Inhoudsopgave 
Bijeenkomst in Bussum
25 april 1951 – 20.00 uur
J.G. Crabbendam, algemeen voorzitter
H. Oosterink, dagvoorzitter
Jan Hoogervorst, vertaler
Crabbendam [nadat hij de vergadering heeft geopend]:
Ik denk dat het niet nodig is te vertalen wat ik tegen de leden heb
gezegd, omdat het precies hetzelfde is als op de andere dagen.
JAL: Het klonk ook hetzelfde! [Gelach]
Henk Oosterink: Beste broeders en Amerikaanse leden van de
Theosophical Society: het is mij een groot voorrecht u vanavond in Bussum
welkom te heten. In de eerste plaats omdat u en uw gezelschap Amerikanen
bent, en bij deze gelegenheid wil ik laten weten dat ons hart is vervuld
van dankbaarheid voor wat uw edelmoedige en edelhartige landgenoten
na de bezettingstijd voor ons land hebben gedaan. Toen ze ons land te
hulp kwamen, brachten ze ons materiële hulp, maar u brengt hulp
op een veel hoger niveau, namelijk spirituele hulp. Wanneer een mens
arm is omdat het hem aan materiële bezittingen ontbreekt, is hij
ongelukkig. Maar het is veel erger wanneer een mens geen spirituele
schatten bezit om op te steunen. Het is daarom voor ons van grote waarde
dat u hier vanavond in ons midden bent en dat we uw hulp ontvangen.
Het is vanavond een zeer bijzondere avond want het is precies twintig
jaar geleden dat een van uw voorgangers, GdeP, hier zijn eerste openbare
lezing tijdens zijn eerste rondreis in Europa hield. Veel van de leden
die hier aanwezig zijn zullen zich die mooie avond nog heel goed herinneren,
want ze waren toen belangstellenden. En om eerlijk te zijn, de loge
in Bussum bestond op dat moment uit maar vier leden. U ziet dus dat
we in de loop van de tijd zijn gegroeid.
JAL: Met zo’n warm welkom en de bij elke bijeenkomst
toenemende gloed of warmte die het spirituele vuur uit het hart van
de leden verspreidt, weet ik niet of ik nog veel meer kan hebben. U
had het erover dat ik hier iets zal komen brengen. Ik zou me schamen
om dat zelfs te proberen, omdat u hier al zoveel heeft. Als ik bedenk
wat ik zou kunnen geven, is dat zo weinig.
Ik had het voorrecht vanavond aan het ziekbed van twee van uw oudere
leden te mogen zitten, en deze twee heren zijn volmaakte vertegenwoordigers
van wat u hier in Bussum en in Nederland heeft: vechters, mannen die
jong van hart zijn, al is hun fysieke voertuig niet meer wat het is
geweest en misschien niet in staat hen nog veel langer hier te houden,
maar niettemin jonge mannen, sterke mannen, die snel zullen terugkeren
om verder te werken voor de theosofie in Nederland. Prachtkerels –
vertegenwoordigers van de karakterkracht, van de kracht van de theosofie,
in Nederland.
Wanneer u zegt dat wij Amerikanen in een moeilijke periode iets voor
Nederland hebben gedaan, denk ik dat niemand van u naar waarde kan schatten
wat u óns heeft gegeven door de manier waarop u als land een
voorbeeld was van moed en karakterkracht en van het ware spirituele
uithoudingsvermogen dat u toonde toen u deze beproeving doorstond. Wij
in Amerika hebben in dat opzicht nog veel te leren, zodat ik denk dat
de schaal eigenlijk veel meer naar de andere kant doorslaat, Henk. Dat
is mijn oprechte mening. We hebben u misschien enkele materiële
zaken gegeven, maar u gaf ons een voorbeeld van de daadkracht van de
geest die eeuwen zal blijven bestaan.
Zoals gewoonlijk heb ik voor vanavond geen plannen gemaakt, en heb
ik besloten om het karmische draaiboek dat zich ontvouwt mij te laten
zeggen wat ik zou moeten doen, en het laat me niet in de steek. Ik heb
hier drie vragen die een jongedame op haar hart had. Ik wilde haar niet
vragen ze voor te lezen, omdat ik besef en er begrip voor heb dat sommige
mensen het moeilijk vinden in het openbaar te spreken wanneer ze nooit
hebben deelgenomen aan een groepsdiscussie of daarbij het woord gevoerd.
Maar toen ik die vragen las wist ik opeens waarmee ik deze bijeenkomst
wil beginnen. Het is jammer dat ik niet eens de naam van deze jongedame
ken, maar ze verdient een compliment dat ze over zulke vragen nadenkt
en ik wil er dan ook even op ingaan.
De eerste vraag luidt: ‘Zou u ons aan het begin van deze nieuwe
cyclus misschien een dieper inzicht in, een diepere visie op, of een
dieper oordeel over de oorzaken van de crisis waarin de wereld op dit
moment verkeert kunnen verschaffen?’
De tweede vraag luidt: ‘En kunt u ons een leidraad geven waarmee
we als leden van de TS kunnen bijdragen om deze crisis tot een goed
einde te brengen?’
En de derde vraag, en eigenlijk vormen ze alle één vraag,
luidt: ‘Welke mogelijkheden staan ons dus als theosofen ter beschikking,
en welke methoden zijn het meest doeltreffend?’
Ik denk dat deze drie vragen en wat we daarmee nog in verband kunnen
brengen direct bij de openingswoorden van broeder Oosterink aansluiten.
Mijn reactie op de eerste vraag, namelijk wat ik aan het begin van deze
nieuwe cyclus voor inzichten zou kunnen verschaffen over de oorzaak
van de situatie en de moeilijkheden op dit moment in de wereld, is dat
daarvoor geen enkel inzicht nodig is. Er is maar één ding
dat in het hart van mensen moeilijkheden veroorzaakt, en dat is zelfzucht,
het op zichzelf gericht zijn, of het nu om een individu, een loge, een
Society, een organisatie of een land gaat – dat maakt niet uit.
Zelfzucht is de wortel van alle moeilijkheden, en omgekeerd vormt onzelfzuchtigheid
of zelfloosheid de oplossing van alle moeilijkheden.
We kunnen het dus met eenvoudige woorden zeggen. We weten dat deze
waar zijn, maar welke groep mensen die bijvoorbeeld in de Verenigde
Naties bij Lake Success in New York rond de grote tafel van de Politieke
Commissie bijeenkomt, zullen ernaar luisteren en hun problemen oplossen?
Ik ben daar geweest. Ik weet hoe ze te werk gaan omdat ik in 1946, toen
ik in dienst was bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, naar de
Verenigde Naties in Flushing en Lake Succes werd gezonden als adviseur
voor de delegatie van de Verenigde Staten in de Algemene Vergadering.
Ik was daar bijna acht weken. Sommige afgevaardigden geven blijk van
nationale onzelfzuchtigheid, maar ze hebben niet allemaal dat motief.
Ik houd er niet van op een theosofisch podium over internationale politiek
te spreken. Laten we het veeleer over de principes ervan hebben. De
hele problematiek op internationaal gebied was en is het gevolg van
zelfzucht in de een of andere vorm: van eerzucht, en macht willen verkrijgen
voor zichzelf alleen of voor één land in plaats van zich
voor het welzijn van alle mensen in te zetten. Maar u kunt tegen een
groep mensen in de Verenigde Naties, tegen de topambtenaren van een
ministerie van een bepaald land, niet in die termen spreken. Er is echter
een manier waarop we de toestand kunnen verbeteren – het zal natuurlijk
niet ineens gebeuren, maar het zal gebeuren – en dat is als ieder
van ons een betere burger wordt van het respectieve land waarin hij
woont, een betere burger vanuit het standpunt van wat de theosofie ons
geeft om ons te helpen betere burgers te worden van het land waarmee
we karmisch zijn verbonden.
Naarmate we als leden van de Society in ons dagelijks leven onszelf
tot een voorbeeld van theosofie maken – het maakt niet uit waar
we wonen, in Nederland, Duitsland, Engeland of de Verenigde Staten –
en de theosofie werkelijk in ons hart tot uitdrukking brengen, zullen
we meer en meer landgenoten die ook zo willen zijn aantrekken. En we
zullen dan in dat gedachtereservoir waarover ik gisteravond in Amsterdam
sprak veel meer onzelfzuchtige dan zelfzuchtige gedachtezaden uitstrooien.
Die gedachten bewegen zich door dat reservoir en worden gemakkelijk
opgevangen door ieder mens die bezig is zelf wat onzelfzuchtiger te
gaan denken. We hebben er geen flauw idee van hoe krachtig een juiste
gedachte en een juist spiritueel gebaar of een juiste spirituele houding
is wanneer deze op het uiterlijke gebied doorbreekt. We hebben gezien
hoezeer slechte gedachten mensen beïnvloeden wanneer die door een
ander worden opgepikt. Maar goede gedachten, waarin de ware kracht van
de spirituele wil werkzaam is, zullen veel veel meer tot stand brengen.
Laten we nu proberen dit alles wat dichter bij onze TS te brengen en
kijken hoe we daadwerkelijk kunnen helpen. Ik denk dat we wat kunnen
leren van de ervaring die ikzelf in regeringskringen opdeed, die niet
alomvattend was maar waardoor ik, omdat mijn beroep me in aanraking
bracht met alle geledingen van alle ministeries, in de gelegenheid was
te zien hoe een land wordt geregeerd. Ik vertel dit omdat het de basis
vormt van wat ik hierna ga zeggen. Laten we nooit denken dat de partij
die aan de macht is feitelijk de raderen van de regering doet draaien.
Ze zijn inderdaad aan de macht, op democratische wijze door het volk
gekozen, maar ze komen en gaan, nu eens de ene en dan weer een andere
partij; nu eens deze groep functionarissen en dan weer een andere. De
ene verandering volgt op de andere, over welk land we het ook hebben,
maar er is ook iets dat steeds blijft bestaan: die stille, niet luid
aangekondigde, en geen dank ontvangende personen die als ambtenaren
voor hun land werken en geen enkele binding met een partij hebben maar
alleen geïnteresseerd zijn in goed bestuur. Ik geef toe dat enkele
van hen alleen in hun salarisstrookje geïnteresseerd zijn, maar
ik heb het nu over die mensen die de raderen van de regering draaiende
houden. Zij zijn de niet-leden van de Beweging binnen onze verschillende
overheidsorganen. Ze zijn de meest onzelfzuchtige groep mensen die ik
heb ontmoet. Ze worden soms ruw en met minachting behandeld, maar laten
zich niet van hun taak afbrengen en doen alles wat ze kunnen voor het
landsbestuur dat ze liefhebben. Dit geldt niet alleen voor het administratief
personeel, maar ook voor enkele van de hoge ambtenaren en leidinggevende
figuren die achter de tijdelijk gekozen of benoemde personen staan;
en ze voorzien de gekozen functionarissen van een basis en achtergrond
voor hun beslissingen.
Er is niet veel verbeeldingskracht voor nodig om in te zien dat die
individuen in een positie verkeren om daadwerkelijk veel goeds voor
hun volk en de mensheid te doen. Het zijn deze mensen die door de meesters
van de Grote Witte Loge in het oog worden houden, en zo nu en dan krijgt
deze of gene van die achter de schermen werkende functionarissen en
onzelfzuchtige werkers op een cruciaal moment een ‘schouderklopje’,
op een moment waarop dit schouderklopje de schaal ten voordele van de
vooruitgang in plaats van de achteruitgang zal doen doorslaan.
Het grote probleem van deze tijd is dat we ons op het punt halverwege
de eeuw, of er voorbij, bevinden, en de krachten van de duisternis,
die elementen van vernietiging die belang hebben bij afbraak en niet
bij opbouw, stellen alles in het werk om de voortgang die de positieve
krachten boeken tegen te houden. Ze schuwen geen middel om dit te bewerkstelligen.
Iedereen die dat toestaat en eraan toegeeft zijn bewustzijn tot dat
niveau te laten afdalen, zal tijdelijk gevangen worden zoals een vis
in een net.
Dit is de situatie op internationaal gebied die op de achtergrond speelt.
Deze jongedame heeft met haar vraag heel wat losgemaakt! Het is een
vraag die ik maar half kan beantwoorden. Maar dat zal steeds zo zijn.
En wanneer u een hele groep individuen, goede, slechte en onverschillige,
in die ziedende heksenketel dooreenmengt, sommigen vol ambitie en zelfzucht,
anderen volkomen onzelfzuchtig en zonder enige ambitie, en weer anderen
in alle schakeringen ertussenin, ziet u dat het op het eerste gezicht
nogal een probleem is. Maar één ons volledige onzelfzuchtigheid
weegt in feite veel meer dan een pond zelfzucht, omdat zelfzucht niet
met dezelfde wortel van waarheid is verbonden als onzelfzuchtigheid.
Zelfzucht is verbonden met dat wat beneden is, aards als de aarde, zwaar
in stoffelijke maar heel licht in spirituele zin. Onzelfzuchtigheid
is verbonden met dat wat zich boven ons bevindt, en in stoffelijke zin
heel heel licht is maar heel zwaar in spirituele zin. Wanneer de twee
dus samenkomen is er geen twijfel aan wat er gebeurt: en de wegen en
middelen waarvan de krachten van vernietiging zich bedienen zijn onbeperkt.
Ze worden niet door karma onder controle gehouden in die verheven betekenis
die voor de opbouwende krachten geldt. Ze kunnen doen wat ze willen.
Ze hoeven geen onzelfzuchtig patroon te volgen, terwijl de krachten
van licht en opbouw, als ze dat werkelijk zijn, het natuurlijke verloop
van de wet van karma niet zullen tegenwerken. Ze zullen met karma meewerken
en niets dan opbouwend werk doen. We zien hoe die strijd zich op dit
moment in kringen op het gebied van de internationale betrekkingen afspeelt.
En ik bedoel dit niet in politiek opzicht, maar feitelijk.
En hier kunnen wij theosofen van de Theosophical Society een rol spelen:
door onszelf te vergeten en aan onze medemensen te denken. Naarmate
wij, individueel en gezamenlijk als TS in de wereld, in de verscheidenheid
van onze eigen persoonlijkheden en activiteiten een voorbeeld kunnen
zijn van die spirituele eenheid en die tot stand brengen, in die mate
zal de spirituele kracht die door die poging ontstaat een zodanige invloed
op de wereld als geheel uitoefenen dat de meesters meer en meer van
de spirituele kracht uit dat reservoir tot hun beschikking krijgen en
meer en meer individuen in die kringen waar het het meest eropaan komt
een schouderklopje kunnen geven. Natuurlijk zullen ze dit niet bij zelfzuchtige
personen doen; maar die stille werkers die voor het welzijn van hun
medeburgers werken bezitten een element van onzelfzuchtigheid dat een
vorm van buddhisch licht, werkelijk buddhisch licht, tevoorschijn roept.
In de mate waarin ze onzelfzuchtig zijn, in die mate zullen ze tot de
meesters worden aangetrokken. De meesters zullen helpen. Ze blijven
nooit in gebreke. Want voor elke stap die we in de richting van de meester
zetten, moeten de meesters en de Witte Loge eenzelfde stap in onze richting
zetten. Ze zullen ons individueel noch collectief in de steek laten.
Iedere keer dat we onze spirituele wil voor de zuivere theosofie of
de Witte Loge inzetten moeten ze wel dichterbij ons komen.
Ons werk als theosofen, individueel en als Society, bestaat er dus
uit ons in te zetten en, goede burgers van onze respectieve landen te
zijn, waar mogelijk en naar beste vermogen voor de theosofie te werken
en onze dagelijkse plicht te doen, waaruit die ook bestaat. Als we dat
doelgericht en oprecht doen, beginnen we daardoor zo’n sterke
kern van spirituele kracht te vormen dat deze een enorme invloed zal
hebben op de wereld om ons heen, en we in de strijd om spirituele vrijheid
de overwinning zullen behalen.
Mw. Bonset: Kolonel Conger gaf dhr. Hartley een document
waarin hij verklaarde dat dhr. Hartley hem zal opvolgen. Ons gevoel
is dat wat kolonel Conger deed vreemd was, maar we weten natuurlijk
ook dat een leader geen document nodig heeft, omdat een leader zich
aandient zoals in het water een kurk naar de oppervlakte komt. Het lijkt
ons dat dhr. Hartley dit ook moet hebben geweten. We kunnen het in
onze leringen vinden, waar vaak wordt gezegd dat een leader er is
en niet wordt gekozen. Was het een test voor dhr. Hartley
en misschien ook voor de TS, en was het de bedoeling om de intuïtie
van ieder individu binnen de TS op de proef te stellen? Dat wil zeggen
van elk lid. Werd het met opzet gedaan en misschien met een bepaald
doel?
JAL: Toen ik de vraag hoorde, ging ik in gedachten terug naar
de uitspraak dat ‘de wegen van de Heer ondoorgrondelijk zijn’.
De laatste vraag lijkt me de belangrijkste. U stelt een aantal feiten
vast en vraagt dan: moet dit als een test worden beschouwd? Iedereen
die lange tijd lid is van de Theosophical Society, weet dat elke dag
in zijn leven, vanaf het ogenblik dat hij ’s morgens opstaat tot
hij ’s avonds gaat slapen, een aaneenschakeling van tests is.
Natuurlijk was het een test, en de grootste van al die tests werd in
de vraag niet genoemd: de test voor een zekere J.A. Long. Die test vond
niet plaats toen ik tijdens de bijeenkomst van het Kabinet het leiderschap
overnam – dat was voor mij geen test. Ik wist wat me daar te doen
stond. Dat was geen test. Mijn test had ik ondergaan in 1946, toen kolonel
Conger me in vertrouwen vertelde dat hij dit document aan dhr. Hartley
had gegeven en wat erin stond. Het was een test, een verschrikkelijke
test. En twee dagen en twee nachten lang was ik half krankzinnig en
sliep ik niet, tot ik met mijn bewustzijn en mijn hart en mijn denken
zover was gekomen dat ik kon visualiseren dat dhr. Hartley leader
zou zijn en ik met een open hart en open geest onder hem zou kunnen
werken. Dat was een test voor mij. Maar ik heb het gedaan. Ik heb aan
niemand ooit verteld wat er in dat document stond. Maar u kent de rest
van het verhaal. Ik heb over dhr. Hartley niets te zeggen. Het is
duidelijk dat hij de inhoud van dat document onthulde. Tijdens de bijeenkomsten
van het Kabinet was het duidelijk dat ik tweemaal naar hem toeging om
een verantwoordelijkheid te vervullen, en hij weigerde het document
te tonen. Ik geef u de feiten. Hij weigerde het aan het Kabinet te laten
zien, de enige gezaghebbende schakel in de Constitutie die er na het
overlijden van de leader bestaat.
Ja het was een test, in vele opzichten, maar vanuit een ander standpunt
was de grootste test eigenlijk voor dhr. Hartley zelf.
En dan nu de vraag, die er meer impliciet in aanwezig is dan dat ze
in woorden wordt gesteld: Waarom zou de kolonel zo’n document
eigenlijk geven? En na het eenmaal te hebben gegeven, waarom herriep
hij het niet vóór hij stierf? Hij had er alle gelegenheid
toe. Ik sprak er meerdere keren met de kolonel over. Wat ik u nu ga
zeggen heb ik nog aan niemand verteld en u zult uw eigen intuïtie
en onderscheidingsvermogen moeten gebruiken. Het ware antwoord op de
vraag ‘waarom schreef kolonel Conger het document eigenlijk’
is dat meester M hem verzocht dat te doen. Waarom trok hij het vervolgens
niet in, toen hij daar alle gelegenheid voor had? Het antwoord hierop
is dat meester M hem niet vroeg dat te doen. Dat is de waarheid.
De meesters zijn zeer praktische mensen, zoals ik elke keer dat ik
deze week sprak heb gezegd. Ik denk dat allen die hier aanwezig zijn
en allen met wie ik op deze bijeenkomsten gesproken heb, in staat zijn
geweest met eigen ogen te zien en met eigen hart te voelen welk geweldige
werk dat document voor de meesters en de Theosophical Society heeft
gedaan en nog doet. Het was een godsgeschenk voor de beweging, en de
meester wist wat hij deed. Wie zijn wij dat we hem bekritiseren? Ik
zal dit niet doen. Het is zeer zeker een test geweest, en wel een test
voor iedereen. Maar gelukkig heeft het overgrote deel van de leden de
test doorstaan.
Ik zeg dit alles ter verdediging van kolonel Conger en zijn handelingen,
want sommige leden hebben de kolonel bekritiseerd omdat hij het document
niet herriep. Ik zeg het niet voor mezelf. Ik weet niet, mevrouw Bonset,
of dit een antwoord op de vraag is of niet, maar verder dan dit kan
ik niet gaan.
Mw. Bonset: Dank u wel.
JAL: Ik ontving onlangs een heel mooie brief waarin een lid
een paar vragen stelde en enkele opmerkingen maakte, om vervolgens te
eindigen met de vraag of het wel gepast was dat een lid in een brief
aan de leader bepaalde zaken ter discussie stelde, of dit wel van loyaliteit
getuigde, enz. Uit de brief sprak een mooie geesteshouding, en ik zou
deze gelegenheid willen aangrijpen om te zeggen dat wanneer de dag komt
dat een lid, ieder oprecht lid waar dan ook, van de leader niet aan
hem mag schrijven en zeggen wat hij of zij op het hart heeft, wat dat
ook is, die persoon niet de leader van de Theosophical Society is en
de Theosophical Society zo’n leader beter niet kan hebben. Aarzel
dus niet, ieder van u die vragen heeft of ergens over van mening verschilt,
om te schrijven; ik zal ze eerlijk met u bespreken. De vragen die in
de genoemde brief worden gesteld, werden denk ik in het eerste gedeelte
van ons gesprek vanavond over de toestand op internationaal gebied behandeld.
De jongeman vond het onverstandig om bij bepaalde problemen op theosofisch
gebied de term ‘vijfde colonne’ te gebruiken. Het enige
wat ik hierop wil zeggen is: er is geen betere term die onder bepaalde
omstandigheden kan worden gebruikt. Een vijfde colonne, zoals we haar
hebben leren kennen, zijn activiteiten die onder de dekmantel van oprechtheid,
eerlijkheid en toewijding aan een bepaalde organisatie of functie door
een persoon of een groep van personen worden ontplooid, waarbij die
dekmantel en de genoten bescherming worden misbruikt om activiteiten
te ontplooien die schade toebrengen aan juist die organisatie waarvan
de persoon of groep bescherming ontvangt. Dit is wat een werkelijke
vijfde colonne inhoudt.
Er zijn op dit moment in allerlei landen vijfde colonnes werkzaam,
en laten we geen ogenblik denken dat de Theosophical Society vrij hiervan
is. Alleen al het feit dat we spiritueel sterk zijn, is er de oorzaak
van dat we op verschillende manieren worden aangevallen – vooral
van binnenuit. Er is maar één manier waarop we ons in
deze situaties moeten opstellen, en dat is door eerlijk tegenover onszelf
te zijn. Ik wil beslist niet dat we gaan rondlopen met het gevoel steeds
voor van alles op onze hoede te moeten zijn. Dat is geen goede manier
om voor de theosofie te werken. We kunnen dit alles nu vergeten. Het
ligt achter ons. En vooral in Nederland heeft u allen een moedige en
verbazingwekkende stap in de goede richting gezet. En wanneer we onze
plicht doen, zal er geen gevaar bestaan voor verder vijfde colonnewerk
binnen de TS in Nederland, of waar dan ook. We moeten realistisch zijn.
De duivel laat geen kans voorbijgaan om zijn werk te doen, en naarmate
de tijd voortschrijdt naar de periode van 1975 en zelfs daar voorbij
moeten we steeds alerter zijn. Als we niet van onze theosofie houden,
laten we die dan maar helemaal vergeten. Maar als we wel van haar houden,
zullen we voor haar opkomen en met inzet van ons leven voor haar vechten,
omdat daardoor de mensheid zal worden gered. En we kunnen dit niet doen
wanneer we in onze organisatie een vijfde colonne hebben die de mensheid
probeert te vernietigen. We willen de mensheid redden, niet vernietigen.
Vraag: Hoe komt het dat de krachten van de duisternis geen
rekening met karma hoeven te houden? Ik dacht dat alles karma was.
JAL: Mijn eerdere uitspraak was niet duidelijk genoeg. In
principe negeren de krachten van de duisternis de positieve aspecten
van de wet van karma om hun duistere werk te verrichten. Ze zouden geen
krachten van de duisternis zijn, indien ze dat niet deden. Maar laat
ik dit wat verder toelichten, om de zaak te verduidelijken. Hoewel de
krachten van de duisternis wanneer ze hun werk doen karma meestal kunnen
negeren, raken ze uiteindelijk in hun daden verstrikt. Ze kunnen de
werkingen van de wet van karma niet werkelijk aantasten, maar kunnen
haar wel tijdelijk negeren.
Laat ik het volgende voorbeeld gebruiken. Stel dat u naar een meester
zou gaan om hem een vraag te stellen die in uw leven van groot belang
is. U staat voor een probleem, maar de meester ziet in één
oogopslag dat u, als gevolg van uw karma en het karma uit uw vroegere
levens, nog niet gereed bent voor zijn antwoord en dat u nog niet genoeg
heeft geleden en nog niet het punt heeft bereikt waarop zijn antwoord
genoeg betekenis zou hebben. Hij zou dat dan niet, of misschien maar
heel gedeeltelijk, geven.
Indien u echter naar het tegengestelde van een meester zou gaan, zou
hij geen rekening met uw vorige leven houden of met wat uw karma aangaf,
zolang hij u maar voor hem zou kunnen laten werken.
Dit is maar een eenvoudig voorbeeld, maar het gaat op grotere schaal
evenzeer op. De meesters van mededogen zijn waarlijk meedogend; en vrienden,
mededogen betekent niet in een lang gewaad rondlopen, tegen iedereen
glimlachen en er bijna ziekelijk vroom uitzien. Mededogen betekent in
uw hart de moed bezitten om tegen een vriend te zeggen: ‘Kijk
eens, broeder, dit is verkeerd. Ik houd nog evenveel van je, maar dit
is verkeerd.’ Mededogen is niet de hele tijd lief en aardig zijn.
Voor mededogen is zo nu en dan een stevig gevecht nodig, en wanneer
de leden geen pit genoeg hebben om te vechten voor wat goed is, zijn
ze niet veel waard. Het juiste motief gaat nooit verloren. Het is altijd
het motief wat telt. De handeling is van geen betekenis, want het draait
om het motief.
Vertel nu in hemelsnaam niet aan iedereen in Nederland dat ik een gevecht
aanmoedig. Beslist niet! Maar we hebben aan het Hoofdkwartier dit woord
in onze commissies gebruikt wanneer de staf, vóór het
overlijden van kolonel Conger, bezig was te ‘vechten als honden
en katten’ om de juiste oplossing voor een probleem te vinden,
en geen van ons zijn idee wilde opgeven vóór er zich een
beter aandiende. Maar wanneer we eenmaal een beter idee zagen, stortten
we ons onmiddellijk daarop en kwamen dan gewoonlijk tot de juiste oplossing.
Hadden we dat niet gedaan, dan waren we wel door de kolonel tot de orde
geroepen. Bespreek daarom in het werk binnen uw loge alles met elkaar.
Wees niet bang om het met elkaar oneens te zijn. Meningsverschillen
kunnen veel opleveren zolang we maar het ene doel voor ogen houden:
het beste te doen voor de theosofie en onze eigen gevoelens op de achtergrond
te houden. Indien iemand van ons vasthoudt aan een idee omdat hij wil
dat zijn denkbeeld en niet het beste wordt aangenomen,
zullen we altijd in moeilijkheden raken.
Ik zou willen terugkeren tot wat werd opgemerkt over de duistere krachten,
en nog een voorbeeld willen geven dat het punt dat ik in gedachten had
kan verduidelijken. Ik hoop dat ik niemand kwets die misschien in Christian
Science geïnteresseerd is, maar ik gebruik dit voorbeeld als opbouwende
kritiek op dit aspect van Christian Science. Er zijn talloze gevallen
geweest waarbij Christian Scientists, of hun zogenoemde aanhangers,
bij een van hun leden een bepaald fysiek probleem verhielpen, en soms
deden de leden dit bij henzelf. Het gevaar hiervan is dat dit een terugdringen
is van karma dat op een of ander moment in de toekomst opnieuw tevoorschijn
zal komen. Net als, wanneer u probeert een puistje op uw arm van buitenaf
te genezen voordat het doorbreekt, het alleen maar op een andere plaats
zal verschijnen. Hetzelfde geldt voor karma. Indien we ons karma niet
aanvaarden wanneer het zich aandient en het laten uitwerken, zullen
we er opnieuw het hoofd aan moeten bieden, en wel met samengestelde
rente. Ik bedoel niet dat we geen geneesmiddelen moeten nemen, maar
ik bedoel dat we een ziekte, wanneer ze eenmaal het fysieke gebied heeft
bereikt, niet door mentale kracht naar het mentale gebied moeten terugdringen.
Dit is occult gezond verstand, ook al beginnen en eindigen misvattingen
in het denken. We kunnen het dus gemakkelijk met onze mentale energie
terugdringen, als we dat willen. Maar het zal weer tevoorschijn komen
en met meer kracht dan wanneer we het hadden laten uitwerken toen het
zich op natuurlijke wijze aandiende; in het laatstgenoemde geval zou
men witte en geen zwarte magie toepassen.
Mw. Versfelt: Waarom is het zo moeilijk met de theosofie tot
het hart van de mensen door te dringen, zodat ze leden worden? Ligt
het aan ons omdat we niet oprecht genoeg als theosoof proberen te leven?
JAL: Dit is een uitstekende vraag om de avond mee te besluiten
en het is in feite de reden waarom we hier zijn, waarom ik in Nederland
ben. Kon ik maar de woorden vinden om recht te doen aan deze gedachte.
In deze nieuwe cyclus van activiteit moeten we ons van onze verantwoordelijkheid
in de wereld steeds bewuster worden, en die verantwoordelijkheid bestaat
niet in de eerste plaats uit het werven van nieuwe leden. Nieuwe leden
zullen binnenstromen indien we onze verantwoordelijkheden vervullen.
Wanneer ieder van ons terugdenkt aan wat ons tot de theosofie bracht,
denk ik dat we weinig uitzonderingen zullen vinden op de omstandigheden
die ik zal noemen. We ontmoetten iemand die iets zei dat ons aansprak.
Ongetwijfeld hadden we in ons leven bepaalde problemen, bepaalde moeilijkheden
gehad, hetzij op het werk, thuis, of op persoonlijk gebied, en we probeerden
voor die problemen een oplossing te vinden. Op een dag ontmoetten we
iemand die over iets meer begripsvermogen scheen te beschikken dan wijzelf.
We probeerden erachter te komen wat het was dat die persoon wel bezat
en wij niet. Na een poosje ontdekten we dat hij de theosofie bestudeerde,
en een tijdje later begonnen we de theosofie te bestuderen en er iets
van te begrijpen en werden we lid.
Dit is in zeer ruwe trekken hoe ik bij de theosofie kwam, na pogingen
om in de verschillende kerkgenootschappen, Christian Science en dergelijke
de antwoorden op mijn problemen te vinden. Indien we doelgericht onze
plicht als mens en theosoof vervullen, zoals kolonel Conger het uitdrukte,
zullen we tenslotte onze verantwoordelijkheid als leden van de TS nakomen.
Ik weet niet of u ooit heeft opgemerkt dat de gebeurtenissen waar het
in het leven werkelijk om gaat en waaraan we de meeste vreugde beleven,
die zijn welke we ‘bijproducten’ kunnen noemen van iets
dat we hebben gedaan dat spiritueel of werkelijk goed is. En wanneer
die situaties zich voordoen, schenken ze ons zoveel meer vreugde en
hebben ze een veel grotere uitwerking. Lidmaatschap en het verkrijgen
van leden zou een bijproduct moeten zijn, en ik hoop dat het dit zal
worden, van ons in praktijk brengen van de theosofie, zowel individueel
als gezamenlijk. Wat is theosofie eigenlijk? Het is een stelsel van
karaktervorming. En, om op de christelijke Heilige Schrift terug te
komen, het is het in praktijk brengen van de Gulden Regel: anderen behandelen
zoals we zelf behandeld willen worden. Er is niemand ter wereld die
me ervan kan overtuigen dat, als wij als individuele leden van deze
TS proberen de Gulden Regel werkelijk in praktijk te brengen met de
theosofie die we bezitten als achtergrond, we niet al heel snel de wereld
in vuur en vlam zouden zetten. Het is moeilijk om de Gulden Regel in
praktijk te brengen. Het is moeilijk werkelijk theosoof te zijn. Niemand
van ons is ook maar bij benadering volmaakt. We hebben een lange weg
te gaan. Maar laten we met dat wat we wel weten en bezitten aan het
werk gaan. Ik bedoel niet dat we met Jan en alleman vrome gesprekken
moeten houden. Laten we echte mannen en echte vrouwen zijn, en aan de
ander denken vóór we aan onszelf denken. Indien iemand
van ons dit gedurende 24 uur of gedurende een hele dag werkelijk zou
proberen, zouden we versteld staan van de resultaten. Niemand van ons
doet dit – ik zeg dit niet als kritiek; we hebben nog een lange
weg te gaan, maar velen van u doen het heel wat uren van de dag en wie
weet misschien wel de hele dag. Maar als we de theosofie beschouwen
zoals ze werkelijk is, een stelsel van karaktervorming dat ons op een
dag gelijkwaardig aan de meesters zal maken en zelfs nog meer, zullen
we ons nooit zorgen hoeven te maken over het aantal leden.
Toen ik in 1939 of 1940 in Washington ongeveer twee uur met kolonel
Conger had zitten praten over hoe we meer leden zouden kunnen krijgen
en hij heel geduldig had geluisterd, zei hij toen ik klaar was: ‘Meneer
Long, de dag zal komen dat we ons over het ledental geen zorgen hoeven
te maken, want het zal dan erg in trek zijn om lid te zijn van de Theosophical
Society. Dan zal ons probleem in de Theosophical Society niet zijn hoe
we er nieuwe leden bijkrijgen, maar hoe we de ongewenste erbuiten kunnen
houden.’ Dit was niet onvriendelijk bedoeld, maar hij wilde wijzen
op iets waarvoor we op onze hoede moeten zijn als die tijd aanbreekt.
Want eens zal het erg in trek zijn om lid van de Theosophical Society
te zijn, omdat de leden over de hele wereld hun verantwoordelijkheid
serieus opvatten en daarmee in hun respectieve kringen alom de aandacht
zullen trekken en steeds meer mensen lid zullen willen worden. Daarom
veranderen we de criteria om lid te worden en zullen die na verloop
van tijd verder wijzigen, niet om het voor een belangstellende moeilijk
of onmogelijk te maken zich bij de Society aan te sluiten, maar om lidmaatschap
te maken tot iets waarmee zijn verstand en hart instemt, in plaats van
alleen maar een aanvraagformulier te ondertekenen en op te sturen.
Het antwoord is het in praktijk brengen van de Gulden Regel. Dit is
de oplossing voor de situatie op internationaal gebied. Het is de oplossing
voor de ware vooruitgang van de mensheid. Het is onze taak in de Theosophical
Society onze theosofie naar beste vermogen in praktijk te brengen en
een beetje meer aan de ander te denken en zich geen zorgen te maken
over onszelf. Dat is de ware theosofie. Dan zullen we, zoals kolonel
Conger zei, een unieke broederschap vormen.
De meesters ontgaat niets. Ze zijn ons allen zeer nabij, en wanneer
we ons werk doen en onze verantwoordelijkheid vervullen, hoeven we er
niet over in te zitten wat zij kunnen betekenen. Ze staan klaar. Het
enige wat we moeten doen is stappen in hun richting zetten, en dan zullen
ze naar ons toe komen.
Ik wil u allen hartelijk danken.
De bijeenkomst werd om 22.30 uur gesloten.