Dood – slaap – geboorte
We zijn bang voor wat we
niet begrijpen
Slaap en dood
De bewustzijnsstraal trekt zich terug
Het samenwerkingsverband valt uiteen
Een scheidingsproces
De straal neemt zijn projectie in zich op
Een rustperiode tussen levens op aarde
Karakterzaden
De straal daalt weer af in de stof
Het fysieke lichaam is alleen nuttig voor een fysiek
bestaan
Ons binnengaan in dit leven wijst op een voorbestaan
Ons heengaan wijst op voortzetting van het bestaan
Verandering van omgeving verandert de reiziger niet
Heb vertrouwen in de natuur
Het ouder worden
We zijn bang voor wat we niet begrijpen
In alle tijden hebben mensen nagedacht over het vraagstuk van de dood
en zich afgevraagd: ‘Is dit het einde van ons bestaan of is er
een leven na de dood?’
We willen het contact met onze geliefden niet verliezen. We hebben
interesses die we graag willen voortzetten; onze dromen en verwachtingen
zouden we graag vervuld zien; en we hebben allemaal fouten gemaakt waarvoor
we graag gelegenheid willen krijgen om ze goed te maken. In veel opzichten
hebben we maar net geleerd hoe we moeten leven als ouderdom en dood
ons overvallen. Daarom is het niet zo vreemd dat we een antwoord zoeken
op bovengenoemde vraag. Maar tegelijkertijd aarzelen we ermee te beginnen,
want dan worden angst en somberheid opgeroepen. En zo verschuiven we
het overdenken ervan naar de toekomst; het gevolg is dat het als een
donkere schaduw op de achtergrond van ons denken blijft.
De mens is bang voor wat hij niet begrijpt. Als hij, hoe weinig ook,
de sluier van geheimzinnigheid die dit vraagstuk van de dood omringt,
kon oplichten, zou het onderwerp veel van zijn verschrikking verliezen.
Slaap en dood
De oude leringen vertellen ons over dit onderwerp veel dat verhelderend
en hoopgevend is; de grondgedachte vinden we in de oude Griekse spreuk:
‘Slaap en dood zijn broeders’. De opeenvolging van gebeurtenissen
die plaatshebben bij de dood doet zich ook voor in de slaap. In de slaap
trekt de bewustzijnsstraal zich van het uiterlijke gebied terug naar
innerlijke, onzichtbare bestaansgebieden. Bij de dood trekt hij zich
eveneens terug naar innerlijke gebieden, maar het terugtrekken is volledig
en langdurig.
Wanneer we in slaap vallen gebeurt het vaak dat het ego onbewust wordt
om daarna weer tot bewustzijn te komen, en dat proces kan zich verschillende
keren herhalen voordat de slaap definitief intreedt. Vaak verloopt het
sterven volgens eenzelfde patroon. Het ego heeft fasen van bewustzijn
op dit gebied, afgewisseld met perioden van bewustzijn ergens anders.
In de regel worden deze laatste perioden doorgemaakt in stilte, maar
soms praat iemand over zijn ervaringen tegen zichzelf in nauwelijks
hoorbare klanken.
De slaap begint met een periode van onbewustheid die later wordt gevolgd
door dromen. De dood begint ook met onbewustheid, gevolgd door een droomtoestand,
dieper en werkelijker dan die van de slaap. Na het slapen keren we terug
naar hetzelfde lichaam. Na de rustperiode die op de dood volgt, keren
we terug naar de aarde in een kinderlichaam dat we verder opbouwen voor
een nieuw leven op het fysieke gebied. De slaap is een herhaling in
het klein van wat er bij de dood plaatsvindt. Iedere keer dat we gaan
liggen om te slapen ‘sterven we een onvolledige dood’. Iedere
keer dat we wakker worden, beleven we een wedergeboorte in de stof.
Behalve in graad is er geen verschil in wat het inwonende bewustzijn
overkomt, maar er is een verschil in wat er met het voertuig, het lichaam,
gebeurt. Tijdens de slaap verkeert het lichaam in rust en is passief,
maar het behoudt zijn vermogen tot herstel. Na de dood valt het lichaam
uiteen en ontbindt.
De reden dat we eraan gewend zijn geraakt de dood met afschuw te beschouwen
is dat we onze aandacht hebben gevestigd op de snelle afbraak van het
lichaam die na het sterven plaatsheeft; samen met de verkeerde veronderstelling
dat de mens identiek is met zijn lichaam, heeft dit ons ten onrechte
doen denken dat de afbraak van het lichaam het vernietigen van het aanwezige
bewustzijn betekent.
De grote fout in het westen bij het overdenken van dit onderwerp is
geweest dat er te veel aandacht is geschonken aan de lichamelijke of
voertuiglijke kant van de menselijke natuur en niet genoeg aan de werkelijke
mens, het inwonende bewustzijn.
De mens is een samengesteld wezen, en de dood van het lichaam is niets
anders dan het zich ontdoen van het buitenste bekleedsel dat door het
bewustzijn in de stoffelijke wereld wordt gebruikt. Het afleggen van
dit voertuig veroorzaakt een verandering in de toestand van ons bewustzijn
omdat de bewustzijnsstraal het centrum van zijn activiteit nu overbrengt
naar hogere voertuigen van zijn innerlijke constitutie; maar door deze
verandering wordt ons werkelijke zelf niet vernietigd of afgebroken.
Als we inzien dat iedere keer dat we in slaap vallen we een voorproefje
hebben van wat ons bij de dood gaat overkomen, zal de gedachte aan het
sterven zijn verschrikking verliezen. En als we nadenken over het gevoel
van opluchting waarmee we de dagelijkse zorgen van ons afzetten en de
vrede en rust van de nacht begroeten, kunnen we ons een voorstelling
maken van het nog grotere besef van bevrijding dat we krijgen als we
het versleten lichaam helemaal achterlaten.
De soefidichter Jalalu’d-Din beschrijft het verband tussen het
bewustzijn en het lichaam tijdens de slaap in het volgende mooie gedicht:
In de nacht laat u de zielen van mensen vrij
Gevangen als ze zijn in klei.
In de nacht vliegt de ziel uit haar woning
Haar weg omhoog, niet langer slaaf of koning. . . .
Toch is in elke nacht de geest op zijn ros
Enige tijd van het lichamelijke harnas los;
‘Slaap is de broeder van de dood’: kom, verklaar dit raadsel!
Maar voor het geval ze bij het ochtendgloren zouden talmen,
Heeft Hij elke ziel gebonden met lange halmen,
Zo kan Hij ze oproepen vanuit deze bossen en gebieden
Die rondtrekkende zielen, naar hun dagelijkse plicht te vlieden.
– Mathnawi, naar Eng. vert.
Browne
Hetzelfde leven dat stukje voor stukje en met tussenpozen tijdens het
slapen wordt beleefd, is er ononderbroken na het sterven.
De bewustzijnsstraal trekt zich terug
De hogere beginselen in de constitutie van de mens oefenen zijn hele
leven voortdurend een opwaartse aantrekkingskracht uit op het menselijke
ego. In de jeugd en de volwassenheid wordt die aantrekking echter naar
de achtergrond gedrukt door de interesses en eisen van het fysieke bestaan.
Maar bij het naderen van de oude dag verliest de aardse aantrekking
haar kracht en begint de geestelijke aantrekking te overheersen.
Omdat deze aantrekkingskracht steeds sterker wordt, begint de bewustzijnsstraal
zich geleidelijk terug te trekken uit de samengestelde constitutie van
de mens, wat zich op het uiterlijke gebied openbaart door een steeds
zwakkere toestand van het fysieke lichaam. Dit blijft doorgaan tot tenslotte
het hart stopt zoals een klok die gaat stilstaan. De voornaamste oorzaak
van de dood is het zich terugtrekken van de bewustzijnsstraal, maar
de achteruitgang van het lichaam die daarvan een gevolg is heeft op
haar beurt een bijkomstige uitwerking die de terugtrekking van de straal
versnelt.
In het geval van een normale ouderdom na een goed besteed leven komt
de dood als een diep verlangde rust en welkome bevrijding. In geval
van ziekte kan het aftakelen van het lichaam de terugtrekking van het
bewustzijn vóór de normale tijd forceren. Hetzelfde geldt
als de dood is veroorzaakt door een ongeval, door geweld of zelfdoding.*
*Voor een heel verhelderende behandeling van deze bijzondere
gevallen, en ook van het hele onderwerp van de dood, wordt de lezer
verwezen naar hoofdstuk 16 van De Esoterische
Traditie door G. de Purucker (Theosophical University Press
Agency, Den Haag, 2001), en ook naar zijn andere boeken die als bron
hebben gediend voor de meeste van de hier gegeven feiten.
In al deze gevallen vertonen de eerste stadia van de gebeurtenissen
na het sterven een afwijkend verloop van dat wanneer de dood op hoge
leeftijd intreedt, maar zelfs in deze gevallen zal het ego de draad
van de gebeurtenissen in een later stadium oppakken en dezelfde ervaringen
doormaken die het zou hebben gehad als het sterven normaal was verlopen.
Het samenwerkingsverband valt uiteen
We bekijken nog eens in het kort wat is gezegd over de constitutie
van de mens: zijn centrale kern is een bewustzijnsstraal, een vonk van
het universele leven. De hoogste brandpunten van deze straal, die samen
de ‘innerlijke god van de mens’ zijn genoemd, zijn in de
waaktoestand van de gewone mens niet rechtstreeks actief, maar verhelderen
zijn bewustzijn veeleer als een licht dat boven hem schijnt. Hoewel
ze tot nu toe niet rechtstreeks werkzaam zijn, moeten we die hogere
beginselen niet uit het oog verliezen, want zonder deze zouden de lagere
beginselen niet bestaan.
De actieve partners die samen de waaktoestand van het bewustzijn teweegbrengen
zijn het aspect van de straal dat het menselijke ego vormt, het ik-ben-ik;
het lagere verstand met zijn brein-voertuig; en het lichaam. In de waaktoestand
verenigen deze beginselen zich en gaan op in een actief samenwerkingsverband.
Dood en slaap houden beide het uiteenvallen van dit samenwerkingsverband
in. In de slaap is het uiteenvallen onvolledig en tijdelijk; na de dood
is het volledig en blijvend. De gescheiden beginselen worden daarbij
niet vernietigd, maar hun bestaanswijze is heel anders dan wanneer ze
zijn verenigd in het samenwerkingsverband, zoals de elementen van een
chemische verbinding in uiterlijk en kenmerken verschillen van het product
dat door hun verbinding is ontstaan.
Wat gebeurt er met de verschillende beginselen van de mens wanneer
ze na het sterven uiteengaan?
De hoogste beginselen keren onmiddellijk terug naar hun geestelijke
thuis, de ‘Vader in de Hemel’. Het laagste deel, het fysieke
lichaam met zijn lagere energieën en het modellichaam, die nu niet
meer worden bezield door het leidende bewustzijn, beginnen uiteen te
vallen.* Het lagere denkvermogen houdt op met functioneren, zowel bij
de dood als in de slaap, wanneer de bewustzijnsstraal haar bezielende
kracht uit de hersenen terugtrekt.
*Crematie kan dit proces versnellen en flink bevorderen
dat het menselijke ego zich bevrijdt van zijn lagere partners.
Dit verklaart wat er gebeurt met de hogere en de lagere beginselen
in de constitutie van de mens, maar er moet nog wel uitleg volgen over
het tussenliggende deel, het menselijke ego met zijn diverse aspecten.
Het terugtrekken van de bewustzijnsstraal uit het brein vindt niet
ogenblikkelijk plaats; lang na de laatste hartslag en de laatste ademhaling,
wanneer het lichaam ogenschijnlijk levenloos is, gaat het stervensproces
door op de innerlijke gebieden. In de eerste fase na de dood –
die vele uren kan duren, misschien wel langer – haalt het brein
automatisch uit zijn meest verborgen plaatsen iedere herinnering die
daar tijdens het zojuist geëindigde leven werd opgeslagen.
Het ego ziet dan voor zijn innerlijk oog elke bijzonderheid van zijn
voorbije leven de revue passeren, wat begint met zijn eerste bewuste
ervaring in de vroegste kinderjaren en eindigt bij het laatste ogenblik
van zelfbewuste ervaring vóór de dood. De herinnering
van deze ervaringen wordt daarna als een blijvend verslag in het onvergankelijke
deel van de innerlijke natuur van de mens bewaard. Door dit panoramische
visioen kan het ego de rechtvaardigheid zien van alles wat het is overkomen
en inzien welke uitwerking dit leven op zijn toekomstige incarnaties
zal hebben.
In gevallen van bijna-verdrinking, als de drenkeling op het nippertje
werd gered, komt het vaak voor dat hij vertelt zojuist een panoramisch
visioen van zijn voorbije leven te hebben gehad. De schrijver heeft
een verslag uit de eerste hand over zo’n ervaring van een oude
vriend die als jongen door verdrinking bijna het leven verloor; hij
vertelde hoe de herinnering aan elk voorval in zijn leven, ‘elk
gemenigheidje dat ik had uitgehaald’ (en vermoedelijk ook de goede
dingen) zeer gedetailleerd en buitengewoon levendig en helder bij hem
terugkwam.
Deze terugblik na de dood op het zojuist geëindigde leven kunnen
we vergelijken met het terugkijken dat het ego doet wanneer het vlak
voor de slaap het bewustzijn verliest, de gebeurtenissen van de afgelopen
dag overziet en beseft welke gevolgen deze gebeurtenissen op de toekomst
zullen hebben.
Het belangrijke verschil is echter dat de ervaring vóór
het inslapen zich in het lagere denken voordoet, terwijl het panoramische
visioen zich in het hogere denken voltrekt. Het gebruik van het hogere
denkvermogen is mogelijk omdat het menselijke ego bij de dood tijdelijk
wordt verheven en verbonden met het hogere ego en zo de ervaringen van
een heel leven in een betrekkelijk kort tijdsbestek kan comprimeren.
Over de periode die volgt op het ogenschijnlijke sterven van het lichaam
schrijft een van de meesters die een rol speelden bij het stichten van
de Theosophical Society:
Spreek fluisterend, u die bij een sterfbed aanwezig
bent en zich in de plechtige tegenwoordigheid van de dood bevindt.
. . . Spreek fluisterend, zeg ik, om de rustige stroom van gedachten
niet te verstoren en het verleden niet te hinderen, dat druk bezig
is zijn weerkaatsing op de sluier van de toekomst te werpen.
– De Mahatma Brieven, blz.
185
Na het panoramische visioen merkt het menselijke ego dat het zijn band
met het hogere ego niet kan handhaven, tenzij het tijdens het leven
op aarde gewend was in dit deel van zijn natuur te leven. De overgang
van het centrum van bewustzijn van het vertrouwde hersenverstand naar
het onbekende hogere denkvermogen is te plotseling en te groot voor
het menselijke ego om in deze verheven toestand te blijven; daarom zinkt
het eerst weg in een toestand van onbewustheid.
We hebben een vergelijkbare ervaring in het dagelijkse leven wanneer
we niet erin slagen ons mentaal en in andere opzichten op de hogere
niveaus te houden die we af en toe bereiken en waar we graag altijd
zouden willen blijven.
Een scheidingsproces
Het menselijke ego dat aan het einde van het panoramische visioen wegzinkt
in de toestand van sluimering of onbewustheid is een samenstelling van
hoogstaande aspiraties en idealen – ontstaan in het hogere ego
– en wereldse interesses en aardse verlangens, ontstaan in het
lagere denkvermogen. Het betere deel van het menselijke ego, het echt
menselijke gedeelte, moet zich nu bevrijden van alle onzuiverheden waarmee
het is beladen alvorens te kunnen opstijgen om zich te verenigen met
het hogere ego. Daarvoor moet het een scheidingsproces doormaken, in
de loop waarvan het niet komt te staan tegenover zijn schepper, maar
tegenover zijn eigen schepping, die verzameling gevolgen die het gedurende
het leven door zijn gedachten en daden, gevoelens en onbeheerste begeerten
heeft opgebouwd.
Hoe gemakkelijk of hoe moeilijk het ego zich losmaakt van de lagere
kanten van zijn natuur hangt af van het soort leven dat het tijdens
de belichaming heeft geleid en verschilt daarom per persoon. De meeste
fatsoenlijke mensen maken betrekkelijk gemakkelijk dit proces van loslaten
door, in een droomtoestand of bijna niet bewust. Een zeer spiritueel
mens merkt nauwelijks dat hij een loutering ondergaat en doorloopt deze
toestand heel snel.
Iemand die een uitgesproken materialistisch leven heeft geleid en gewoonlijk
heeft toegegeven aan hartstochten, zelfzucht of kwaaddoen, is daarentegen
ernstig verstrikt in het web van zijn lagere natuur en zal vanzelfsprekend
een veel langere periode van vrijmaking nodig hebben vóór
hij zich van al de lagere elementen van zijn natuur kan ontdoen. Het
is een ernstige zaak en een ontnuchterende gedachte als we ons realiseren
dat we, nadat we dit fysieke gebied hebben verlaten, eens de taak onder
ogen moeten zien ons van de ketenen te ontdoen die wijzelf tijdens de
belichaming zo onnadenkend en misschien zorgeloos hebben gesmeed.
Niemand is helemaal zonder smet en niemand is zo slecht of er is wel
iets goeds in hem om te worden verlost. Daarom moet iedereen het scheidingsproces
doormaken. De omstandigheden in deze toestand na de dood variëren
even sterk als de ervaringen die we in het fysieke leven hebben opgedaan.
Ook de daar doorgebrachte tijd loopt sterk uiteen, alles overeenkomstig
het op aarde geleide leven; maar kort of lang, gemakkelijk of moeilijk,
er komt een einde aan de periode van afscheiding. Voor iedereen breekt
de tijd aan dat alle minderwaardige materialen zijn afgeworpen en het
hogere deel van het menselijke ego vrij is om zich te verenigen met
zijn ‘Vader in de Hemel’. Dit afwerpen van de laatste belemmeringen
is wat de Ouden ‘de tweede dood’ noemden.
De straal neemt zijn projectie in zich
op
In de waaktoestand is de bewustzijnsstraal actief via zijn projectie
– het menselijke ego.
Wanneer we in slaap vallen trekt de bewustzijnsstraal deze projectie
terug en neemt zo het menselijke ego tijdelijk in zich op. De bewustzijnsstraal
begint dan door middel van het hogere denkvermogen te functioneren op
het volgende en hogere gebied, als het hogere of zich wederbelichamende
ego. Omdat het menselijke ego niet naar dit hogere bestaansniveau kan
opstijgen en het uit het hersenverstand, waarin het overdag verblijft,
is losgekomen, verliest het zijn bewustheid en weet niet dat het weer
is opgenomen in het hogere ego.
Het gebeurt soms dat de straal tengevolge van de conditie van het lichaam
zijn projectie niet volledig uit het brein kan terugtrekken, wat tot
gevolg heeft dat een klein deel van het bewustzijn daar nog werkzaam
is. Dit kleine restant van de straal zoekt dan rond tussen de verschillende
in het brein opgeslagen herinneringen en brengt de verwarde, onsamenhangende
dromen teweeg die we zo goed kennen. In dit geval was het terugtrekken
van de straal onvolledig en was het menselijke ego niet helemaal in
het hogere ego opgenomen; daardoor was de slaap rusteloos en niet zo
weldadig als hij zou zijn geweest indien het in zich opnemen volledig
was geweest.
Als het terugtrekken daarentegen wel volledig is, wordt het menselijke
ego geheel in het hogere ego opgenomen en is een rustige en weldadige
slaap het gevolg, zonder de herinneringen van dromen. Een volledige
terugtrekking is dus een eerste vereiste voor de meest heilzame slaap.
Na de dood vindt dezelfde terugtrekking van de straal plaats, en ook
dan is het terugtrekken in het beginstadium onvolledig. Want hoewel
het hogere deel van de bewustzijnsstraal zich onmiddellijk bevrijdt,
is zijn projectie, het menselijke ego, nog verstrikt in zijn lagere
eigenschappen.
Terwijl het worstelt om zich daarvan los te maken, verkeert het in
een verwarde en chaotische droomtoestand, te vergelijken met een gewone
verwarde droom. Maar na de tweede dood, als het zich volledig heeft
losgemaakt van de lagere eigenschappen, wordt het menselijke ego weer
opgenomen in het hogere ego en ontwaakt het langzaam en geleidelijk
in een gedeeltelijke bewustheid in het hogere denkvermogen. Dit ontwaken
heeft betrekking op het hogere, echt menselijke deel van het menselijke
ego; het afgeworpen lagere persoonlijke deel blijft latent.
Het gebeurt dus op dezelfde manier als bij het slapen, behalve dat
het ego in de slaap nog wordt belemmerd door zijn lagere eigenschappen
en daarom niet zuiver genoeg is om een ontwaken in het hogere denkvermogen
te beleven. Bovendien is de periode te kort om voldoende tijd te hebben
zodat de noodzakelijke scheiding zich kan voltrekken. Om deze redenen
schijnt de periode van opneming tijdens de slaap onbewust te verlopen
en heeft het menselijke ego na het ontwaken geen herinnering eraan.
Een rustperiode tussen levens op aarde
Wanneer het ego na de tweede dood langzaam tot bewustzijn komt in het
hogere denkvermogen, begint er voor het ego een nieuwe bewustzijnstoestand.
Deze lijkt op een droomtoestand waarin het ego opnieuw al zijn gelukkige
ervaringen van het leven op aarde doormaakt, niet vermengd met droevige
of onaangename herinneringen. Het lichaam en al de lagere eigenschappen
zijn afgeworpen en de beperkende en vertragende invloed daarvan op de
geestelijke aspiraties en verhevener gevoelens van de mens is weggenomen.
Het ego is nu vrij en alle goede voornemens uit het voorafgaande leven
op aarde gaan in zijn bewustzijn in vervulling; het brengt de hoogstaande
plannen tot stand die het zich had voorgesteld tijdens de belichaming
maar toen niet kon verwezenlijken.
De functie van het ego is in deze fase van zijn bestaan niet het voortbrengen
van nieuwe oorzaken, maar is eerder een tijd van rust waarin het ego
alles wat goed was in zijn zojuist voltooide leven op aarde assimileert
en blijvend in zijn eigen wezen opneemt. Het weeft al die ervaringen
in zijn karakter dat daardoor wordt veredeld, en wanneer het ego, krachtiger
en verfrist na zijn lange rust weer naar de aarde teruggaat, is de betere
kant van zijn karakter aldus versterkt en weer vorm gegeven in een nieuw
en verbeterd model voor het leven dat dan begint.
De duur van de rustperiode tussen incarnaties loopt voor verschillende
personen sterk uiteen en hangt af van de aard en richting van hun interesses
en verlangens tijdens het leven op aarde.
De mens van wie het leven vol was met geestelijke verlangens en idealistische
pogingen heeft veel stof voor overdenking en assimilatie en zijn rustperiode
is langdurig. Zij die voornamelijk geïnteresseerd zijn geweest
in materiële zaken met weinig gedachten aan onbaatzuchtigheid,
liefde of verlangens van verheven aard, hebben in geestelijk opzicht
een kleine oogst om zich mee bezig te houden. Zij die een minderwaardig
en onedel leven hebben geleid hebben een erg schrale oogst; zij hebben
een betrekkelijk korte rustperiode en het grootste deel ervan wordt
in bijna volledige onbewustheid doorgebracht.
Men zegt dat de gebruikelijke gemiddelde tijd tussen incarnaties voor
de hele mensheid ongeveer 1500 jaar is. De ervaringen van het ego zijn
echter zo levendig in zijn gelukzalige overdenking dat het niet opmerkt
hoe de tijd verstrijkt; die is in deze toestand niet verdeeld in uren,
dagen en jaren zoals op aarde. Eeuwen en zelfs duizenden jaren kunnen
voorbijgaan zonder dat het ego zich daarvan bewust is. Het is hetzelfde
als in de normale slaap; als we wakker worden wanneer het donker is,
kunnen we niet zeggen of we een paar minuten of verscheidene uren hebben
geslapen.
Karakterzaden
Het voorgaande verklaart wat er met het hogere deel van het menselijke
ego gebeurt nadat het zich bij de tweede dood heeft losgemaakt van de
lagere eigenschappen. Maar wat gebeurt er intussen met de lagere elementen
die het ego in de afscheidingsperiode heeft afgelegd?
Elk van die voertuigen of gewaden valt uiteen op het gebied waartoe
het behoort, maar in alle gevallen laat het een rest achter, een soort
‘zaad’ dat de aard en de kenmerken van het afgelegde element
of gewaad in latente toestand bewaart.
Deze ‘zaden’ bevinden zich latent op hun respectieve innerlijke
gebieden van de natuur en bewaren dus in kiemtoestand de kenmerken van
het vergankelijke deel van de vroegere entiteit. De hogere beginselen
van het wezen, waaronder het hogere deel van het menselijke ego, vallen
niet uiteen. Samen met de ‘zaden’ van de lagere elementen
zijn deze dus de bewaarplaatsen voor het hele karakter van de mens,
zodat hij in toekomstige tijden, wanneer het ego naar het leven op aarde
terugkeert, weer wordt gekleed in hetzelfde grondkarakter dat het aan
het einde van zijn vroegere bestaan had, maar nu verder ontwikkeld door
de vroegere inspanningen tot zelfverbetering.
De straal daalt weer af in de
stof
Nadat het menselijke ego na de tweede dood eeuwen heeft doorgebracht
in zijn hemelse rust komt er tenslotte een tijd dat het ego iedere tot
dusver onvervulde aspiratie maximaal heeft gerealiseerd en tot een deel
van zijn karakter heeft gemaakt. Het materiaal voor zijn dromen is geleidelijk
uitgeput geraakt en het ego begint naar een actiever bestaan te verlangen.
Vage herinneringen aan vroegere levens op aarde beginnen nu als mentale
beelden rond te waren. Het ego verlangt ernaar de oude vertrouwde omgeving
weer op te zoeken en zijn kracht opnieuw op de proef te stellen in de
activiteiten van het leven op aarde. Zoals de geestelijke aspiraties
voorafgaande aan de dood hun ‘opwaartse’ aantrekkingskracht
hebben uitgeoefend, zo wordt nu het verlangen naar het leven op aarde
steeds krachtiger, tot het ego tenslotte aan zijn reis naar de aarde
begint.
Bij zijn afdaling naar het stoffelijke gebied volgt het ego dezelfde
weg die het bij het omhooggaan aflegde, maar nu in omgekeerde richting.
Langzaam verliest het bewustheid van het gebied van geestelijke aspiraties
en gaat geleidelijk in een toestand van volledige onbewustheid over.
Terwijl het afdaalt door de tussenliggende en lagere gebieden van de
natuur ontmoet het op elk van die gebieden de ‘zaden’ die
het bij het opstijgen heeft achtergelaten. Deze zaden voelen nu het
stimulerende en bezielende effect van de aanwezigheid van hun meester
en, zoals ijzervijlsel naar een magneet wordt getrokken, hechten die
‘zaden’ zich nu aan het terugkerende ego en bouwen na verloop
van tijd de gewaden weer op waarin het vroeger was gehuld. Als het ego
gereed is het stoffelijke gebied weer in te gaan, is het daarom toegerust
met alle onontbeerlijke zaken die nodig zijn voor het opbouwen van zijn
vroegere voertuigen, zoals die ook tevoren bestonden.
Men zegt dat vlak vóór het ego het leven op aarde weer
binnengaat, het een korte periode van helder bewustzijn heeft waarin
het opnieuw hetzelfde panoramische visioen ziet van zijn vorige leven
op aarde dat het aan het einde van dat leven zag, en dat zoals tevoren
met de vroegste herinnering uit de kindertijd begint, het hele leven
in alle bijzonderheden toont en eindigt met het laatste bewuste ogenblik
vóór de dood.
Het ego ziet zijn verantwoordelijkheid voor al zijn daden in en begrijpt
de gevolgen die uit deze daden moeten voortvloeien. Dan krijgt het,
zo wordt ons verteld, een vooruitblik op het nieuwe leven op aarde dat
nu op het punt staat te beginnen en ziet de rechtvaardigheid van alle
ervaringen die het te wachten staat.
Het wordt psychomagnetisch naar die ouders aangetrokken die de erfelijke
eigenschappen en levensomstandigheden kunnen verschaffen die het meest
overeenkomen met wat het toekomt. Liefde is de sterkste band die ouders
en kinderen samenbrengt, maar haat kan ook een element zijn in die ongelukkige
gevallen waar problemen van afkeer en disharmonie in het verleden onopgelost
waren gebleven. Zulke ego’s worden weer samengebracht tot ze leren
elkaar begrijpen en gaan inzien dat ‘haat niet ophoudt door haat;
haat houdt alleen op door liefde’, zoals alle grote religieuze
leraren ons hebben gezegd.
Zoals het ego dit gebied in het verre verleden heeft verlaten via de
deur van de dood, zo gaat het er nu weer binnen door de deur van de
geboorte. Het lichaam van een zuigeling is natuurlijk een erg zwak en
onvolmaakt instrument en dit moet nu worden versterkt en ontwikkeld.
Deze taak pakt de natuur krachtig aan, want het kind brengt bijna al
zijn tijd door met eten en slapen, een eerste vereiste voor groei. Alleen
af en toe en kortstondig zien we dat het bewustzijn zich doet gelden.
Het lijkt te komen en te gaan. Het probeert zijn kleine instrument te
gebruiken, maar dit is nog te teer en zwak en onontwikkeld. Het beeld
dat het van deze wereld krijgt via de ‘vensters van de zintuigen’
is onduidelijk en wazig. Het bewustzijn staakt de poging en keert tijdelijk
terug naar zijn meer vertrouwde droomwereld, maar komt telkens weer
terug.
Terwijl weken en maanden verstrijken en het lichaam zich ontwikkelt,
kan het bewustzijn steeds langere perioden blijven voordat er door zijn
aanwezigheid te veel van het lichaampje wordt gevergd. Dan heeft het
weer slaap nodig waarin het zich niet bewust is van dit gebied.
Het is een langzaam ‘ontwaken’ van het ego tot bewustheid
op dit fysieke gebied; dat proces strekt zich maanden- en jarenlang
uit voordat het ego zelfbewustzijn heeft ontwikkeld. Het herhaalt op
een grotere tijdschaal wat plaatsheeft wanneer we ’s morgens halfwakker
worden om alleen maar weer in te slapen, iets wat zich enkele malen
kan herhalen vóór het ego zich tenslotte op dit gebied
volledig bewust wordt.
Tijdens de perioden dat het ego waakt, schijnt het te beseffen dat
het nu vertrouwd moet raken met de nieuwe wereld die het zojuist is
binnengegaan, want we zien dat het, telkens wanneer het bewustzijn op
dit gebied actief is, zijn omgeving observeert en onderzoekt. De baby
bekijkt hoe zijn vingers bewegen, voelt aan het beddengoed, betast een
speeltje en stopt het in zijn mond. Hij kijkt naar het licht aan het
plafond en reikt ernaar, maar ontdekt dan tot zijn verbazing dat afstand
of ruimte een van de kenmerken is van deze nieuwe, vreemde wereld.
Ouders klagen vaak dat het kindje zo gauw ‘genoeg heeft van zijn
aardige nieuwe speelgoed’ en steeds weer wat anders wil, maar
vervolgens ook daarvan snel genoeg heeft. Als het kindje iets nieuws
te pakken krijgt, kijkt het ernaar, voelt eraan en stopt het meestal
ook in zijn mond. Voor de baby is dit speeltje geen vrijetijdsbesteding.
Het is een voorwerp om ernstig te onderzoeken, een stukje van de nieuwe
wereld waarmee hij vertrouwd moet raken. Maar nadat het kindje het een
voldoende aantal keren heeft aangeraakt en de eigenschappen ervan kent,
heeft het ding aan zijn doel voldaan en geniet niet langer zijn belangstelling;
de baby wil iets nieuws onderzoeken.
Elke keer dat het bewustzijn aanwezig is zien we dat zijn activiteit
bestaat uit waarnemen, leren en ervaringen opdoen in het beperkte wereldje
waarin het bestaat.
Maar de jaren gaan voorbij en geleidelijk wordt de bodem geschikt voor
het ontkiemen van de karakterzaden die latent waren gebleven sinds het
einde van het vorige leven op aarde, en langzaam begint het karakter
van het hierheen komende ego zich te tonen. Dit is de ‘erfenis’
die het ego door zijn eigen gedachten en daden in zijn vorige bestaan
aan zichzelf heeft vermaakt; die vertoont zich nu in zijn aard, temperament,
talenten en begaafdheden of het gebrek daaraan. Zoals het persoonlijke
ego put uit zijn voorraad dagelijkse herinneringen die zijn opgeslagen
in het brein, zo put het hogere deel van het menselijke ego uit de diepgaandere
en meer blijvende herinneringen in de duurzame opslagplaats van het
karakter.
Als tenslotte meer jaren zijn voorbijgegaan, is de mens van puber volwassen
geworden. Het hogere ego heeft weer zijn straal in de menselijke constitutie
geprojecteerd en functioneert nu als het menselijke ego dat werkt via
het persoonlijke ego. Het samenwerkingsverband uit het vorige leven
komt weer tot stand, het lichaam is volgroeid en functioneert. Het brein
en het lagere denken zijn weer bezield en actief en het menselijke ego
is terug op zijn waarnemingspost. De bewustzijnsstraal is opnieuw ‘in
de stof gevallen’ en gereed zijn evolutie voort te zetten, en
gebruikt zijn opnieuw opgebouwde voertuig dat praktisch een duplicaat
is van dat waarvan in zijn vorige bestaan op aarde werd gebruikgemaakt.
Zoals het ego ’s avonds gaat slapen en na een rustperiode in
hetzelfde lichaam wakker wordt, zo heeft het ego na de dood zijn rustperiode,
waarna het langzaam ‘wakker wordt’ in een nieuw en –
als het dat heeft verdiend – beter lichaam. Zoals de mens is uitgerust
en verfrist na een nacht slapen, gereed de plichten van een nieuwe dag
op zich te nemen, zo is het ego versterkt en vol jeugdig enthousiasme,
gereed en verlangend om de plichten van een nieuw leven op zich te nemen.
Het fysieke lichaam is alleen
nuttig voor een fysiek bestaan
In slaap vallen is een proces van ontlichaming, waarna het ego het
bewustzijn op dit gebied verliest en buiten bereik komt van hen die
hier bewust blijven. Sterven is eveneens een proces van ontlichaming,
gevolgd door dezelfde reeks gebeurtenissen.
De twee gebeurtenissen zijn dus geheel gelijk, behalve dat in het geval
van de slaap ontlichaming tijdelijk is terwijl die bij de dood duurzaam
is. Omdat het bewustzijn zich in beide gevallen bevrijdt van het lichaam,
is de relatieve waarde of het nut van het lichaam voor het bewustzijn
ook in beide gevallen gelijk. Aangezien het lichaam in de slaap geen
nut had en zelfs een belemmering kan zijn, kunnen we redelijkerwijs
de conclusie trekken dat het lichaam even onnodig is voor het bestaan
van het ego na de dood. Omdat het voor het bewustzijn mogelijk is tijdens
de slaap te bestaan en actief te zijn zonder het lichaam te gebruiken,
moet het ook mogelijk zijn dat het na de dood bestaat en actief is zonder
het lichaam te gebruiken; en de vernietiging daarvan betekent niet de
vernietiging van het bewustzijn dat daarin verblijft.
Ons binnengaan in dit leven
wijst op een voorbestaan
Als het bewustzijn zich in de slaap en de dood uit het lichaam terugtrekt,
kunnen zij die op dit gebied bewust blijven het niet verder volgen.
Op dit punt gaat de draad van het verhaal in een ondoordringbare nevel
verloren, en verder onderzoek in deze richting wordt geblokkeerd.
Omdat we niet in staat zijn het bewustzijn te volgen wanneer het van
dit gebied vertrekt, lijkt het het beste om dan te onderzoeken hoe we
hier onze intrede deden, want als we dit begrijpen, kan het misschien
wat licht werpen op onze toekomst.
Als we vanaf het heden een terugblik werpen op het leven – en
teruggaan tot de jeugd en vroegste kinderjaren, zelfs tot de eerste
gebeurtenis die we ons te binnen kunnen brengen – weten we dat
we een en hetzelfde ego waren dat alle levenservaringen doormaakte en
weten absoluut zeker dat we zo lang geleden bestonden. Is het feit dat
we ons niets kunnen herinneren dat eerder dan die gebeurtenis plaatsvond
een bewijs dat het ego daarvoor, vóór zijn eerste herinnering,
niet bestond?
Laten we in onze verbeelding teruggaan naar de dag in de vroegste kinderjaren
toen zich iets ongewoons voordeed dat diepe indruk op ons heeft gemaakt
en dat later bleek onze vroegste bewuste herinnering te zijn. Laten
we onszelf voorstellen zoals we toen waren. We weten dat we ons op die
dag zouden herinneren wat ons op de daaraan voorafgaande dag overkwam.
Onze herinnering zou waarschijnlijk veel verder teruggaan dan dat; misschien
een maand, misschien enkele maanden. Laten we in onze verbeelding iedere
keer teruggaan naar die vroegere datum die we ons toen te binnen konden
brengen en het proces van het terugvolgen van ons bewuste bestaan zover
mogelijk voortzetten. We zouden tenslotte een punt bereiken waar het
beeld te wazig zou zijn, maar in alle gevallen dat we steeds verder
teruggingen op onze denkbeeldige terugreis naar de vroegste jeugdjaren
zouden we onszelf op die dag herkennen als hetzelfde ego, hetzelfde
ik-ben-ik als op de dag ervoor. Hierdoor
weten we dat het ego niet tot aanzijn kwam bij zijn eerste bewuste herinnering,
maar dat het al veel vroeger bestond, actief was en gebeurtenissen waarnam,
en dat het een herinnering van dag tot dag had aan andere en eerdere
voorvallen die het later is vergeten. We kunnen dit allemaal bevestigen,
want als we een kind van twee of drie jaar gadeslaan, wordt het heel
duidelijk dat het ego veel vroeger aanwezig, actief en waarnemend is
dan het kind zich later in zijn leven zal kunnen herinneren.
Onze interesses en ervaringswerelden lopen in de verschillende perioden
van ons leven sterk uiteen. In het stadium van onze volwassenheid kunnen
ze zich over een breed terrein uitstrekken; in de kleutertijd zijn ze
echter beperkt door de vier muren van de kinderkamer. Maar of het terrein
nu groot is of klein, de aard en de wezenlijke functie van het ego is:
het leven waarnemen en ervan leren; en dit is evenzeer een kenmerk van
het kind als van de volwassen mens. Vanaf het begin en tijdens het hele
leven is het ego bezig om het leven waar te nemen en te ervaren.
Toen we met de terugblik bezig waren en probeerden vast te stellen
of het ego tot bestaan kwam bij zijn vroegste herinnering, kwamen we
bij een punt waar het ego zich waarschijnlijk niet een voorval in zijn
eerdere bestaan kon herinneren omdat het beeld te wazig was. Wil dit
zeggen dat het ego geen bestaan had vóór zijn eerste flauwe
herinneringen?
Als we een baby in zijn eerste maanden gadeslaan, zelfs kort na de
geboorte, valt het ons op dat er in de betrekkelijk korte perioden dat
hij wakker is een gedeelte van de tijd een waarnemend bewustzijn aanwezig
is, want we kunnen zien dat de ogen de moeder volgen terwijl ze door
de kamer loopt. Maar andere momenten staren de ogen afwezig in de ruimte,
alsof ze uitgeput zijn en, hoewel het lichaam niet slaapt, heeft het
bewustzijn zich verwijderd ongeveer zoals een volwassene die aan het
‘dagdromen’ is. Na een poosje komt de slaap terug en is
het bewustzijn helemaal afwezig. Dit verschijnen en verdwijnen van het
bewustzijn blijft zich herhalen met geleidelijk kortere slaapperioden
en langer wordende perioden van bewust bestaan. Hierin zien we een kopie
van wat een volwassene vaak overkomt als hij slechts wakker wordt om
weer in slaap te vallen; we zien een omgekeerde herhaling van wat bij
het sterven dikwijls gebeurt wanneer het bewustzijn zich terugtrekt
om daarna weer terug te komen, mogelijk verschillende keren voor het
zich definitief terugtrekt.
Wat gebeurt er met het bewustzijn van de baby in de perioden dat het
afwezig is? Er lijken twee mogelijkheden te zijn: 1. Het bewustzijn
gaat van dit gebied naar een ander bewustzijnsgebied, waar het blijft
tot het naar dit gebied terugkeert, of 2. Het bewustzijn wordt iedere
keer dat het weggaat vernietigd en er ontstaat een nieuw bewustzijn
iedere keer dat de baby wakker wordt. Als dit tweede alternatief waar
was, zou er bij iedere waak-slaap-cyclus een nieuw bewustzijn ontstaan.
Dat zou een hele reeks van verschillende bewustzijnen opleveren die
alleen maar ontstaan om prompt weer te worden uitgedoofd; en iedere
keer dat de baby wakker werd zou er weer één zijn om aan
de lijst toe te voegen. Dit idee spreekt het gezonde verstand niet aan.
De eerste mogelijkheid wordt gesteund door het feit dat zodra het geheugen
begint te functioneren, we een bewijs hebben dat het hetzelfde bewustzijn
is dat komt en gaat, want de baby zal zich in de ene periode van bewustheid
dingen herinneren uit een eerdere, zelfs al waren de twee perioden gescheiden
door intervallen van onbewustheid. Dat het geheugen in de vroegste stadia
niet werkzaam was, zou geen verandering moeten betekenen voor de staat
van het bewustzijn zelf. En als het dezelfde eenheid van bewustzijn
is die komt en gaat nadat het geheugen is ontwikkeld, kunnen
we redelijkerwijs concluderen dat dezelfde bewustzijnseenheid, hetzelfde
ego, sinds de geboorte steeds aanwezig was.
Wanneer dus het bewustzijn zich tijdens zijn afwezigheid van dit gebied
heeft teruggetrokken naar een ander gebied, moet het een of ander voertuig
hebben gehad om op dit voor ons onzichtbare gebied te bestaan. Als het
in dit voertuig op dit innerlijke gebied kan bestaan tijdens de perioden
van afwezigheid uit het lichaam en het fysieke gebied, kan het evengoed
in ditzelfde voertuig op ditzelfde gebied bestaan vóór
zijn eerste bezoek aan het lichaam, of voordat het lichaam bestond.
Het lijkt er dus op dat er in onze kennis over de eerste verschijning
van bewustzijn in het lichaam niets is dat in tegenspraak is met de
oude lering dat dit bewustzijn bestond vóór de geboorte
van het lichaam.
Een omstandigheid die ook wijst op een bestaan van het bewustzijn vóór
het het lichaam binnenging, is het vroegtijdige verschijnen van bepaalde
gaven, neigingen en talenten bij kinderen. Deze komen geleidelijk tevoorschijn
zonder op een of andere manier door de ouders te zijn aangemoedigd of
ingeprent. Er kunnen bijvoorbeeld twee kinderen in een gezin zijn waarvan
er één duidelijk artistieke talenten heeft die het andere
volledig mist. Het eerste kind zal met een paar lijnen, gekrabbeld op
een stuk papier, de afbeelding van een natuurlijk, zelfs goed gelijkend
gezicht schetsen, terwijl het andere kind, zelfs met hulp en aanwijzingen
slechts een grove karikatuur kan maken – een ‘kaboutergezicht’.
Het kunstzinnige kind heeft zijn talent niet in dit leven verworven;
wonderkinderen op het gebied van muziek, wiskunde, enz., leerden die
onderwerpen ook niet in dit ene leven. Wanneer en waar konden deze vaardigheden
anders zijn verworven dan in een vroeger bestaan?
Vertoont de groei vanaf het beginstadium via de kinderjaren en pubertijd
niet alle tekenen van een binnenkomende ziel die een door de natuur
verschaft fysiek lichaam overschaduwt, het leven schenkt en geleidelijk
bezit ervan neemt? Het is de ziel die ergens in het verre verleden een
stervend lichaam verliet en nu ‘ontwaakt’ in een nieuw lichaam,
waarbij ze geleidelijk de erfenis toont die ze heeft meegebracht.
Ons heengaan wijst op voortzetting
van het bestaan
We zouden kunnen zeggen dat het huis van een mens in zekere zin een
deel van hemzelf is, want het is een noodzakelijke toevoeging aan zijn
leven hier. Iedere keer dat hij de deur uitgaat, bevindt hij zich in
een open ruimte waar de omstandigheden sterk verschillen van die binnen
de vier muren van het huis. Misschien houdt zijn werk hem de hele dag
buitenshuis, maar ’s avonds keert hij terug en gaat zijn woning
binnen waar hij de oude vertrouwde omgeving weer aantreft. Maar een
huis raakt na verloop van tijd in slechte staat; misschien verzakt de
fundering en als hij op een avond thuiskomt klemt de deur en komt hij
tot de ontdekking dat hij is buitengesloten.
Door van binnen naar buiten te gaan is de man niet veranderd, behalve
dat zijn blik verruimde en het hem misschien in een andere stemming
bracht. Dat hij niet kon terugkeren door de geblokkeerde deur veranderde
niets aan zijn toestand buitenshuis.
Het bewustzijn van de mens woont in een lichaam, een ‘huis’
van vlees. Elke vierentwintig uur gaat het dit huis uit door de deur
van onbewustheid op weg naar de slaap, en bevindt zich dan in een soort
‘buitenshuis’ van het bewustzijn, met heel andere bestaansomstandigheden
dan die binnen het ‘huis’. Als de ochtend aanbreekt, keert
hetzelfde bewustzijn, hetzelfde ik-ben-ik
naar het lichaam terug zodat, in welke toestand het tijdens de slaap
ook verkeerde, dit op geen enkele manier zijn identiteit veranderde
of het voortbestaan ervan belemmerde.
Voorafgaande aan de dood verlaat het bewustzijn ook zijn ‘huis’
door de deur van onbewustheid en kan lange tijd afwezig blijven maar
komt dan wel terug, en dit komen en gaan kan zich vele keren herhalen
vóór het definitieve heengaan. In elk van die perioden
van afwezigheid heeft het bewustzijn een of ander bestaan in een soort
‘buitenshuis’ van het bewustzijn dat voorzover onze kennis
reikt hetzelfde is of lijkt op dat wat we in de slaap ervaren.
Iedere keer dat het bewustzijn terugkeert na zo’n periode van
afwezigheid vóór de dood is het hetzelfde ego, hetzelfde
ik-ben-ik als voorheen, zodat ook in
dit geval het bestaan buiten het lichaam de identiteit van het ego niet
veranderde en het voortduren van zijn bestaan niet hinderde.
Laten we nu ter illustratie eens veronderstellen dat het ego zesmaal
onbewust raakt, en zes keer weer bij bewustzijn komt, maar de volgende
keer dat het zijn bewustzijn verliest niet terugkeert. Heeft het aantal
keren dat het terugkeert enige invloed op het bestaan van het ego buiten
het lichaam? Stel dat het een zevende keer was teruggekomen; zou het
dan niet nog steeds in wezen hetzelfde ego zijn geweest als toen het
de vijfde, vierde of derde keer terugkwam? En stel dat het veel vaker
terugkwam; zou het niet nog steeds hetzelfde ego zijn als tevoren? Wijst
dit niet erop dat het ego een ononderbroken bestaan had, hetzij in of
buiten het lichaam? En zou het niet zo kunnen zijn dat zelfs als het
ego niet erin slaagde terug te keren, het had geprobeerd ook deze keer
het lichaam binnen te gaan, maar het te ver in ontbinding had aangetroffen?
Het ego was buitengesloten zoals de man die zijn huis niet meer kon
binnengaan omdat de deur klemde, maar het ego had evenmin opgehouden
te bestaan als de man die was buitengesloten.
En waarom zouden we geloven dat, toen het bewustzijn niet erin slaagde
terug te keren na zijn laatste verdwijning, zijn toestand ‘buitenshuis’
aan de andere kant van de dood in enig opzicht verschilde van wat het
zou zijn geweest als de deur niet had geklemd en het bewustzijn ook
deze keer was teruggekomen?
Is er niet een opmerkelijke overeenkomst, maar werkend in de tegenovergestelde
richting, tussen het bewustzijn dat na de geboorte langzaam en geleidelijk
en met tussenpozen bezit neemt van het lichaam en datzelfde bewustzijn
dat langzaam en afwisselend onderbroken door steeds kortere terugkomsten,
zich bij het sterven geleidelijk uit het lichaam terugtrekt?
De dood is dus het tegenovergestelde van geboorte, niet het tegenovergestelde
van leven. Het leven gaat door. Bewustzijn komt in dit stoffelijke gebied
via de deur van de geboorte vanuit een ‘buitenshuis’-bewustzijn.
Het verblijft een aantal jaren op dit gebied en vertrekt dan via de
deur van de dood om het ‘buitenshuis’-bewustzijn weer in
te gaan vanwaar het is gekomen.
Verandering van omgeving verandert
de reiziger niet
Maar wat gebeurt er met het bewustzijn nadat het dit fysieke gebied
heeft verlaten en zich naar het omvangrijke ‘buitenshuis’
aan de andere kant van de poort van de dood heeft begeven?
Hier kan het gewone menselijke bewustzijn niet meegaan, evenmin als
in de slaap. De vrienden die waken aan een sterfbed zijn als zij die
zich aan de kust verzamelen om afscheid te nemen van een vertrekkende
vriend van wie het schip langzaam de haven uitvaart. Eerst is het nog
binnen gehoorsafstand, maar geleidelijk komt het steeds verder buiten
hun bereik en het nadert steeds dichter de horizon. Tenslotte lijkt
het de lijn te passeren waar het achter de horizon uit het gezicht verdwijnt;
voor de mensen aan de kust lijkt het of er plotseling een totale verandering
is opgetreden. Maar voor de man op het schip was er geen plotselinge
verandering, want alles verliep geleidelijk en natuurlijk. Hij is uit
het gezicht verdwenen van zijn vrienden aan de kust, maar andere perspectieven
hebben zich voor hem geopend, nieuwe uitzichten, nieuwe ervaringen in
andere bewustzijnstoestanden – andere woningen van het leven.
Maar de reiziger blijft niet voortdurend op één plaats.
Hij vervolgt zijn reis en gaat steeds verder, zoals een schip dat altijd
in dezelfde richting blijft varen, laten we zeggen naar het westen.
Als dit schip na maanden of jaren tenslotte bij zijn beginpunt terugkeert,
komt het niet uit het westen, waar het verdween, maar uit het oosten,
waar het uit het niets lijkt op te doemen. Terwijl het buiten het gezicht
was van hen die thuisbleven, bestond het nog steeds en was druk bezig
rond de wereld te varen.
Dit kan als een figuurlijke voorstelling worden beschouwd van wat er
na de dood plaatsheeft, want tijdens de lange afwezigheid van het bewustzijn
tussen de levens op aarde, wanneer het totaal geen contact heeft met
deze wereld, reist het door vele woningen in het huis van het leven;
en als het naar het leven op aarde terugkeert, komt het binnen aan de
andere kant van het toneel dan vanwaar het vertrok. Het komt binnen
bij de geboorte.
Heb vertrouwen in de natuur
Als we gaan slapen doen we dat in de volle overtuiging dat we de volgende
ochtend weer wakker zullen worden. We weten dat we bewusteloos zullen
worden, maar daar zijn we helemaal niet bang voor, want we weten dat
ons bewustzijn ’s morgens naar zijn vertrouwde omgeving zal terugkomen,
de draden van gisteren gaat oppakken en het leven zal voortzetten waar
het was gebleven.
We kennen de hele cyclus van activiteit en rust die we elke vierentwintig
uur meemaken zo goed dat we nauwelijks aandacht daaraan besteden. Het
is zo prettig het vermoeide lichaam na een dag van hard werken neer
te leggen en alles te vergeten, vooral omdat de natuur ’s nachts
de uitgeputte weefsels gaat vernieuwen en we ’s morgens uitgerust
en fris zullen ontwaken. Alles welbeschouwd is slapen dus zowel een
prettige als een heilzame ervaring.
We zouden volgens de oude wijsheid eenzelfde gevoel moeten hebben ten
aanzien van de langere slaap van de dood, want slaap en dood zijn beide
rustperioden voor het menselijke bewustzijn. Zoals het slapen wordt
gevolgd door ontwaken in hetzelfde lichaam, zo wordt de dood na verloop
van tijd gevolgd door ontwaken in het lichaam van een pasgeboren kind.
We zouden het verouderde en versleten instrument met een gevoel van
opluchting moeten afleggen, terwijl we weten dat we in het leven weer
beginnen met een nieuw instrument dat sterker en beter moet zijn –
en als we op de juiste manier hebben geleefd sterker en beter zal zijn
– dan het oude.
Zelfs bij het ouder worden moeten we onze aandacht niet op het sterven
concentreren, want het is alleen een dood voor het lichaam. Het is slechts
één stap in het universele herhalingsproces dat we overal
in de natuur zien, waarbij het bewustzijn van het ene gebied verdwijnt
om op een ander gebied weer te verschijnen. Het is het einde van een
cyclus en het begin van een nieuwe; en al begrijpen we de bijzonderheden
van het stervensproces niet, we moeten erop vertrouwen dat de natuur
hetzelfde vermogen heeft om ons rustig uit dit bestaan weg te leiden
als ze had om ons in dit leven te brengen.
Het ouder worden
Het ouder worden hoeft niet en hoort niet een periode van achteruitgang
of afneming van de geestelijke en verstandelijke vermogens van de mens
te zijn. In deze fase van het leven is de vitaliteit van het lichaam
verminderd en dat geeft grotere vrijheid om uitdrukking te geven aan
de geestelijke en verstandelijke vermogens van de mens. Deze kunnen
en horen actief te zijn en zich uit te breiden, zelfs tot een paar uur
vóór de dood.
Natuurlijk wordt het lichaam zwakker met het klimmen van de jaren,
maar het komt vaak genoeg voor dat oudere mensen, die niet vooral in
de fysieke kant van hun wezen hebben geleefd, zeggen: ‘Ik voel
me helemaal niet ouder dan toen ik twintig was. Misschien voel ik me
in sommige opzichten zelfs jonger.’
Er zal nog veel zijn dat we kunnen doen en veel dat we kunnen leren
als we bedenken dat geen enkele poging verloren gaat en dat, zelfs als
we in dit leven geen gebruik kunnen maken van deze late ervaringen,
er toch zoveel gewonnen is voor onze volgende incarnatie.
We moeten onze innerlijke visie vooruit richten, niet naar het verleden,
zelfs tot het einde toe, en met Victor Hugo bedenken dat ‘Doodgaan
geen doodlopende straat is; het is een doorgang. Die gaat dicht bij
de avondschemering en gaat open bij het ochtendgloren.’