van ‘eerste onder gelijken’ toelicht.

JAL: Dat zal ik graag doen. Meerdere keren heb ik vanmiddag gezegd dat ik belangstelling heb voor praktische theosofie en de dingen op een natuurlijke manier wil doen. Wat is de leader van de Theosophical Society? Door karma is hij in een verantwoordelijke positie geplaatst. Verantwoordelijk tegenover wie? Zeker niet tegenover zichzelf. Hij heeft een verantwoordelijkheid tegenover de leden en natuurlijk tegenover Hen voor wie hij die dienst verleent. Voor mij is dat praktisch hetzelfde. Als de meesters in hun wijsheid en mededogen hebben gezegd: ‘Wij zullen geen stap verder zetten het nirvana in, voordat de laatste van u met ons mee kan gaan’ wie zou ik dan zijn als leader als ik niet hetzelfde gevoel zou hebben tegenover ieder lid van de TS – natuurlijk wat betreft het leiderschap in plaats van nirvana! De goden weten dat ik op dit moment zo ver van nirvana af ben dat ik er niet eens aan wil denken, dus hoef ik het besluit van de meesters nog niet te nemen! Het ligt echter binnen mijn macht om te besluiten dat ik ‘één onder gelijken’ zal zijn in plaats van ‘eerste onder gelijken’, zodat ieder lid van de TS kan delen in mijn verantwoordelijkheden en ik in die van hen. Dat is het antwoord, denk ik.

J. Kooistra: Dank u zeer.

Arnold van der Laan: Ten eerste zou ik willen zeggen dat u hoopvolle woorden tot ons heeft gesproken, maar u heeft ons ook een grote verantwoordelijkheid gegeven. Maar ik had een andere vraag in gedachten. Toen u het werk aanvaardde moet er iets met u zijn gebeurd. Het doet er nu niet toe wat er gebeurde, omdat we weten dat wat er met u gebeurde ervoor zorgde dat we u als onze leader en leraar herkenden. Dat is één ding.

Dan is er nog iets anders. Wanneer het kosmische karmische draaiboek zich ontvouwt, weerspiegelt dit zich in wat u het dagelijkse draaiboek noemt waarmee wij te maken hebben. Dit is mijn directe vraag: Is er een gestage ontwikkeling in u als onze leader, d.w.z. in de logische volgorde van de ontwikkeling en de mogelijkheden voor ieder van ons als leden? Dat is een deel van de vraag. En als we tekortschieten om wat u onze plicht noemt te doen als mens en als theosoof, heeft dat dan eenzelfde weerslag op u als de leader en leraar?

JAL: Dank u. Het spijt me dat ik hier het verslag niet bij me heb van de bijeenkomst in Stockholm, waarin het eerste deel van uw vraag werd beantwoord. Ik zal niet proberen die vraag weer te beantwoorden, omdat de Nederlandse leden het verslag zullen ontvangen. We zullen proberen alle vergaderingen te delen met alle leden in ieder land, en vooral die dingen, die van belang zijn voor de verschillende landen. Dit is ook een deel van het samenwerkingsverband.

Om terug te komen op Arnolds specifieke vraag. U vraagt in essentie: blijkbaar legde het karmische draaiboek terwijl het zich ontvouwde die karmische verantwoordelijkheid op de schouders van een zekere Jim Long en er veranderde iets toen hij leader werd. Dan vraagt u: als dit het geval is en als u de verantwoordelijkheid deelt met de leden, legt dat een verantwoordelijkheid op hun schouders, en als zij tekortschieten, heeft dat dan een weerslag op de leader? Is dat de essentie ervan?

Van der Laan: Ja.

JAL: Dit delen van de verantwoordelijkheid met alle leden is in feite niets nieuws. Het is alleen nieuw in de zin dat het nu mijn verantwoordelijkheid geworden is dit samenwerkingsverband een praktische en werkbare vorm te geven. De verantwoordelijkheden hebben altijd bestaan sinds de Society werd opgericht, maar het tot bloei komen ervan was in het beginstadium van de Society eerder een hoop in het hart van de leaders dan een onmiddellijke verwachting.

De vraag van Arnold over wat er gebeurt als de leden tekortschieten is al door andere leaders beantwoord, in het bijzonder door GdeP en ik aarzel om er opnieuw antwoord op te geven. Maar ik zal wel moeten. De leaders weten dat de leden niet volmaakt zijn en ik ben niet de enige leader die het karma van ieder individueel lid van de TS op zich heeft genomen. Ze deden het allemaal, bewust en vreugdevol, maar geen van hen heeft het ooit gezocht. Maar toen de mantel van dat karma op hun schouders viel, wisten ze in een flits van grote eenzaamheid wat het betekende. Vanaf dat moment hadden ze een nieuwe vorm van dood aanvaard. We weten wat GdeP daarover heeft gezegd. Praktisch iedere dag, zet een leader weloverwogen en bewust de ene stap na de andere als gevolg van het karma van de leden in ons grote werk, zet die bewuste stappen willens en wetens in de richting van die dood, waarover GdeP sprak. Maar ik zeg het nogmaals, aarzel nooit, nooit om fouten te maken, maar houdt in hemelsnaam niet op met proberen. Is dat een antwoord op je vraag, Arnold?

Van der Laan: Ja, dank u zeer.

Henk Lindemans: U sprak over de bijzondere dood. Bedoelt u dat u zo eenzaam bent dat het zou kunnen worden vergeleken met de dood of wijst u op een andere soort dood, waarover u hier misschien niets wilt zeggen?

JAL: Ik denk dat ik weet wat je bedoelt, Henk, en het enige wat ik kan zeggen is dit. Iemand vroeg me, ik denk dat het in Neurenberg was, of ik probeerde een samenwerkingsverband van volgelingen op te bouwen, zodat ik aan het hoofd van hen zou staan! Ik kan me het andere deel van mijn antwoord niet herinneren, maar ik zei wel het volgende, dat gedeeltelijk misschien een antwoord op jouw vraag is. Toen die mantel op de schouders van James A. Long viel, stierf James A. Long. Alle dingen waarmee hij zich in het verleden had verbonden en zijn verantwoordelijkheden als James A. Long bestonden niet meer. Hij heeft nu een andere plicht en James A. Long heeft daarover niets te zeggen, omdat James A. Long is gestorven. Maar dat deel van hem, dat James A. Long moest vergeten, werkt naar zijn beste vermogen voor de meesters, voor de leden en voor onze medemensen. Door dit te doen verheugt hij zich om te geven, wanneer dit wordt gevraagd, wat iedere keer een stukje dood brengt, maar het is iets heel moois en vreugdevols om te doen. Bedoelde je dat, Henk?

H. Lindemans: Ja, dank u voor uw antwoord.

JAL: We dwalen een beetje van logewerk af, maar dat komt me wel gelegen. Misschien helpt dat ons juist om alle logeproblemen op te lossen. Ik vind het niet erg, want ik ben hier om te dienen en ik wil u geven waarom u vraagt, als ik kan.

Fred Lindemans: Ik denk dat we nu allemaal kunnen begrijpen waar het in ons logewerk om gaat.

W. Tholen: Een van de meest opmerkelijke dingen die zijn gezegd was voor mij dat er in deze tijd oude zielen worden geboren, waarvan sommige waarschijnlijk de oude Egyptenaren zijn. Als we denken aan de tijd over vijfentwintig jaar, zullen ze allemaal krachtige mensen zijn. En als we aan de tijd van de Egyptenaren denken, zullen ze mensen zijn met grote geestkracht en een hoge beschaving voortbrengen. Mijn vraag is deze: Behoort het niet tot de verantwoordelijkheden van de loges om alle kracht die ze hebben aan het jeugdwerk te geven om in onze loges een plaats voor ze te scheppen, om deze vogels aan te trekken die naar hun nest terugvliegen?

JAL: Dank u, meneer Tholen. Dat is een ander onderwerp dat ik in mijn inleidende woorden wilde opnemen, maar ik besloot het niet te doen tot ernaar werd gevraagd. Ik zal met het antwoord op deze vraag iets verder gaan dan de vraag zelf en proberen u een beeld te geven van wat ik in gedachten heb, omdat ik het gevoel heb dat vóór de middag voorbij is, iemand iets gaat vragen over het jeugdwerk en de lotuscirkels.

In al ons theosofisch werk, in elk aspect ervan, denk ik dat we hetzelfde beginsel moeten volgen dat ik vanmiddag in essentie heb uiteengezet. Wanneer we denken aan de meester met één hand in die van iemand boven hem en die hem helpt, en met de andere hand uitgestrekt naar ons, opdat we hun bescherming mogen genieten, dan hebben we de sleutel tot de jeugdproblemen. We moeten ons ten volle bewust zijn van de verschillende generaties van zielen die geïncarneerd zijn en die in de toekomst zullen incarneren. Als we willen dat de theosofie leeft en groeit en als we haar werk willen doen, dan moeten we een werkelijke erfenis nalaten aan de generatie die op ons volgt, zodat de oudsten onder ons méér zullen geven aan de generatie die hen opvolgt dan aan zichzelf, terwijl ze hun ene hand naar voren uitstrekken in de richting van de meesters maar hun andere hand en hun hart achteruit in de richting van de volgende generatie, en ze proberen meer van hun verantwoordelijkheid tegenover die generatie te begrijpen in het licht van hoe de meesters over ons denken. De tweede generatie zal dan zijn hand uitstrekken naar de oudere generatie met de andere naar de jongere, enz., tot de kleintjes in de lotuscirkel.

De oudste generatie in onze Society zou het dus tot een van haar belangrijkste doeleinden moeten maken om het licht en de verantwoordelijkheid en de vreugde door te geven aan de daaropvolgende generatie – niet wanneer ze gereed zijn om te sterven, maar wanneer ze nog beschikken over de kracht en de wijsheid om die volgende generatie werkelijk te kunnen helpen. En datzelfde beginsel moet langs de hele lijn omlaag worden gevolgd. Het zou voor ons allemaal duidelijk moeten zijn dat de oudsten onder ons de psychologie van de lotuscirkel niet volledig kunnen inschatten, maar ik durf te zeggen dat de generatie of de leeftijdsgroep boven de lotuscirkel, de lotuscirkel heel wat beter zal begrijpen. En de groep boven de lotuscirkel zal veel beter worden begrepen door de groep daarboven dan door de oudsten onder ons.

Ik geef deze schets om u eerst te laten zien hoe ik over de zaak denk, in het bijzonder om u enig idee te geven van wat ik in gedachten heb om, wanneer ik thuiskom, mee aan het werk te gaan. Ik hoop en geloof oprecht dat ik de verschillende leeftijdsgroepen kan doen inzien wat er in dit samenwerkingsverband nodig is. Elke leeftijdsgroep zal de nodige gedachten en ideeën verschaffen om een natuurlijke en verstandige basis voor samenwerking tot stand te brengen, zodat de ene leeftijdsgroep van harte met die daarboven zal samenwerken, en toch de oudsten onder ons feitelijk en gelukkig zullen samenwerken met de jongste lotusknop. Is dit een antwoord op uw vraag?

Tholen: Ja, dank u.

JAL: Ik hoop dat ik het jeugdwerk in de Society volledig kan reorganiseren. De oude werkwijze is uit de tijd. De jongeren hebben nu iets meer nodig, iets van deze tijd. Ik oefen geen kritiek uit op de lotuscirkels die er nu zijn. Nederland heeft in dit opzicht meer gedaan dan andere landen en heeft het werk voor de jonge mensen en de kinderen op een prachtige manier levend gehouden. Maar ik dacht dat ik door deze gedachten uit te spreken u misschien zou kunnen helpen om zelfs nog meer te doen.

Ik zou de leden hier willen vragen hoeveel tijd ze hebben. Ik wil u niet langer hier houden dan nodig. Wie moet er vroeg weg? Ik heb er geen bezwaar tegen om hier te blijven tot vanavond 9 uur. Heb ik goed begrepen dat enkele leden al snel naar Groningen moeten vertrekken? Om 6 uur?

Fred Lindemans: Omdat sommige leden naar Groningen en andere delen in het land moeten reizen vraagt de leader om een onderbreking van 10 minuten.

Pauze

Omdat er andere leden zijn die op een bepaalde tijd naar huis moeten, stelt de leader voor dat zij, wanneer ze zien dat het tijd is, even naar voren komen om hem een hand te geven, ook al spreekt hij op dat ogenblik. Ze kunnen daarna rustig naar huis gaan.

JAL: Ik geloof dat de dame daar een vraag heeft. Stel haar alstublieft in het Nederlands; dat is gemakkelijker voor u.

Mw. Burgers: Waarom gebruiken we drie gongslagen in plaats van zeven? Ik dacht altijd dat zeven gongslagen meer zielen in een groter gebied bereikten dan drie.

JAL: Ik weet niet of drie slagen in Nederland algemeen aanvaard zijn of niet, maar als ik uw vraag goed begrijp dan luidt ze: Waarom heb ik om drie in plaats van zeven slagen gevraagd? Ik heb dat in een aantal plaatsen gevraagd, ook in Zweden, en de reden is eenvoudig deze: omdat veel mensen aan de gongslagen en aan de gong zelf gehecht zijn geraakt. Ze gingen van het slaan op de gong bepaalde magische gevolgen voor de theosofie en voor zichzelf verwachten – of het nu drie, zeven of zevenentwintig slagen waren.

Er is maar een ding waarvoor ik belangstelling heb en dat is iedereen beter te doen begrijpen wat werkelijk westers occultisme is, dat occultisme dat de meesters en HPB en Judge met zoveel inspanning op gang probeerden te brengen. En we staan veraf van het punt waarop we ook maar in enige mate in onze spirituele ontwikkeling worden beïnvloed door het slaan op de gong. Wat we voor onze spirituele ontwikkeling nodig hebben is dat we de ware gong van ons eigen hart aanslaan zodat ze in de stilte in de oren van de hele wereld doorklinkt. Dan zullen die gongslagen enig goed doen om theosofie te bevorderen.

Begrijp me alstublieft niet verkeerd. Gebruik de gong zoveel u wilt en op iedere manier die u wilt. Maar laat de spirituele vooruitgang die we moeten maken niet afhangen van de gong. Gebruik de gong niet om iets vormelijks tot stand te brengen in de zin van een ceremonie of iets dat een beroep doet op de uiterlijke zintuigen.

Ik denk dat dit alles is wat ik op dit moment over de gong kan zeggen. Wat ik heb gezegd geldt niet speciaal voor deze dame, het geldt in het algemeen. Het geldt niet voor Nederland of voor Zweden maar voor alle afdelingen en ook voor het Hoofdkwartier. Hoe meer we ons verre houden van ceremoniën of formaliteiten, hoe dichter we bij de theosofie zullen komen zoals ze vandaag beleefd en begrepen moet worden. Onze inwijdingskamer bevindt zich niet in de tempel met vier muren en een dak en een prachtige gong. Onze inwijdingskamer is het dagelijks leven waar geen beperkingen bestaan voor de krachten waardoor we ons karakter kunnen opbouwen. Daarbij zal het onedele metaal van onze constitutie in zuiver goud worden omgezet. Dan kunnen we zeggen dat we enige beproevingen hebben doorstaan en maken we een begin met het vervullen van onze werkelijke verantwoordelijkheden tegenover onze medemensen.

Mw. Burgers: Dank u zeer.

C.A.M. Wolthoorn: Kunt u iets meer zeggen over de reorganisatie van het jeugdwerk? Ik heb de leiding over het jeugdwerk en ben dus erg benieuwd daarnaar.

JAL: Is dat ook jouw vraag Nel?

Nel van Weydom Claterbos: Ja, iets in die richting.

JAL: Wil je het nu vragen?

Mej. Claterbos: Er is een vraag waarmee ik al jarenlang rondloop. Ik heb het gevoel dat we ons nu in een overgangsperiode bevinden. Mijn vraag is: hoe kunnen we onze tegenwoordige generatie het beste helpen wanneer we pionierswerk doen? Ik heb het gevoel dat wanneer theosofen iets doen op het terrein van de opvoeding zij pioniers moeten zijn. Hoe kunnen we dat tot stand brengen? Wat is op dit moment het punt waar het om draait?

JAL: Bij het beantwoorden van deze vraag ga ik even staan, want ik heb al lange tijd gezeten. Beide vragen komen in feite op hetzelfde neer. Over enige tijd hoop ik het antwoord op allebei uw vragen te kunnen geven, omdat ik diezelfde vragen ga stellen aan niemand anders dan aan de jonge mensen zelf in de verschillende leeftijdsgroepen. En als ik eenmaal de antwoorden heb die ik van hen denk te krijgen, zullen zij de verantwoordelijkheid met mij dragen bij de organisatie en reorganisatie en opbouw van het pionierswerk waarover u spreekt. Zij die mij een beetje kennen, weten dat ik niet lang nodig heb om direct tot de kern te komen of om uit te vinden of te doen wat ik denk dat nodig is. Aangezien dit vraagstuk de jonge mensen aangaat, denk ik dat we niet alleen hun vertrouwen zullen winnen, maar door rechtstreeks naar hen toe te gaan zullen we denk ik veel leren van hun suggesties wanneer we ons hoofd en hart wijd open laten staan, niet voor wat wij denken dat ze nodig hebben, maar voor wat zij met hun hart, niet noodzakelijk met hun woorden, zeggen nodig te hebben. Indien ons hart openstaat, zullen we niet alleen een beroep doen op het hart van de jongeren, maar hun hart zal tot dat van ieder van ons spreken, van hart tot hart. We zullen elkaar begrijpen en het oude samenwerkingsverband zal een nieuwe stap vooruit hebben gezet. Maar u zult even moeten wachten tot ik thuis ben. Ik heb hier lang over nagedacht. Deze trip naar Europa heeft mijn gedachten duizendvoudig bevestigd. Wie volgt?

Henk Lindemans: Een ding waarover ik nogal heb nagedacht is dit: we werken in onze loges en we doen ons best om ons werk zo goed mogelijk te doen. We zien enkele resultaten maar ze stellen me niet voldoende tevreden, omdat er zoveel verschrikkelijke dingen in deze wereld gebeuren, en we zouden graag zien dat deze wereld met haar vele problemen door onze inspanningen wordt geholpen. Tijdens een van onze bijeenkomsten zei u dat de belangrijke gebeurtenissen in de Society aan de dingen in de wereld voorafgaan. Ik zou u nu willen vragen: denkt u werkelijk dat wanneer we met ons hele hart ons werk doen we in ons leven iets van verlichting zullen zien van de duisternis die nu over de wereld hangt?

JAL: Dank u. Dit zijn prachtige vragen! Ze zijn in zekere zin moeilijk te beantwoorden omdat ik er absoluut zeker van wil zijn dat mijn antwoorden niet specifiek gericht zijn op de vraagsteller of zijn specifieke probleem. Indien dat wel zo zou zijn, zou het als kritiek op de persoon kunnen lijken.

Het is een moeilijke taak voor mij geweest het hart en het denken van de leden hier en daar open te breken voor de werkelijke waarheid en het werkelijke spirituele drama dat in de wereld heeft plaatsgevonden. We kennen allemaal het gezegde dat we soms door de bomen het bos niet meer zien. Dat is wat er met de meesten van ons theosofen is gebeurd. We hebben gewerkt en gewerkt en gewerkt en hebben geen resultaten gezien. We vergeten wat Krishna in de Gita zei, en wat echt het hart en de kern is van wat we in het theosofische werk zouden moeten doen: doe het werk of de handeling omdat het goed is het te doen en maak u geen zorgen over de resultaten.

We zitten zo dicht op onze bijzondere theosofische situatie en inspanningen dat we de resultaten die door de jaren heen een doorbraak betekenden niet werkelijk hebben gezien. Bijvoorbeeld, een ander lid, in Stockholm dacht ik, vroeg over de rajayoga-school en KT’s werk daarin, of de omstandigheden zoals ze nu zijn erop wijzen dat haar inspanningen zijn mislukt. De vraagsteller dacht aan Point Loma en KT en de school, en keek in die richting voor de resultaten van de inspanningen die KT verrichtte. Omdat hij daar geen resultaten zag, stelde hij de vraag: schoot zij tekort? KT schoot niet tekort. Haar inspanningen waren een geweldig succes, veel groter dan we ons kunnen voorstellen. We zien ze terug in de herziene en gereorganiseerde opvoedingsstelsels van het Westen; we zien ze in de andere behandeling van gevangenen; we zien ze in de vele Griekse theaters in de Verenigde Staten, omdat toen zij het Griekse Theater in Point Loma bouwde er in ons land niet één was.

Er zitten veel aspecten aan het werk van een leader, op zijn minst drie: het uiterlijke, het innerlijke, en wat ik zou willen noemen het zaaiende aspect. De inspanningen van KT met de school zijn dus niet voor niets geweest, omdat de resultaten van het zaaien van zaadjes op de meest onverwachte plaatsen tot een doorbraak hebben geleid. Ze zijn niet verbonden aan de naam theosofie, maar dat doet er niet toe. We hebben er geen belangstelling voor dat alles van een etiket theosofie, theosofie, theosofie wordt voorzien. We hebben alleen belangstelling voor het helpen van de mensheid. We hebben daarom geen flauw vermoeden van het gevolg van een werkelijke spirituele inspanning wanneer deze doorbreekt op het uiterlijke gebied, en ik ben er redelijk zeker van dat de inspanningen van de Theosophical Society gedurende de tijd van kolonel Conger, toen de leden bekend raakten met praktisch occultisme – ik heb het gevoel dat zelfs de kracht, de werkelijke spirituele kracht die werd bijgedragen door die leden die slechts een vaag besef hadden van wat er gaande was, meer heeft gedaan om de krachten van de duisternis die westwaarts oprukten tegen te houden dan we enig idee van hebben. Maar het probleem met de meesten van ons is dit: we verliezen het feit uit het oog dat werkelijke theosofie iets innerlijks is, en wanneer we dus problemen hebben op te lossen en we denken dat we geen vorderingen maken en dat we dit of dat moeten doen, dan zouden we, indien we onze gedachten goed analyseren, ontdekken dat we belangstelling hadden gekregen voor gevolgen in plaats van oorzaken. Het feit zelf dat theosofie iets innerlijks is, betekent dat we belangstelling hebben voor het bijstellen van verkeerde oorzaken, en als we met succes verkeerde oorzaken kunnen vervangen door juiste oorzaken, dan zullen de gevolgen op het uiterlijk gebied voor zichzelf zorgen.

Wat de huidige situatie in de wereld betreft, herhaal ik wat ik op het Congres zei: er is niets dat meer zal bijdragen tot het teweegbrengen van de juiste gevolgen, dan dat ieder lid van de Theosophical Society de noodzaak begrijpt om werkelijk het leven te leven, met de juiste innerlijke houding, en samenwerkend in eenheid en harmonie zodat de oprechte en innerlijke inspanning en het voorbeeld, wanneer ze doorbreekt, onder haar gevolgen meer en meer mensen zal aantreffen die hetzelfde doen op het uiterlijke gebied als wij doen op het innerlijke gebied. Dat is het enige dat ik weet, dat wij als theosofen kunnen doen om het lijden van de mensheid te verlichten. Er zijn in de wereld allerlei andere organisaties, met onbeperkte financiële steun, die zich bezighouden met de gevolgen, maar de wereld wordt er niet beter door. Het is daarom duidelijk wat onze taak is: doelgericht onze plicht te doen, zonder ook maar te denken aan de resultaten. Alleen al het feit dat we niet aan de resultaten denken zal de kracht van die inspanningen versterken. Wanneer de meesters die kracht dus ontvangen, zullen ze de karmische gelegenheid hebben om door middel van karma een nog actiever aandeel in de uiterlijke aangelegenheden van de wereld te hebben. Dat is alles wat ik hierover kan zeggen.

H. Lindemans: Dank u.

Henk L. van Aller: Mag ik u misschien een technische vraag stellen? Kunt u ons iets meer vertellen over het aannemen van nieuwe leden nu we geen voorlopig lidmaatschap meer hebben, en kunt u ons iets zeggen over de inwijdingsceremonie?

JAL: Dank u zeer, meneer Van Aller. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we deze zaken bespreken, zodat u als branch-voorzitters en leden iets beter zult begrijpen wat ik ervan denk. Deze gedachte dat de leader leden moet accepteren, zodra ze het lidmaatschap hebben aangevraagd is niet juist. Deze bewering gold alleen voor de Esoterische Sectie, want toen de Esoterische Sectie open was kon niemand – met heel zeldzame uitzonderingen, die niet algemeen gelden – worden geweigerd, als hij eenmaal oprecht het lidmaatschap had aangevraagd. Maar zoals u weet is de Esoterische Sectie gesloten en zal misschien voor onbepaalde tijd gesloten blijven.

Hoewel we daarom nog steeds volmaakt het recht hebben leden in de TS te weigeren, rust de verantwoordelijkheid van een dergelijke beslissing bij de leader, die van dat recht niet zal gebruikmaken zonder ernstige overwegingen. Iedere aanvraag voor het lidmaatschap komt onder de aandacht van de leader en zal pas geldig zijn als deze door hem is geaccepteerd en ondertekend. In het geval van een branch moeten de aanvragen de bekrachtiging of aanbeveling hebben van de branch-voorzitter, en in het geval van Nederland ook van de nationaal-secretaris. Indien er enige twijfel bestaat over een bepaalde aanvraag, nemen wij op het Hoofdkwartier aan dat er een uiteenzetting over de achtergrond van de aanvrager wordt bijgesloten. Het is niet slechts zaak om de naam van de aanvrager op de stippellijn te krijgen en de aanvraag dan door te zenden, door de ambtelijke molen heen, tot het Hoofdkwartier haar heeft geaccepteerd.

Ik bedoel hiermee niet te zeggen dat aan een groot aantal mensen het lidmaatschap zal worden geweigerd, maar ik wil in de loop van de tijd proberen de leden te helpen hun verantwoordelijkheid wat betreft het werven van nieuwe leden te beseffen. De kracht van deze Society hangt niet af van het aantal leden dat we hebben. Het zal veeleer afhangen van de kwaliteit van die toewijding en trouw die in ons hart leeft. Wanneer een belangstellende naar het lidmaatschap informeert, moeten we beseffen dat de grootste verantwoordelijkheid op onze schouders rust. Omdat hij zijn inlichtingen bij ons komt inwinnen, is het een natuurlijke karmische handeling dat hij bij u of mij komt. Indien u niet de juiste persoon zou zijn geweest, was hij niet bij u gekomen. Dit betekent dat u moet putten uit al uw ervaringen, zowel aangename als onaangename, in verband met uw eerste jaren van lidmaatschap, zodat u kunt nagaan welke voorzorgen er misschien nodig zijn in het geval van deze aanvrager.

Ikzelf zou nooit een aanvraag accepteren van een belangstellende die in een opwelling van enthousiasme of emotionele vervoering wordt ingediend. Als ik u was zou ik hem willen aanraden even te wachten, erover na te denken, zodat hij beter op de hoogte raakt van wat het betekent om lid te worden – niet om hem de stuipen op het lijf te jagen, maar om hem eerlijk en begripvol te vertellen wat het betekent om lid te worden van deze organisatie die de zaak van universele broederschap serieus neemt. Zeg hem eenvoudig dat het lid worden een grote verantwoordelijkheid met zich meebrengt – en vergeet niet dat met iedereen op een andere manier moet worden gesproken. Maak hem duidelijk dat hij geen verantwoording schuldig is aan u als lid, noch aan de branch-voorzitter; en ook niet aan de nationaal-secretaris of aan de leader, maar aan zichzelf en aan niemand anders. Zijn toetreden tot de gelederen van de Society betekent slechts één ding, of hij dit beseft of niet, of dat u dit beseft of niet. Als hij eerlijk is dan zoekt hij naar meer waarheid. Als hij ernstig naar meer waarheid zoekt, doet hij dit om een of twee redenen en wij kunnen dit niet beoordelen. Hij doet het om persoonlijk voordeel, of om zijn eigen karakter te verbeteren. Dit kunnen wij niet weten, maar in de meeste gevallen zijn de mensen die op een natuurlijke manier tot ons komen oude zielen, die hun thuis beginnen te vinden. Als we hen de werkelijke waarheid over ons werk vertellen, zal het hen helpen nog vlugger te zien dat ze hun spirituele thuis werkelijk hebben gevonden. Zij die niet oprecht zijn en niet zoeken naar een gelegenheid om hun karakter te verbeteren zodat ze van meer nut voor hun medemensen zullen worden, besluiten misschien na enige tijd om niet te komen. In die richting hoeven we geen actie te ondernemen.

Wanneer ik thuis ben, wil ik nog eens nagaan of alle aanvragen in alle nationale afdelingen uniform zijn en of op de achterkant van de aanvraag enkele vragen worden gesteld. Dit zal automatisch enige achtergrondinformatie geven, niet alleen aan u, bij wie de kandidaat de aanvraag indient, maar ook aan de branch-voorzitter, de nationaal-secretaris en dan aan de leader. Dit alles zal het samenwerkingsverband nog meer versterken.

Wat betreft de inwijdingsceremonieën: u moet me een beetje tijd gunnen om te kunnen doen wat ik in dit verband hoop te doen. In het algemeen kan ik dit zeggen: ik begrijp dat veel van de nationale afdelingen de bestaande inwijdingsceremonie niet gebruiken. In feite hebben sommige afdelingen nooit geweten dat er zoiets bestond. Ik heb hierover veel nagedacht. Ik denk dat u allemaal nu wel weet dat ik niet veel belangstelling heb voor formaliteiten of vormen of ceremonieën. Indien er echter vraag blijkt te zijn naar een inwijdingsceremonie – ik houd er niet van ze zo te noemen – naar een inhuldigingsplechtigheid of een inhuldigingsprocedure, dan zal ik er een schrijven die voor deze tijd geschikt is. En als de goden goedgezind zijn, zal deze heel eenvoudig zijn. Er zal een opdracht in staan van de leader, maar die opdracht is niet voor het nieuwe lid. Die opdracht is uitsluitend voor de oude leden, en wijst ze op hun verantwoordelijkheid dat ze in feite een pasgeboren kind in hun midden hebben. Beantwoordt dit uw vraag, meneer Van Aller?

Van Aller: Dank u zeer.

Verschillende leden uit Leeuwarden en omgeving gingen weg om 18.15 uur.

Ab Bonset: Over de vraag die zojuist werd gesteld wil ik het volgende zeggen: ik had vandaag het genoegen drie nieuwe lidmaatschapskaarten van Kirby te ontvangen, en ik neem aan dat de vraag die broeder Van Aller stelde een van deze lidmaatschapskaarten betreft die hij binnen enkele dagen zal ontvangen. Dus ik denk dat hij graag wil weten of hij dat lid nu moet inwijden of niet, en ik denk dat hij het antwoord daarop heeft gekregen.

JAL: Ik ga u niet vertellen of u een lid moet inwijden of niet. Dat moeten de branch en u beslissen. Indien u het wenselijk acht, kunt u doorgaan de inwijdingsceremonie te gebruiken. Indien u ervan wilt gebruikmaken, heb ik daartegen geen bezwaar. Ik heb u laten weten dat de vorm zal verdwijnen en de geest van het theosofische leven en werk is binnengekomen. Wanneer die binnenkomt, hoeven we ons geen zorgen te maken over de vorm. Iedere formaliteit of iedere vorm die we ontwikkelen of gebruiken kan op deze manier door ons worden getoetst: versterkt en verruimt hij de geest achter wat we doen, of verzwakt hij deze? Alles wat de gedachten en het bewustzijn van de leden in nauwere banen voert, is niet bevorderlijk. Als de vorm de aandacht op de letter van de wet vestigt in plaats van op de geest ervan, dan werkt hij uiteindelijk belemmerend; terwijl alles dat onze aandacht naar de geest van de wet toetrekt, nuttig is. Deze gedachte is al door de eeuwen heen tot uitdrukking gebracht in christelijke geschriften en in andere heilige geschriften: De letter doodt, maar de geest bezielt en schenkt leven.

Elizabeth Hoogervorst: Ik sprak zojuist met de vraagsteller erover of de branch kan beoordelen of een nieuw lid moet worden ingewijd of niet, of dat een nieuw lid zelf zou kunnen vragen om te worden ingewijd of niet. Wat zou het beste zijn?

JAL: Zolang u de inwijdingsceremonie gebruikt en de belangstellende ervan weet, zie ik geen enkele reden waarom u hem niet eenvoudig de feiten kunt voorleggen. Leg hem uit dat we in het verleden nieuwe leden hebben ingewijd met een inwijdingsceremonie, maar dat het geheel aan hem is of hij dat wil meemaken of niet. Ik zou tegen hem zeggen dat er bepaalde vragen worden gesteld en indien hij de ceremonie wil meemaken, zou ik hem zeker eerst op de hoogte stellen van de vragen, zodat hij niet in verlegenheid wordt gebracht om voor de branch op te staan wanneer die vragen plotseling aan hem worden gesteld. Ik zou hem de vragen van tevoren willen meedelen, zodat hij rustig erover kan nadenken en als hij de ceremonie wil meemaken dan is dat goed. Maar als hij beslist dat hij de voorkeur eraan geeft de inwijdingsceremonie niet mee te maken, is dat ook goed. Hij is een volledig lid met of zonder de ceremonie. Het is van belang dit laatste te onthouden.

Mw. Hoogervorst: Dank u zeer. Ja, de vraag is beantwoord.

Niemeijer: Er is nog een ander punt; het gaat over de openbare bijeenkomsten. Eerst hoorde ik dat het niet nodig is om die te houden; daarna hoorde ik ook het tegenovergestelde. Vandaag heb ik veel mooie woorden en gedachten gehoord, en ik denk dat als we iemand die zoekende is willen vinden, we hem misschien op een openbare bijeenkomst kunnen ontmoeten. Is dat juist?

JAL: Wilt u dat ik daarover wat zeg? Er is geen vast beleid, geen vast plan, geen vaste methode bij de uitvoering van welk theosofisch werk ook. Wat voor de ene loge van toepassing is, geldt misschien helemaal niet voor een andere loge. Zoals elke grashalm anders is, evenzo is ieder mens anders, elke theosoof is anders, en zo moet dus ook elke branch haar eigen svabhava hebben. Ik zou u niet kunnen zeggen of u openbare bijeenkomsten moet houden of niet tenzij ik uw plaatselijke omstandigheden ken en alle bijzonderheden die daarmee samenhangen. Als ik van deze op de hoogte ben, zou ik daarover misschien een idee hebben. Maar nogmaals, indien we onszelf zover kunnen krijgen dat we de aanwijzingen van het zich ontvouwende karma aanvoelen, dan zullen we geen enkele twijfel hebben over wat het beste is om te doen en hoe het te doen. Dat kost tijd en we bereiken dit niet in één dag.

Tijdens mijn reis waren er enkele loges die ik bezocht waar ik de voortzetting en uitbreiding van hun openbare werk aanmoedigde; er waren andere waar ik er beslist op aandrong ze onmiddellijk stop te zetten. In het eerste geval was er harmonie in de loge; in het tweede geval niet. We kunnen niet verwachten dat we het publiek iets anders tonen dan wat we in ons hart dragen. In beide gevallen moeten we dus voorzichtig te werk gaan.

Ik heb geen kritiek op openbare lezingen en openbaar werk. Ik denk dat we het in een of andere vorm nodig hebben. Maar of het de vorm zou moeten aannemen van regelmatige openbare lezingen, of dat men mensen zou moeten aantrekken door middel van studiegroepen of branch-bijeenkomsten, of dat we alles van het persoonlijke contact moeten laten afhangen, hangt volledig af van de omstandigheden in een bepaald gebied. Het hangt echter het meeste af van het voorbeeld dat we van ons leven maken, want elk van de genoemde methoden is op zich goed. We moeten uitmaken wat de beste is voor onze omgeving. Nu eens zou dat de ene methode kunnen zijn, dan weer zou iets heel anders nodig kunnen zijn. We moeten flexibel zijn.

Natuurlijk hebben we ook altijd de literatuur nog, zodat we proefondervindelijk zullen moeten ontdekken wat voor ons het beste is, en we moeten flexibel blijven: bereid om te veranderen wanneer blijkt dat verandering nodig is. Laat ik het eenvoudigweg zo samenvatten: ik ben niet tegen openbare lezingen en toch ben ik er tegen. Het hangt ervan af. Het belangrijkste is dat als een branch openbaar werk doet, dit innerlijk zo harmonisch mogelijk moet zijn. Als het innerlijk goed zit, dan zal ons openbare werk de juiste gevolgen hebben, ongeacht of we enkele blunders of fouten bij onze methoden maken. De geest zal voortduren. Kunt u hier iets mee?

Niemeijer: Ja, dank u.

George Lindemans: Dit brengt ons op het onderwerp van de literatuur. Sinds de tijd van kolonel Conger hebben we gehoord dat er veel nadruk wordt gelegd op het geven van onze literatuur aan de wereld. Dit is in ons land een groot probleem. Aangezien het enorm veel geld kost, zou ik graag willen weten waarop volgens u het beste de nadruk kan worden gelegd bij het uitgeven van literatuur in ons land?

JAL: Dank je George. Fred en ik en enkele anderen hebben dit punt al besproken en je kunt er zeker van zijn dat het me al heel, heel lang heeft beziggehouden, omdat er zoveel problemen mee samenhangen – de distributie en de invoerrechten en vele andere dingen. Maar ik wil dat u allemaal weet dat we ons bewust zijn van de problemen in Nederland, in Duitsland, in Zweden en in Engeland. In Australië zijn we al begonnen, in Duitsland beginnen we zodra men ons de invoer toestaat, met het oprichten van agentschappen van Theosophical University Press, beheerd door de leden van de respectieve landen, maar het eigendom en de investering zal liggen bij Theosophical University Press in Pasadena.

Wat de situatie van de literatuur als geheel betreft: in alle landen van Europa die ik heb bezocht, heb ik bepaalde dingen opgemerkt, en ik ben me bewust van de noodzaak van een reorganisatie, zodat onze tijdschriften, enz., beter zullen worden gecoördineerd, opdat wij op het Hoofdkwartier de nationale afdelingen beter kunnen helpen, en deze op hun beurt beter in staat zijn ons te helpen, zodat zowel de tijdschriften van het Hoofdkwartier als die van de nationale afdelingen betere instrumenten voor ons werk worden. Is daarmee je vraag enigszins beantwoord?

George Lindemans: Ja, ik vermoed dat we in de naaste toekomst van u en het Hoofdkwartier hierover nog veel meer zullen horen.

JAL: Ja, wat betreft de tijdschriften. Wat betreft de boeken kan ik niet veel meer zeggen dan dat wat je gezegd hebt over kolonel Conger precies mijn gedachten weergeeft, alleen misschien heb ik ze zo mogelijk nog sterker. Ik was steeds bij hem toen deze gedachten en ideeën werden ontwikkeld, en ik weet en hij maakte ons duidelijk wat hij hoopte dat in de verre toekomst zou gebeuren. Het is een enorme taak waarop ik nu niet verder kan ingaan, maar er is geen twijfel mogelijk dat onze grootste aantrekkingskracht, datgene wat de meeste mensen tot de theosofie zal aantrekken – niet noodzakelijk leden tot de Society, maar de meeste mensen aan het denken zal zetten over theosofie – onze publicaties zal zijn. Bijvoorbeeld: de verkoop van onze boeken is nu vergeleken bij acht of tien jaar geleden ongeveer als volgt: nu vindt 85% van de verkoop plaats via de boekhandel en aan bibliotheken, en 15% aan de leden, terwijl 10 jaar terug precies het omgekeerde het geval was. En de leden besteden meer dan in die tijd. We proberen te bereiken dat het aantal verkopen via de boekhandel zal stijgen zodat onze literatuur in handen komt van het grote publiek. Of zij leden worden of niet is bijzaak. We moeten onze taak volbrengen en onze leringen beschikbaar maken. De rest kunnen we rustig aan de wet overlaten.

G. Lindemans: Mag ik nog een vraag stellen? Ik heb de indruk dat de situatie in ons land niet hetzelfde is als in Amerika. De verkoop aan het grote publiek is hier beperkt. Ik denk dat we moeten doen wat we kunnen om deze situatie te veranderen. Maar ik zou graag enige suggesties krijgen over de manier waarop we die verandering tot stand kunnen brengen.

JAL: George, ik zal heel eerlijk tegen je zijn. Ik denk niet dat je veel eraan kunt doen, omdat het dagelijkse karmische draaiboek nog niet heeft aangegeven dat de tijd daarvoor rijp is. Onze grote taak is op dit moment de boeken in de bibliotheken te krijgen. Nederland heeft een groot Engels sprekend en Engels lezend publiek. Helaas hebben we niet alle vertalingen die we graag zouden hebben. Probeer echter wat u heeft vertaald in zoveel mogelijk bibliotheken te krijgen – hoe meer hoe beter. Daardoor begint de vraag ernaar te groeien en wanneer het publiek voldoende wakker is geschud, dan zal de boekhandel geïnteresseerd raken en theosofische boeken in voorraad willen hebben. Kolonel Conger maakte dit volkomen duidelijk en wij werken zelf op die manier. En ik zal proberen u te helpen hier in Nederland ook op die manier te werken.

Vlak vóór ik op reis ging kwamen de loges van Los Angeles bij elkaar, en het lid dat de verantwoordelijkheid had gekregen om boeken te plaatsen in de centrale bibliotheek was erin geslaagd in de Openbare Bibliotheek van Los Angeles een bestelling te plaatsen ter waarde van $475, waarvoor de loges zouden betalen – overigens niet op basis van de verkoopprijs maar $475 op basis van 40% korting. Dat is een van de bemoedigende tekenen van deze tijd. Veel loges hebben op kleinere schaal hetzelfde gedaan, eerst in hun eigen steden, en daarna in hun omgeving. Ik bedoel niet dat u nu hieraan heel veel geld moet gaan uitgeven. Maar ik zou proberen zoveel boeken als er maar vertaald zijn, geplaatst te krijgen in zoveel mogelijk bibliotheken in Nederland, want dat is uiteindelijk de meest zekere weg om de belangstelling van het publiek te wekken.

G. Lindemans: Nu heb ik een andere vraag. Hier in Nederland geven we in veel gevallen heel veel geld uit aan openbare bijeenkomsten. Denkt u dat het een goed idee is om het bedrag dat op deze manier wordt besteed te verminderen om het te kunnen gebruiken bij onze inspanningen onze vertaalde boeken in de bibliotheken te krijgen?

JAL: Het spijt me, George, maar het is niet aan mij om deze vraag te beantwoorden. Dat is iets wat de branches zelf moeten beslissen in overleg met de nationaal-secretaris en de werkcommissie. Ik zou beslist niet een loge willen dwingen of op enige manier druk willen uitoefenen om hun inspanningen voor openbare lezingen te verplaatsen naar het plaatsen van boeken in bibliotheken. Als een loge of branch bij de nationaal-secretaris komt en wil praten om te kijken welke werkwijze het best kan worden gevolgd, en daarbij alle betreffende omstandigheden aan hem en zijn commissie voorlegt, dan weet ik zeker dat de juiste weg in elk specifiek geval op volkomen natuurlijke manier zal blijken.

Mw. Groot-Mellema: Ik zou graag iets meer horen over het bestaan van meer dan één loge in één plaats. Verwacht u van ons dat we alle loges verenigen tot een grote loge of branch?

JAL: Ook dit is volledig afhankelijk van de omstandigheden in elke stad afzonderlijk. Indien we in gedachten houden wat ik vanmiddag duidelijk naar voren probeerde te brengen, namelijk dat het op de geest van de zaak aankomt, dan zullen we in staat zijn om over al deze dingen te beslissen. We moeten proefondervindelijk ervaren hoe het gaat. Wat betreft Amsterdam of elke andere stad, moeten we de plaatselijke situatie bestuderen en dan bekijken of het beter is om met afzonderlijke loges door te gaan, of dat het beter is deze te verenigen in één grote branch, met verschillende studiegroepen op meerdere plaatsen in de stad. Ik stel voor dat u deze dingen met uw nationaal-secretaris en zijn werkcommissie bespreekt, want dit is een samenwerkingsverband. Bespreek alle facetten openlijk, geef alle feiten, en dan zult u volgens mij in staat zijn om te besluiten wat u in elk specifiek geval moet doen. Wanneer u zo’n beslissing heeft genomen, en een aanbeveling heeft uitgewerkt, dan zou ik graag ervan op de hoogte worden gesteld vóór ze feitelijk wordt uitgevoerd, zodat als het voor mij mogelijk is om mee te helpen de juiste beschermende maatregelen te nemen wanneer ze wordt gerealiseerd, ik graag het voorrecht heb om met dat aspect mee te helpen. Maar, ik herhaal dat er geen vaste regel of vast beleid is dat er slechts één loge of branch in elke stad zou moeten zijn. Dat is een ideaal waarop we kunnen hopen. Maar als het hart van de leden in de verschillende branches of loges er niet rijp of gereed voor is, zal de poging niet slagen, zelfs als de leader naar die stad toeging en de leden vertelde dat ze zus en zo moesten doen. Het zou nog steeds niet werken indien het hart van de leden er niet rijp voor zou zijn. Helpt u dat een beetje om de gedachte te begrijpen?

Mw. Groot-Mellema: Ja, dank u zeer.

A.E. Wichers Wierdsma: Ik zou willen weten wat we moeten doen met de leden die door hun periode van beproeving heengaan, die op de proef worden gesteld, omdat ze hebben gereageerd op de brief van Hartley, die zegt dat hij de opvolger is? Dat maakt het moeilijk.

JAL: Ik zie hier helemaal geen probleem. U heeft uw leden die in deze nieuwe cyclus willen werken voor de theosofie. Er is helemaal niets wat u kan tegenhouden een voorzitter te hebben, door te gaan met uw bijeenkomsten, zelfs als het alleen maar studiegroepen zijn. Ik zou me zeker niet bezighouden met die leden die een ander pad hebben gekozen, tot ze bij u komen om hulp. Ga door met uw theosofische werk in uw kleine branch in Arnhem, bewaar de juiste houding in uw hart en geest, en u zult worden geholpen.

Vraagsteller (ook uit Arnhem): Zou het goed zijn ons openbare werk te verenigen met de branch in Ede?

JAL: Dat zou prachtig zijn.

Mej. Wichers Wierdsma: De ene maand de openbare bijeenkomst in Arnhem, de andere in Ede, vanwege de onkosten?

JAL: Als u het unaniem eens bent, doe dan wat u denkt dat het beste is. Zolang u in uw hart de juiste houding heeft voor het werk, zal het goed zijn.

Het wordt wat laat voor iedereen. Ik heb beloofd tot 21.00 uur te blijven als u dat zou wensen en dat zal ik ook doen als er nog enkele belangrijke onbeantwoorde vragen zijn. Als ze er zijn, stelt u ze dan nu.

Ik zie geen opgestoken hand meer, daarom wil ik ter afsluiting nog enkele woorden tegen u zeggen. Dit zal mijn laatste bijeenkomst in Nederland zijn met de leden. Morgenavond is er een openbare lezing, maar ik beschouw die niet als een officiële handeling. Het is geen ledenbijeenkomst.

Mijn officiële plichten in Nederland begonnen hier in Utrecht en het is voor mij niet zonder betekenis dat ik ze op deze reis hier beëindig. U die hier vanmiddag aanwezig bent en het werkelijke hart van het werk in Nederland vertegenwoordigt, heeft mij en de Loge duidelijk laten zien dat u de geest van de nieuwe cyclus heeft begrepen en dat u de theosofie boven alles in uw leven stelt. Met deze geest en houding voel ik dat Nederland al een verdedigingsmuur heeft opgericht die sterk genoeg is om in de lage landen het tij van de duisternis langer tegen te houden dan we hadden mogen verwachten als u niet allemaal precies dat had gedaan wat u vandaag doet. En wat is dat? Zoals ik het zie, heeft u erkend – niet mij als leader – maar erkend en begrepen wat het werkelijke teken van onze tijd is. U heeft dit in uw hart gesloten en bent vastberaden uw deel bij te dragen aan het samenwerkingsverband dat uitgaat boven een samenwerkingsverband met de leader, en dat in wezen een samenwerkingsverband met de meesters is. We kunnen samen doorgaan met werken en deze verdedigingsmuur opbouwen in de hoop dat hij dat tij voorgoed zal keren, en op die manier niet alleen aan de vooruitgang van de beschaving zelf een belangrijk deel bijdragen, maar ook aan het versterken van de Loge en haar karmische mogelijkheden voor de grote tijdperken van de toekomst. Ik meen dit serieus.

Ik kijk ernaar uit om hier weer terug te komen en te horen wat u me zult vertellen over wat er heeft plaatsgevonden nu er een groep sterke harten voor de theosofie samenkomt en onpersoonlijk voor de zaak van de meesters werkt.

Ik dank u voor alles wat u van uzelf aan mij en mijn staf heeft gegeven tijdens ons verblijf in Nederland. We waarderen dit erg. Het is een mooie tijd geweest. Ik zou zeggen ‘tot ziens’, tot we elkaar weer ontmoeten.

De bijeenkomst werd om 19.30 uur gesloten.


James A. Long – Tourverslagen 1951

Theosophical University Press Agency online editie

© 2008 Theosophical University Press Agency. Online-editie, isbn 978-90-70328-64-1.