Inhoudsopgave 
1950 - - - ?
Arthur L. Conger
Vertaald uit The Theosophical Forum,
december 1950
De Loge staat nog even dicht bij de Beweging als in de tijd van HPB,
en haar pogingen zijn nog even krachtig erop gericht om het werk in
de wereld volgens de oorspronkelijke occulte wegen te laten verlopen.
De grootste gevaren moeten nog altijd worden vermeden: Het vormen van
een pausschap door de een of andere groep van theosofen, waarbij het
werk afzakt tot een vormendienst waardoor de blinde de blinden naar
hun verderf leidt. Dat we toestaan dat de Society ontaardt in een puur
uiterlijke organisatie, die wordt bemand door rechtmatig gekozen bestuurders
die handelen volgens de letter van de constitutie en het huishoudelijk
reglement. Door ‘pausen’ die de geest missen die het hart
en de ziel vormen en die het in leven houden; en dat men wat door Hen
is uitgegeven aanvaardt als een intellectuele luxe, in plaats van een
omzetting in spirituele inspanningen voor het welzijn van anderen.
Wij hebben in de Beweging een lange weg afgelegd en hebben vele veranderingen
meegemaakt, waarbij voor sommigen het nemen van drastische beslissingen
nodig was. Laat niemand deze ervaringen onderschatten, maar proberen
zich bewust te worden dat de trouw en toewijding van enkelen het voor
de leden mogelijk hebben gemaakt om verdere aanmoediging te ontvangen.
De TS is heden door zijn natuurlijke karma doordrongen van een krachtige
occulte stroom. Vandaar dat het lidmaatschap en het besluit om voor
anderen te leven, niet kan worden opgevat als een gebaar zonder betekenis.
Het houdt een groot vertrouwen en een grote verantwoordelijkheid in.
Er is op het gebied van het occultisme een onveranderlijke wet die iedere
aspirant, als hij zich eenmaal heeft verbonden, dwingt te staan of te
vallen door de kracht van zijn besluit. Indien zijn bedoelingen niet
persoonlijk zijn, zal hij al snel ervaren dat zijn geconcentreerde poging
zijn plicht te doen als mens en als theosoof hem in een unieke broederschap
heeft gebracht.
Het zal duidelijk zijn dat het werk niet kan vooruitgaan en zich niet
kan uitbreiden door alleen de stuwkracht die ze reeds bezit. Uit het
nieuwe gevoel dat ik bij de leden waarneem, blijkt dat ze de noodzaak
erkennen van een hernieuwde standvastigheid en een krachtiger houding
ten opzichte van het beleid waardoor de stroom vanuit het hoofdkwartier
zich kan ontwikkelen. Ik geloof dat wij allen door deze verandering,
die het gevolg is van de krachtige impuls op innerlijk gebied, kunnen
uitzien naar een nieuwe en grotere inspanning in het werk.
Zodra deze verandering en innerlijke versterking heeft plaatsgevonden,
zal deze zich geleidelijk over het hele werk van de Beweging uitbreiden
zodat de meester zal weten dat dit zijn Beweging is en van niemand anders.