Inhoudsopgave 
Aanhangsel
Notulen van de Kabinetsvergadering
Gehouden in het huis van de overleden leader
Pasadena, 23 februari 1951
In overeenstemming met het beleid van kolonel Conger om de feiten
over de TS in eenvoudige bewoordingen aan de leden voor te leggen,
wensen we u in kennis te stellen van het volgende woordelijke verslag
van de Kabinetsvergadering op 23 februari. We betreuren diep dat we
dit verslag aan het bericht van het overlijden van de leader moeten
toevoegen. Het Kabinet is echter van mening dat het werk en de bescherming
van de Society, die onze overleden leader altijd vooropstelde, ongeacht
persoonlijke gevoelens en gebruiken, zijn eerste verantwoordelijkheid
is.
Om 15.00 uur riep de voorzitter van het Kabinet, Mw. Lolita W. Hart,
het Kabinet opnieuw in open zitting bijeen, waarbij de volgende mensen
aanwezig waren:
Lolita W. Hart, voorzitter
Kirby Van Mater
Grace Frances Knoche
A. Studley Hart
Marion O. French
James A. Long
Lawrence Merkel
Martha R. Conger
Hazel Minot – buiten de kamer bezig met een andere taak
George Simpson, een lid van de Raad van Ouderen
De Kabinetsleden die niet aan het hoofdkwartier woonden, kolonel
J.G. Crabbendam uit Nederland, Mw. Harry Benjamin uit Engeland en
John L. Toomey uit York, Pa., waren afwezig.
Mw. Hart: We zijn bijeen om het feit te bespreken dat dhr.
Hartley een document aan ons wil voorleggen, en het Kabinet moet beslissen
of het hem zal toestaan een of meer getuigen mee te brengen omdat dit
tot de bevoegdheden van het Kabinet behoort. De bijeenkomst is nu geopend
en iedereen kan over dit punt iets zeggen als men dat wil.
Dhr. Hart: Het lijkt me dat we daarover kunnen stemmen nadat
dhr. Hartley zijn verzoek aan ons heeft gericht.
Mw. Hart: Dat is iets waarover de groep zal moeten beslissen.
Dhr. Van Mater: Ik geef zelf de voorkeur eraan dat hij geen
getuige meebrengt, omdat ik denk dat dit nergens toe bijdraagt, en misschien
tegenstrijdige elementen met zich meebrengt, die we niet bij de zaak
willen betrekken.
Kolonel French: Voordat ik een mening uitspreek, zou ik het
erg op prijs stellen een kopie te zien van dit document dat hij wil
aanbieden. Ik heb begrepen dat er hier een is. Ik zou het persoonlijk
willen doorlezen.
Mw. Hart: Ik denk dat we dit zouden kunnen doen.
[Op dat moment haalde dhr. Long de kopie van het document uit zijn
zak en overhandigde het aan kolonel French. De kopie van dit document
luidt als volgt]:
Internationaal Theosofisch Hoofdkwartier
Covina, Californië
27 maart 1946
L.S.,
Ik benoem hiermee als mijn opvolger en als leader van de Theosophical
Society om mij na mijn dood op te volgen: William Hartley.
(getekend) Arthur L. Conger.
Getekend in onze tegenwoordigheid.
Stanley Zurek
Hazel Pool
ALC/sz
Dhr. Simpson: Het lijkt me dat iemand die komt met zo’n
aanspraak als die van dhr. Hartley geen enkele getuige nodig heeft,
omdat dit een benoeming is van onze overleden leader. Ik heb dus niet
de indruk dat hij zich op iets anders hoeft te beroepen.
Mw. Knoche: Ik stel voor dat we alleen dhr. Hartley ontvangen.
Dhr. Merkel: Ik steun het voorstel.
Kolonel French: Ik zou graag willen horen wat hij te zeggen
heeft voordat ik persoonlijk mijn stem uitbreng over of hij wel of niet
een getuige moet hebben. Ik zou willen horen wat hij te zeggen heeft.
Dhr. Hart: Ik ben het met Kolonel French eens.
Dhr. Van Mater: Ik stel voor dat het voorstel komt te vervallen
omdat het niet unaniem is.
Dhr. Long: Ik zou graag deze gedachte willen voorleggen, dat
het Kabinet op geen enkele wijze in actie komt totdat ik een gelegenheid
heb gehad om mijn opdracht te vervullen, of er nu wel of geen getuige
komt. Voordat dit document door dhr. Hartley aan het Kabinet wordt aangeboden,
moet ik bepaalde verantwoordelijkheden nakomen.
Dit document, kolonel French, werd, om u de achtergrond ervan te geven,
in 1946 gemaakt. Het origineel werd aan dhr. Hartley gegeven om het
in zijn kluis te leggen en onder zijn hoede te houden, tot de dood van
de leader. Een kopie ervan werd in die tijd aan Mw. Franklin gegeven
om te worden bewaard tot de dood van de leader. Toen ik in 1946 uit
Washington vertrok voor een van mijn reizen naar Covina, vertelde de
leader me precies wat hij had gedaan, wat het betekende en wat de verantwoordelijkheden
van dhr. Hartley waren, en welke taak ik daarbij had te vervullen. Sindsdien
heeft de kolonel het document met mij besproken, en ik heb daarover
bepaalde instructies gekregen, zodat het document niet tot de verantwoordelijkheid
van het Kabinet behoort vóór het formeel aan het Kabinet
is voorgelegd. Mijn verantwoordelijkheden gaan hieraan vooraf.
Gisteren heb ik geprobeerd deze verantwoordelijkheden na te komen,
en dhr. Hartley zei in tegenwoordigheid van Studley dat het document
niet in zijn bezit was. Het lag zelfs niet in zijn eigen kluis bij de
bank. Het lag in de kluis van iemand anders. Dhr. Hartley stemde erin
toe het document vanochtend te halen, omdat de banken gisteren (de 22ste)
gesloten waren, en het naar de open zitting van het Kabinet mee te brengen.
Maar ik heb bepaalde verantwoordelijkheden ten aanzien van het document
vóór het officieel aan het Kabinet wordt gepresenteerd.
De eerste verantwoordelijkheid kan ik slechts omschrijven als verificatie
met dit. [Dhr. Long haalde daarop de eerdergenoemde kopie uit zijn zak.]
Dit is een echte kopie. Er mag geen fotokopie of gecertificeerde kopie
aan het Kabinet worden voorgelegd. Het moet het origineel zijn met de
handtekening van de kolonel erop. Dat is de eerste plicht en de enige
waarover ik op dit moment kan spreken.
Mw. Hart: Stel dat hij zou weigeren het aan u te geven? Ik
zou dan kunnen weigeren daarmee genoegen te nemen. Dan zou het Kabinet
er niets mee te maken hebben tenzij hij bereid is het aan u te geven.
Dhr. Long: Dat is juist.
Dhr. Van Mater: Ik ben niet zo op de hoogte van deze notulen
en hoe ze zich tot ons zullen verhouden, maar er werd hier een voorstel
ingediend. Ik zou graag zien dat het in behandeling werd genomen.
Dhr. Long: Mag ik in dit verband iets zeggen? Ik zie het niet
als een voorstel. Wat dhr. Hartley te zeggen heeft, heeft helemaal niets
te maken met getuigen. De bevoegdheid om daarover te beslissen ligt
volledig bij het Kabinet, en niet bij dhr. Hartley. Alleen dhr. Hartley
draagt de verantwoordelijkheid in verband met dit document. Niemand
anders. Andere mensen weten ervan, wat niet het geval had mogen zijn.
Hij alleen heeft de verantwoordelijkheid en niemand anders: en hij heeft
ons verteld dat het uit zijn kluis naar de bank was gebracht, en opnieuw
was overgebracht van zijn zogenaamde bankkluis naar de kluis van iemand
anders en hij dus niet meer de beschikkingsbevoegdheid erover heeft.
De leader wist dit allemaal, was van de zaak op de hoogte en vertelde
het me.
Kolonel French: Hij gaf dus het beheer ervan uit handen en
liet andere mensen de verantwoordelijkheid ervoor dragen.
Mw. Hart: Dhr. Long weet meer over deze zaak en daarom is
hij degene die haar behandelt. Lijkt het u, met het oog op wat dhr.
Long heeft gezegd, niet juist dat we ermee instemmen dat dhr. Hartley
geen getuigen mag meenemen? Gaat u ermee akkoord dit te wijzigen?
Dhr. Long: Ik vertelde dhr. Hartley dat niemand anders hiervoor
de verantwoordelijkheid heeft. Dhr. Hartley zei daarop: ‘Iemand
anders heeft hier belang bij.’ Ik zei, ‘Er zijn misschien
verschillende mensen die er belang bij hebben, maar u alleen heeft de
verantwoordelijkheid, zoals ik de mijne heb.’
Mw. Hart: Vindt u dat dhr. Long het op zijn manier moet afhandelen?
Als dhr. Long dus op zijn manier moet bepalen of dhr. Hartley met of
zonder een getuige zal verschijnen en als dhr. Long bereid is die verantwoordelijkheid
op zich te nemen, ga ik met beide mogelijkheden akkoord. Maar vóór
we hierover stemmen, zou ik graag zien dat of dhr. Long of dhr. Hartley
zelf formeel het verzoek daartoe indient. Denkt u niet dat het het beste
is om dhr. Hartley te laten binnenkomen?
Dhr. Long: Ik doe dit verzoek.
Mw. Hart: Zullen we stemmen?
Kolonel French: Laten we daarmee nog even wachten. Dhr. Long
is nauwer bij deze feiten betrokken geweest dan iemand anders, en persoonlijk
ben ik geneigd met zijn voorstel in te stemmen, omdat ik er zeker van
ben dat hij zich van zijn verantwoordelijkheid bewust is wanneer hij
zo’n voorstel doet.
Mw. Hart: Dank u, kolonel French. Stemt iedereen ermee in
dat er geen getuigen worden toegelaten? [De aanwezige leden zeggen allemaal:
‘Ja’] Iemand tegen? [Stilte] Het is unaniem aangenomen.
Kunnen we nu dhr. Hartley laten binnenkomen?
[Dhr. Van Mater stond op en ging naar de bibliotheek waar Mw. Minot
dienst had en dhr. Hartley en zijn twee getuigen, Mw. LeRoy T. Steward
en Philip A. Malpas waren.]
Dhr. Van Mater [alleen terugkomend]: Dhr. Hartley zegt dat
hij zonder deze twee getuigen niet binnenkomt. Hij zegt: ‘Er zal
geen bijeenkomst zijn’, d.w.z. hij zegt dat hij weigert alleen
binnen te komen.
Mw. Hart: Goed, wat zullen we doen?
Dhr. Long: Laat ze binnenkomen.
Mw. Hart: Gaat iedereen akkoord? [De instemming is unaniem]
[Om 15:25 uur komt dhr. Hartley binnen, gevolgd door Mw. Steward
en dhr. Malpas. Terwijl hij de twee treden afgaat die naar de kamer
leiden waar het Kabinet bijeen was, zei dhr. Hartley, die een grote
manilla envelop dicht tegen zich aandrukte, voordat hij ging zitten:
‘Mevrouw de voorzitter, ik breng twee getuigen mee. Ze moeten
uw toestemming hebben.’]
Mw. Hart: Ja, ze hebben onze toestemming.
[Dhr. Hartley ging daarna de treden af, gevolgd door Mw. Steward
en dhr. Malpas.]
Dhr. Hartley [staande]: Mevrouw de voorzitter, u heeft namens
mij de leiding.
Mw. Hart: Meneer Hartley, het Kabinet kan niets doen vóór
dhr. Long het document heeft geverifieerd.
Dhr. Hartley [nog steeds staande]: Er is geen Kabinet, u bent
alleen maar staf van medewerkers.
Mw. Hart: Wilt u niet gaan zitten, meneer Hartley?
Dhr. Hartley [kijkt naar dhr. Long terwijl hij gaat zitten]:
Ik aanvaard niets van dhr. Long voordat u me uw volmacht laat zien.
Vanochtend beledigde dhr. Long me opzettelijk. Hij probeerde me te hypnotiseren.
Dhr. Long: Ik heb mijn volmacht hier in mijn hand. U heeft
me niets laten zien. Er is geen meningsverschil. Wanneer u de uwe laat
zien, zal ik die van mij laten zien.
Mw. Hart: Vertel alles wat u te zeggen heeft, dhr. Long zal
daarop wachten, en dhr. Long zal dan vertellen wat hij te zeggen heeft.
U zegt dat hij u zijn volmacht moet tonen. Wel, dhr. Long zegt dat hij
de uwe wenst te zien. U ziet dat het wederzijds is. Hij wenst de ondertekening
te verifiëren.
Dhr. Hartley: Het document dat ik bij me heb is mijn bewijs.
Dhr. Long: U moet het document laten zien. Dat was uw opdracht
van de leader.
Dhr. Hartley: Wat ik hier heb is voldoende bewijs. Ik geef
het niet uit handen. Ik zal het u voorlezen.
Dhr. Long: U kunt het voorlezen, maar het moet eerst worden
geverifieerd, en dan kunt u het voorlezen.
[Dhr. Hartley begint dan een fotokopie uit de grote manilla envelop
te halen maar dhr. Long die onmiddellijk zag dat het een fotokopie
was, zegt: ‘Nee, dat is het document niet’, en staat snel
uit zijn stoel op, gaat tegenover dhr. Hartley staan en als hij het
document wil pakken om het aan het hele Kabinet te laten zien, verfrommelt
dhr. Hartley in grote opwinding de envelop en het document in een
poging om ze buiten het bereik van dhr. Long te houden en steekt ze
in zijn zak. Dhr. Long aarzelde niet om te proberen het zogenaamde
document in handen te krijgen om ervan verzekerd te zijn dat de leden
van het Kabinet die niet in de gelegenheid waren geweest de fotokopie
te zien, ervan getuige konden zijn dat het een fotokopie was en geen
origineel document. Dit leidde echter tot grote opwinding bij dhr.
Hartley en dhr. Long. Dhr. Hartley pakte daarop dhr. Long beet en
duwde hem een eind achteruit in zijn stoel. Op het moment dat dhr.
Hartley dhr. Long beetpakte, stond dhr. Merkel op om hem te verdedigen
en probeerde daarna dhr. Hartley te kalmeren die heel kwaad naar het
trapje was gerend. Ook dhr. Van Mater stond op uit zijn stoel. Ondertussen
was dhr. Malpas opgestaan en begon tegen dhr. Long te schreeuwen.
Het bovenstaande gebeurde binnen een paar seconden, waarop Studley
beval: ‘Het Kabinet is verdaagd.’ Kolonel French brak
daarop de spanning door in een vrolijk lachen uit te barsten. Studley
Hart stond op en sommeerde dhr. Malpas ‘naar zijn plaats terug
te keren, omdat getuigen geen deel hebben aan de vergadering’.
* * *
Iedereen keerde naar zijn plaats terug, behalve dhr. Hartley, die
nog enkele opmerkingen maakte, maar hij was te opgewonden om duidelijk
te kunnen spreken, zodat de Kabinetsleden hem niet konden verstaan.
Uiteindelijk ging dhr. Hartley zitten.]
Dhr. Hartley [terwijl hij naar dhr. Long kijkt]: Ik laat niets
zien vóór ik kolonel Congers handtekening heb gezien.
[Dhr. Long haalt dan zijn document tevoorschijn, vouwt het open en
laat kolonel Congers handtekening aan dhr. Hartley zien.]
Dhr. Hartley: Ik heb het origineel in mijn beheer. Dit is
een fotokopie die vanochtend is gemaakt. Indien hij hem had afgepakt
. . . het origineel kan worden getoond.
Dhr. Long: Dit is nu een zaak tussen u en de kolonel en mijzelf,
meneer Hartley, en u moet het origineel laten zien.
Dhr. Hartley: Ik heb het origineel. Dit is voldoende om te
laten zien dat het rechtsgeldig is.
Dhr. Long: Het is niet voldoende.
Mw. Hart: Meneer Hartley, het lijkt me dat we u moeten vragen
iets te laten zien. Dhr. Long heeft zijn volmacht getoond.
Dhr. Long: Ik heb geen enkele verantwoordelijkheid, mevrouw
de voorzitter, zolang het originele document niet aan het Kabinet is
voorgelegd. Mijn eerste verantwoordelijkheid is het te verifiëren
met de kopie die kolonel Conger tegelijkertijd had gemaakt en in zijn
persoonlijke kluis had gelegd om tot zijn dood te worden bewaard. Dat
is wat mij betreft alles wat ik te zeggen heb. En tenzij het originele
document aan deze vergadering, die de volle verantwoordelijkheid draagt
om de schakel onverbroken te houden, wordt voorgelegd, kan ik persoonlijk,
als lid van de TS of als lid van het Kabinet, iets anders dan dat niet
erkennen. Indien zijn opvolger hier aanwezig is, moet hij zijn aanspraak
bewijzen en als zodanig worden erkend. En wat betreft dhr. Hartley en
zijn huidige werkwijze om een fotokopie mee te brengen, die is niet
rechtsgeldig en wordt niet door de wet erkend. Dat weten we allemaal.
Indien dhr. Hartley naar voren komt met wat voor document hij ook heeft
en het – door de ware schakel die nu bestaat tot de opvolger zijn
taak op zich neemt – laat verifiëren in overeenstemming met
wat de leraar en meester aangaven, dan kunnen we daarna de zaak bespreken.
Maar zolang dit niet het geval is, heeft het Kabinet als schakel met
de Loge de heilige taak zijn opdracht te vervullen totdat zo’n
opvolger zijn taak op zich neemt. Dat is duidelijk. Dat staat in de
Constitutie. Er zijn geen uitzonderingen.
Mw. Hart: Ik denk dat we dit allemaal weten. Meneer Hartley,
waarop baseert u de gedachte dat het rechtsgeldig is om een fotokopie
mee te brengen?
[Dhr. Hartley begon met het papier te frommelen, terwijl Mw. Knoche
een boek dat achter haar lag pakte en het volgende van GdeP begon
voor te lezen:
‘Hoe denkt u dat een leraar zal verschijnen? Met trompetgeschal
en een fanfare, zwaaiend met documenten die zijn bekrachtigd door
notarissen, voorzien van rode en blauwe of zwarte zegels met opvallende
linten; of zou hij stilletjes uw hart binnendringen, en uw denken
door liefde en wijsheid veroveren? Laat uw hart hierop antwoorden.
Lach om de dwaasheid van hen die denken dat de opvolging van leraren
in onze heilige orde door papieren of geschreven documenten wordt
geregeld. Het gaat uitsluitend om de verdienste en de spirituele ontwikkeling
van iemand die wordt opgeroepen door de hartenkreet van hen die hongeren
naar waarheid en spiritueel leiderschap. Let op onze woorden, vrienden!
De kenmerken van het leiderschap liggen in de leader zelf en in zijn
werk; en zijn hoofd en hart vormen zijn getuigenis. Onthoud dit vrienden!’]
Mw. Hart: Wil iemand nog iets zeggen? Meneer Hartley, heeft
u nog iets te zeggen?
Dhr. Hartley: Ik heb niets te zeggen.
Dhr. Long: Wanneer bent u van plan het originele document
mee te brengen?
Dhr. Hartley [terwijl hij opstaat en het trapje opgaat]: Ik
neem geen opdrachten van dhr. Long aan. Wanneer dhr. Long bepaalde informatie
wenst, moet hij naar mijn kantoor komen en erom vragen, en zijn instructies
van mij in ontvangst nemen.
[Dhr. Hartley opende daarop de deur, gevolgd door Mw. Steward en
dhr. Malpas.]
Na het vertrek van dhr. Hartley en de twee getuigen kwam het Kabinet
eenstemmig overeen, dat de poging van dhr. Hartley om het ambt van leader
op zich te nemen, ongeldig was. Het Kabinet kwam verder eenstemmig overeen
dat er geen andere weg kan worden gevolgd dan in volledige eensgezindheid
van geest en denken de werkzaamheden van de TS voort te zetten, en dat
enige verdere aanspraken van dhr. Hartley het Kabinet niet aangaan.
Ondertekend door
Lolita W. Hart, voorzitter
Hazel S. Minot
Martha R. Conger
Lawrence Merkel
A. Studley Hart
Kirby Van Mater
Marion O. French
James A. Long
Grace Frances Knoche, waarnemende secretaresse
Notulen van de Kabinetsvergadering
Aan alle leden van de TS
27 februari 1951
Om 15.30 opende de voorzitter van het Kabinet, Mw. L.W. Hart, de
vergadering van het Kabinet in de woning van de overleden leader in
Pasadena. Alle op het hoofdkwartier wonende Kabinetsleden, met uitzondering
van Kolonel M.O. French, zijn aanwezig.
Mw. Hart: Zoals u ziet is er een enorme stapel post. Een gedeelte
ervan is Martha’s post die volgens haar voor het Kabinet bestemd
is. Alle brieven aan Martha bevatten reacties op het heengaan van de
leader en betuigden hun medeleven. Mijn post is in zekere zin interessant
omdat ze afkomstig is van mensen aan het hoofdkwartier.
Ik denk dat het afhandelen van binnenkomende post duidelijker moet
worden geregeld. Ik heb het gevoel dat ik heel wat achterstand heb weg
te werken en daarom heb ik een lijst gemaakt van alles wat is binnengekomen
en heb geprobeerd dit te sorteren. Ik zou graag deze namen leren kennen.
Ik heb het gevoel dat het onze plicht is, en ik denk dat alles dat met
de TS te maken heeft, niets uitgezonderd, tot de taak van het Kabinet
behoort. Ik heb het gevoel dat ik mijn plicht volledig zou verzuimen,
als ik niet zou weten wat er aan de hand is en de post niet zou inzien.
Ik steek mijn nek uit en krijg misschien met moeilijkheden te maken.
Om te beginnen zou ik graag alles wat binnenkomt willen inzien, en
niet dat het terechtkomt bij één persoon die beoordeelt
of wij het als een zaak voor het Kabinet moeten beschouwen en of het
belangrijk is of niet. Dit is alleen bedoeld om een goede indruk te
krijgen, om ons te verenigen. Als u even geduld heeft, zou ik graag
iets willen aanhalen dat Martha heeft gelezen: het was ‘trouw
zijn aan trouw’. In ons geval, denk ik, aan deze organisatie.
De gedachte was dat iedereen trouw zou moeten zijn aan de organisatie
waartoe hij behoort. Ik denk dat deze organisatie waartoe we behoren
heel belangrijk is. Wat ik natuurlijk in feite in gedachten heb is dat
onze trouw toekomt aan hen die achter ons staan, en we moeten deze organisatie
zo zuiver maken als we kunnen, zodat zij door ons heen zullen werken
en ons niet verlaten.
Kirby Van Mater: Wat mij betreft bent u en ieder ander volledig
vrij om de brieven die ik ontvang te lezen; in feite heeft ieder Kabinetslid
toegang tot al mijn post. Het is alleen maar zo dat ik in de positie
verkeer of op de plaats zit waar de post binnenkomt. Het is een zaak
waarover het Kabinet beslist.
Mw. Hart: Dat is goed. Ik herinner me de hele lange brieven
die u gewoonlijk ontving. Ik denk dat we allemaal moeten weten wat er
binnenkomt en dus zal ik alles wat ik hier heb op deze tafel leggen.
Ik denk dat het Kabinet er vrije inzage in moet hebben, en er is nu
natuurlijk niets dat verborgen gehouden moet worden en niet op die tafel
zou kunnen worden gelegd. Ik vind dat we dit moeten doen in het belang
van het Kabinet, en een lijst maken van de mensen die met ons als Kabinetsleden
contact hebben opgenomen.
Ik heb ook een lijst gemaakt van alle brieven aan Martha. Ik zou deze
willen bewaren om vertrouwd te raken met de namen. Een ander punt in
dit verband is dat ik het gevoel heb dat we de hele brief van dhr. Estcourt
zouden moeten horen. Toen ik hierover nadacht was ik daarover niet gerust,
zelfs al zou het hele Kabinet hem niet hebben willen horen. Ik heb het
gevoel dat een deel ervan belangrijk was. Grace is bereid deze voor
te lezen. Ik heb het gevoel dat het niet aan slechts een persoon moet
worden overgelaten. Als iemand de post wil doorkijken met Kirby en mij
. . .
Lawrence Merkel: Mag ik iets zeggen, mevrouw de voorzitter?
Ik ben het in principe volkomen met u eens: de enige uitzondering die
ik zou willen maken is heel eenvoudig en dat is dat elke brief die vanaf
nu binnenkomt, en geadresseerd is aan kolonel A.L. Conger, volgens mij
aan een kleine commissie moet worden gegeven, bestaande uit Martha en
Jim die de executeur is van de nalatenschap van de kolonel; alle andere
post moet volgens mij beslist worden behandeld volgens het principe
dat u heeft uiteengezet.
Mw. Hart: Ik heb deze brief die hier werd afgegeven en geadresseerd
was aan de kolonel, aan Martha gegeven, maar zij zei dat ze graag wilde
dat ik hem opende, en ik zal hem nu openmaken.
[Mw. Hart opende daarop een luchtpostbrief uit Helsinki, Finland,
en las een korte groet van de Finse leden voor, als dankbetuiging
aan de leader, op een bijeenkomst waarbij de voorzitter van de Scandinavische
Afdeling, Peter Flach, aanwezig was.]
Mw. Hart: Het is duidelijk dat dit een theosofische brief
is. Dat is wat ik bedoel. Deze hoort thuis in het Kabinet.
Dhr. Merkel: Men mag natuurlijk aannemen dat zaken zoals deze
bij het Kabinet terechtkomen. Waar ik op doel zijn brieven van persoonlijke
aard, die Martha en Jim zouden moeten behandelen.
Mw. A.L. Conger: Het is niet waarschijnlijk dat er veel mensen
uit de eigen kring van de kolonel zullen zijn, die nog niet op de hoogte
zijn van zijn overlijden. Ik denk dat er nog maar weinig persoonlijke
brieven zullen komen die aan de kolonel zijn gericht. Als het Kabinet
wil dat ik alles openmaak wat als zodanig binnenkomt, dan zou ik de
post daarna kunnen doorgeven. Als het een persoonlijke brief is, dan
zouden Jim of ik dat weten.
Mw. Hart: Bent u het ermee eens dat we moeten proberen om
deze groep zo hecht en onveranderlijk te maken als maar mogelijk is?
We weten allemaal wat er zich in de TS afspeelt omdat het Kabinet de
leader vertegenwoordigt, en het moet alle functies van de leader uitoefenen
tijdens het bestuur ervan, of het nu één dag, of twee
of drie dagen betreft. Dat is wat de constitutie zegt, en als iemand
zich niet nauw genoeg verbonden voelt als Kabinetslid om dat te doen,
dan werken we volgens mij als groep niet trouw samen.
Mw. Conger: Ik begrijp dat het goed is voor het Kabinet, voor
de secretaris-generaal, om een indruk van deze mensen te krijgen, of
u ze nu wel of niet kent. De brieven zijn voor iedereen, en ik heb ze
allemaal bewaard omdat ik wilde dat ze beschikbaar zouden zijn. Veel
van deze brieven heb ik aan verschillende mensen voorgelezen, maar niet
namens de TS. Maar ik begrijp dat het Kabinet erbij gebaat is wanneer
het een indruk krijgt van de brieven en wie er schuilt achter een naam,
zelfs al staat die slechts onder een betuiging van medeleven. Ik kan
dat begrijpen.
Mw. Hart: Ik moet iets bekennen omdat ik eerlijk wil zijn,
net zo goed als ik dat van anderen verwacht. Toen ik de brieven aan
de drie afwezige Kabinetsleden schreef, liet ik bij één
daarvan het volgende weg: ‘schrijf me als Kabinetslid of als persoonlijke
vriend’. Vanochtend om 4.00 uur schoot me plotseling te binnen
dat ik had nagelaten de zin te verwijderen en ik verzeker u dat het
een vergissing was en het spijt me dat deze brief zo werd verzonden.
Dit was niet mijn bedoeling en het kan gevolgen hebben. Het is dus een
vergissing en ik denk dat we allemaal geduld moeten hebben met elkaars
vergissingen.
James A. Long: Mag ik, nu deze zaken naar voren zijn gekomen,
mevrouw de voorzitter, ongeveer twee minuten het woord hebben, zodat
ik nog iets meer van de verantwoordelijkheid kan vervullen die mij werd
gegeven? In de eerste plaats denk ik dat het Kabinet in de verkeerde
veronderstelling verkeert. De nieuwe leader heeft dat ambt op zich genomen
toen hij voorkwam dat het Kabinet dhr. Hartleys aanspraken zou behandelen.
De leader kreeg bovendien de opdracht om de huidige Kabinetsleden uit
te nodigen om als lid van het nieuwe Kabinet aan te blijven met dat
verschil dat dhr. A. Studley Hart in plaats van Mw. Lolita W. Hart voorzitter
wordt; en dat de positie – of beter gezegd de persoon –
die de positie van de leader inneemt, zichzelf niet moet zien als ‘eerste
onder gelijken’, in de woorden van GdeP, maar als één
onder gelijken, en de verantwoordelijkheden van het ambt moet delen
met ieder lid van de TS.
Hij kreeg de opdracht zijn eigen plaats als Kabinetslid te laten innemen
door – misschien glimlach ik er een beetje bij – het Schotse
accent van dhr. George Simpson. Hij kreeg ook de opdracht om te zeggen
dat de desbetreffende Kabinetsleden de uitnodiging om hun diensten te
blijven verlenen direct konden aannemen of er 24 uur over na te denken:
en ook dat hij openstaat voor suggesties wat betreft het tijdstip waarop
de aankondiging zou worden openbaar gemaakt.
Mw. Hart: Dat is mij niet duidelijk. Wie is het?
Dhr. Long: Ik spreek over mijzelf.
Dhr. Merkel: Mag ik iets zeggen.
Hazel Minot: Ik wil graag zeggen dat ik dankbaar ben voor
deze opheldering over onze verhoudingen hier, want het schijnt mij toe
dat we met de beste bedoelingen van onze kant om het werk naar beste
vermogen voort te zetten, in het duister hebben getast. En ik kan voor
mijzelf slechts zeggen dat, gezien de juist volbrachte missie naar de
verschillende nationale afdelingen en het uitdrukkelijke verzoek van
de kolonel aan Jim, vlak vóór hij heenging, dat het werk
waaraan hij was begonnen, moet worden afgemaakt, mijn hart vol vreugde
is.
Mw. Hart: Begrijp ik goed dat je Studley beschouwt als de
voorzitter van het Kabinet?
Dhr. Long: Zo luidde mijn instructie.
Mw. Hart: Van wie? Het is natuurlijk onmogelijk voor mij om
aan te nemen wat je zegt.
Dhr. Long: Dat geeft niet. Ik vraag het ook niet van iemand.
Mw. Hart: Jouw houding of daden op die dag sluiten je geheel
uit als leader.
Dhr. Long: Dat moet iedereen zelf bepalen. Ik maakte hetzelfde
bezwaar en men zei mij dat: zolang drie leden trouw blijven aan het
oorspronkelijke programma, ik niets te vrezen heb.
Mw. Hart: U vraagt ons u volkomen op uw woord te geloven?
Dhr. Merkel: Wat het Kabinet aangaat – zo begrijp ik
het tenminste – dit heeft volgens de Constitutie beslist niet
als taak om een leader te kiezen. Het enige wat het moet doen is in
functie te blijven tot de leader zijn taak op zich neemt.
Mw. Hart: Indien een meerderheid het zo ziet . . .
Dhr. Long: Het is een zuiver individuele zaak.
Mw. Hart: Natuurlijk weten we hoe je erover denkt, Larry,
en Grace, en hoe Hazel erover denkt. Maar ik wil graag weten hoe Studley
erover denkt.
Dhr. Long: Dat moet iedereen zelf bepalen, niet als een lid
van het Kabinet, maar als individuele Kabinetsleden.
Studley Hart: Als het helpt als ik wat zeg: het kostte me
wel een paar dagen, maar ik heb al die tijd geweten dat het Jim was.
Ik moet openhartig zijn en zeggen dat het in één opzicht
niet gemakkelijk was. Ik heb geweten dat hij het was, en toch was het
zijn persoonlijkheid waaraan ik moest wennen, waarschijnlijk omdat ik
zo gewend ben om met persoonlijkheden om te gaan. Maar ik weet dat het
Kabinet voor mij dood was, en ik weet dat dit niet zo was toen GdeP
overleed. Daarom wist ik dat de leader aanwezig was.
Mw. Hart: Hoeveel zijn er dus vóór?
Dhr. Long: Indien het de leden zou helpen als ik even wegga,
wil ik dit graag doen.
Mw. Hart: Dat is niet nodig. Je weet dat ik heel openhartig
ben. Ik kan het niet inzien.
Dhr. Long: Ik wil graag de eenvoudige en oprechte uitspraak
doen dat de schok voor mij veel groter was dan voor een van u op dit
moment.
Mw. Hart: Kirby, wat denk jij ervan?
Dhr. Long: Ieder moet zelf beslissen.
Mw. Hart: Studley is van mening dat het Kabinet dood is. Het
heeft anders heel wat moeten doorstaan. Martha, heb jij nog iets te
zeggen? En wat heb jij te zeggen, Kirby?
Dhr. Van Mater: Ik moet bekennen dat ik er net zo over denk
als Studley. Er zijn veel dingen waaraan ik zal moeten wennen. Er zal
mij enige tijd moeten worden gegeven om de zaak te overdenken. Ik vind
wel dat indien Jim van plan was zulke dingen te zeggen, zijn houding
meer in overeenstemming had moeten zijn met de woorden die door Grace
zijn voorgelezen op de bijeenkomst waar dhr. Hartley aanwezig was. Een
van Studley’s opmerkingen begrijp ik niet helemaal, namelijk dat
indien het Kabinet dood is, de leader aanwezig moet zijn, want indien
de leader aanwezig is, kan de groep waarbij hij aanwezig is niet dood
zijn.
Mw. Hart: Ik heb geen 24 uur nodig om erover na te denken.
Ik zal zo snel mogelijk mijn koffers pakken indien het Kabinet er zo
over denkt. Natuurlijk is kolonel French er nog, hij heeft ook enige
rechten. Ik kan u [zich wendend tot dhr. Long] eenvoudig niet als leader
erkennen, en het spijt me heel erg, maar ik weet zeker dat ik het nooit
zal kunnen. U zult mij moeten excuseren.
Dhr. Long: Mag ik je deze gunst vragen Lolita?
Mw. Hart: Er is niets meer om over te praten, meneer Long,
in geen duizend jaar, het spijt me.
Dhr. Long: Ik zou graag willen dat je er nog eens een nachtje
over slaapt. Ik heb precies nodig wat jij te bieden hebt.
Mw. Hart: Meneer Long, ik ben langer gebleven dan ik wilde.
GdeP zei me te blijven: twee keer zei hij me te blijven. Martha [terwijl
ze de papieren aan haar overhandigt], John heeft hierin nog dingen,
en ik zal ze aan jou geven, of aan Studley omdat hij de voorzitter is
van de nieuwe leader.
Dhr. Long: Neem alle tijd die je nodig hebt, indien je erop
staat om weg te gaan.
Mw. Hart: Natuurlijk moet ik weggaan. Er blijft mij niets
anders over.
Dhr. Long: Ik ben bereid te proberen elke vraag die u wilt
stellen te beantwoorden, voorzover ik daartoe in staat ben.
Dhr. Van Mater: Je sprak over instructies Jim. Doelde je op
instructies die Larry aan jou heeft gegeven of die via Larry kwamen?
Dhr. Long: Larry staat hier volledig buiten voorzover het
mijn instructies betreft.
Mw. Hart: U staat dus in direct contact met de meesters?
Dhr. Long: Dat heb ik niet gezegd.
Mw. Hart: Dan moeten we u alleen op uw woord geloven.
Dhr. Long: Dat is helemaal juist – op mijn woord, zonder
bewijzen.
Mw. Hart: U hoeft ons niets te verklaren, we moeten het gewoon
aannemen.
Dhr. Long: Het gaat niet om mijn persoonlijkheid. Ik zal daarmee
mijn uiterste best doen. Ik weet dat ze een probleem is en ik heb me
er al eerder voor verontschuldigd, en ik verontschuldig me er ook nu
voor, want ik geef toe dat ze moet worden bijgeschaafd; maar ik zal
daarmee mijn uiterste best doen.
Mw. Minot: Meneer de voorzitter [zich wendend tot Studley]
mag ik een vraag stellen? Of eigenlijk is het iets dat ik zou willen
zeggen. Ik heb het gevoel dat elke vraag die we op dit moment zouden
stellen natuurlijk onvermijdelijk uit ons hersenverstand komt, en de
tijd om haar te beantwoorden niet waard is. Dit is een vraag die ieder
van ons met zijn hart moet beantwoorden, en . . .
Mw. Hart [de kamer verlatend]: Wilt u me excuseren?
Mw. Minot [voortgaande]: Als we het op dit ogenblik niet inzien,
dan zal het antwoord komen op de rustige momenten waarop we naar binnen
kijken. En ik denk dat dit de enige manier is waarop het antwoord tot
ons kan komen.
Dhr. Long: Ik geloof dat het vereiste aantal leden nog steeds
aanwezig is. Studley, zou je de de rest van de onderwerpen willen bespreken
en, indien ze de benoeming aanvaarden, bekijken of er redenen zijn om
het Kabinet verder te laten vergaderen. Ik wil het niet forceren, indien
ieder van u er liever nog eens een nachtje over wilt slapen. Maar we
kunnen niet treuzelen. Het spijt me dat ik mevrouw Hart heb geïrriteerd.
Een van mijn instructies die ik niet heb genoemd, was absoluut niet
te treuzelen, en geen periode van Kabinetsbestuur toe te laten.
Dhr. Hart: Dat is de enige vraag die ik wilde stellen, indien
u als onze leader wenst dat ik als voorzitter de vergadering voortzet,
dan zal ik dat doen. Het lijkt mij nu niet nodig om haar voort te zetten.
Dhr. Long: Ik wil iedereen hier graag tevredenstellen en indien
jij, Kirby, tijd zou willen hebben om . . .
Dhr. Van Mater: Ik zou zeker wat tijd willen hebben. Het is
een kwestie van het overdenken van de situatie, omdat ik me ongeveer
in dezelfde positie bevind als waarin Studley verkeerde. En ik wil heel
openhartig en heel eerlijk zijn.
Dhr. Long: Wees alsjeblieft niet anders dan dat.
Dhr. Van Mater: En, indien mogelijk, zou ik graag willen dat
het Kabinet tot morgen geen stappen in deze zaak onderneemt. Want als
het Kabinet tot actie zou overgaan, zou het mij in de positie brengen
van . . .
Dhr. Long: Het Kabinet kan geen actie ondernemen. Het oude
Kabinet is ontbonden. Het gaat erom dat iedereen zelf tot overtuiging
komt.
Dhr. Hart: Ik heb alle begrip voor Kirby’s standpunt.
Misschien zou het veel gemakkelijker zijn als hij er alleen met dhr.
Long over praat, en niet in deze groep hier. Laten we de vergadering
schorsen tot u een andere bijeenroept.
Dhr. Long: Ik wil alleen nog zeggen dat ik u nodig heb, ieder
van u, en u weet allemaal hoezeer ik u nodig heb. De kolonel heeft ons
niet bij elkaar gebracht als stromannen. Ik heb ieder van u meer nodig
dan iemand ooit iets nodig had.
De vergadering werd geschorst om 16.20.
Ondertekend door
A. Studley Hart, voorzitter
Lawrence Merkel
Kirby Van Mater
Hazel S. Minot
Martha R. Conger
Grace Frances Knoche, secretaresse
Notulen van de Kabinetsvergadering
Gehouden in het huis van de overleden leader
Pasadena, 28 februari 1951
Na een oproep van de voorzitter, A. Studley Hart, kwam het Kabinet
van de TS bijeen in North Grand Avenue 75, Pasadena, woensdagochtend
28 februari 1951 om 10.15 uur.
Aanwezig waren:
A. Studley Hart, voorzitter
Lawrence Merkel
Kirby Van Mater
Martha R. Conger
Hazel S. Minot
Marion O. French
George Simpson
Grace Frances Knoche
Ook aanwezig was James A. Long, leader
Dhr. Hart: Ik open de vergadering van het Kabinet van de Theosophical
Society zoals dat gisteren door de leader is benoemd. Ik neem als vanzelfsprekend
aan dat alle aanwezigen hun benoeming hebben aanvaard. De agendapunten
die gisteren niet werden behandeld, kunnen nu aan de orde komen. We
kunnen nu overgaan tot het voorlezen van de notulen, tenzij iemand wil
dat we daarvan afzien.
Mw. Minot: Ik zou van het voorlezen ervan willen afzien, omdat
ik denk dat we allen daarmee bekend zijn.
Kolonel French: Omdat ik niet aanwezig was, zou ik ze graag
nog eens willen doorlezen.
[De secretaresse overhandigde toen aan kolonel French een exemplaar
van de notulen van de Kabinetsvergadering van 27 februari 1951 om
deze door te lezen.
Na verschillende punten te hebben besproken, werd er een commissie
van drie benoemd, bestaande uit de voorzitter, dhr. Merkel en dhr.
Van Mater om de notulen van de vergadering van gisteren zorgvuldig
door te nemen om alle noodzakelijke grammaticale verbeteringen aan
te brengen, maar niets te doen dat de waarheidsgetrouwe weergave teniet
zou doen door de geest en de sfeer van de vergadering te veranderen.]
Kolonel French: Dank u [terwijl hij de notulen teruggeeft
aan de secretaresse].
Dhr. Hart: Ik heb een voorstel. Ik vraag me af of het gezien
het onbetwistbare belang van deze notulen, voor de toekomst niet meer
bindend en waardevoller zou zijn als we ze zouden laten circuleren onder
ieder van ons, om ze te lezen en individueel te aanvaarden, zoals ze
in hun uiteindelijke vorm zijn opgeschreven?
Kolonel French: Dat is uitstekend.
Dhr. Hart: Als de notulen op deze manier worden ondertekend
dan zouden we ze kunnen beschouwen als aanvaard door het Kabinet, en
als bindend.
Dhr. Long: Ik wil dat iedereen in alle opzichten tevreden
is. Het is van vitaal belang.
[De leden van het Kabinet gaven aan dat ze tevreden waren.]
Dhr. Hart: Is er nog een oud agendapunt? Mag ik, vóór
we beginnen met nieuwe punten, de leader vragen of hij iets wil zeggen?
Dhr. Long: Het eerste wat ik wil doen is mijn diepe waardering
uitspreken voor de steun die ik van iedereen heb ontvangen, en ook dat
u aan mijn verzoek heeft voldaan om als Kabinetsleden aan te blijven.
Ik wil herhalen dat deze taak, zoals ik haar zie, niet het werk is van
één mens, maar, wil ons werk in de toekomst slagen, een
samenwerkingsverband moet zijn waaraan ieder lid van de TS deelneemt.
We hebben lange tijd gesproken en gediscussieerd over hoe de TS en
het werk van de Beweging als geheel zich verhoudt tot de internationale
toestand en de vooruitgang van de mensheid, en voor velen van ons is
dit als een kerkelijk ritueel geworden. Maar op dit punt in de eeuw
en in de cyclus van de Beweging is er geen twijfel aan dat we onze overtuiging
serieus moeten nemen en onze woorden in daden moeten omzetten, zowel
innerlijk als uiterlijk.
Indien we geloven dat er een Grote Witte Loge is, samengesteld uit
de beschermers en bewakers van de mensheid; indien we geloven dat zij
achter de Theosofische Beweging en de Theosophical Society staan; en
indien we geloven dat de Theosophical Society die de schakel onverbroken
heeft gehouden, de enige formele uiterlijke organisatie is waardoor
ze werken, dan heeft ieder individueel lid van die organisatie beslist
een zware verantwoordelijkheid om aan die spirituele inspanning alle
mogelijke steun te geven.
We weten en geloven allemaal dat zij hebben aangegeven dat wanneer
een spirituele kracht die is voortgebracht door de toewijding en trouw
en inspanningen om onze medemensen te helpen, uiteindelijk het uiterlijke
gebied bereikt, ze een veel verhevener en krachtiger gevolg met zich
meebrengt dan we zouden denken. Indien we op dit moment door een verenigde
inspanning in de TS onszelf tot een beter voorbeeld kunnen maken van
wat een theosoof behoort te zijn, en we vastbesloten en ‘doelgericht
onze plicht vervullen, als mens en als theosoof’, is het mijn
oprechte overtuiging dat we bijdragen aan dat reservoir van spirituele
kracht dat het enige is dat de meesters kunnen gebruiken om de mensheid
te helpen. Dat is onze verantwoordelijkheid. Voor mij is dat het oorspronkelijke
programma van de TS – te werken voor de vooruitgang van de mensheid,
zoals zijzelf hebben gezegd.
Het is van wezenlijk belang dat we geen inspanning nalaten om iedere
hindernis op te ruimen – en te voorkomen dat er hindernissen worden
opgeworpen – die tussen het individuele lid van de TS en het hart
van het werk staan. En hiermee bedoel ik niet de persoon die misschien
een tijd lang het hoofd van de organisatie is. Ik bedoel hier letterlijk
het hart van het werk. Ik denk dat indien we bij onze inspanningen ieder
lid van de TS met wie we in aanraking komen zoveel mogelijk kunnen helpen
om zich vollediger bewust te worden van de diepe betekenis en verantwoordelijkheid
die op de schouders van ieder lid rusten, zodat waar de leden zich ook
bevinden, hun invloed zich zal doen gelden, dit zal leiden tot een verenigde
impuls en krachtsinspanning om hen te helpen die de mensheid bijstaan
en beschermen. Dan hoeven we niet bang te zijn dat we onze plicht niet
hebben gedaan.
Ik wil nogmaals herhalen dat dit het verhevenste samenwerkingsverband
is dat ooit heeft bestaan. En ik zeg in alle bescheidenheid dat ik kan
voelen dat ik niet alleen de hulp van de Kabinetsleden nodig heb, maar
van ieder lid van de TS, en ik zal mijn best doen, hoe beperkt mijn
mogelijkheden ook zijn, om de taak die voor ons ligt te volbrengen.
Dat is alles.
Dhr. Hart: Dank u. Ik denk dat dit een devies is dat elk lid
van de TS eervol en met trots zou moeten nastreven. Heeft iemand nog
iets anders te zeggen?
Mw. Minot: Ik wil graag zeggen, meneer de voorzitter, dat
wanneer en naar wie ook de notulen van de vergadering van gisteren worden
gestuurd, ik graag zou zien dat deze woorden erbij worden vermeld als
boodschap aan ieder lid van de TS.
Dhr. Hart: Ik denk dat we allen aannemen dat deze woorden,
indien zou worden besloten deze notulen rond te sturen, natuurlijk niet
zullen worden weggelaten.
Kolonel French: Mag ik een vraag stellen?
Dhr. Hart: Natuurlijk, kolonel French.
Kolonel French: Bestaat er enige twijfel over de vraag of
ze moeten worden gepubliceerd of niet? De vorige publicatie lijkt me
van zodanige aard dat in ieder lid van de TS vanzelfsprekend de vraag
opkomt ‘wat gebeurt hierna?’
Dhr. Long: Mag ik de vraag van kolonel French beantwoorden
met een bewering die ik informeel heb gedaan? Wil dit een samenwerkingsverband
zijn, dan moeten we er een samenwerkingsverband van maken,
en ik heb zelf altijd gevonden – en ik weet dat kolonel Conger
er ook zo over dacht, zoals blijkt uit zijn gezegde dat ‘je óf
alle feiten geeft óf geen een’ – dat elk lid van
de TS het recht heeft alles te weten wat er omgaat. Indien we deze organisatie
moeten leiden in vergaderingen achter gesloten deuren, waarbij we niet
ieder persoon of oprecht lid van de TS in alle eerlijkheid zouden kunnen
uitnodigen, dan denk ik dat we de tent beter direct kunnen sluiten.
Ik ben zelf van mening dat de hele wereld inzage moet kunnen hebben
in alles wat dit Kabinet doet.
Dhr. Simpson: Ik ben het daarmee eens.
Dhr. Hart: Zullen we zeggen dat we het hierover unaniem eens
zijn? Of zijn er bezwaren? Het is unaniem.
Dhr. Merkel: Meneer de voorzitter, even een praktische zaak:
vóór we een en ander gaan drukken, zou ik willen zeggen
dat we eerst het Forum moeten uitbrengen, in verband met de
postvoorschriften. Daarom zou ik nadrukkelijk willen adviseren dat het
onze eerste taak is om het Forum uit te brengen en dan hiermee te beginnen.
Dhr. Van Mater: Mag ik een suggestie doen, meneer de voorzitter?
Ik zie niet in waarom het niet mogelijk is het andere werk tegelijkertijd
te doen. Wanneer jij het Forum gaat drukken, zouden deze notulen
al gezet kunnen worden, enz.
Dhr. Long: Ik stel voor dat we verdergaan met het gereedmaken
van het gedrukte materiaal, zelfs als we daarmee ons lagere posttarief
zouden verspelen. Wanneer we onze drukkerij naar Pasadena overbrengen
moeten we toch een nieuwe vergunning aanvragen. Ik stel voor geen moment
te verliezen om alle feiten aan de wereld bekend te maken, en dat betekent
aan ieder lid van de TS.
Mw. Minot: Ik zou willen vragen of het de wens van de leader
is dat de publicatie van deze notulen en van zijn woorden van vanochtend
de eerste mededeling is aan de leden dat hij zijn taak op zich heeft
genomen? Ik denk in de eerste plaats aan de afwezige Kabinetsleden.
Dhr. Merkel: Mag ik voorstellen, meneer de voorzitter, dat,
na correctie van deze notulen en na controle door ieder Kabinetslid
dat gisteren aanwezig was, hiervan afschriften worden gezonden aan de
afwezige Kabinetsleden? Zou het bovendien niet juist zijn onze nationale
voorzitters een telegram te zenden, ondertekend door de voorzitter van
het Kabinet, over het feit dat de nieuwe leader zijn taak op zich heeft
genomen, met de mededeling dat een brief zal volgen? Precies zoals we
deden, misschien onbewust, toen het overlijden van kolonel Conger werd
getelegrafeerd; en de brief die volgde was het gedrukte document ondertekend
door elk Kabinetslid. Ik weet niet of dit verstandig is of niet.
Dhr. Hart: Mij lijkt dit een verstandig voorstel. Maar ik
denk wel dat we, in overeenstemming met wat gezegd is, zo snel mogelijk
daarmee aan de slag moeten gaan en ons geen zorgen moeten maken over
eventuele moeilijkheden.
Dhr. Simpson: Meneer de voorzitter, ze worden nu ongeduldig.
Ze willen het weten.
Dhr. Long: Ik ben het beslist met u eens; en ik kan eraan
toevoegen dat de volgende gedachte heel sterk bij me opkwam, namelijk
dat we gebruikmaken van de bereidheid tot medewerking van het Pasadena
Star-News, en als ze graag willen weten wie de plaats van kolonel
Conger heeft ingenomen, kunnen we die informatie aan de pers geven omdat
ik het gevoel heb dat we slechts één wapen tegen iedere
tegenstander van de ware vooruitgang hebben, slechts één
– dat is in de afgelopen eeuwen onfeilbaar gebleken – en
dat is de waarheid. En hoe eerder we de waarheid aan de hele wereld
vertellen, des te eerder we tijdens onze inspanningen zullen worden
beschermd. Dit is geen tijd om compromissen te sluiten of concessies
te doen in welke vorm dan ook. Onze vijanden, of vijand – maak
hier alstublieft enkelvoud van – onze vijand is niet een of andere
persoon of groep personen. Onze vijand is het tegenovergestelde van
de waarheid.
Dhr. Merkel: Meneer de voorzitter, ik denk beslist dat tegelijkertijd
met het verzenden van de telegrammen aan onze nationale voorzitters
de mensen in Covina op de hoogte moeten worden gebracht, zo vlug mogelijk.
Ik denk dat dit geheel in het verlengde ligt van wat dhr. Simpson opmerkte.
Dhr. Simpson: Hoe sneller hoe beter.
Dhr. Hart: Ik zou kunnen aankondigen dat men bezig is met
het drukken van de notulen van de Kabinetsvergadering.
Dhr. Van Mater: Denkt u dat dit verstandig is? We kunnen op
het verkeerde moment ons kruit verschieten omdat in zekere zin Covina
het dichtst bij ons staat als de kring van het Hoofdkwartier, maar als
sommigen van hen na ontvangst van het bericht tegenstanders blijken
te zijn, proberen ze misschien leden daarbuiten die nog geen bericht
hebben ontvangen, te beïnvloeden. Met andere woorden, we moeten
denken aan het lid daarbuiten dat allerlei dingen zal horen vóór
hij rechtstreekse informatie heeft ontvangen.
Dhr. Long: Dat is een belangrijk punt, Kirby.
Dhr. Merkel: Mag ik de volgende mogelijkheid in overweging
geven: indien we deze notulen gereed zouden kunnen krijgen, zie ik geen
reden waarom we ze niet vanavond nog zouden kunnen drukken en morgenochtend
vroeg verzenden.
Dhr. Van Mater: Dat klinkt me beter in de oren.
Mw. Knoche: Mag ik het volgende voorstellen? Ik denk dat Kirby
een belangrijk punt heeft. Ik heb het gevoel dat we dezelfde werkwijze
moeten volgen als bij de eerste notulen. Laat Studley ze, als ze gedrukt
zijn, persoonlijk aan iedereen aan het hoofdkwartier rondbrengen. Dan
kan ieder lid privé in zijn eigen kamer het nieuws lezen en persoonlijk
overdenken. Tegelijkertijd kunnen we vanavond aan onze nationale voorzitters
en sleutelfiguren telegrammen en brieven verzenden; en zoals voorgesteld
zouden we in de krant van morgen een interview over onze nieuwe leader
kunnen laten verschijnen. Dan zullen we volgens mij ons kruit niet hebben
verschoten vóór we gereed zijn.
Dhr. Hart: Dat lijkt me het beste plan.
Dhr. Merkel: Ik denk dat we de zaak veilig kunnen overlaten
aan karma en Studley.
Dhr. Van Mater: Worden de notulen van deze vergadering ook
gepubliceerd?
Dhr. Hart: Dat neem ik aan.
Dhr. Merkel: Meneer de voorzitter, ik stel voor dat we de
vergadering schorsen.
[Het voorstel tot schorsing werd gesteund en unaniem aangenomen,
om 11.00 werd de vergadering geschorst.]
Eerbiedig ter kennisname aangeboden,
A. Studley Hart, voorzitter
Lawrence Merkel
Kirby Van Mater
George Simpson
Hazel S. Minot
Martha R. Conger
Marion O. French
Grace Frances Knoche, secretaresse
Algemene brief
Aan alle leden van de TS
6 maart 1951
Beste vrienden:
De overweldigende hoeveelheid reacties op de impuls voor het nieuwe
tijdperk, ingeluid door mijn voorganger kolonel Arthur L. Conger, is
kenmerkend voor de hartenkracht van onze leden over de hele wereld.
De vele berichten die tot nu toe zijn binnengekomen bevatten de steun
en goede wensen van zowel de bestuurders van alle nationale afdelingen
als van talloze leden van de TS.
Aan de andere kant waren er twee opzeggingen en tevens aanwijzingen
dat enkele leden onder de beschermende vleugels van hun lidmaatschap
een weg van obstructie en sabotage hebben gekozen. Dit betreuren we
diep, maar onze plicht ligt duidelijk vóór ons. We kunnen
niet langer proberen tijd te winnen. We moeten de levensstroom die altijd
door onze TS heeft gestroomd beschermen en kunnen niet toestaan dat
haar kracht voor iets anders wordt gebruikt dan de onzelfzuchtige doelstellingen
waarmee we allen zo goed bekend zijn.
Maar weinigen van ons zijn zich volledig bewust van de werkelijke betekenis
van onze tijd en hoe ver onze verantwoordelijkheid zich voorbij de organisatorische
grenzen van onze Society uitstrekt. De invloed die in deze tijd van
onze inspanningen uitgaat, heeft een lading en een kracht die evenredig
zijn aan de tekenen van die samenkomende cyclussen die de klok zijn
van universele zaken. Toen ik in Engeland was, bijvoorbeeld, had ik
het voorrecht om de Kerstboodschap van de koning aan de mensen van het
Britse Koninkrijk te horen. De meest opvallende gedachte verwoordde
hij aldus: we staan op het punt halverwege de eeuw en voor de keuze
van twee paden: het ene opbouwend en het andere vernietigend. Iedereen
moet zelf zijn keuze maken. Later vernam ik dat koningin Juliana in
Nederland een vergelijkbare uitspraak had gedaan. U ziet dus hoe nauw
de vooruitgang van de beschaving met het hart van ons werk verbonden
is.
Het spijt me dat ik niet iedereen die het belang van de theosofie voor
deze tijd inziet mijn volle waardering kan schenken. Het actieve samenwerkingsverband
dat werd ingeluid toen ik mijn taak aanvaardde, werd al lange tijd voorbereid;
niet door een leader of door stafleden, maar door de toewijding en oprechtheid
van die leden die het welzijn van hun medemensen boven alles stellen.
Alleen zij konden het tevoorschijn roepen en alleen zij kunnen het tot
een succes maken.
In de afgelopen tien jaar zijn er veel aanwijzingen geweest dat er
krachten in stelling werden gebracht – die krachten die met regelmatige
tussenpozen op het strijdveld tegenover elkaar komen te staan. Op zulke
momenten kan men zich de grote beroering in het hart van Arjuna voorstellen.
Maar, de goden zij dank, Arjuna had zijn Krishna – evenals wij,
hoe diep hij ook in ons bewustzijn verborgen is. Dit is en was nooit
een zaak van wie steunt wie, maar altijd van: wie steunt de waarheid.
Het is ook duidelijk geworden, evenals in het geval van Krishna, dat
er geen sprake kan zijn van compromissen met of concessies aan die kracht
die de waarheid zou vertrappen en het licht van de zon zou verduisteren.
We moeten in dit samenwerkingsverband de weg voor 1975 gereedmaken.
De volgende kwart eeuw biedt kansen die zich in geen andere eeuw in
de geschiedenis van de mensheid hebben voorgedaan. En zij van wie de
handen datgene ondersteunen dat zij in 1875 in het leven riepen, hebben
keer op keer duidelijk gemaakt, zowel in hun brieven als in hun instructies
aan mijn voorgangers, dat we de nadrukkelijke plicht hebben als mens
en theosoof om onze zaken op orde te stellen en bereid te zijn het oorspronkelijke
programma uit te voeren dat zij opstelden: de redding van de mensheid.
De Wet zou niet kunnen worden vervuld als onze vooruitgang over rozen
zou gaan. Het overwinnen van hindernissen is noodzakelijk voor het versterken
van de geestkracht van ieder van ons. We kunnen, hoe graag we dit soms
ook zouden willen, de waarheid van het axioma ‘onze moeilijkheden
zullen evenredig zijn aan onze aspiraties’, niet naar de achtergrond
dringen. Laten we gezamenlijk deze moeilijkheden als kansen verwelkomen
– kansen om ons leven opnieuw te wijden aan hen die we helpen
bij hun taak.
Nogmaals bedankt.
Getrouw de uwe,
James A. Long
Algemene brief
Aan alle leden van de TS
9 maart 1951
Beste vrienden:
Om hier te kunnen zitten en zo met u te kunnen praten schenkt onze
taak een warmte die door niets anders kan worden vervangen. Op dit moment
valt mijn oog op de alinea waarmee Katherine Tingley’s vertrouwelijke
circulaire begint die in het huidige nummer van het Forum is
opgenomen, en deze woorden spreken krachtige taal:
‘Het is tijd om te handelen en om de band van alle serieuze
leden met het ware hart van de Loge te versterken.’
Ik houd er niet van mijzelf te herhalen, maar ik kan u onmogelijk schrijven
zonder u opnieuw te zeggen dat er uit alle landen brieven blijven binnenstromen
die getuigen van een prachtige geest van eensgezindheid ter ondersteuning
van de nieuwe poging die we tot geboorte zien komen.
De kracht van Narada jaagt door alle hoeken van de aarde, en de duistere
schuilplaatsen die zo lang verborgen waren in de schaduw van ons lagere
zelf komen aan het licht. Dit gaat zoals het moet.
We kunnen niet langer in het openbaar spreken en schrijven in mooie
woorden en over verheven klinkende leringen terwijl we tegelijkertijd
in onze TS het voorbeeld geven van tegenstrijdige ambities. Dat is pure
huichelarij. Er zijn bij ons al berichten binnengekomen over de pogingen
van verschillende personen die stappen ondernemen om de gedachten van
de leden te beïnvloeden en ze te beroven van hun onvervreemdbare
recht om zelf na te denken. Enkele van onze serieuze leden hebben daarover
hun ongerustheid te kennen gegeven. Ik zou hier en nu tot deze leden
willen zeggen: wees niet ongerust. We hoeven nergens bang voor te zijn
als we onze volle plicht doen. Indien er onder ons leden zijn die de
een of andere persoon verkiezen te volgen, zelfs als ze zo ver willen
gaan één, twee of een dozijn nieuwe organisaties te vormen,
zullen we hen niets in de weg leggen. Ik zeg dit in de geest van ware
vrijheid: dat iedereen het onvervreemdbare recht heeft zijn eigen weg
te kiezen en die verbintenissen aan te gaan waartoe hij zich door zijn
karma voelt aangetrokken. Er moet echter ook worden gezegd dat ieder
lid dat ervoor kiest zich in te laten met en gehoor te geven aan ondermijnende
activiteiten, niet moet verwachten zijn lidmaatschap in deze Society
te kunnen voortzetten. Hij zou eerlijk genoeg moeten zijn om zijn lidmaatschap
direct op te zeggen en niet als een vampier te leven op het levensbloed
van een andere entiteit. Uit de Constitutie van de TS, opgesteld onder
toezicht van de meesters zelf, blijkt duidelijk dat een lid niet tegelijkertijd
tot meer dan één Loge kan behoren. Dit beginsel geldt
evenzeer voor twee theosofische organisaties. In de woorden van meester
Jezus: ‘of hij zal het ene haten en het andere liefhebben; of
hij zal het ene aanhangen en het andere verachten’. Doelgerichtheid
is het sleutelwoord voor de toekomst en, alleen doelgerichtheid zal
ons met succes naar ons doel leiden.
Indien we de ons gegeven leringen beschouwen, vooral de ontelbare aanwijzingen
van GdeP, dan zullen we de verantwoordelijkheid inzien die ligt besloten
in de overgang van de neergaande boog naar de opgaande boog in de eeuwcyclus.
De belangrijkste verantwoordelijkheid is de noodzaak om dat wat ons
tijdens de involutiefase is gegeven, in ons dagelijks leven in praktijk
te brengen. We zullen dan een voorbeeld zijn van onze aspiraties en
door een zelfbewuste inspanning in deze evolutiefase een spirituele
zelfstandigheid ontwikkelen die de beproevingen van de komende eeuwen
zal doorstaan.
Sinds 1875 zijn er door de jaren heen altijd die leden geweest die
zo gehecht raakten aan de persoon en de werkwijzen van de respectieve
leaders dat ze na het overlijden van de leader kwamen te staan voor
een zelfgeschapen maya dat ondoordringbaar bleek te zijn. Het gevolg
daarvan was dat ze klaagden ‘HPB deed dit’ of ‘Judge
deed dat niet’, ‘KT zou zus en zo hebben gedaan’ en
‘GdeP zou dat nooit hebben gedaan’, enz., waarbij ze de
werkelijkheid geheel uit het oog verliezen: dat de poging van de Loge
in iedere bestuursfase de totaalsom vertegenwoordigt van alle voorafgaande
impulsen. Gebrek aan erkenning van dit feit was de oorzaak ervan dat
het in vroegere tijdperken niet lukte om de spirituele kracht van de
ene op de andere eeuw over te dragen.
Tijdens kolonel Congers bestuur kregen we de eerste aanwijzingen dat
het esoterische exoterisch begon te worden. Het zou duidelijk moeten
zijn voor die eerbiedwaardige leden die twee, drie en vier overgangsperioden
hebben meegemaakt, dat dit zo is. Nooit eerder hebben alle leden de
gelegenheid gekregen om uit de eerste hand informatie te ontvangen over
wat er tijdens de overgang achter de schermen gebeurt. Dit is niet zonder
reden. In het verleden was het betrekkelijk weinigen toegestaan de feiten
te kennen, en de leden ontvingen gewoonlijk op zijn best tweede- en
derdehands informatie en werden dus beïnvloed door de gedachten
van anderen en kregen geen kans hun eigen intuïtie te gebruiken.
Toen we de feiten onlangs voor ieder lid beschikbaar maakten, waren
we ons bewust van het daaraan verbonden gevaar: de verleiding om het
verstand te gebruiken in plaats van de intuïtie, sentimentaliteit
in plaats van onderscheidingsvermogen. Maar wil dit een samenwerkingsverband
worden dan moet ieder lid van de TS de gelegenheid krijgen om tot zijn
eigen conclusies te komen zonder daarbij te worden beïnvloed door
gedachten uit de tweede hand van anderen. De gevolgen van onze beslissing
hebben haar grote waarde bewezen, en de reacties, zelfs van hen die
heel nieuw zijn in het werk, hebben aangetoond dat de geest van deze
tijd het hart van iedereen heeft bereikt.
Aan diegenen onder u die zowel jong in jaren als in theosofische ervaring
zijn, wil ik dit zeggen: de woorden die u heeft gebruikt zijn een duidelijke
aanwijzing dat u eerder aan dit werk heeft deelgenomen en opnieuw bent
thuisgekomen. Een grote en edele toekomst ligt vóór u.
Tot de oudere en door gelofte gebonden leden hoef ik weinig te zeggen,
omdat u in woord en daad heeft laten zien dat u het begrijpt. Aan de
andere kant moet aan u die zo weinig heeft gevraagd, worden gezegd dat
de betrouwbaarheid en de vasthoudendheid van uw innerlijke steun de
werkelijke wachters aan de poort van het bastion zijn geweest en dat
zullen blijven. U kunt er zeker van zijn dat dit veel heeft betekend
voor alle leaders onder wie u heeft gewerkt.
Ik dank u opnieuw, jong en oud. Alles wat voor het welzijn van anderen
wordt gedaan zal voortleven. Wat wordt gedaan voor ons eigen genoegen
zal verdwijnen.
Met het volste vertrouwen in de Wet en ons hart verbonden met de toekomst
gaan we voorwaarts met onze blik vooruit.
Getrouw de uwe,
James A. Long
Vergadering van stafmedewerkers van het hoofdkwartier
15 maart 1951
Verslag van de vergadering bijeengeroepen door de leader, James A.
Long, in Covina, donderdagochtend, 9.00 uur, 15 maart 1951.
A. Studley Hart: Vrienden, er is mij gevraagd om deze vergadering
bijeen te roepen om iedereen hier een kans te geven de leader te horen
die aan ons allen graag enkele dingen wil zeggen. Ik geef nu het woord
aan dhr. Long.
JAL: Dank je, Studley. Dit is geen formele lezing of toespraak
of iets dergelijks. In feite zijn er zoveel dingen die ik zou willen
zeggen dat ik niet weet waar ik moet beginnen.
In de eerste plaats wil ik mijn diepste waardering uitspreken, onze
diepste waardering, voor de overweldigende hoeveelheid reacties en de
steun van de mensen die aan het hoofdkwartier wonen voor de nieuwe cyclus
in ons werk waarvoor we staan. Het spijt me dat ik niet eerder hier
kon komen om zo goed mogelijk uiting daaraan te geven. U heeft er geen
idee van hoeveel het voor iedereen heeft betekend; en het is kenmerkend
voor de overweldigende hoeveelheid reacties die vanuit de hele Theosophical
Society is binnengekomen, niet alleen uit de Verenigde Staten, maar
van alle nationale afdelingen in het buitenland. Er zijn enkele gevallen
van wat sommigen ‘tomaten gooien’ noemen geweest, maar dat
kunnen we verwachten in een tijd zoals deze. Maar ik heb ontdekt dat
de stafmedewerkers en het Kabinet die met mij samenwerken dol zijn op
tomaten!
Ik zou graag iets willen zeggen over deze nieuwe cyclus die door kolonel
Conger werd ingeluid toen hij me op reis stuurde rond de wereld. Dat
was geen vakantiereisje zoals u allen weet. Het hoofddoel van mijn opdracht
was om iedere nationale afdeling de boodschap van de kolonel te geven
dat voor hen de tijd was gekomen om met het oog op de toekomst hun zaken
op orde stellen. Gedurende zijn hele bestuur waren er hier en daar een
paar mensen aan wie hij een uitzonderlijke hoeveelheid tijd besteedde
om hen te doen inzien – niet dat hij de leader was, want het maakte
hem niet uit of iemand hem wel of niet erkende – maar het feit
te erkennen dat de Theosophical Society voor de theosofie en het welzijn
van de mensheid werkt. Hij hield zich het meest bezig met die paar mensen
die hier en daar gedurende zijn hele bestuursperiode ervoor kozen om
hun persoonlijke ideeën, ambities en gedachten over wat er moest
gebeuren vóór het werk van de Society plaatsten. Hij nam
meerdere keren contact met hen op waarbij hij diep uit zijn hart sprak
om ze de kans te geven het licht te zien, niet per se zijn licht, maar
het licht van het werk.
Het is vanzelfsprekend dat wanneer er een verandering plaatsvindt er
enkele vooropgezette meningen naar voren komen over wat er wel of niet
moet gebeuren. Ik ben niet van plan om in te gaan op alle verschillende
richtingen in hart en denken van ieder individu op zo’n moment.
Maar ik wil graag – en omdat dit een samenwerkingsverband is,
begint deze samenwerking hier en nu aan het hoofdkwartier – ik
wil graag een paar minuten met u spreken over de huidige situatie en
de nabije toekomst. Ik zal daarbij proberen u de hoofdlijnen te geven
van de reis rond de wereld die ik in opdracht van de kolonel maakte.
Ik denk dat iedereen in deze kamer zo standvastig mogelijk kolonel
Conger heeft gesteund. Hij beschikte over veel wijsheid en inzicht.
Tijdens mijn rondgang langs de nationale afdelingen in de verschillende
landen werd het mijn taak om zo mogelijk contact op te nemen met alle
bestuursleden, alle sleutelfiguren, en hun de boodschap te geven die
de kolonel ongeveer anderhalf jaar geleden in de hal van het administratiegebouw
voor het eerst gaf tijdens zijn inleiding van de reeks lezingen van
Mw. Knoche. Diegenen van u die daar toen bij waren, zullen zich herinneren
dat hij ongeveer 40 minuten sprak om die reeks in te leiden. En de kern
van zijn opmerkingen kan als volgt worden omschreven: In het verleden
kwamen de gevaren voor het werk van de Theosophical Society van buitenaf;
maar in de toekomst zullen de gevaren voor het werk van de Theosophical
Society van binnenuit komen. Het was in feite die boodschap en dat feit
die ik aan de bestuursleden en sleutelfiguren van de nationale afdelingen
moest overbrengen.
Er werd mij ook gevraagd om in de respectieve afdelingen een korte
uiteenzetting te geven van die gevaren, waaruit ze bestonden, en in
iedere afdeling het specifieke gevaar dat bestond duidelijk aan te geven,
en ze te helpen inzien wat er nodig was om het te verbeteren.
Deze gevaren zijn in het kort: kristallisatie – ik denk
niet dat we dat nader hoeven te omschrijven. We weten allemaal wat het
is; maar om een voorbeeld te geven: ik ben naar een loge geweest die
nog steeds hun theosofische werk probeerde uit te oefenen op precies
dezelfde manier als Katherine Tingley dat in haar tijd deed. De geest
was er, daarover is geen twijfel mogelijk; maar de werkwijze was uit
de tijd, en in feite kreeg je het gevoel dat ze daar zaten te wachten
tot KT zou binnenkomen en hen zou zeggen wat ze moesten doen. Dat is
een voorbeeld van kristallisatie.
Een ander gevaar in verschillende plaatsen was de neiging van de kant
van de leden om verlegen en bang te zijn om rechtuit en eerlijk over
de drie belangrijkste theosofische organisaties te praten. Als iemand
om inlichtingen vroeg en zei: ‘Hoe zit het nu, waarom vond de
splitsing plaats, enz.?’ – in plaats van de feiten te geven,
trokken ze zich in zichzelf terug en begonnen te hopen op verbroedering,
niet in positieve zin maar als uitvlucht, met als gevolg dat de hoofdstroom
van het werk zoals die door onze Society vloeit een paar keer –
gelukkig niet vaak – verwaterde.
Een ander gevaar is guru-itis. Ik geloof niet dat we daar
lang bij hoeven stil te staan, maar wanneer iemand die oprecht is begonnen
met het werk, een groep mensen tot zich aantrekt en uiteindelijk begint
te denken dat hij de aantrekking veroorzaakte in plaats van
de theosofie die door hem heen werkte, dan wordt het iets persoonlijks
en gaat de waarde ervan verloren. Als er vervolgens iets gebeurt dat
zijn persoonlijke plannen in de war stuurt, is hij er zogezegd faliekant
tegen. Hier en daar is dit uitgelopen op een heftige reactie die personen
met ambities ervaren als hun ambities worden verijdeld; het veroorzaakt
een verschrikkelijke reactie en leidt tot allerlei moeilijkheden zoals
kwaadsprekerij, laster, roddels en leugens.
Het heeft geen zin onszelf voor de gek te houden. Kolonel Conger maakte
dat duidelijk aan iedereen die met hem omging. We moeten de feiten onder
ogen zien. We kunnen niet alleen op een toegeeflijke en milde manier
doorgaan zonder realistisch te zijn. Het werk van de Theosophical Society
moet verdergaan, en er ligt een stralende en mooie toekomst vóór
haar. Dit samenwerkingsverband is niet slechts een woord op papier of
uit mijn mond. Er is mij gevraagd er een echt samenwerkingsverband van
te maken en het begint hier aan het hoofdkwartier. En zoals ik eerder
heb gezegd: de volle waardering die we allemaal voelen voor de steun
die we hebben gekregen – niet van mij, die is van secundair belang,
maar van de tijdgeest – kan ik niet onder woorden brengen.
Er schuilt geen kwaad in verschil van mening. Er is in de hele wereld
geen echte theosoof die dat niet toejuicht. En we kennen allemaal de
uitspraak van Voltaire: ‘Al ben ik het volledig oneens met wat
je zegt, ik zal met alle kracht strijden voor uw recht om dat te zeggen.’
Dat is werkelijk een motto voor ons.
Op dit specifieke moment op het dieptepunt van de eeuw en tijdens deze
verandering in de cyclus van het werk, en omdat we beginnen de opgaande
boog van de eeuw te beklimmen, zien we dat de omstandigheden heel anders
zijn dan tijdens andere bestuurswisselingen. We begonnen met HPB in
de neergaande boog van de cyclus. Zij had haar specifieke werk te doen.
Toen kwam Judge, die zijn werk deed, en toevoegde aan wat HPB deed.
KT moest weer andere dingen doen. Ik hoef het niet allemaal op te sommen.
Na KT kwam GdeP; na GdeP kwam kolonel Conger. En hoe vaak heeft hij
zijn bestuur niet een overgangsbestuur genoemd. Overgang naar wat?
Als gevolg daarvan zien we dat we nu worden opgeroepen – niet
alleen ik, maar iedereen, dit hele samenwerkingsverband – om tijdens
de opgaande boog van deze cyclus alles van alle eerdere leiders ten
uitvoer te brengen, en in praktijk te brengen. Niet alleen van GdeP,
niet alleen van kolonel Conger, niet alleen van KT, maar we moeten in
de toekomst het vuur van HPB in ons werk gebruiken om de denkgroeven
te doorbreken. We moeten erop toezien – kolonel Conger begon aan
dit karwei – dat de denkgroeven van theosofen worden doorbroken.
De kolonel begon daarmee. Wij moeten ermee doorgaan. We moeten gebruikmaken
van het praktisch occultisme waartoe Judge de aanzet gaf; en het inzicht
in de werkelijke interpretatie van de leringen die HPB had gegeven,
in vereenvoudigde vorm en meer toegepast op ons dagelijks leven. We
moeten doorgaan met het voeren van een kruistocht zoals KT deed, niet
vanaf een zeepkist of vanaf de daken, maar door ons voorbeeld overal
in de samenleving.
Theosofie zal in de toekomst in de hoofd- en zijwegen van het leven
zijn te vinden zoals een lid uit het noorden onlangs schreef. Behalve
zijn leringen en belangrijke toelichtingen op De Geheime Leer,
moeten we het beginsel van GdeP volgen dat ik alleen in deze paar woorden
kan samenvatten: ervoor te waken dat we niet proberen haat door haat
uit te roeien. Haat stopt alleen door liefde en de juiste houding en
mededogen. Dus onze dagelijkse inspanningen te doordringen met datgene
waar kolonel Conger voor stond, en wat voor mij tenminste het beste
was dat we tot nu toe hebben meegemaakt in werkelijk praktisch occultisme
– praktisch altruïsme. Er staat ons nog veel werk te doen,
maar zelf twijfel ik helemaal niet eraan dat we het zullen doen en goed
ook. Maar we moeten daarvoor allemaal samenwerken.
Er zijn zoveel dingen die ik zou willen zeggen, maar ik zal u niet
te lang ophouden.
Het verheugt me u vanochtend te kunnen meedelen dat we nu eigenaar
zijn van alle gebouwen die we in Pasadena hebben gekocht. Ik weet dat
het voor u allemaal moeilijk is geweest om dagelijks verder te gaan,
al deze veranderingen te zien en niet in staat te zijn om uw activiteiten
in de stroom ervan te dopen. Het is heel moeilijk geweest, en ik wil
u verzekeren dat we ons ervan bewust zijn, maar we moeten de omstandigheden
onder ogen zien. We kunnen de zon niet sneller laten draaien, en we
doen alles wat we kunnen zodat u zo snel mogelijk uw nieuwe huis kunt
betrekken. Om u tenminste uit de eerste hand een algemene indruk te
geven van hoe het er in Pasadena ongeveer uit gaat zien, hebben we deze
ochtend georganiseerd om iedereen die wil meegaan – en als u bepaalde
plaatsgebonden taken heeft, laten we die dan vergeten – naar Pasadena
te brengen en het nieuwe gebouw waar u komt te wonen te laten zien en
u ook mee te nemen naar de villa aan Grand Avenue. We zullen ook iedereen
die daarvoor belangstelling heeft rondleiden in het gebouw van de uitgeverij,
maar u krijgt in ieder geval een foto ervan, en daarna zullen we u terugbrengen.
We zouden teleurgesteld zijn als u hiervan geen gebruikmaakt. Daarnaast
hoop ik zo snel mogelijk ieder van u persoonlijk te ontmoeten en met
u te spreken, maar met de werkdruk die nu op ons rust en de overweldigende
hoeveelheid correspondentie die op dit moment moet worden beantwoord,
moet dit misschien nog even wachten. Maar ik mag niemand over het hoofd
zien, en indien één uitspraak, één gedachte
verloren gaat en niet wordt erkend, dan is dat niet goed want diegene
die contact maakt moet worden gehoord en het contact moet worden onderhouden.
De grote moeilijkheid in het verleden, vanwege deze verschillende afsplitsingen
die ontstonden door botsende persoonlijkheden, was dat het onder die
omstandigheden niet mogelijk was om rechtstreeks contact met het hoofdkwartier
te onderhouden. Maar nu moeten we er een nauwer verbond van maken, een
samengesmede eenheid die werkzaam is in de wereld, want wat we in de
Theosophical Society doen is wat de wereld op het uiterlijke gebied
zal doen. Of we het geloven of niet, wij zijn daarvoor verantwoordelijk.
In feite zijn we onze broeders hoeder.
Ter afsluiting wil ik nog het volgende zeggen. De meesten van u zijn
al vele jaren strijders in dit werk. U heeft veel ergere stormen meegemaakt
dan deze – ieder van u, en in het bijzonder diegenen die al heel
lang meedraaien. Ik wil u laten weten dat we u daar heel dankbaar voor
zijn. Hoeveel, hoe ontzettend veel hangt van u af – niet van wat
u fysiek doet, niet van wat u zegt of schrijft, maar van wat u innerlijk
bent, in uw hart, en we blijven daaraan eerbied betonen.
Ik wil u laten weten dat ik uw dienaar ben; en als u ergens over wilt
praten staat de deur altijd wijd open voor u. Ik wil met ieder van u
spreken omdat ik werkelijk uw dienaar ben en wil zijn; en indien u denkt
dat ik op een bepaald moment iets niet goed doe, laat het me weten,
en dan zal ik proberen er iets aan te doen.
In alle bescheidenheid zeg ik opnieuw dat ik de hulp van ieder lid
in dit samenwerkingsverband nodig heb, niet omdat we in een lastige
situatie zitten, maar omdat we een grootse taak hebben te verrichten,
en die zullen we verrichten. Dit zijn we verschuldigd aan alle mensen
die vóór ons voor de theosofie hebben gewerkt.
Ik denk dat dit alles is wat ik vanochtend te zeggen heb. Andere dingen
zal ik voor later bewaren. Aarzelt u alstublieft niet om met mij in
contact te blijven. Ik zal alles doen wat ik kan om dit werk vooruit
te helpen, en het aan het rollen te brengen. Dat is alles.
Dank u zeer.
Vergadering van leden in Los Angeles
‘Deodars’
Zondag, 1 april 1951, 15.00 uur
JAL: Dank u. Ik heb net gevraagd om een van de ansichtkaarten
die aan ieder van u zijn toegezonden, en ik begrijp dat men verwacht
dat ik iets over het toekomstige werk in de omgeving van Los Angeles
ga zeggen, maar omdat ik zie dat er hier veel mensen zijn die van buiten
Los Angeles komen, kan ik misschien beter eerst iets zeggen over het
werk in het algemeen, en de positie waarin we ons nu, theosofisch gezien,
bevinden. Ik houd er niet van om voortdurend naar mijn recente reis
rond de wereld te verwijzen, maar omdat ze dient als brandpunt of beginpunt
van zoveel gedachten die verband houden met de toekomst, lijkt dat toch
nodig te zijn.
Toen kolonel Conger me naar de verschillende nationale afdelingen stuurde,
gaf hij me bepaalde opdrachten die moesten worden volbracht om de grondslag
voor het toekomstige werk te versterken. Dat stelde ons voor een probleem.
Uit onze eigen ervaringen in de afgelopen jaren wisten we heel goed
wat de moeilijkheden in de verschillende afdelingen waren. Geen ernstige
problemen, maar zwakke punten wat betreft houding en werkwijze, zwakke
punten in de zin dat ze na enige tijd gevaarlijke struikelblokken voor
de toekomst konden vormen.
Er waren twee manieren om de omstandigheden in de verschillende nationale
afdelingen te verbeteren. Een manier was om de bevoegdheid die de leader
heeft te gebruiken en de afdelingshoofden te vertellen wat ze moeten
doen om hun zaken op orde te stellen. Indien ze het niet zouden doen,
dan moest daar wat aan worden gedaan. Op het eerste gezicht zou men
denken dat een soldaat, een ervaren soldaat zoals kolonel Conger, die
wist wat gezag was en hoe dit te gebruiken, deze weg zou volgen. Dat
deed hij nooit. Heel, heel zelden heb ik tijdens mijn samenwerking met
hem, en uit de informatie en kennis die ik heb verkregen over zijn ervaringen
vóór ik met hem samenwerkte, gehoord dat hij gebruikmaakte
van de aan hem toevertrouwde bevoegdheid om het juiste doel te bereiken.
Door deze niet te gebruiken, en met andere hulp van theosofische aard,
was hij in staat veel meer te bereiken.
Dat brengt ons bij het tweede alternatief om deze zwakheden in de verschillende
nationale afdelingen te verbeteren, en dat was om iedere afdeling de
kans te geven zelf de verbeteringen door te voeren. Niet door het ze
op te dragen, niet door ze te bekritiseren of ze te beschamen, maar
eenvoudig door ‘hardop met hen mee te denken’, open kaart
te spelen en eerlijk en oprecht elkaar in de ogen te kijken en te zeggen:
‘Wat denk jij dat we eraan zouden moeten doen? Dit zijn de gevaren.
Ze veroorzaken op dit moment geen grote moeilijkheden, maar dat zal
in de toekomst wel zo zijn. Wat denk jij dat je kunt doen om ze tegen
te gaan?’ En in alle gevallen deden ze zelf het werk, en dit doen
ze heel goed. In een van de landen die ik bezocht bijvoorbeeld, was
er een verschil van mening door persoonlijkheidsconflicten die al meer
dan 10 jaar duurden. Maar door de leden bij elkaar te brengen, zonder
vijandige gevoelens, en ze vanuit een theosofisch oogpunt hun verantwoordelijkheid
te laten zien, kwamen ze tot elkaar en doen ze heel goed werk.
Toen ik naar de Verenigde Staten terugkeerde, werd van mij verwacht
dat ik hiermee zou doorgaan en zaken van de Amerikaanse Afdeling met
haar bestuursleden zou bespreken. Het plan was om dezelfde werkwijze
te volgen. Dit werd tijdelijk onderbroken door het overlijden van kolonel
Conger.
In het belang van hen die het misschien niet weten, kan ik zeggen dat
één onderdeel van mijn opdracht van de kolonel was om
tijdens mijn reis rond de wereld de Esoterische Sectie in ieder land
te sluiten. Dat gebeurde ook. Dat gebeurde in de Verenigde Staten nadat
ik terugkeerde en vóór de kolonel overleed.
Na zijn overlijden, toen ik de taak kreeg om met het werk verder te
gaan tot het is volbracht, sprak ik met uw afdelingshoofd waarbij ik
de situatie uiteenzette, vervolgens schreef ik hem, zoals u allen weet,
en vroeg hem wat hij eraan wilde doen. U heeft allemaal de brieven ontvangen,
en wat de Amerikaanse Afdeling in dit geval heeft gedaan zal werkelijk,
dat weet ik zeker, de annalen van de TS-geschiedenis ingaan als een
van de opmerkelijkste voorbeelden van ware theosofische vooruitgang
die we ooit hebben gezien. Het lijkt misschien slechts papierwerk voor
mensen die het werk in Amerika bezien vanuit het oogpunt van reglementen
en charters – stukjes papier. Maar dat is geen theosofie. Theosofie
is het actief toewerken naar universele broederschap door alle leden
van de TS. Wat is universele broederschap? Praktische eenheid in verscheidenheid.
We zullen nooit eenheid in verscheidenheid krijgen en tot stand brengen
door alleen charters van nationale afdelingen, nationale reglementen,
regels en reguleringen, constituties, loge-reglementen, loge-charters
en branch-charters op te stellen. Het stukje papier is slechts een symbool.
Ik ben me evenals u ervan bewust dat we deze symbolen nodig hebben,
maar laten we niet toestaan dat de symbolen en onze gehechtheid eraan
tussen het echte werk dat vóór ons ligt komen. Het werkelijke
charter bevindt zich in het hart van ieder lid van de TS. Dat is het
ware charter: zijn werk voor de theosofie.
De Theosophical Society is ondanks haar 75-jarige bestaan nog steeds
een erg jonge organisatie. Ze is slechts een kind, maar de goden zij
dank is ze één eeuwovergang gepasseerd, en ze is hard
op weg om een andere eeuw binnen te gaan met veel meer kracht, en daarna
weer een nieuwe eeuw, enz.
We zijn nooit groot in aantal geweest, en zullen dat misschien, afgezien
van enkele uitzonderingen, nog eeuwenlang niet zijn. Maar wat zou dat?
Laten we realistisch zijn. We weten allemaal dat wanneer een spirituele
kracht, een werkelijk spirituele kracht die wordt uitgeoefend, doorbreekt
op het uiterlijke gebied ze een veel grotere uitwerking heeft dan haar
equivalent aan fysieke kracht. We moeten dus vooral werken met de kwaliteit
van onze gedachten en daden.
Wat ik over het werk in de omgeving van Los Angeles wil zeggen is,
tenminste wat principe betreft, van toepassing op elke andere omgeving,
op iedere loge of branch, en op elke studiegroep waar twee of drie bijeenkomen.
Als we de archieven erop naslaan zien we dat vanaf het eerste moment
dat een groep theosofen met elkaar probeerde samen te werken, niet alleen
aan de westkust in de omgeving van Los Angeles, maar ook in andere gebieden,
er zich af en toe moeilijkheden voordeden die zich allemaal rondom personen
afspeelden. Vaak veroorzaakt door een paar mensen, soms door meerdere
mensen, maar meestal een paar mensen die ontstemd of ontevreden of teleurgesteld
zijn omdat hun manier niet werd gevolgd, omdat ze dachten dat de dingen
op een andere manier hadden moeten gebeuren. Ik hoop dat u deze uitspraak
niet als kritiek opvat. Ik zie het niet zo. Integendeel, ik zie de problemen
die in Los Angeles door de jaren heen hebben bestaan als een uitdaging
en een kans.
Indien we proberen theosofen te zijn, dan lijkt het me dat we dit doel
van broederschap, van broederlijke gevoelens, te ver voor ons uit hebben
geschoven in plaats van het heel dicht bij ons te dragen. Het is in
feite helemaal niet zo moeilijk om samen te werken. Verscheidenheid
van meningen moet er zijn. Ik geef zelf geen cent voor een groep die
samenwerkt en die niet zo af en toe een goede botsing van meningen heeft.
Strijd echter voor de ideeën, niet voor jezelf. Het is altijd duidelijk
wanneer iemand voor zichzelf werkt en niet voor het werk. Indien tijdens
de voortgang van het werk iemand een idee heeft, luister er dan naar,
bespreek het, scheur het zo nodig aan flarden. Indien het een goed idee
is, zal het zijn doel bereiken. Het maakt me niet uit of het 90 tegen
1 is, het zal na verloop van tijd zijn doel bereiken als de oplossing
van het probleem met de juiste instelling wordt gezocht.
Het werken op basis van reglementen alleen is in het theosofische werk
een mislukking geweest. Daarover bestaat geen twijfel. Niemand kan aangeven
waar het wel heeft gewerkt, omdat de theosofie niet wordt bestuurd door
een of andere organisatorische vorm maar in alle omstandigheden door
de waarheid. En wanneer we zeggen dat de meerderheid beslist, dan geldt
dit alleen voor het moment dat ze die gelegenheid, die strijd, wint,
en dan is het voorbij en betaalt theosofie maar al te vaak de prijs.
Bespreek de dingen, discussieer erover zoveel u wilt, maar ik zou graag
zien dat u hetzelfde experiment uitprobeert dat ik in één
van onze nationale afdelingen uitprobeerde, en dat nu heel goed werkt,
en dat is: doe niets in het werk voor de theosofie tenzij het besluit
unaniem is. Of het nu een jaar duurt, of tien jaar – ik hoop dat
het niet zo lang duurt – bespreek de situatie openhartig, stel
de theosofie boven alles, koester de hoop en het motief in uw hart om
datgene te doen dat het beste voor de theosofie is, en dan zult u altijd
erin slagen om met algemene instemming het juiste antwoord te vinden.
Dit is veel gevraagd om zo plotseling uit te proberen. Maar ik ben
ervan overtuigd dat het zal werken. Ik denk dat ieder van ons, meer
dan eens, spontaan, zonder uitgewerkt plan, in naam van de theosofie,
met twee, drie of vier mensen bij elkaar zijn gaan zitten om over theosofie
te praten, en daar zo’n sterke opwelling voelde, zo’n krachtige
instroming van spirituele kracht vanuit de atmosfeer van ‘twee
of drie die bij elkaar komen in naam van de theosofie’, dat u
het niet in de juiste woorden zou kunnen omschrijven. Dit is precies
wat meester Jezus zei: ‘Waar twee of drie bijeen zijn in mijn
naam, daar ben ik in hun midden.’ De occulte wetten die met alles
verband houden, zijn onaantastbaar; en waar twee of drie bijeen zijn
om in de juiste geest over theosofie te praten daar is de logekracht
aanwezig en niets kan haar tegenhouden – niets. Het doet er weinig
toe wie de mensen, de persoonlijkheden zijn. Indien ze elkaar in de
juiste geest ontmoeten, zullen ze de kracht van de Loge aantrekken.
Ik heb geen voorstellen voor het werk in Los Angeles, maar ik heb een
gedachte die ik u wil meegeven om over na te denken, over te slapen,
over te discussiëren, en dan zullen we er samen nog eens over praten.
Ik wil graag dit experiment uitproberen: om de groepen in de omgeving
van Los Angeles voort te zetten als studiegroepen in hun eigen respectieve
omgeving, op hun eigen manier, zoals ze tot nu toe steeds hebben gedaan,
zo goed ze kunnen voor de theosofie te werken, zonder charter. Wanneer
u vervolgens voelt dat u zover bent, en nadat u het opnieuw heeft doorgesproken,
zou ik graag willen dat iedere studiegroep in die omgeving, ieder lid
ervan, unaniem een aanvraag voor een branch-charter indiende, voor één
branch, in Los Angeles.
Misschien ben ik een dromer. Ik weet het niet, maar ik denk het niet.
Indien u nadat u erover heeft nagedacht het wilt proberen, zullen we
hier aan het hoofdkwartier alles eraan doen om het tot een succes te
maken – niet alleen om maar één branch in Los Angeles
te hebben waar veel verschillende persoonlijkheden met elkaar samenwerken.
Dat is belangrijk en zou mooi zijn en ik ben er zeker van dat het mogelijk
is. Maar ik denk vooral aan de theosofie en de belangstellenden, om
theosofie in de hoofd- en zijwegen van Los Angeles, en het district
Los Angeles, te krijgen, en haar niet voor onszelf te houden terwijl
we zeggen: ‘Dit is van ons. We doen het op deze manier en u kunt
het niet krijgen.’ Dat is geen theosofie. Dit zeg ik niet als
kritiek. Het is mijn oprechte wens dat deze broeikas van pseudo-occultisme
wordt geraakt door een werkelijke vonk van goddelijke theosofie, van
ware theosofie. En dat kunnen we bereiken. Maar er is slechts één
manier waarop we dit met succes kunnen doen, en dat is eendrachtig.
Ik weet dat bepaalde persoonlijkheden niet met elkaar overweg kunnen.
Dat is niet onnatuurlijk en niemand wil twee persoonlijkheden daartoe
dwingen. Het maakt me niet uit als er twee tot zes studiegroepen in
dezelfde straat zijn, als ze maar eens in de twee maanden, of wat ze
ook mogen afspreken, allemaal bij elkaar komen in een centraal punt
en werkelijk voor de theosofie, voor de belangstellenden werken, en
een openbare bijeenkomst houden, niet als een vereniging van loges,
niet als studiegroepen met charters, maar als een verenigde branch.
Haast u langzaam, maar doe het degelijk, en u zult ontdekken dat het
werkt. We zullen u slechts zolang helpen tot u op uw eigen benen kunt
staan, want we willen niet het werk voor iemand anders doen. Het idee
is om het in gang te zetten en de eenheid tot stand te brengen voor
het enige dat telt: de verspreiding van de theosofie. Wanneer de verschillende
persoonlijkheden allemaal op een natuurlijke manier samenwerken, en
niet op een voorgeschreven wijze, dan zal de werkelijke broederschap
die we verkondigen een feit worden. Wanneer die eenheid in één
centrum bestaat, zal ze zich verspreiden omdat ze niet iets negatiefs
is maar een positieve kracht, en werkelijke resultaten zullen volgen.
Ik vraag u niet het te doen. Ik vraag u erover na te denken, erover
te slapen. Indien het idee u aanspreekt, zullen we de details bespreken.
Indien u er niets voor voelt, indien het idee u niet aanspreekt, kom
er dan ook over praten, en dan zullen we proberen een andere oplossing
te vinden. Maar ik denk niet dat ik te veel verwacht door te geloven
dat we in de toekomst in het gebied rond Los Angeles een eenheid zullen
zijn.
Ik wil in dit werk voor de theosofie zo praktisch en eenvoudig mogelijk
zijn. Op die manier komt haar boodschap overal over. Dat is waar de
kolonel aan heeft gewerkt; te proberen al deze gekristalliseerde opvattingen
die mensen jarenlang hebben gehad, dat je theosofie alleen in een mooi
pakje met een blauw lintje eromheen kunt krijgen, te doorbreken. Theosofie
komt door bittere ervaring, maar wanneer we haar op die manier verkrijgen,
dan beginnen we haar in praktijk te brengen. We krijgen de ene na de
andere beproeving. We krijgen geloftekoorts, we raken in verwarring,
we raken verblind. Kolonel Conger was een heel wijs man. Hij wist wat
hij deed. Nu op dit moment – een heel belangrijk moment –
gaan we door een periode waarin ieder lid van de TS op dit punt van
de theosofische geschiedenis door het natuurlijke karma wordt gedwongen
zijn denkgroeven af te breken, door het hersenverstand heen te breken
naar de kern van de dingen, en zijn intuïtie in te schakelen.
Wat is het belangrijkste doel van onze individuele inspanningen bij
onze bestudering van de theosofie? Wat precies? We zijn in het vijfde
wortelras. We gaan over naar het zesde. Maar in de gemiddelde mens is
heel weinig van het vijfde beginsel geïncarneerd, zelfs aan het
einde van zijn leven. Want in ons evolutiestadium zien we dat het heel
moeilijk is om met ons hart te denken. In zekere zin is dit niet onze
schuld. Het is iets algemeens, omdat we de denkgroeven, gekristalliseerd
manas, nog moeten doorbreken vóór we het volgende beginsel
in ons dagelijks leven beginnen te ontwikkelen en gebruiken. Dat beginsel,
het zesde, is intuïtie. Dat is de reden dat theosofen zo’n
heel moeilijke tijd doormaken wanneer ze werkelijk oprecht zijn en hard
werken, omdat de intuïtie dan ook het uiterste van ons vergt terwijl
ze probeert door het denken van de aspirant heen te breken. U herinnert
zich het verhaal van Peer Gynt: hij ging op zoek naar geluk, maar kon
het nergens vinden, en terwijl hij op weg naar huis was, kwam hij door
het bos. Iemand viel hem aan, maar hij kon zijn belager niet zien, maar
de belager kon hem wel altijd zien. Het is dit soort strijd die zich
bijna voortdurend afspeelt in een werkelijk aspirerende theosoof. Zijn
intuïtie zegt dit en zijn hersenverstand iets anders – wat
is juist, wat is de waarheid? Het is een moeilijke taak, en we maken
allemaal fouten, ieder van ons. Maar de grote moeilijkheid van de ware
theosoof ligt niet bij zijn theosofie, maar bij wat hij eraan doet wanneer
hij een fout maakt. Het is het beste om de fout in te zien en haar eerlijk
toe te geven. Dat is het moeilijkste om te doen, maar wanneer het wordt
gedaan, vindt er een instroming van spirituele kracht plaats die ons
sterker maakt voor de volgende beproeving. We falen misschien herhaaldelijk,
maar het is nooit een mislukking als we blijven proberen. Dat is het
punt waar wij in deze beweging, waar ieder lid van de TS door de wijsheid
van de goden, en van de kolonel, op onszelf zijn aangewezen, waar zijn
hart meer voor hem moet denken dan zijn verstand. Het is moeilijk, en
sommigen zullen een tijd lang fouten maken. Maar ze zullen ze inzien,
en dan zullen ze vooruitgang boeken en er sterker door zijn geworden.
Vooral het werk is belangrijk, en als we het werk – ik bedoel
het echte werk van de meesters dat de bescherming en vooruitgang van
de hele mensheid omvat – als voornaamste doelstelling aanhouden,
dan zal deze eenheid in de verscheidenheid van gedachten en moeilijkheden
ervoor zorgen dat we werkelijk wonderen verrichten. Ik weet dat we het
kunnen. Dit zijn niet slechts woorden. De kracht van 97 procent van
de leden in deze Society stroomt over mijn bureau, en is zo dynamisch
en krachtig dat ik iedereen uitdaag om hier twee uur lang te zitten
zonder zo aangedaan te worden dat hij de sterkte en kracht van dit werk
op een nieuwe manier zal zien. Hij zal beseffen dat hij nooit eerder
zo’n ervaring heeft gehad.
Dank u allen voor uw komst. Diegenen van u die het nieuwe hoofdkwartier
nog niet hebben gezien, zijn welkom om te doen alsof u thuis bent en
de gebouwen en het terrein te bekijken. Het is mijn oprechte wens dat
we elkaar opnieuw zullen ontmoeten en in de toekomst in de gelegenheid
zijn om hier in Deodars bijeen te komen.
Verslag van de Kabinetsvergadering
3 april 1951
De Kabinetsleden van de Theosophical Society kwamen bijeen in de woning
van de leader, 75 North Grand Avenue, Pasadena, op dinsdagavond om 19.30
uur, 3 april 1951. De volgende leden waren aanwezig:
A. Studley Hart
Martha R. Conger
Lawrence Merkel
Marion O. French
Kirby Van Mater
Grace Frances Knoche
Hazel S. Minot
Ook aanwezig was de leader van de TS, James A. Long
JAL: Ik heb het Kabinet gevraagd om vanavond bijeen te komen
om het werk te bespreken, en Studley heeft hierover een brief die het
uitgangspunt voor deze bespreking verschaft. Wil je hem voorlezen, Studley?
A. Studley Hart: Dank u. Ik ontving vanmiddag het volgende bericht:
3 april 1951
Aan de Kabinetsleden van de Theosophical Society:
Ik zou het op prijs stellen als er zo snel mogelijk
een Kabinetsvergadering plaatsvindt om een aantal punten te bespreken
die verband houden met het werk van de Society en haar ontwikkeling
in de toekomst.
Het belangrijkste punt is de wenselijkheid om zo
spoedig mogelijk een algemeen congres van de TS bijeen te roepen.
Getrouw de uwe,
James A. Long
Ik wil dhr. Long graag vragen om zijn gedachten die hierin tot uitdrukking
zijn gebracht aan de Kabinetsleden toe te lichten.
JAL: Ik heb om een Kabinetsvergadering gevraagd zodat ze haar
taak kan vervullen in overeenstemming met lid 5 van artikel 7 van de
Constitutie die luidt:
‘Het Kabinet heeft tot taak de leader behulpzaam te zijn bij
het bekendmaken en vaststellen van de maatregelen en richtlijnen die
voortvloeien uit zijn ambt van leader.’
Ik heb een beroep op het Kabinet gedaan om dit punt met mij te bespreken
op grond van de dingen die ik heb waargenomen op mijn reis rond de wereld
voor kolonel Conger, en op grond van de enorme hoeveelheid reacties
die sinds zijn overlijden zijn binnengekomen, en de grote stuwende kracht
en de verzoeken van leden over de hele wereld.
Wij die op dit moment gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het welzijn
van de TS moeten proberen om van het hoogtij gebruik te maken, en de
wereld in het algemeen te laten profiteren van de werkelijke betekenis
van de theosofie voor de wereld. Het oorspronkelijke programma is zoals
we allen weten: bijdragen aan de vooruitgang van de mensheid; en zonder
onszelf op de borst te kloppen weten wij als theosofen wat die verantwoordelijkheid
inhoudt.
Toen ik langs alle nationale afdelingen ging was ik diep onder de indruk
van de ernst waarmee de leden die verantwoordelijkheid op zich hebben
genomen en ervan doordrongen zijn. En op dit moment onder de huidige
omstandigheden in de wereld denk ik dat we het aan onze leden verschuldigd
zijn om ze alle hulp te geven die we kunnen bieden, vooral omdat we
haar tot een samenwerkingsverband hebben uitgeroepen. Daarom denk ik
dat we niet langer moeten wachten om op grond van artikel 10 van de
Constitutie een Congres van de Theosophical Society bijeen te roepen.
De voorzitters van de nationale afdelingen zijn de algemene bestuursleden
van de Society, en door zo’n algemeen congres bijeen te roepen,
kan een verslag van mijn bevindingen in alle nationale afdelingen die
ik vóór kolonel Congers overlijden heb bezocht, worden
gepresenteerd, en ook een volledig verslag van wat sinds die tijd heeft
plaatsgevonden, door te vertellen over onze voortgang in deze korte
maar belangrijke tijd. Op deze manier zullen we de gelegenheid hebben
om bij elkaar te komen en, geleid door zoveel kracht als we kunnen aantrekken,
een belangrijke en werkelijke inspanning te verrichten voor het welzijn
van de mensheid die echt is vanuit het standpunt van wat wij als leden
van de TS eraan kunnen doen.
Ik zou graag de steun krijgen van het Kabinet in de vorm van een formeel
voorstel waarin wordt gevraagd om zo’n Congres met mij; ik heb
het gevoel dat het samenwerkingsverband dat werd ingeluid hier begint,
en zich verspreidt door alle fasen en aspecten van de Theosophical Society.
Ik zou graag zien dat het Congres binnenkort wordt gehouden. Ik zou
graag zien dat het in Nederland wordt gehouden om de praktische reden
dat het gemakkelijk zou zijn om de afgevaardigden, voorzitters van de
afdelingen, van de andere Europese afdelingen met de laagste kosten
en het minste ongemak voor henzelf daarheen te laten komen. En als we
een datum kunnen kiezen, wil ik de eerst mogelijke datum voorstellen,
zo ongeveer binnen tien dagen vanaf nu, laten we zeggen 14 en 15 april.
De Constitutie geeft ons het recht, en het precedent geeft ons het
recht, om de afgevaardigden aan te wijzen, en uit de Constitutie blijkt
duidelijk dat de algemene bestuursleden de verantwoordelijke personen
zijn: (1) omdat ze werden gekozen door de leden in de respectieve landen;
en (2) omdat hun selectie op de juiste manier is goedgekeurd op basis
van de Constitutie. We kunnen geen betere vertegenwoordigers kiezen
om dit soort dingen te bespreken. Het zal van grote betekenis zijn voor
de komende jaren, voor het werk van de TS, haar versterking en haar
werkelijke plaats in de wereld. Ik denk dat dit u een beeld geeft van
wat ik in gedachten heb. Dus, meneer de voorzitter, nu is het uw beurt.
Dhr. Hart: Heeft iemand uit het Kabinet iets te zeggen vóór
we een resolutie opstellen?
Lawrence Merkel: Ik denk dat het beslist een gelegenheid en
kans van het allerhoogste belang is.
Kirby Van Mater: Ik denk dat we dit plan moeten uitvoeren
in de geest van het verzoek en zo dicht mogelijk bij de datum die door
de leader werd genoemd. Ik zou graag willen dat iemand die het goed
kan formuleren een voorstel indient.
Dhr. Hart: We kunnen het nog even bespreken vóór
we proberen het te formuleren.
Kolonel French: Indien ik een verzoek mag indienen om mijn
opmerkingen niet te notuleren behalve dat ze instemmen met het plan,
dan zal ik mijn persoonlijke mening erover geven.
Dhr. Hart: Ze zullen niet worden opgeschreven.
[Kolonel French maakte toen een aantal interessante opmerkingen die
het idee volledig ondersteunden.]
Dhr. Hart: Wil iemand een voorstel indienen met betrekking
tot het voorstel van de leader?
Dhr. Merkel: Ik stel voor om de volgende resolutie aan te
nemen:
Er is besloten dat er een algemeen
congres van de Theosophical Society wordt gehouden op 14-15 april
in Nederland om het werk en de toekomstige voortgang van de Society
te bevorderen;
Verder is er besloten dat de nationale
voorzitters, of de door hen aangewezen vertegenwoordigers of gemachtigden,
de afgevaardigden voor het Algemene Congres zullen zijn; en verder
dat de secretaris-generaal gemachtigd wordt om het Algemene Congres
te organiseren.
Dhr. Van Mater: Ik steun het voorstel.
Dhr. Hart: De resolutie kan nu worden besproken.
Mw. Minot: Ik onderschrijf haar van harte.
[De voorzitter riep toen op tot stemmen, en de resolutie werd unaniem
aangenomen.]