Inhoudsopgave   

 


Bijeenkomst in Zwolle

22 april 1951 – 14.00 uur

J.G. Crabbendam, algemeen voorzitter
dr. H.F. Grondijs, dagvoorzitter
Jan Hoogervorst, vertaler


 

De bijeenkomst wordt geopend met een inleiding in het Nederlands door Crabbendam, die de leden welkom heet.

dr. H.L. Grondijs: Hierbij heten we de leader, Mw. Knoche, Kirby Van Mater en Crabbendam van harte welkom. U bent degene die ons hier in het noordoosten van het land heeft bijeengeroepen, en daarom wil ik u in de gelegenheid stellen ons toe te spreken.

JAL: Dank u, in de eerste plaats voor deze werkelijk prachtige verwelkoming. Ik denk dat ik nu beter begrijp waarmee de mensen op het congres in Utrecht te kampen hadden toen we als voertaal Engels kozen, omdat ik op dit moment geen flauw idee heb waarover [in het Nederlands] is gesproken! Maar ik zal niet vragen het te vertalen.

Op het congres deelde ik mee dat ik alle loges in Nederland de gelegenheid wilde geven kennis met me te maken. Daarom vroeg ik om deze bijeenkomstenreeks door heel Nederland te houden, om voor zover de tijd het toelaat elkaar te leren kennen en ‘hardop met elkaar te denken’. Die laatste uitdrukking gebruikte ik in mijn theosofische werk met kolonel Conger nogal vaak, en ik heb de grote waarde ervan ondervonden. In de jaren dat ik samenwerkte met de kolonel, die volgens mij de grootste occultist was die we ooit hebben gehad, waren er bijvoorbeeld momenten dat ik persoonlijke problemen had, of problemen in mijn werk voor de theosofie, en dacht alles te hebben gedaan om een oplossing te vinden maar die toch niet vond. Toen kwam op een dag het idee bij me op de kolonel te vragen of hij er bezwaar tegen had als ik ‘hardop met hem dacht’. Hij zei: ‘Nee, ga je gang’, en dat deed ik. Vanaf dat moment gebeurden er, telkens als ik hardop met hem dacht, één van drie dingen. Als ik bij het oplossen van een probleem niet zover was gegaan als dat ik volgens hem had kunnen gaan, had hij de gewoonte, nadat ik was uitgesproken, alleen maar met zijn ogen te glimlachen en geen woord te zeggen. Later ontdekte ik dat hij dan in werkelijkheid tegen me zei: ‘Jongeman, ik zou er nog maar eens wat dieper zélf over nadenken.’ En dan ging ik weg en dacht nog wat verder erover na. Telkens als ik diep genoeg had nagedacht om een beetje hulp bij het oplossen van het probleem te krijgen, vertelde hij me een verhaaltje, bijvoorbeeld een ervaring uit zijn leven, of een bepaalde gebeurtenis uit de Frans-Pruisische oorlog of een ander historisch voorval, waarin en waarachter de sleutel tot het antwoord op mijn probleem was te vinden, maar het was aan mij om die te ontdekken. Dat was het tweede wat kon gebeuren. Het derde was dat, als hij mijn denkvermogen werkelijk wilde beproeven, hij niet enkel één verhaal vertelde dat één antwoord gaf, maar twee verhalen; en het tweede gaf het tegengestelde antwoord. Ik moest zelf maar uitvinden welk antwoord het juiste was. Maar hij gaf me nooit rechtstreeks antwoord.

Vóór ik in 1939 de eerste keer naar Washington ging, had ik in Alexandria in Virginia wat administratief werk gedaan voor een autohandelaar die een zeer ruwe klant was maar toch ook iets goeds in zich leek te hebben. Hij was, zoals we in Amerika zeggen, ‘as crooked as a dog's hind leg’ [d.w.z. oneerlijk en onbetrouwbaar]. Nu dacht ik in mijn jong theosofisch enthousiasme dat ik moest proberen iets voor die man te doen, maar ik ontdekte algauw dat er gevaar schuilt in de plicht van een ander want, hoewel ik deed wat volgens mij goed was, kreeg ik van hem geen waardering en begrip, en niet de mogelijkheid iets in zijn houding te veranderen, maar juist het tegenovergestelde – en ik voelde me gekwetst. Op een avond ging ik naar de kolonel, want ik voelde me er nogal terneergeslagen door omdat ik met heel mijn hart had geprobeerd die man een beetje te helpen, en vertelde hem deze geschiedenis, en ik geef eerlijk toe dat ik verwachtte tenminste een waarderend woord te horen omdat ik een goede daad had proberen te verrichten maar dit niet was gelukt. Maar in plaats daarvan luisterde de kolonel zeer geduldig tot ik klaar was. Ik wachtte op een waarderend woord en na enkele ogenblikken kreeg ik het! Er blonken lichtjes in zijn ogen toen hij naar me keek en zei: ‘Jongeman, je vergeet dat er zoiets als karma is.’ Ik ging dus nooit meer naar de kolonel om waardering te ontvangen.

Daarom ben ik hier, om samen met u hardop te denken en u te leren kennen. Als we van plan zijn een werkelijk samenwerkingsverband tot stand te brengen, moeten we elkaar wel leren kennen. Nu weet ik dat de persoonlijkheden van de leaders uit het verleden nogal verschillend waren, en al met al verschillen ze weer aanzienlijk van mijn persoonlijkheid. En ik ga ervan uit dat het op het ogenblik uw karma en dat van de TS en mijzelf is dat u met iemand moet werken die enigszins andere ervaringen in het leven heeft gehad dan een aantal van de vroegere leaders. Ik heb hierover veel nagedacht. U heeft allen de verslagen van de kabinetsvergaderingen gelezen, en ik zou een grote dwaas zijn als ik niet probeerde het karmische draaiboek te lezen waarover ik op het congres sprak.

Ik ben niet bezig me voor mijn persoonlijkheid te verontschuldigen, maar ik doe het enige natuurlijke en dat is proberen te zien hoe ik mijn persoonlijkheid op de best mogelijke wijze kan inpassen in de verantwoordelijkheden die we allen in dit samenwerkingsverband hebben. En ik wil dat u allen weet dat ik geen speciale training heb gevolgd in de vorm van een studie of een of andere speciale cursus om me op deze taak voor te bereiden. De voorbereidende cursus die ik heb gevolgd, volgde ik bij wat ik zou willen noemen de universiteit van het leven. En vóór ik wist dat er zoiets als een Theosophical Society of theosofie bestond deed ik sommige klassen van die school denk ik een half dozijn keer, omdat ik telkens bleef zitten en het jaar weer moest overdoen, en zo gaat het in het leven. Ik zeg dit eerlijk om u te laten weten dat ik voel – zoals ik in die kabinetsvergadering, die beroemde kabinetsvergadering, zei – dat vanaf nu de leader ‘één onder gelijken’ zal zijn, en niet per definitie ‘de eerste onder gelijken’, zoals geloof ik de Latijnse uitdrukking luidt.

Het werk van de Society en de leden ervan is om vanaf nu de theosofie echt naar de hoofd- en zijwegen van het leven te leiden. We zullen mislukken, volledig mislukken, als we de theosofie dicht tegen ons aan proberen te houden en zeggen ‘dit is van ons’, en alleen maar met dat in gedachte werken, en daarbij de verstandelijke, devotionele en praktische aspecten zoveel mogelijk alleen voor onszelf aanwenden. In werkelijkheid zijn we het omslagpunt gepasseerd: van het ontvangen van theosofie naar het geven ervan. En als we haar geven doen we dat niet alleen in woorden en daden, maar geven we een deel van onszelf aan ieder die we ontmoeten – niet door opzettelijk tegen meneer Jansen of mevrouw Pietersen te zeggen: ‘Omdat ik theosoof ben wil ik je een deel van mezelf geven, en ik wil dat je dit beseft.’ Dat zou afschuwelijk zijn. Maar eenvoudig door het voorbeeld dat we geven en in ons hart en bewustzijn volgen, zal ons licht schijnen en het hart en bewustzijn van hen die we ontmoeten aantrekken. Dat bedoel ik met de theosofie naar de hoofd- en zijwegen van het leven leiden.

In dit proces van elkaar leren kennen zou ik willen dat u zich allen zo informeel mogelijk gedraagt. Zie dit niet als een officiële vormelijke bijeenkomst. Niet dat ik bedoel dat u dit doet, maar voel u vrij en aarzel niet, zelfs als ik aan het praten ben, om uw hand op te steken als er een gedachte bij u opkomt. We gaan vanmiddag echt samen met elkaar praten. [Direct wordt er een hand opgestoken]

Niemeijer: Toen u het over de hoofd- en zijwegen had, moest ik denken aan uw laatste boodschap voor de aanwezigen in Utrecht [op het congres] toen u over de meesters sprak en zei dat ze hun individuele sympathieën en gevoelens van voorkeur en afkeer hebben. Mijn vraag is: is dat niet een beetje gevaarlijk?

JAL: Ik wil deze meneer voor zijn vraag bedanken, omdat die precies de kern raakt van een principe dat zich op dit moment doet gelden. Om te beginnen hebben velen van ons verkeerde voorstellingen – of misschien niet verkeerde, maar geen volledige – van hoe de meesters te werk gaan, en hebben zich niet gerealiseerd dat zij, ondanks hun hogere positie in de rangorde, gewoon mensen zoals u en ik zijn die alleen veel verder zijn geëvolueerd. En dit raakt de directe kern van onze taak om wat onze theosofie betreft realistisch te zijn en op een praktische manier te werk te gaan. Toen een van de meesters in een brief aan Sinnett in essentie schreef ‘zelfs wij verkiezen de ene persoonlijkheid boven de andere’, zei hij daarmee dat, hoewel ze begrip, waardering en sympathie voor iedereen hebben, ze zich toch van nature meer tot de een dan tot de ander voelen aangetrokken.

Er heeft zich door de jaren heen in onze Society de opvatting ontwikkeld, en ik denk dat ik weet waardoor die is ontstaan, dat we de zwakheden en tekortkomingen van anderen moeten negeren. Dat is niet juist. Als we de fouten die we in anderen en onszelf ontdekken negeren, zou er nooit enige werkelijke innerlijke vooruitgang zijn. Nooit. We worden gewaarschuwd anderen nooit te veroordelen, en dat moeten we ook niet doen. Maar aan de andere kant is het ons wel toegestaan hun daden te veroordelen, en dat maakt een groot verschil. Ik ken de basis of grondslag van uw vraag niet, maar als wij in de Theosophical Society, die de theosofie van de meesters serieus nemen, in onze stad hetzelfde deden en de hele politiemacht zouden ontslaan en zeggen: ‘Dit is een broederschap. Doe uw deur niet op slot. Dit is een broederschap.’ – dan zou dit naar mijn mening belachelijk zijn. Het zou voor ons als theosofen, die de kracht van de Grote Witte Loge en het werk van deze Society beseffen, daarom even belachelijk zijn als te proberen de negatieve daden van zelfs onze dierbaarste vrienden te negeren.

Ik zou graag deze gedachte eraan willen toevoegen. Meester Jezus – en dit is werkelijk een van de waardevolste occulte waarheden die u in enig heilig geschrift zult vinden – zei tegen zijn discipelen en de menigte: ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard’ [Mattheus 10:34], en hij zei vervolgens ‘Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder, . . .’ [Mattheus 10:35] enz. Laten we dit niet te letterlijk opvatten, maar in zijn innerlijke betekenis. Het betekent eenvoudig: wanneer vanuit dat grote krachtreservoir van de meesters, vanuit de Grote Witte Loge, de kracht van kennis en begrip en waarheid het hart van een mens binnenvloeit, gebeurt er iets. Hij wordt een ander mens, en de enige reden waarom die kracht er binnenvloeide is omdat hij die door zijn goedheid heeft aangetrokken, door de kwaliteit van het werkelijk theosofische in zijn karakter. En wanneer dit bij iemand gebeurt, zegt het leven onmiddellijk: ‘bewijs het’; u kent de waarheid, u beseft die, en ‘bewijs het’ nu maar – niet aan meneer Pieterse of mevrouw Klaassen, zelfs niet aan de meesters, maar het leven vraagt van u het aan uw hogere zelf te bewijzen en bereidt de weg om dat te bewerkstelligen. Wanneer we dus sterk genoeg zijn om zo onze overtuiging te ‘bewijzen’ zullen we geen compromissen met de waarheid sluiten.

We zullen veel van onze mooi-weervrienden, om ze zo maar te noemen, verliezen. Ik bedoel dit alles niet onvriendelijk, maar ik wil deze praktische gedachte naar voren brengen omdat er zich ontelbare gelegenheden voordoen waarbij we óf compromissen sluiten óf vastberaden de ware lijn van werkelijk theosofisch streven en denken blijven volgen. En dit door individuele leden van de TS in hun hart en denken sluiten van compromissen is wat het grootste deel van de moeilijkheden heeft veroorzaakt. Het is zo eenvoudig als het maar zijn kan en ik denk niet dat er hier iemand in deze zaal zit die niet de volgende ervaring heeft gehad: we weten dat iets waar is, we zijn een morele waarheid gaan inzien, maar toch blijft het moeilijk die in de gewone aangelegenheden van het leven te laten doorklinken en in praktijk te brengen. En vooral in onze jeugdjaren als theosoof hebben we ervaren hoe noodzakelijk het is aan die waarheid trouw te blijven, en toch zeggen jaren van ervaring in het verleden, lange jaren van gewoontevorming, ons: ‘Ach, het maakt toch eigenlijk niets uit als ik het gewoon toch doe, als ik gewoon een beetje toegeef’, en dan doen we dat en elke keer wordt het gemakkelijker om een beetje meer te schipperen. En vóór we het weten zijn we weer terug bij waar we begonnen. Zodra u ook maar een beetje hiermee schippert, nemen de negatieve krachten die aan uw positieve voornemens tegenstand bieden hun kans waar, en doen dit vanaf dat moment in steeds sterkere mate.

Ik ben ver van de oorspronkelijke vraag afgedwaald, maar waarop dit alles neerkomt is dat men ten aanzien van zaken zoals de theosofie en het theosofische leven, en natuurlijk ook de Theosophical Society, geen compromissen kan sluiten. Ik kan nu evengoed openhartig zijn over een brief die zojuist is ontvangen, ik geloof door Fred Lindemans, en enige minuten voor deze bijeenkomst begon aan mij werd getoond. Dit is een volmaakt voorbeeld van het soort compromis, waarover ik spreek. Deze brief komt, naar ik begrijp van een groep Haagse leden, die een bijeenkomst hielden op de avond van de 18de en zoiets als een besluit of een verzoek samenstelden – en hoopten dat wij de brief hier op de bijeenkomst zouden openbaar maken en voorlezen – waarin staat dat zij hadden besloten te wachten om beslissingen te nemen in de TS tot ze de tijd hadden gehad om de omstandigheden in de TS sinds 5 oktober 1950 te bestuderen en te onderzoeken.

Ik zou in dit verband kort een analogie willen trekken die de belachelijkheid aantoont van deze manier om theosofische zaken aan te pakken. In de eerste plaats is de nieuwe cyclus van het werk van de Society aangebroken en was zelfs al aangebroken vóór kolonel Congers heengaan. Ze is en was begonnen. We zouden hier evengoed een petitie kunnen tekenen, ieder van ons, een lange petitie waarin staat: ‘Lieve God, houd alstublieft de zon tegen tot ik heb onderzocht wat er gisteren gebeurde, voordat u de zon laat terugkomen.’ Dit is net zo belachelijk. Ik bedoel dit niet als kritiek, omdat ze gezien vanuit een occult standpunt niet weten wat ze doen, ze weten werkelijk niet wat ze doen. Maar ze doen nu juist dat. Het is precies alsof iemand nadat een kind was geboren zou zeggen: ‘Laat het kind alstublieft niet geboren worden, ik kan het niet aanvaarden vóór ik de tijd heb gehad om de astrale vorm te onderzoeken waarin het is gegroeid.’ Dat is precies wat de brief uit Den Haag ons vraagt te doen. Ik herhaal, ik zeg dit niet als kritiek, maar om de onjuistheid te onderstrepen om een compromis te sluiten, niet alleen met de waarheid, maar met karma zoals dit zich van dag tot dag ontvouwt.

De nieuwe cyclus van het werk van de Society was al aangebroken vóór kolonel Conger stierf. Ze is en was aan de gang. Dit nieuwe tijdperk van de theosofische beweging begon toen kolonel Conger het leiderschap overnam, nam geleidelijk in kracht toe tot ze het punt bereikte waarop het hoofdkwartier werd verplaatst en heeft zich op een ruimere schaal voortgezet. Indien we ook maar enig vertrouwen in de meesters hebben, zouden we er niet aan denken ons te af te vragen wat er zal gebeuren, en vol twijfel en achterdocht gaan zitten afwachten. Toen de zon vanmorgen opkwam om ons vandaag licht te geven twijfelden we er ook niet aan dat hij dit zou doen. De voorwaartse beweging van deze Theosophical Society is nog steeds even stevig in het karma van onze beschaving geworteld als de zon in het karma van ons zonnestelsel.

Ik ben hierheen gekomen om u te leren kennen en met u over het werk te praten. Over het werk in Nederland heb ik verschillende ideeën die ik aan u wil duidelijk maken, en waarvan ik denk dat ze u werkelijk kunnen helpen als alles gaat zoals ik verwacht. Ik heb deze ideeën niet mooi op een rijtje in mijn denken, en begin dus maar met wat het eerste in me opkomt. In de eerste plaats zou ik willen dat in Nederland het voorlopige lidmaatschap wordt afgeschaft. In de Verenigde Staten hebben we dit volgens mij al in 1940 of 1941 afgeschaft. Indien de mensen die informatie willen of belangstelling tonen in Nederland er net zo over denken als bij ons in de Verenigde Staten, houden ze niet van de formele regel om 90 dagen als het ware ‘op proef’ te moeten voor ze volwaardig lid kunnen worden. Wat we veel liever zouden zien is het volgende: als een belangstellende er klaar voor is om lid te worden, wordt hij direct als volwaardig lid ingeschreven, maar vóór zo’n belangstellende uitgenodigd of gevraagd wordt toe te treden dienen wij als leden te proberen hem of haar zo goed mogelijk te laten begrijpen wat het lidmaatschap van de TS werkelijk inhoudt.

Wat is in de Society de werkelijke basis voor het lidmaatschap? Voor mij is het bijkomstige aspect van het lidmaatschap de mogelijkheid om te studeren en ons eigen karakter te verbeteren. Het hoofddoel is onze medemensen te dienen en deze, zoals de meesters haar noemen, ‘verweesde mensheid’ voort te helpen op de weg naar vooruitgang. En wanneer een individueel lid van de TS een besluit in die richting neemt, wordt hem door het leven gevraagd te laten zien wat dat besluit waard is. Indien we geloof hechten aan wat Judge en andere van onze leraren hebben gezegd, gaan we beseffen dat de zielen die nu incarneren aanzienlijk oudere zielen dan wij, of dan onze ouders of grootouders, zijn – natuurlijk met uitzonderingen. We hoeven maar naar onze kinderen, de jongsten van deze generatie, te kijken om dit te beseffen. In ons werk en ten aanzien van hoe we nieuwe leden denken te gaan werven kunnen we deze overweging niet naast ons neerleggen, want een groot percentage van de zielen die nu incarneren zijn oude zielen in het theosofische werk, die op zoek zullen gaan naar hun thuis om de draad weer op te nemen op het punt waar ze in het verleden waren gebleven. Ik denk dat het ons niet veel moeite kost in onze eigen gelederen diegenen te herkennen die binnen één, twee of drie jaar zijn binnengekomen en bijna als naar hun til terugvliegende duiven het doel van de werkelijke waarheid achter de theosofie vinden; terwijl anderen misschien vijf, zes of acht jaar naar datzelfde zoeken en dan nog steeds niet in staat zijn om die werkelijke waarheid te vatten. Dit is geen kritiek op de een of een werkelijke verdienste van de ander – aboluut niet, omdat we hen die het moeilijk vinden dienen te helpen, want het is mogelijk dat ze nog niet eerder, of nog maar kort, aan dit werk hebben deelgenomen.

Indien wij, zoals Judge zegt, bijvoorbeeld de Egyptenaren zijn – ik bedoel dit niet letterlijk – maar indien die cyclus van levensgolven in deze lange periode weer bezig is te incarneren, zoeken die zielen onder hen die verder gevorderd zijn een uitingsmogelijkheid voor hun verlangen om voor de mensheid te werken. Dit is geen fantasie, hoewel u het ook niet te letterlijk moet nemen. Voor mij is dat onze voornaamste taak, en wanneer we dit op de achtergrond van ons denken houden, zullen we wellicht een wat ander idee krijgen over het werken voor de theosofie en het aantrekken van nieuwe leden. Ook hier zal men vooral door het voorbeeld dat we geven worden aangetrokken, omdat deze zielen dit onmiddellijk zullen herkennen terwijl dat misschien niet door onze woorden zal gebeuren.

Ik wil niet zozeer uw persoonlijke mening horen, maar een algemene indruk krijgen of er serieuze bezwaren tegen het opheffen van het voorlopige lidmaatschap bestaan.

Niemeijer: Er zijn natuurlijk problematische situaties. Het komt in de praktijk voor dat er mensen zijn die graag lid van de Theosophical Society willen worden, terwijl er zich andere omstandigheden voordoen, en ze worden voorlopig lid. Ik ken enkele mensen in deze positie die al echt harde werkers zijn, en als ze nu plotseling worden tegengehouden zullen ze het contact verliezen. Als ze geen voorlopig lid mogen zijn, zullen ze niet kunnen zeggen dat ze van de Theosophical Society een beetje deel uitmaken.

JAL: Waarom willen ze geen . . .

Niemeijer: Ik weet dat er thuis grote problemen met zijn echtgenote zijn. Ze weet niets van de denkbeelden van de theosofie en daarom is ze ook niet erg enthousiast, maar hij doet heel veel. ‘Als je lid wordt, is dat het einde van ons huwelijk’ zegt ze tegen hem; en hij wil niet dat dit gebeurt.

JAL: Met andere woorden, u denkt dat hij met het voorlopige lidmaatschap ‘eronderuit komt’, zoals we dat zeggen: dat hij zijn theosofische werk kan doen en als hij alleen voorlopig lid blijft zijn vrouw zich niet ertegen zal verzetten? Ik denk niet dat het verstandig zou zijn een gedragslijn vast te stellen of beslissing te nemen op basis van een of twee van zulke gevallen, hoewel ik de positie van die man begrijp. Aan de andere kant zal het volgens mij niet van invloed op de omstandigheden zijn, omdat als er zich een bepaalde situatie in een loge in Zwolle of ergens anders voordoet, niets ter wereld de voorzitter ervan weerhoudt om te zeggen: ‘Best, we zullen die persoon helpen. We zullen hem in deze loge het voorlopige lidmaatschap geven.’ Laat hem dit in overweging nemen. Het zal wat de TS betreft geen echt voorlopig lidmaatschap zijn, maar er is niets wat u ervan weerhoudt om dat in een individueel geval als dit te doen. Maar pas op – er schuilt gevaar in andermans plicht! Ik ken het karma van die man niet, en ik hoef de omstandigheden ook niet te kennen. Het is voor hem misschien een van de grootste zegeningen als hij het volledige lidmaatschap krijgt. Ik weet het niet.

Dit brengt me op een ander punt: dat van regels, voorschriften, reglementen, enz. Ik zou graag willen dat alles soepel verloopt. Ik zou graag alles op basis van werkelijk theosofisch wederzijds respect willen zien – en ik hoop dat we dit overal in de TS kunnen realiseren –respect in innerlijke zin, niet door het bewijzen van lippendienst – dat leidt naar wat men in de Amerikaanse Afdeling vrijwillig heeft gedaan, en niets zou me gelukkiger maken dan te zien dat dit ook hier gebeurde. Men heeft alle reglementen, zowel nationale als die van de loge, volledig afgeschaft en werkt nu als theosofen samen. Als u het bijvoorbeeld nodig vindt een voorzitter te kiezen, zeg dan niet: ‘Hier is meneer A, en hier zijn meneer B en mevrouw C. We zullen stemmen en zien wie de meeste stemmen krijgt.’ Dat is niet verkeerd, maar ik denk dat we in de Theosophical Society – en ik praat nu niet over de wereld en over andere organisaties – deze methode zijn ontgroeid. Ik denk dat we die manier niet meer kunnen gebruiken. Ik denk dat als we tijdens ons werk voor de theosofie voor de beslissing komen te staan welke logevoorzitter we moeten kiezen, we bij elkaar kunnen gaan zitten om unaniem tot overeenstemming te komen. Indien u het niet op de eerste bijeenkomst eens wordt, breng het dan opnieuw op de volgende bijeenkomst ter sprake, en wanneer u het er dan allemaal over eens bent dat meneer A de voorzitter van de loge moet zijn, kies hem dan. Neem geen belangrijke of serieuze beslissing over theosofische aangelegenheden tenzij er eensgezindheid is. We zijn allen mensen ziet u, ook de meesters, en hebben daarom allemaal onze gevoelens van voorkeur en afkeer. Als de meerderheid op meneer A en de minderheid op meneer B stemt, heeft u een ontevreden en ongelukkige minderheid, en voor u het weet ontstaat er wat twijfel en wantrouwen tegenover meneer A, waarvoor de meerderheid stemde, en dan komen er praatjes en problemen en wordt er geen theosofisch werk gedaan. Daarmee zijn we in feite verder van huis dan toen we begonnen.

Dit zijn mijn gedachten over regels, voorschriften en reglementen ten aanzien van het leiden van het theosofisch werk en zelfs ten aanzien van de kwestie van functionarissen. Ik ben ervan overtuigd dat er nergens een groep serieuze theosofen is die niet met wijd open hart in hun eigen gelederen die ene mens kunnen herkennen die een goede logeleider is, want wat is per slot van rekening de voorzitter van een loge? Wat is de leader van een Theosophical Society? Als we hem op een voetstuk plaatsen als iemand die aan iedereen voorschrijft en vertelt wat er moet worden gedaan, vergissen we ons. Alles wat de leader, of het hoofd of de voorzitter van een loge, dient te zijn is een onpersoonlijk werktuig om de kanalen naar ieder individu binnen een loge of binnen de TS open te houden, zodat de theosofische kracht vanuit ‘de top’, vanuit de Grote Witte Loge, naar de wereld kan vloeien. Bij het kiezen van een voorzitter gaat het niet erom hoeveel hij over ronden en rassen, of over devachan en avichi, weet maar is het beleven van de theosofie het belangrijkste. En dat zal steeds belangrijker worden. In de mate dat we in de verscheidenheid van onze meningen een eenheid ontwikkelen, in de mate dat we een natuurlijke eenheid voor het welzijn van de mensheid laten ontstaan, in die mate zullen we steeds meer vanuit ‘de top’ aantrekken – en u zult verbaasd zijn over wat er in de stilte tot ons komt.

Vraag: Wanneer het voorlopige lidmaatschap is afgeschaft, kan iedereen die tot de loge toetreedt van esoterische zaken kennisnemen, en na daarvan kennis te hebben genomen is men niet aan een gelofte gebonden. Hoe moet ik dat zien?

JAL: Er zijn in deze tijd geen zaken die een loge kan bestuderen en bespreken maar die de hele wereld niet mag weten. Alle zogeheten esoterische leringen zijn op zeer, zeer weinige uitzonderingen na voor iedereen beschikbaar. Er is in GdeP’s geschriften meer openbaar gemaakt dan enig lid mogelijkerwijs volledig in zich zou kunnen opnemen. Er zijn enkele esoterische teksten van HPB en Judge, maar de onderwerpen hierin zijn alle door GdeP behandeld, al is het dan misschien niet op de wijze waarop zij dat deden. Alle esoterische leringen bestaan nu in feite in openbare vorm, en iedere loge is vrij ze op elke logebijeenkomst te bespreken.

Vraag: Volgens mij bestaan er enkele misverstanden over de relatie tussen het voorlopige lidmaatschap en de Esoterische Sectie.

JAL: De Esoterische Sectie is overal in de wereld gesloten, en zoals ik zei zijn alle esoterische leringen openbaar gemaakt. Maar, en dit is belangrijk, ieder lid van de TS heeft nog steeds de mogelijkheid tot esoterische training. De training zal zich voordoen in de vorm van wat Judge ‘de dagelijkse inwijding’ noemde. En de kenmerkende eigenschappen die de meesters zullen herkennen, zal ons streven zijn en de wijze waarop we onze theosofie in praktijk brengen en ervoor werken.

Naar de uitdrukking op uw gezicht te oordelen zie ik tot nu toe geen serieuze bedenkingen. Is dat juist? [Instemmend geknik] Binnen een groep bestaat er altijd, en hoort er altijd te bestaan, de flexibiliteit om met de individuele omstandigheden van die groep rekening te houden. Zodra we nationale of logereglementen hebben, beginnen we te verkrampen en onszelf beperkingen op te leggen, en dat is niet goed. Omdat elke groep haar eigen svabhava heeft zou ik graag zien dat ze met haar eigen natuurlijke svabhava werkt, en ik kan u verzekeren dat waar twee of drie in naam van de meester bijeenzijn de logekracht daar eveneens zal zijn. Alle denkbare regels en voorschriften kunnen niet het goede vervangen dat uit deze manier van theosofisch werken voortkomt. Het kan me niet schelen wat u aan het doen bent, een vlooienmarkt voor een goed doel organiseren of een picknick of wat dan ook: indien u in de ware theosofische geest bijeenkomt en slechts erop vertrouwt het beste antwoord te krijgen, dan zult u dit ook krijgen. Houd echter vast aan uw eigen idee en bespreek en verdedig dit, maar wanneer er in u een belletje rinkelt dat zegt ‘er is een beter idee’, laat dat van uzelf dan onmiddellijk los want we zoeken naar het beste idee. En de kracht en hulp die individueel en collectief vanuit de stilte komt is immens. Die kracht vloeit op dit moment door de TS. U heeft haar al herkend, ieder van u.

Ik denk dat we allen wel eens de werkelijke vreugde hebben ervaren van een niet geplande, niet georganiseerde bijeenkomst die zomaar ontstond zonder dat iemand er moeite voor deed, waarbij we spontaan uitriepen dat we het zelf niet zó goed hadden kunnen organiseren. Dat is waar deze manier van werken op neerkomt.

Als derde punt zou ik graag zien dat elke loge in de TS rechtstreeks met het hoofdkwartier is verbonden en een branch wordt – zoals in de tijd van Judge – natuurlijk op een andere manier maar volgens hetzelfde principe; een branch die direct met het hoofdkwartier is verbonden en waarbij de belemmeringen en organisatiestructuur van de nationale afdeling volledig worden uitgeschakeld. Voor Nederland of welk ander land ook zal het geen verschil in de voortgang van het werk betekenen, behalve dat de loges rechtstreeks met het hoofdkwartier zijn verbonden en de afdelingsfunctionaris – er zal er maar één zijn – door de leader wordt benoemd, en dat zal een nationaal-secretaris zijn. Verder zal de nationaal-secretaris een ondersteunend team moeten hebben om hem met het werk te helpen. Het zal in Nederland niet een formeel nationaal bestuur zijn, maar een werkcommissie waarvan de samenstelling indien nodig kan worden gewijzigd en afgestemd op de uiteenlopende omstandigheden, zodat er nergens verstarring ontstaat. Er zullen natuurlijk zoals nu een secretaris en penningmeester zijn, maar geen officiële reglementen om u druk over te maken. De nationaal-secretaris zal door de leader worden benoemd, en in overleg met hem en anderen zal er een werkcommissie zijn om hem te helpen. Ik heb in dat verband, als dit gevoel zo blijft, een aantal ideeën voor het werk in de toekomst waarvan ik denk dat ze ieder van u zullen aanstaan. Maar ik geloof niet dat ze echt schokkend zullen zijn.

Toen ik het met John Van Mater, voorzitter van de Amerikaanse Afdeling, over dit idee had, was ik erg blij dat hij onmiddellijk aan de slag ging en alle loges aanschreef, en na niet al te lange tijd besloten ze zelf de Amerikaanse Afdeling als afdeling, dat wil zeggen de voorzitter en het dagelijks bestuur met zijn huishoudelijk reglement, volledig op te heffen. Ik benoemde daarop John Van Mater als secretaris voor de Verenigde Staten. Niemand had serieuze bedenkingen, behalve twee of drie loges die dachten dat de tijd daarvoor nog niet was aangebroken, maar ze vertegenwoordigden dezelfde soort mensen die een onderzoek naar de afgelopen zes maanden willen doen om uit te vinden of de zon morgenochtend wel dient op te komen. Maar daar kunnen we niet op wachten.

Nu zou ik dit idee ook aan u willen voorleggen, en als er hier iemand is die er iets over wil zeggen of die serieuze bedenkingen heeft, aarzel dan alstublieft niet om dat te zeggen. Want dit is een samenwerkingsverband, en ik ben niet eropuit mijn ideeën op te dringen aan mensen die deze ideeën niet willen. Toen ik onlangs op het congres besloot het lidmaatschap van elk lid in Nederland op te heffen, leek misschien het tegenovergestelde het geval. Maar ik geloof dat u inmiddels allen de kans heeft gehad om in te zien dat dit het enige was dat de Loge kon doen om te zorgen dat het werk in Nederland op de juiste basis wordt voortgezet. En weet u dat de overweldigende stroom strookjes die naar ons hotel zijn gezonden me bijna letterlijk schrijfkramp hebben bezorgd? Elk van die strookjes behandel ik persoonlijk. Ik wil niet dat iemand me helpt, want ik wil het zelf doen omdat ik trots op Nederland ben en, zoals ik op het congres zei, voor de Nederlandse leden een warm plekje in mijn hart heb en dit gevoel zal niet gemakkelijk veranderen.

Ik zou graag nog een enkel woord eraan willen toevoegen om de zaak te verduidelijken. Toen de nationale afdelingen door GdeP werden ingesteld en volgens de Constitutie ‘autonoom’ werden, werd dat in die tijd in feite met een speciaal doel gedaan. Die tijd is voorbij. Bij meer dan één gelegenheid werd die autonomie verkeerd geïnterpreteerd. De werkelijke waarde en het werkelijke doel van onze internationale betrekkingen, en wat er eigenlijk in moet worden gerealiseerd, is broederschap; en als we iets op formele wijze, organisatorisch of anderszins, doen wat de Nederlandse Afdeling onderscheidt van de Engelse, of de Zweedse van de Zuid-Afrikaanse, ontstaat de neiging zich van elkaar af te scheiden in plaats van tot elkaar te komen. Om terug te komen op het denkbeeld van eenheid in verscheidenheid waarover we het eerder hadden: de Nederlandse Afdeling heeft haar eigen svabhava, haar eigen inherente nationale karakteristiek, zoals ik en u die hebben. Hetzelfde geldt voor Duitsland en Zweden en alle andere landen. Maar we zijn allen broeders en moeten als broeders werken. We moeten in de Theosophical Society een voorbeeld aan de wereld geven, en hoe sneller we de begrenzingen, in spiritueel opzicht, van afgescheidenheid op internationaal gebied kunnen doorbreken –– en dat is wat we nu in de TS doen – en die wegnemen, des te sneller zullen de meesters aan de internationale toestand in de wereld kunnen gaan werken en die verbeteren. We moeten daar een begin mee maken. Dat is de eigenlijke reden waarom ik graag zou zien dat elke bestaande loge haar naam van ‘loge’ in ‘branch’ verandert. Daar zal enige tijd voor nodig zijn. Ze zullen branches in plaats van loges zijn en direct met het hart van de beweging, het hoofdkwartier, zijn verbonden. De nationale functionarissen, zoals de secretaris en de leden van de werkcommissie, zullen helpers zijn die met mij samenwerken, niet om de Nederlandse Afdeling een afzonderlijke behandeling te geven maar om haar dichter bij de hoofdstam van de theosofische boom te brengen, zonder barrières tussen tak en stam.

Thee- en koffiepauze

Tholen: Laatst kregen we wat documenten van enkele leden, en sommige daarvan zijn duidelijk lasterlijk. Wat moeten we doen om onze leden te beschermen? Moeten we hen beschermen door onze mening erover te geven, of moeten we zwijgen en hen hun eigen keuzes laten maken? In dit verband moet ik ook denken aan de rechtzaak in India tegen Blavatsky, toen ze in de beklaagdenbank stond en de toenmalige leden weigerden haar te beschermen, waardoor ze Madras en India moest verlaten.

JAL: Er worden hier twee vragen gesteld, en ik zal met de eerste beginnen. Nee, ik zal het op de occulte manier doen en met de laatste beginnen. Terwijl de beschikbare gegevens lijken aan te tonen dat de leden in Madras in India weigerden HPB te beschermen en een schild om haar heen te vormen, komt uit het archief een ander perspectief naar voren. Niet werkelijk verschillend, maar het is zoals in de pauze een van de dames in enkele woorden deze bijeenkomst samenvatte: ‘de geest treedt naar voren, en de vorm raakt op de achtergrond en valt uiteen’. Dat is juist, en het kenmerkt niet alleen deze bijeenkomst maar de hele theosofie. Blavatsky verliet Madras niet eenvoudig op grond van laster. De meester heeft haar opgedragen Madras te verlaten, niet omdat er geen schild in de TS was om haar te beschermen, want we moeten niet uit het oog verliezen dat de theosofie praktisch is en in overeenstemming met de Wet werkt. In de mate dat een leader, functionaris of lid in de TS tegen de Wet handelt, ook al gebeurt dat onopzettelijk, zal deze in dezelfde mate op een of andere manier moeilijkheden ondervinden. Dus wat er in het geval van HPB in feite gebeurde was wat er sindsdien vaker is gebeurd en misschien weer zal gebeuren: de innerlijke beschermingsmuur in Madras begaf het, en hoewel het niet uit de historische gegevens die bekend zijn blijkt, werden Henry Olcott en anderen zeer exoterisch, bijzonder geïnteresseerd in gebouwen en vormen en bibliotheken en al dat soort zaken, waarbij ze waar het in het werk van de meesters in de wereld werkelijk om ging volledig uit het oog verloren. Dus verliet HPB Madras en was dat het begin van wat het afscheiden van de twee Society’s, in onze tijd bekend als Adyar en onze Society, zou worden. In werkelijkheid werden de zaden lang voor de Judge-Besantkwestie gezaaid.

Nu was de laster in verband met HPB iets volkomen natuurlijks, en u zult het tegenkomen bij praktisch elke leader of bij ieder mens waar ook ter wereld die opvalt, in het zakenleven, in de industrie of op een ander gebied. Het is een van de nadelen van het leaderschap, of het nu om een Theosophical Society gaat of dat men de beste auto of herenkleding in de hele wereld maakt. Het eerste wat ontstaat is rivaliteit, en wanneer het een persoon betreft gaan ze in zijn verleden wroeten en proberen ze zijn reputatie aan te tasten, hoe verdienstelijk zijn karakter misschien ook is. Ze sloegen HPB niet over, ze sloegen Judge niet over en ze deden dat bij KT niet, en evenmin zullen ze mij overslaan. Het zal u misschien verbazen, maar kolonel Conger werd niet over het hoofd gezien, en hetzelfde element dat heeft geprobeerd in deze tijd het werk af te breken, de goede naam van mensen te besmeuren, verkondigde dat de fysieke toestand van kolonel Conger het gevolg van syfilis was – verkondigde dat overal. Kunt u zich zulke lasterlijke praktijken voorstellen? Dat is niets nieuws, helemaal niets nieuws. Dit beantwoordt denk ik enigszins uw tweede vraag.

Het spijt me dat ik zo openhartig spreek. Ik kan niet anders dan zo spreken, en zal het zo goed mogelijk proberen toe te lichten. Dat ik dit moest vermelden is natuurlijk zeer onaangenaam, maar het geeft precies aan hoe afschuwelijk boosaardig de duistere krachten kunnen zijn wanneer ze de kanalen vinden om zich te manifesteren. Ik zou, vóór ik de andere vraag beantwoord, de leden hier willen geruststellen door erop te wijzen dat juist de boosaardigheid van die aanvallen een duidelijk bewijs ervan is dat degenen van ons die op het rechte pad van de theosofie werken het juiste spoor volgen. Anders zouden ze niet in de verzoeking worden gebracht om het werk van de meesters af te breken.

Nu over de eerste vraag: als we ooit met een vraag zitten, over wat dan ook, kunnen we het antwoord gewoonlijk vinden als we innerlijk maar voldoende rustig kunnen worden, en ons naar de natuur wenden en kijken hoe die werkt. Ik bedoel niet alleen de fysieke natuur; ik bedoel de andere aspecten van de natuur. Nu vraagt deze meneer wat hij moet doen, of wat wij moeten doen, als brieven zoals deze worden verstuurd.

In een tijd zoals de onze zijn er een aantal occulte wetten werkzaam. Het mysterie van het leiderschap, het mysterie van de overgang van de ene leader naar de andere, gaat volop gepaard met en is vol van de werkingen van occulte wetten. Maar elke keer wanneer deze zaken zich voordoen is er één ding dat altijd gebeurt. De theosofisch sterken wordt sterker, en de theosofisch zwakken – en met zwak bedoel ik hen die de theosofie voor zichzelf hebben gehouden, haar als een intellectueel luxeartikel of een ander favoriet vermaak gebruiken – dat type theosofen wordt onveranderlijk zwakker of snijdt zich uiteindelijk van de rest af. Wat moeten we nu met laatstgenoemden doen? We kunnen hen niet negeren, omdat we dan zouden zijn als de Christian Scientist die als hij hoofdpijn heeft zegt dat er geen stof bestaat. Maar we moeten hen behandelen op de enige manier waarin ons als praktische theosofen geleerd is hen te behandelen.

Ten eerste, wanneer u zo’n brief [de ‘documenten’] krijgt en, na hem te hebben gelezen, vindt dat u er niets mee te maken wilt hebben, vernietig hem dan en denk er niet meer aan. Zend geen boze norse gedachten in de richting van de afzenders omdat, als u dat doet, u onmiddellijk met die destructieve krachten in contact treedt, een even onbetwistbaar contact als wanneer een elektriciteitsdraad u en degene die de brief schreef zou hebben verbonden. En hoe meer gedachten u in die richting zendt, des te gemakkelijker het voor hen is u uit uw evenwicht te brengen of u met steeds meer brieven lastig te vallen. Er staat u slechts één ding te doen, en dat is het vervullen van uw op één doel gerichte plicht als mens en theosoof. Verricht de dagelijkse taken die zich bij u aandienen op doelgerichte wijze, en richt uw denken op dat werk wanneer u het uitvoert. Wanneer het tijd is om aan theosofie te denken en voor de theosofie te werken, en uw karma u in de gelegenheid stelt in dit opzicht helder te zien, werk dan voor de theosofie op de plaats waar u zich bevindt en al het overige zal vanzelf duidelijk worden.

Bovendien zien we hier en daar een lid, soms een flink aantal, die een beetje heetgebakerd is, en de neiging heeft de koe bij de horens te vatten en ‘er iets aan te doen’. Als gevolg daarvan zal hij gelegenheden creëren om met deze of gene te praten en die personen te vertellen hoe hij denkt over die mensen die proberen de zuivere stroom van theosofisch streven tegen te houden. Dat is naar mijn mening verkeerd, omdat u ook daar weer een negatieve actie met een negatieve reactie beantwoordt, en een negatieve actie wordt nooit anders dan door een positieve actie uitgewist.

Ik zou het op de volgende manier willen bekijken. Als een ander lid zo’n soort brief krijgt, en naar u toe komt en vraagt wat uw mening is, zeg die dan. Karma heeft u de natuurlijke gelegenheid geboden uw mening te uiten: iemand heeft u die immers gevraagd. Maar totdat iemand het u vraagt, zou ik in ieder geval geen mening geven. Heb uw eigen gedachten; koester die zo intens u kunt, en indien u iets zendt in de richting van diegenen die zich op dit moment en misschien voor de rest van deze incarnatie van de hoofdstroom afbuigen, zendt dan naar beste vermogen een goede gedachte uit uw hogere zelf naar dat van hen. U kunt geen beroep doen op hun hersenverstand, op geen enkele manier. Maar als u iets in hun richting zendt, zend dan een goede gedachte vanuit het hoogst haalbare bewustzijnsniveau in uzelf naar het hoogst voor u bereikbare niveau in dat van hen. En laat het daarbij. Laat karma en de Wet daarna hun werk doen. Dat is het enige wat we kunnen doen.

Misschien is dit niet een antwoord op uw vraag, maar voor mij is het het enige praktische wat we kunnen doen, want wanneer we overstuur raken en ons bezorgd maken als ons geliefde TS en het werk waaraan we ons leven hebben gegeven wordt aangevallen, lijkt het feit dat we overstuur raken en dat bij onszelf toelaten een indicatie te zijn van een zeker gebrek aan vertrouwen – niet in de leader, niet in de TS, maar in de meesters zelf. En indien u ook maar een moment denkt dat de meesters niet nauw, zeer nauw, bij deze situatie zijn betrokken, dan heeft u het mis; want dat zijn ze wel. Hen ontgaat niets van wat er op het ogenblik gebeurt, hier of ergens anders in de TS. Maar we hebben allemaal stuk voor stuk onze eigen verantwoordelijkheid. Maar ik dank de goden voor wat Nederland en de Nederlandse Afdeling is geweest, en voor de oprechtheid en trouw en echte onvervalste kwaliteit van toewijding die ik in Nederland heb aangetroffen. Wat hier vanmiddag in Zwolle gebeurt is een voorbeeld daarvan, en daarom ben ik in Nederland omdat u dat heeft wat de meesters nodig hebben. Ik ben hier niet gekomen alleen omdat ik van Nederland houd, maar omdat hier een spirituele kracht werkzaam is die zó groot is dat de vijanden van de mensheid haar willen vernietigen. Laten we dus niet bang zijn voor wat iemand het werk van de meesters zou kunnen aandoen. Laten we ons bij onze leest houden, zoals de uitdrukking luidt, ons houden bij ons eigen werk in de TS, in de stroom van theosofisch streven die nu door de TS vloeit via het kanaal waardoorheen het bestemd was te vloeien, en u zult zich nooit zorgen hoeven te maken over wat iemand anders zegt, of dat nu laster is of wat dan ook.

Mw. Schoolderman [lezend]: Onze nationale voorzitter, dhr. Lindemans, vertelde ons op 18 maart hier in Zwolle, toen hij de laatste boodschap van onze overleden leader kolonel Conger overbracht, dat Katherine Tingley vóór haar heengaan tegen kolonel Conger had gezegd: ‘De meester zei me je nu te vertellen dat je na mijn dood mijn opvolger zult zijn.’ Deze woorden lijken te betekenen dat na het heengaan van KT kolonel Conger haar direct zou opvolgen, maar het was GdeP die haar opvolger werd. Zou u zo vriendelijk willen zijn enig licht op dit probleem te werpen?

JAL: Dat is een echte 64 dollarvraag. Weet u eigenlijk wat ik daarmee bedoel? [Vele stemmen uit de zaal: Nee!] In Amerika hebben we een bepaald soort radioprogramma waarin u voor elke volgende vraag die u goed beantwoordt een hoger geldbedrag wint. Laten we zeggen dat u eerst 2 dollar krijgt en dan, als uw volgende antwoord goed is, 4 dollar en zo verder tot u, als u de laatste en moeilijkste vraag goed beantwoordt, het volle bedrag van 64 dollar ontvangt. En u heeft mij nu een 64 dollarvraag gesteld!

Om u antwoord te geven zal ik kort moeten ingaan op het mysterie van leiderschap en opvolging. En ik zal u misschien één, of misschien wel twee, paradoxen moeten geven. Ten eerste weet een leader pas op het laatste moment, en misschien zelfs dan niet, wie zijn opvolger zal worden. Aan de andere kant weet zijn opvolger pas op het laatste moment dat hij de opvolger zal zijn. Een van de mysteries in verband hiermee is dat er gelukkig een maya is die dat bewustzijnsaspect van de leader en zijn opvolger omgeeft dat elke bewuste band tussen hen als leader en opvolger onmogelijk maakt. Ik denk niet dat het erg moeilijk voor u zal zijn de zin hiervan in te zien.

We weten dat geen leader ooit in feite zijn of haar opvolger heeft benoemd. HPB benoemde nooit Judge. Judge benoemde nooit KT; KT benoemde nooit GdeP; GdeP benoemde nooit kolonel Conger; kolonel Conger benoemde nooit mij. Maar er zijn wegen en wegen in dit mysterie. En ik geef eerlijk toe dat sommige mensen het gevoel hadden te weten dat ik kolonel Conger zou opvolgen, nog vóór ik dat zelf wist. Dat is weer een van die mysteries. Ook kolonel Conger gaf heel duidelijk een occulte waarheid aan, na eens enkele van zijn leerlingen over zijn opvolger op het verkeerde been te hebben gezet. Toen ik hem na afloop vroeg: ‘Waar bent u op uit, dat u probeert die mensen in verwarring te brengen? U verwacht toch niet dat ik geloof wat u daar allemaal zei’, keek hij me aan, lachte en zei: ‘Iedereen die iets gelooft van wat een leader over zijn opvolger zegt is een grote dwaas!’ Dat waren zijn woorden.

Ik kan vragen niet anders dan eerlijk en openhartig beantwoorden, met alle kaarten open op tafel. Als we dit alles dus overzien, gaan we begrijpen dat als de meesters zien dat het karma van de Theosophical Society, wat betekent het collectieve karma van elk individueel lid van de TS, op het allerlaatste moment voor de overdracht plaatsheeft, deze in plaats van gene persoon aantrekt, de TS deze zal krijgen. Zoals ze ook zagen en voorzagen dat de Society niet gereed was om kolonel Conger onmiddellijk na GdeP’s dood aan te trekken en te krijgen. De leden hadden het recht verdiend op een kabinetsbestuur en kregen dat. Daarom zinspeelde de kolonel glimlachend op de ambtsaanvaarding door te zeggen dat hij ‘gekozen was door het Kabinet in hoogst eigen persoon’. In feite wist GdeP op het ogenblik van zijn dood dat kolonel Conger zijn opvolger zou zijn; en eigenlijk is in elk van de gevallen, door de hele geschiedenis van de Society heen, de opvolger, zonder dat hij dit zelf wist, begonnen de verantwoordelijkheden van zijn ambt over te nemen, nog voordat zijn voorganger stierf. Zonder dat hij zichzelf ervan bewust was, begon Judge het heft in handen te nemen voordat HPB stierf. Evenzo deed KT dit vóór Judge stierf. GdeP begon de taken over te nemen voor KT stierf. En kolonel Conger, met wie ik samenwerkte, was vóór GdeP stierf begonnen innerlijk de teugels van de TS over te nemen, ondanks de kabinetsperiode van drie jaar.

Dit beantwoordt misschien niet uw vraag, maar toen meester M dit aan Mw. Tingley vertelde, op de veranda van een hotel waar ze verbleef en waar de kolonel haar kwam bezoeken, geloofde ze in haar hart dat kolonel Conger haar opvolger zou zijn. En de meester liet haar dat zeggen. De kolonel vertelde me in het kort wat er op die dag, toen KT hem dat in het hotel vertelde, gebeurde. Ze zaten op die kleine veranda, het was zomer, en er kwam een onweersbui aan. Op het veld ertegenover waren enkele boeren bezig hooi binnen te halen, en ze hadden een enorme haast omdat ze probeerden dat te doen vóór het ging regenen. Kolonel Conger was toen militair attaché op de Amerikaanse ambassade in Berlijn, en hij had een spiksplinternieuw kostuum aan, met een donkergrijze jas en een gestreepte pantalon; hij zag er piekfijn uit. Terwijl de boeren bezig waren het hooi binnen te halen, zei KT plotseling tegen de kolonel: ‘Ga naar ze toe en help die boeren met hooi opladen. Zie je niet dat het gaat regenen?’ Kolonel Conger ging dadelijk naar de overkant, nam de hooivork ter hand en begon de boeren te helpen het hooi binnen te halen. Zodra de kolonel goed nat was zei KT: ‘Goed, je kunt nu wel weer hierheen komen.’ Hij was natuurlijk doorweekt. De kolonel sprak alsof hij me dit als een verhaal over KT vertelde, maar in werkelijkheid ging het niet over KT. Het was de meester, die door KT sprak, die kolonel Conger op zijn eigen manier aan een kleine test onderwierp.

U ziet dus dat er geen vroegere situaties zijn waarop we ons kunnen beroepen voor onze huidige beslissingen. In beginsel zijn die er, maar niet in gedetailleerde vorm. Ik ben bang dat ik het als antwoord op uw vraag daarbij moet laten, als het al een antwoord daarop is. Ik denk dat we een grote fout maken als we met ons hersenverstand proberen de modus operandi, of de methode in al zijn bijzonderheden, te begrijpen die de ononderbroken lijn of keten van schakels, vanaf haar begin tot op heden, deed ontstaan en in stand houdt. Het zal nodig zijn veeleer met ons hart en onze ziel te voelen dan met onze hersenen te denken. Veel mensen hebben tegen me gezegd: ‘Maar hoe denk je nou met je hart? Dat kan toch niet?’ Maar tussen twee ademhalingen in doen ze het. We doen het allemaal. Dat is het beste antwoord dat ik u op dit moment kan geven.

Verschillende leden vertrekken om een trein naar Groningen en de noordelijke provincies te halen.

Ik geloof dat het beter is de bijeenkomst te besluiten, omdat de geest die hier door de bijeenkomst heeft gevloeid niet dient te worden verdeeld, zelfs al is het alleen maar doordat onze broeders uit Groningen vroeger wegmoeten. Ik wil u allemaal bedanken voor wat u aan deze bijeenkomst heeft bijgedragen. U was het die de bijeenkomst maakte tot wat ze was. Zoals de Society de leader naar zich toetrekt die ze verdient, zo trekt een bijeenkomst als deze dat aan wat in het hart van ieder van u aanwezig is; en een blinde kan zien en een stomme kan voelen welke kracht, welke waarlijk theosofische geest, in het hart van ieder van u aanwezig is. Ik wil u bedanken voor die gelegenheid, en voor de fijne geest, de lachende gezichten en de stralende ogen en warme harten die ik hier vandaag in Zwolle tegenkwam. Dank u wel!

De bijeenkomst wordt om 18.00 uur gesloten.


James A. Long – Tourverslagen 1951

Theosophical University Press Agency online editie

© 2008 Theosophical University Press Agency. Online-editie, isbn 978-90-70328-64-1.