Karma: de wet van gevolgen
Wetten die eigen zijn
aan de natuur
Wetmatigheid in de natuur
De wetten van de natuur moeten universeel geldig zijn
Vertraagde gevolgen
‘De inkeping in de gietvorm’
Middelen die door karma worden gebruikt
Erfelijkheid en milieu
Toevallige gebeurtenissen
Gevaar in zekerheid
Veiligheid bij gevaar
Ternauwernood ontkomen
Bijzondere reddingen
Behoed voor gevaar
Een geluk bij een ongeluk
Tot hier – maar verder niet
Afspraak met de dood
Karma slaat toe of karma redt
Immuniteit voor ziekte
Mensen die gemakkelijk ongelukken krijgen
Omstandigheden geven geen verklaring
De oorzaak moet in het individu liggen
Commentaren op toevallige gebeurtenissen gebaseerd op
de oude leringen
Karma en onvoorzichtigheid
We maken ons eigen lot
‘Zo boven zo beneden’
Iedere poging telt
Een nieuwe factor dient zich aan
Het enige wat we hoeven te weten
Neutraliseren of tevoren vereffend karma
Het uitstellen van karma
Groepskarma
Karma en het probleem van de vrije wil
Denk nog eens erover
na
Strijdige verlangens
Het karakter vertoont neigingen, maar is niet de heerser
Het vermogen om te kiezen is het ego aangeboren
Geen voorbeschikking of fatalisme
Theorieën over fatalisme
Een niet-fatalistische oplossing
De vrijheid van keuze varieert
De vrije wil als factor in de evolutie
Vertraagde gevolgen en vrije wil
Het tweezijdige aspect van de vrije wil
Goed en kwaad
Karma: de wet van gevolgen (vervolg)
Wetten die eigen zijn aan de natuur
De natuur bezit een ingewortelde neiging om evenwicht en harmonie te
herstellen overal waar deze zijn verstoord.
Als de tak van een boom uit zijn positie wordt gebogen, reageert hij
met een gelijke kracht in de tegenovergestelde richting, die de tak
weer in zijn oorspronkelijke positie zal terugbrengen als hij wordt
losgelaten. Als men een steen de lucht in gooit, valt deze naar de aarde
terug met een snelheid die gelijk is aan die waarmee hij omhoog werd
gegooid. Als een gewicht wordt opgehangen aan een touw, brengt dit in
het touw een spanning teweeg die gelijk is aan het gewicht, maar die
in de tegenovergestelde richting trekt.
Dit zijn voorbeelden op het stoffelijke gebied van een automatische
tendens in de natuur, die in de mechanica als volgt wordt geformuleerd:
‘bij iedere actie hoort een gelijke en tegengesteld gerichte reactie’.
Andere voorbeelden van de neiging in de natuur om evenwicht te herstellen
zien we in zulke alledaagse verschijnselen als water dat na te zijn
beroerd weer een glad oppervlak aanneemt; de lucht in de atmosfeer die
van hogedrukgebieden naar lagedrukgebieden stroomt, of een bewegende
slinger die uiteindelijk zijn rustpositie weer inneemt.
De oude leringen vertellen ons dat dezelfde neiging door het hele universum
op alle gebieden, zichtbare zowel als onzichtbare, werkzaam is. Ook
wij mensen worden door dezelfde wet beheerst, omdat ook wij deel zijn
van de natuur. In ons diepste wezen zijn we een met het universele leven.
Door deze innerlijke bron zijn we met elkaar verbonden zoals de bladeren
van dezelfde boom, of de cellen en organen van het menselijk lichaam.
De natuurlijke relatie tussen mensen is er daarom een van harmonie en
samenwerking voor het welzijn van het geheel. Als deze harmonische relatie
wordt verbroken, reageert de natuur door reacties van een soortgelijk
type teweeg te brengen. Als daarom onze motieven, gevoelens, gedachten
en handelingen van schadelijke aard zijn, zal hetzelfde naar ons terugkeren,
en als ze een heilzaam karakter hebben, zal de reactie ook heilzaam
zijn. Op die manier geeft het leven ons terug wat wij inbrengen.
De neiging in de natuur om op van buiten komende impulsen te reageren
met het voortbrengen van gelijkwaardige reacties wordt aangeduid met
uitdrukkingen als ‘de wet van oorzaak en gevolg’, ‘de
wet van gevolgen’, enz. In de hindoefilosofie wordt daarvoor de
Sanskrietterm ‘karma’ gebruikt. Omdat er in westerse talen
geen geschikt woord is om dit idee weer te geven, en om omslachtige
uitdrukkingen te vermijden, is in de theosofische literatuur voor dit
doel de Sanskrietterm overgenomen.
Letterlijk vertaald betekent karma ‘handeling’, maar voor
de hindoe heeft dit woord een bredere betekenis dan voor de westerling.
Voor de hindoe ligt het gevolg in de oorzaak besloten. Hij is van mening
dat de beginhandeling slechts één helft is van een proces
dat niet volledig is zolang de reactie niet heeft plaatsgevonden. De
term karma omvat daarom zowel oorzaak als gevolg. Karma wordt soms aangeduid
als een ‘wet’, maar dit moet niet worden opgevat in de juridische
zin als een edict dat door een of andere externe autoriteit is uitgesproken,
maar eerder in de wetenschappelijke zin als een kwaliteit die eigen
is aan de natuur.
Karma is de fundamentele wet die alle handelingen beheerst. Het is
de bewaarder van het evenwicht, de hersteller van een verstoorde balans.
Het straft of beloont niet, het zorgt alleen voor aanpassing.
In De Geheime Leer (1:714-5) schrijft H.P. Blavatsky:
[H]et enige gebod van karma – een eeuwig en
onveranderlijk gebod – is volkomen harmonie, zowel in de wereld
van de stof als in de wereld van de geest. Het is dus niet karma dat
beloont of straft, maar wij belonen of straffen onszelf, al naar gelang
wij met de natuur samenwerken en door middel van haar handelen, en
ons houden aan de wetten waarop die harmonie berust, of – die
wetten overtreden. . . .
[E]r is werkelijk geen ongeval in ons leven, geen
ongeluksdag en geen tegenspoed, die niet kan worden herleid tot onze
eigen daden in dit of in een ander leven. Als men de wetten van harmonie
overtreedt, . . . moet men erop zijn voorbereid tot de chaos te vervallen
die men zelf heeft voortgebracht. . . .
Karma-Nemesis is niets anders dan het (geestelijke)
dynamische gevolg van oorzaken die zijn voortgebracht en krachten
die tot activiteit zijn gekomen door onze eigen daden.
Het Boek van de gulden voorschriften zegt
over karma:
Leer dat geen poging hoe gering ook, hetzij in goede
of verkeerde richting, uit de wereld van oorzaken kan verdwijnen.
U kunt op deze ‘dag’ [dit leven] uw kansen scheppen voor
uw ‘morgen’ [toekomstige levens]. Tijdens de ‘grote
reis’ [de cyclus van bestaansvormen] brengen de oorzaken, elk
uur gezaaid, ieder haar oogst van gevolgen voort, want in deze wereld
heerst strikte rechtvaardigheid. Met de machtige beweging van haar
nooit-dwalende werking brengt ze aan stervelingen levens van geluk
of tegenslag, het karmische kroost van al onze vroegere gedachten
en daden.
– H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte,
blz. 32
Wetmatigheid in de natuur
Als we de natuur bestuderen, ontdekken we dat haar krachten overal
waar we die aan strenge testmethoden hebben kunnen onderwerpen aan duidelijk
vaststaande wetten gehoorzamen.
Zo zijn bijvoorbeeld de wetten waardoor de zwaartekracht wordt beheerst
al langgeleden vastgesteld. Veel wetten die elektriciteit, magnetisme,
chemische reacties, warmte, licht, geluid en stralingsverschijnselen
betreffen, zijn eveneens bekend. De bewegingen van zonnen en planeten
blijken aan de wetten van de natuurkunde te voldoen. Er kunnen nog meer
voorbeelden worden aangehaald. In al deze gevallen heeft men gevonden
dat de reacties van de natuur consistent zijn en dat experimenten die
onder dezelfde omstandigheden worden uitgevoerd altijd dezelfde gevolgen
zullen voortbrengen.
Men kan zeggen dat alle wetenschappelijke inspanningen erop gericht
zijn nieuwe verschijnselen in de natuur te ontdekken, en ook de krachten
die deze voortbrengen en de wetten die deze krachten beheersen. Dit
hele streven is gebaseerd op de vaste overtuiging dat natuurverschijnselen
op onveranderlijke wetten zijn gebaseerd die, hoewel nu nog onbekend,
alleen maar wachten op hun ontdekking. Iedere wetenschappelijke onderzoeker
toont door de inspanning die hij zich getroost zijn overtuiging dat
alle verschijnselen in de natuur door wetten worden beheerst.
Ook in de wereld van de ideeën kunnen we zien hoe het gevolg op
de oorzaak volgt. Dit wordt op treffende wijze gedemonstreerd in de
wiskunde, waar iedere opeenvolgende stap, of het gaat om de eenvoudigste
berekeningen of de hoogste takken van deze wetenschap, is gebaseerd
op feiten die al eerder zijn bewezen. Een meetkundige stelling wordt
bewezen aan de hand van een strikte stapsgewijze afleiding, feiten die
volgen op andere feiten die eerder zijn bewezen. Van wiskunde kan men
zeggen dat het de ‘maatstok’ is aan de hand waarvan kennis
die op andere gebieden is verzameld wordt ‘gemeten’, want
een van de algemeen toegepaste stappen die nodig zijn bij het interpreteren
van experimentele gegevens is om te kijken of deze in wiskundige formules
kunnen worden samengevat.
De wetten van de natuur
moeten universeel geldig zijn
Maar hoe zit het met het enorme aantal verschijnselen in de natuur
dat we tot nu toe niet aan strikte testmethoden hebben kunnen onderwerpen?
En hoe zit het met de ervaringen van het menselijk leven, die ons ieder
zo wezenlijk raken in ons persoonlijke leven en in onze relaties met
de natuur en met onze medemensen?
Moeten we aannemen dat deze verschijnselen tot een andere klasse behoren
dan die waarvan we weten dat ze beheerst worden door de wetten van de
natuur? Moeten we aannemen dat het hier om willekeurige op toeval berustende
gebeurtenissen gaat – of moeten we erkennen dat ook deze verschijnselen
duidelijk vaststaande wetten volgen? De voornaamste belemmering om in
deze gevallen wetmatigheid te accepteren ligt in het feit dat we niet
in staat zijn de werkingen van zulke wetten op te sporen. Maar is het
feit dat we daarin niet slagen voldoende reden om te concluderen dat
deze verschijnselen het gevolg zijn van toeval?
Er zijn verschijnselen die onbekend waren aan onze voorouders of die
zij niet konden verklaren, maar die we tegenwoordig wel kennen en begrijpen.
Er zijn verschijnselen die onbekend en onverklaard zijn voor grote
delen van de huidige mensheid, maar deze zelfde verschijnselen worden
door andere, beter opgeleide mensen wel gekend en begrepen.
Als onze voorouders in het verleden en degenen in onze samenleving
die nu daartoe niet zijn opgeleid en deze verschijnselen niet kunnen
uitleggen, hadden geconcludeerd dat ze het resultaat waren van toeval,
dan weten we dat zo’n conclusie een beoordelingsfout zou zijn
geweest, want wetenschappers hebben bewezen dat deze verschijnselen
door natuurwetten worden beheerst.
Als verschijnselen die in het verleden niet werden begrepen aan wetenschappelijk
onderzoek worden onderworpen en nu wel worden begrepen, is het dan niet
redelijk te veronderstellen dat van andere verschijnselen, die door
ons niet worden begrepen, eveneens na toekomstig onderzoek zal blijken
dat ze aan vaste wetten voldoen? Kan er ook maar enige twijfel aan bestaan
dat de wetten van de natuur universeel zijn en dat als men van sommige
van haar verschijnselen weet dat ze door wetten worden beheerst,
dat voor allemaal moet gelden?
Kan het niet zijn dat verschijnselen die voor ons nog onverklaard zijn,
wel worden begrepen door anderen die verder ontwikkeld zijn dan wijzelf?
Dit is volgens de meesters van wijsheid, die in hun evolutie het menselijke
stadium voorbij zijn, inderdaad het geval. Zij zijn in staat hun bewustzijn
over te brengen naar de onzichtbare gebieden van de natuur en ze berichten
ons vanuit deze gunstige positie dat ieder verschijnsel in de natuur
het resultaat is van de werking van een of andere natuurwet, en dat
in die gevallen waarin de keten van oorzakelijkheid niet kan worden
gevolgd op het uiterlijke fysieke gebied, deze op de innerlijke gebieden
van de natuur wel bestaat en kan worden gevolgd.
De krachten van de natuur werken automatisch en met precisie, of ze
nu worden gezien en begrepen of niet. Het is als iemand die telt met
een rekenmachientje. Het technische gedeelte zit vanbinnen en degene
die het gebruikt begrijpt misschien niet hoe het werkt, maar telkens
als men op de knop drukt, wordt het nieuwe getal bij het vorige opgeteld.
Zo is het ook met de mens in zijn relatie tot de natuur en zijn medemensen.
De heerschappij van karma is volledig, en het is voor ons nutteloos
te proberen aan de gevolgen van onze handelingen te ontsnappen, want
we dragen de zaden ervan in onze innerlijke natuur met ons mee, waarheen
we ook gaan. Na verloop van tijd zullen we oogsten wat we hebben gezaaid.
Als wat we zaaiden slecht was, zal de oogst slecht zijn, maar er zal
niets kwaads tot ons komen dat we niet hebben gezaaid; alleen wat ons
rechtmatig toekomt, niet meer en niet minder. En als het gezaaide goed
was, zal ook de oogst goed zijn. Deze kan niet worden achtergehouden;
hij zal ons hoe dan ook ten deel vallen. We hoeven niet ‘voor
onze rechten te vechten’. Karma doet dat voor ons. Maar we kunnen
geen enkel voordeel ontvangen dat we niet hebben verdiend. Als we dat
toch proberen te doen, zal dat later moeten worden teruggegeven aan
degene aan wie het rechtmatig toekomt.
Vertraagde gevolgen
Als een steen de lucht in wordt gegooid valt hij een paar seconden
later op de grond. De kracht van de beweging die door de hand die hem
gooit eraan is gegeven draagt energie over aan de steen. Terwijl de
steen door de lucht beweegt, wordt deze energie niet verbruikt. Wanneer
de steen de grond raakt, wordt de inherente energie ervan benut om op
de plaats waar hij de grond raakt een of ander effect teweeg te brengen.
We zien dan dat er bij een handeling drie stappen een rol spelen:
1) de oorspronkelijke impuls (‘het gooien van de steen’),
2) het tijdsverloop tussen oorzaak en gevolg (‘de steen in de
lucht’) en
3) het gevolg dat wordt teweeggebracht wanneer de steen zijn energie
afgeeft (‘de steen raakt de grond’).
1) is ‘karma in wording’;
2) is onvereffend karma, ‘uitgesteld’ of als het ware ‘opgeslagen’,
wachtend op een gelegenheid om vereffend te worden;
3) is karma dat wordt vereffend.
Om verwarring te voorkomen is het goed om op te merken dat de term
karma soms in een speciale betekenis wordt gebruikt, zoals in de uitdrukking
dat ‘iemand bezig is een hoop onaangenaam karma uit te werken’.
In dat geval verwijst de term niet naar het volledige proces in drie
stappen dat hierboven is geschetst, maar alleen naar de opgehoopte en
latente energie van stap 2 die wordt omgezet in de actieve energie van
stap 3.
Toen de steen in de lucht werd gegooid en ongehinderd kon vallen, was
het tijdsverschil tussen oorzaak en gevolg maar een paar seconden. Maar
stel dat de steen hoog in zijn baan boven op het dak van een gebouw
was terechtkomen. Hij zou dan zijn vlucht niet hebben kunnen vervolgen
en de opgeslagen energie zou latent zijn gebleven. De steen kan jaren
op het dak blijven liggen, misschien wel eeuwen, voordat iemand hem
per ongeluk over de rand duwt, maar als dit gebeurt gaat de steen verder
met vallen en als hij de grond raakt zal het gevolg hetzelfde zijn als
wanneer hij direct was gevallen. De tijd die intussen was verlopen had
geen invloed op het uiteindelijke resultaat. Hetzelfde principe geldt
voor een samengedrukte veer. Precies dezelfde hoeveelheid energie die
nodig is om hem samen te drukken zal vrijkomen wanneer de veer wordt
losgelaten, onafhankelijk van de tijd die hij samengedrukt is geweest.
Ook bij menselijke aangelegenheden is er een tijdsperiode tussen actie
en reactie die van nul tot vele jaren kan duren, misschien een heel
leven of zelfs meer. Door dit uitstel denken zo velen dat het gevolg
wel nooit zal komen, evenals de man die de steen wierp die op het dak
terechtkwam weggaat en het geval vergeet zonder zich te realiseren dat
ooit in de toekomst het resultaat van zijn handelen moet volgen.
Steeds wanneer een mens denkt, voelt of handelt, wordt er een verandering
teweeggebracht in het onzichtbare deel van zijn natuur; een psychomagnetische
kracht wordt opgewekt die hem of haar onweerstaanbaar naar die omstandigheden
toetrekt waar de vereffening van de handeling kan en zal plaatsvinden.
Op die manier is de mens zelf de verbindende schakel tussen zijn handeling
en het resultaat dat daarop moet volgen. De mens is een voorraadschuur
van krachten en energieën die hijzelf heeft voortgebracht, en die
elk het resultaat is van een of andere vroegere handeling, en wacht
op haar beurt om te worden vereffend. Zoals een magneet ijzervijlsel
aantrekt en zand laat liggen, zo zal ieder van deze nog niet vereffende
krachten haar eigen tegenhanger aantrekken.
‘De inkeping in de
gietvorm’
In dit verband schiet me een manier van selecteren van letters te binnen
door een machine die ik jaren geleden in een drukkerij zag, waar het
drukken gedaan werd met individuele losse gietvormen; een afzonderlijke
gietvorm voor elke letter. Na het drukken moest elke gietvorm worden
uitgesorteerd en voor hergebruik de volgende dag in het juiste bakje
worden gedeponeerd. Dit werd gedaan door een sorteermachine waar alle
gietvormen doorheen moesten. Iedere gietvorm had in zijn rand een kerf
of inkeping van een bepaalde vorm en op een bepaalde hoogte, voor iedere
letter een andere. Terwijl de letters door een ingewikkeld systeem van
buisjes van de sorteermachine heengingen, kwamen ze allemaal vroeg of
laat langs een sleuf waar iets uitstak dat paste bij de inkeping. Zo
werden de letters naar hun juiste bestemming geleid.
Als de mens denkt of handelt, maakt hij een ‘inkeping’
in het onzichtbare deel van zijn natuur die hij voortaan bij zich draagt.
Tijdens zijn leven krijgt hij te maken met vele ervaringen, maar hij
zal alleen diep worden beïnvloed door die welke overeenkomen met
de ‘inkeping’ in zijn eigen innerlijke natuur.
Het feit dat de ‘inkeping’ onzichtbaar is hoeft ons niet
te verbazen, want de gedachte of het gevoel dat tot de handeling heeft
geleid is ook onzichtbaar. Voor degenen die hun innerlijke vermogens
hebben ontwikkeld, zijn gevoelens en gedachten zichtbaar, want ze hebben
op hun eigen gebied vorm en substantie, zo vertelt ons de oude wijsheid.
Middelen die door karma
worden gebruikt
Erfelijkheid en milieu
Karma gebruikt vele verschillende middelen om zijn doelen te bereiken.
Twee daarvan zijn erfelijkheid en milieu.
Als een ziel of ego gereed is om terug te keren naar een geïncarneerd
bestaan laten alle oude banden die het ego in het verleden met andere
ego’s verbonden zich gelden, en de sterkste daarvan zullen het
ego naar die familiekring toetrekken waarmee het het meest gemeen heeft.
Het binnenkomende ego zal daarom tot die ouders worden aangetrokken
die meer of minder op dit ego lijken, althans in een aantal opzichten.
Het gevolg van deze innerlijke overeenkomst wordt vaak weerspiegeld
in het uiterlijk. Maar omdat de innerlijke overeenkomst niet in alle
details volledig is, zijn er ook verschillen in het uiterlijk.
De kenmerken van het binnenkomende ego zijn het gevolg van zijn eigen
vroegere gedachten en handelingen, dat wil zeggen, zijn karma. Daarom
bepaalt karma onze familiebanden, en daardoor onze genetische situatie.
Het oorzakelijke verband is dus niet dat kinderen op hun ouders lijken
omdat ze bij elkaar worden geboren, maar dat ze bij hun ouders komen
omdat ze in karakter met hen overeenkomen. Het is een geval van ‘soort
zoekt soort’. Ze zoeken elkaar op omdat ze gelijk van aard zijn
en het is niet zo dat ze gelijkgeaard worden doordat ze elkaar hebben
opgezocht.
Terwijl liefde, overeenkomst in karakter en gemeenschappelijke belangen
de factoren zijn die het ego gewoonlijk naar zijn toekomstige familie
toetrekken, kunnen er ook andere krachten aan het werk zijn. Zielen
kunnen mogelijk tot elkaar worden aangetrokken om een of ander onopgelost
probleem uit de weg te ruimen, om een oude karmische rekening te vereffenen.
Een eigenzinnige ziel krijgt misschien een gelegenheid zich van haar
karaktertrek te bevrijden door te worden aangetrokken tot een goed gezin,
terwijl tegelijk haar aanwezigheid daar werkt als een prikkel voor de
ontwikkeling van geduld en welwillendheid van de kant van de rest van
de familie. Evenzo kan een relatief gevorderde ziel ervoor kiezen ter
wille van haar eigen discipline in een in ontwikkeling achtergebleven
gezin te incarneren, terwijl tegelijk de andere leden van de familie
voordeel kunnen hebben van de aanwezigheid van een behulpzame invloed
in hun midden.
Als de overeenkomst tussen ouders en kinderen alleen aan erfelijkheid
te danken zou zijn, zou dit uniform en consequent zo zijn, maar dit
is niet het geval. Kinderen kunnen in een aantal opzichten op hun ouders
lijken, maar in andere aspecten verschillen ze heel veel van hen. Kinderen
uit hetzelfde gezin vertonen ook grote verschillen in eigenschappen,
ook al hebben ze dezelfde voorouders. Er is een geval bekend van een
eeneiige tweeling, waarbij de een albino was met een melkwitte huid
en dito haar en roodachtige ogen, terwijl de ander zwart haar had en
donkere ogen, zoals de beide ouders.
Genieën worden soms geboren in gezinnen met slechts een gemiddelde
intellectuele ontwikkeling, en verstandelijk gehandicapten soms bij
hoog intelligente ouders.
Napoleon gaf blijk van bekwaamheden en talenten die bij zijn ouders
en vele broers en zusters volledig ontbraken. Het muzikale talent van
Bach verdween geleidelijk uit zijn familie.
Zij die beweren dat onze aangeboren kenmerken door onze erfelijkheid
worden bepaald wijzen op de overeenkomsten, maar negeren de verschillen.
Een bevredigende theorie moet beide verklaren. Omdat de erfelijkheidsleer
daarin niet slaagt, is het duidelijk dat de oorzaak van onze
inherente kenmerken dieper ligt dan de eenvoudige overdracht van eigenschappen
van ouders op kinderen.
De gewone theorie van de erfelijkheid brengt ook problemen met zich
mee van onrechtvaardigheid en verantwoordelijkheid, die zij niet kan
oplossen. Waarom zou het ene kind gehandicapt moeten zijn door ongunstige
erfelijkheidsfactoren, terwijl een ander wordt geholpen door juist gunstige
factoren? Hoe kan iemand ooit voor zijn handelingen verantwoordelijk
worden gehouden als zijn kenmerkende eigenschappen worden bepaald door
zijn ouders en niet door hemzelf? De ouders kunnen op hun beurt de verantwoordelijkheid
afschuiven op de grootouders en zo tot in het oneindige. Uiteindelijk
zou niemand verantwoordelijk zijn voor welk handelen dan ook. Een misdadiger
zou een excuus kunnen vinden voor zijn criminele gedrag door het aan
zijn erfelijke factoren te wijten. Geen enkele georganiseerde maatschappij
zou kunnen blijven functioneren als dit gezichtspunt ten aanzien van
erfelijkheid zou worden toegepast door een rechtbank.
De moeilijkheid met de gangbare erfelijkheidstheorie is dat ze probeert
de aangeboren kenmerken van de mens te verklaren op basis van één
enkel leven op aarde. De problemen van de erfelijkheid kunnen niet worden
opgelost tenzij we de reïncarnatieleer erkennen. Als we rekening
houden met herhaalde belichaming verdwijnen al deze problemen. De ziel,
het ego, heeft eerder geleefd en haar tegenwoordige kenmerken zijn het
resultaat van haar voorafgaande handelingen. Erfelijkheid is daarom
een gevolg, geen oorzaak. Het is een van de middelen die door karma
worden gebruikt om de mens de gevolgen te presenteren van oorzaken die
hij in vroegere levens heeft gezaaid. Er is geen onrechtvaardigheid
in dit proces en ieder is zelf verantwoordelijk voor wat hij of zij
is en doet.
Ons milieu is evenals onze erfelijkheid het gevolg van onze vroegere
gedachten en daden. Bij onze geboorte worden we tot zulke omstandigheden
en zo’n omgeving aangetrokken als we voor onszelf in onze voorgaande
levens hebben gecreëerd, of naar een milieu waar onvereffend karma
in evenwicht kan worden gebracht. Milieu is evenals erfelijkheid een
van de meest effectieve gereedschappen van karma.
De omgeving zou eveneens een doorn van onrechtvaardigheid zijn als
ze wordt beschouwd vanuit het standpunt dat we op aarde slechts eenmaal
leven, maar in het licht van reïncarnatie ziet men dat gevolgen
daar rechtvaardig in evenwicht worden gebracht.
Toevallige gebeurtenissen
Wanneer we zeggen dat iets ‘toevallig gebeurt’, bedoelen
we dat iets zonder oorzaak gebeurt òf dat de oorzaak niet duidelijk
is. Wanneer we haar in de eerste betekenis gebruiken, is de uitdrukking
met zichzelf in tegenspraak, want een gebeurtenis kan niet worden voortgebracht
door een ‘oorzaak’ die per definitie geen oorzaak is. Er
bestaat niet zoiets als toeval als we met toeval bedoelen dat een gebeurtenis
plaatsvindt zonder oorzaak. Alles wat zich in het menselijk leven voordoet,
van het meest alledaagse tot het meest vreemde en ongewone, wordt beheerst
door de wet van karma.
Maar als we het woord ‘toeval’ in de tweede betekenis gebruiken,
wordt het een geschikte term om gebeurtenissen te beschrijven waarvan
de oorzaak voor ons verborgen is.
Bij veel dingen die gebeuren is de tijdsduur tussen oorzaak en gevolg
gering. We kunnen daardoor de verbinding tussen de twee zien en het
is gemakkelijk de werking van karma te herkennen.
Bij andere gebeurtenissen, waaronder gevallen die we ongelukken, geluks-
of ongelukstreffers, toeval, enz., noemen, kan er een lange tijd zijn
verlopen tussen oorzaak en gevolg. Hierbij ziet men het gevolg, maar
niet de oorzaak. De oude wijsheid zegt ons dat al zulke gebeurtenissen
vertraagde gevolgen zijn van eerder in dit leven gelegde oorzaken, of
misschien in een vorige incarnatie en reeds lang vergeten. Wanneer de
tijd rijp is voor het vereffenen van deze oorzaken, brengt de ‘inkeping
in de gietvorm’ van de eigen innerlijke natuur van het individu
hem in moeilijkheden of behoedt hem ervoor. De vreemde uiterlijke omstandigheden
zijn de middelen die karma gebruikt om zijn doelen te bereiken.
We geven hieronder een paar voorbeelden van zulke gebeurtenissen. Het
zijn werkelijk gebeurde gevallen die in kranten en tijdschriften hebben
gestaan.
Gevaar in zekerheid – Thuis zou het
veilig moeten zijn, maar de [Amerikaanse] nationale raad voor veiligheid
rapporteerde in een bepaald jaar dat van de 88.000 ongelukken met dodelijke
afloop in de Verenigde Staten er 28.000 of bijna 32% binnenshuis plaatsvond.
Een man zat op zijn veranda aan de voorkant van zijn woning. Een voorbijsnellende
auto maakte een kiezelsteen los uit wat grind op straat en schoot die
met de snelheid van een kogel 25 meter weg. Deze trof de man op zijn
voorhoofd en doodde hem.
Een andere man kon zijn voet niet in zijn schoen krijgen. Geërgerd
rukte hij eraan, verloor zijn evenwicht en viel. De schedelfractuur
die daarvan het gevolg was leidde tot zijn dood.
Een man die zijn auto moest achterlaten vanwege een lekke band, begon
in de richting van de dichtstbijzijnde stad te lopen. Om niet door voorbijkomende
auto’s te worden geschept, liep hij achter de buitenste bomenrij
langs de snelweg. Een automobilist die probeerde een vrachtwagen te
ontwijken, verloor de macht over het stuur en de auto schoot tussen
twee bomen door en raakte de voetganger, die in het ziekenhuis moest
worden opgenomen.
Veiligheid bij gevaar – Een
man stortte zich veilig over de Niagara waterval in een ton, maar brak
zijn nek toen hij over een sinaasappelschil uitgleed.
Een beroepsparachutespringer die zonder verwondingen 2226 sprongen
uit vliegtuigen en ballonnen had gemaakt, moest het ziekenhuis in nadat
hij van de achterkant van een geparkeerde vrachtauto was gevallen.
Een vrouwelijke piloot viel met haar vliegtuig eens 1000 meter omlaag
en ontkwam ongedeerd, maar liep een gebroken neus en ander letsel op
toen haar hotelbed het begaf.
Ternauwernood ontkomen – Bij
een explosie op een school in Texas waarbij 413 kinderen het leven verloren,
was één meisje net bezig een papiertje onder haar tafel
op te rapen toen de explosie plaatsvond. De tafel beschermde haar tegen
het vallende puin.
Juist toen een man in zijn auto een spoorwegovergang met drie sporen
opreed, zag hij een trein op zich afkomen. Hij dacht dat de trein op
het achterste van de drie sporen reed, en trapte stevig op de rem. Maar
z’n voet slipte en kwam op het gaspedaal terecht en de auto schoot
naar voren naar het buitenste spoor. De locomotief ging rakelings langs
de achterzijde van de auto, want de trein reed in feite op het tweede
spoor, waar de man had willen stoppen.
Bijzondere reddingen – een
automonteur werd bedwelmd door koolmonoxide terwijl hij bezig was de
verwarming in een afgesloten wagen te repareren. Hij viel voorover in
zo’n positie dat zijn kin op de claxon terechtkwam. Vrienden hebben
hem gered.
Een Britse onderzeeër lag al twee dagen op de bodem van de oceaan
en de bemanning wachtte de onvermijdelijke dood. De kapitein ging hen
voor bij het zingen van de bekende hymne ‘Blijf bij mij, Heer’.
Er werden slaaptabletten rondgedeeld om de zenuwen van de mannen te
kalmeren. Een van hen verloor snel daarna het bewustzijn en viel tegen
een apparaat waardoor het luchtpompsysteem op gang werd gebracht waarna
de onderzeeër aan de oppervlakte kwam en zich naar de kust begaf.
Alle mannen werden gered.
Behoed voor gevaar – Een middelbare
scholier die bezig was zijn vader te helpen in de kruidenierswinkel,
miste net de schoolbus die voorbijsnelde. Hij probeerde hem te laten
stoppen, maar zonder succes. De bus werd geraakt door een goederentrein.
Tweeëntwintig van zijn medeleerlingen en de chauffeur werden gedood.
Een man die met vrouw en kind door de woestijn van Arizona reed stopte
even om iets aan zijn auto te doen. Even later kwam hij bij de gewoonlijk
droge bedding van een rivier die hij moest oversteken en zag hoe drie
andere auto’s die net voor hem reden door een plotseling sterke
stroom veroorzaakt door een wolkbreuk werden meegesleurd.
Een moeder had de gewoonte om iedere dag na het eten haar vierjarige
dochtertje heen en weer te laten schommelen in de hangmat boven het
gazon, maar op een dag had de moeder het te druk en zei tegen haar dochtertje
dat ze alleen moest gaan. Maar het meisje wachtte liever binnen tot
haar moeder klaar was om mee te komen. Een paar minuten later hoorden
ze een luid gekraak en toen de moeder op het achtererf ging kijken,
zag ze dat de windmolen en de watertank die op het erf van de buurman
stonden en die vele tonnen wogen waren ingestort, en de hangmat waar
moeder en dochter altijd schommelden was bedolven onder zware balken
en puin.
Een geluk bij een ongeluk –
Een meisje beschadigde haar ruggengraat toen ze van de trap viel en
kon als gevolg daarvan beide benen niet meer gebruiken. De doktoren
hadden weinig hoop op herstel. Vijf jaar later botste een vrachtauto
tegen haar rolstoel waarin ze naar een theater werd gebracht. Na de
schok begon haar toestand vooruit te gaan en na een paar maanden kon
ze weer zelfstandig lopen.
Een vrouw die ten gevolge van een oorontsteking doof was geworden kreeg
na drie maanden plotseling haar gehoor terug door de schok die ze kreeg
toen de bliksem in haar huis sloeg.
Een jongen van vijftien leed aan een infectie aan zijn been na een
verwonding die hij tijdens het voetballen had opgelopen, en kon niet
lopen zonder krukken. Een jaar later kreeg hij een schop van een paard
en hierdoor werd een beensplinter naar de oppervlakte geduwd die röntgenstralen
niet zichtbaar hadden gemaakt. Nadat deze was verwijderd genas het been
en konden de krukken worden afgedankt.
Tot hier – maar verder niet
– Een man die in de buurt van een ijszaag aan het werk was raakte
met zijn overall verstrikt waardoor zijn been in de machine werd getrokken.
De zaag zaagde het been eraf, draaide de overall op tot een sterke tourniquet
en liep toen vast. De man lag daar een uur lang hulpeloos, waarbij het
in elkaar gedraaide kledingstuk de bloedstroom afbond, wat zijn leven
redde.
Een man werd ‘opgehangen’ voor een misdaad die hij niet
had begaan, maar het touw schoot los en hij stierf niet. Later bekende
de echte moordenaar en de onschuldige was gered.
Een lerares die achttien jaar blind was geweest kreeg langzaam en zonder
aanwijsbare oorzaak haar gezichtsvermogen terug.
Afspraak met de dood – Tijdens
het bombardement van een stad greep een zakenman zijn geld en maakte
dat hij in zijn auto buiten de stad kwam, omdat een huis vlakbij werd
gebombardeerd. Kilometers verderop werd hij door een bom opgeblazen.
Tijdens een aardbeving moest een vrouw die op kantoor werkte door de
machinekamer van een wasserij heen om de straat te bereiken. Het gebouw
stortte in en de vrouw werd gedood. Als ze in het kantoor was gebleven
zou ze ongedeerd zijn gebleven, want dat gebouw werd niet beschadigd.
Karma slaat toe of karma redt –
Door een gasexplosie onder een stad werd een zware gietijzeren putdeksel
vijf verdiepingen omhooggeslingerd, brak door het dakraam van een liftkoker,
viel door de liftschacht naar beneden en doodde één liftpassagier,
maar liet de andere drie ongedeerd.
Bij de uitbarsting van Mt. Pelée op Martinique op 8 mei 1902
werd de stad St. Pierre vernietigd en alle inwoners werden gedood op
een na. Een gevangene die vastzat in de stadsgevangenis was de enige
overlevende.
Immuniteit voor ziekte – Sommige
mensen die voortdurend aan besmettingsgevaar zijn blootgesteld worden
niet ziek, terwijl anderen die dat risico niet lopen en misschien alles
doen om zichzelf te beschermen, de ziekte wel krijgen.
Mensen die gemakkelijk ongelukken krijgen
– Ongelukken treden niet gelijkmatig verspreid over de bevolking
op. De statistieken over dit onderwerp laten zien dat ongevallen in
een bepaalde groep individuen voornamelijk op rekening staan van een
heel klein aantal personen die vatbaar zijn voor ongelukken. Deze vatbaarheid
voor ongelukken is een relatief stabiele individuele eigenschap.
Omstandigheden geven geen verklaring
– Het is duidelijk onmogelijk deze gebeurtenissen te verklaren
als gevolgen van de uiterlijke omstandigheden waaronder ze optreden,
want de uitkomst is vaak het tegengestelde van wat men onder die omstandigheden
zou verwachten. Thuis zou het relatief veilig moeten zijn, maar misschien
is dat niet zo. Uitglijden over een sinaasappelschil zou minder gevaarlijk
moeten zijn dan in een ton over de Niagarawaterval te gaan. Verwonding
door een val van ongeveer een meter vanaf een geparkeerde vrachtwagen
lijkt minder waarschijnlijk dan dat zoiets gebeurt in de loop van duizenden
parachutesprongen, maar vond juist in het eerste geval plaats.
De oorzaak moet in het individu liggen
– Hoe komt het dat de zaken onder dezelfde omstandigheden
bij verschillende mensen verschillend verlopen? Bij de ontploffing in
de school in Texas waarbij honderden kinderen werden gedood, ontsnapte
één die er middenin zat aan dat lot. Hetzelfde gebeurde
in het geval van de uitbarsting van Mt. Pelée waarbij duizenden
omkwamen; één persoon die zich midden in de stad bevond
werd gespaard.
Als we dit voegen bij het door ongevallenstatistieken geleverde feit
dat bepaalde personen veel vatbaarder zijn voor ongelukken dan het gemiddelde,
wordt het dan niet overduidelijk dat de werkelijke oorzaak van wat gebeurt
eerder in het individu zelf besloten ligt dan in de omstandigheden?
Commentaren
op toevallige gebeurtenissen gebaseerd op de oude leringen
Geen enkele plaats is veilig als het ons karma is om gewond te raken,
zoals wordt aangetoond met de ongelukken in huis.
Het zoeken van veiligheid kan ons in gevaar brengen, zoals het geval
was met de man die langs de snelweg achter een rij bomen ging lopen,
de vrouw die bescherming zocht voor een aardbeving en de man die vluchtte
voor een bom.
Geen gevaar zal ons letsel kunnen toebrengen als ons geen kwaad toekomt,
zoals blijkt uit het geval van het meisje op school bij de gasexplosie
en de gevangene bij de uitbarsting van Mt. Pelée.
Karma slaat toe wanneer het daarvoor het juiste moment is, maar niet
eerder. De parachutist en de man die over de Niagarawaterval voer hadden
hun tijd nog niet bereikt en ontsnapten aan een groter gevaar, maar
werden door een kleiner gegrepen toen het hun tijd was.
We kunnen een ramp nabij komen en de dood kan onvermijdelijk lijken,
maar karma zal een uitweg bieden als we moeten worden gered, zoals de
bemanning van de onderzeeër, de man die met zijn kin op de claxon
viel of de man die werd ‘opgehangen’.
Als onze eigen poging onszelf te redden ons de dood zou hebben gebracht
zoals in het geval van de man die de drie sporen moest oversteken, komt
karma tussenbeide als we moeten worden gespaard, waardoor wat we naar
ons eigen oordeel fout doen ons leven redt.
We kunnen buiten gevaar worden gehouden door omstandigheden waartegen
we op dat moment bezwaar maken, maar waarvan later blijkt dat het de
manier was om ons leven te redden, zoals bij de jongen die de schoolbus
miste, de chauffeur die werd opgehouden en daardoor aan een plotseling
aanzwellende stroom ontsnapte, en de moeder en haar kind die een keer
niet toekwamen aan hun dagelijkse geschommel in de hangmat.
Wanneer we de hoeveelheid lijden die op onze rekening staat hebben
uitgeput, vindt karma wegen en manieren om verlichting te brengen, middelen
die misschien ruw overkomen maar het gewenste resultaat opleveren, zoals
in het geval van de invalide vrouw van wie de rolstoel botste met een
vrachtwagen, de vrouw die weer kon horen na een blikseminslag en de
jongen met een infectie die kon worden verholpen als een indirect gevolg
van een schop van een paard. Ons karma gebruikt wellicht middelen die
minder spectaculair zijn dan in het geval van de lerares die na achttien
jaar blindheid haar gezichtsvermogen herkreeg.
Het kan zijn dat ernstige tegenslagen op ons conto staan, maar niet
het verlies van het leven, en karma brengt ons het een zonder het ander,
zoals bij de man die zijn been verloor in een ijszaag, maar ervoor werd
behoed om dood te bloeden. En als we ons leven moeten verliezen, kan
de dood ons op de meest onverwachte wijze overvallen, zoals bij de man
in de lift die door een rondvliegend putdeksel werd gedood.
We hebben in ons gestel mogelijk de kiemen van een heleboel gevaarlijke
ziekten, maar deze zijn machteloos om ons schade toe te brengen tenzij
het ons karma is de ziekte te krijgen.
Wat ons toekomt krijgen we, of dat goed is of slecht. Wat niet bij
ons hoort zal aan ons voorbijgaan. De ‘ongelukken’ en ‘toevallige
gebeurtenissen’ van het leven zowel als erfelijkheid en milieu
zijn gereedschappen die door karma worden gebruikt om oude en vergeten
oorzaken te vereffenen.
De Arabieren illustreren met het volgende verhaal hoe nutteloos het
is te proberen om aan het lot te ontkomen:
Omar, de koopman, was voorspeld dat hij op een bepaalde avond om zeven
uur de dood zou ontmoeten. Toen die dag aanbrak besteeg hij zijn snelste
paard en reed de hele dag de woestijn in om een veilige schuilplaats
te zoeken. Even voor zevenen bereikte hij een oase en wierp zich uitgeput
op de grond en feliciteerde zichzelf dat hij een veilig toevluchtsoord
had gevonden. Toen hij om zich heen keek zag hij iemand onder een groepje
bomen in de buurt liggen en stond op om op onderzoek te gaan. De vreemdeling
vroeg hem: ‘Bent u Omar, de koopman?’ Toen zijn vraag bevestigend
werd beantwoord, vervolgde hij: ‘Ik had opdracht u hier om zeven
uur te ontmoeten. Ik begon net te denken dat u te laat was, maar ik
zie dat u precies op tijd bent gekomen. Ik ben de dood; laten we gaan.’
De werkelijke oorzaken van ongelukken en andere ‘toevallige gebeurtenissen’
kunnen niet op basis van één enkel leven op aarde worden
verklaard, maar worden gemakkelijk begrepen wanneer men de herhaalde
levens van de mens op aarde in ogenschouw neemt.
Karma en onvoorzichtigheid
Als ons lot onafwendbaar is, heeft het dan zin in ons handelen zorgvuldigheid
te betrachten?
Men kan altijd erop vertrouwen dat de natuur karma zal vereffenen op
de meest barmhartige manier die verenigbaar is met rechtvaardigheid.
Als we onvoorzichtig of roekeloos zijn, verstoren we misschien het plan
van de natuur. We dagen dan ons karma uit en kunnen daardoor een lawine
van gevolgen over ons heen krijgen die anders pas later in ons leven
zouden zijn gekomen. Als we het aan de natuur hadden overgelaten, hadden
we wellicht meer tijd gekregen en zouden we beter voorbereid zijn geweest
om de ervaring op te doen wanneer deze moest komen. We zouden
daarom die voorzorgsmaatregelen moeten nemen die het gezonde verstand
ons ingeeft, terwijl we weten dat als we karmisch niet met een op handen
zijnde gebeurtenis zijn verbonden, deze voorzorgen afdoende zullen zijn.
Overdreven voorzorgsmaatregelen zullen ons niet voor ons lot behoeden
en kunnen ons in plaats daarvan in een situatie brengen waarin dit lot
kan worden vervuld, zoals is aangetoond door de hierboven geciteerde
voorbeelden.
Als onze onvoorzichtigheid anderen beïnvloedt, kan ze hun karma
verhaasten en hen dwingen het onder ogen te zien wanneer ze niet zijn
voorbereid. Het feit dat we door onze onvoorzichtigheid schade hebben
veroorzaakt aan anderen maakt ons karmisch vatbaar voor schade die ons
door de onvoorzichtigheid van anderen wordt aangedaan. We hebben een
schadelijk zaad gezaaid, waarvan we uiteindelijk de vruchten zullen
moeten plukken.
Als we in plaats van onverschillig te zijn bezorgd zijn om het welzijn
van anderen, genereren we een helpende kracht die hen beschermt zodat
hun karma volgens het plan van de natuur kan uitwerken in plaats van
op een ongepast moment.
We maken ons
eigen lot
We hebben zelf door onze eigen gedachten, gevoelens en handelingen
in vroegere levens bepaald wat ons lot zou zijn, en hierin ligt de sleutel
tot ons toekomstige lot. Wat we in het verleden hebben gedaan kunnen
we niet veranderen en we moeten de gevolgen daarvan oogsten, maar we
kunnen de toekomst helderder en gelukkiger maken door onze huidige gedachten
en handelingen.
De mens is vrij en kan een reeks nieuwe oorzaken op gang brengen. De
motieven voor zijn handelen kunnen door zijn hogere beginselen geïnspireerd
zijn of door zijn persoonlijke verlangens. Zoals eerder verklaard, staat
het menselijke ego als het ware tussen deze twee tegengestelde polen
van zijn natuur en heeft het vermogen de ene of de andere te kiezen.
De impulsen van de hogere kant van de menselijke natuur komen uit zijn
geestelijke bron, die de bron is van alle leven, en deze impulsen zijn
daarom altijd van een altruïstische aard. Deze impulsen zouden
de beweegredenen van al onze handelingen moeten zijn en als we deze
volgen kunnen we het nooit verkeerd doen. Onze daden zullen dan anderen
steun geven en voor onszelf nooit schadelijk zijn.
De geestelijke eenheid en spirituele oorsprong van alle mensen vormt
de basis voor de ethische leringen die door alle grote leraren van het
verleden aan de mens zijn gegeven. Ze zijn belichaamd in de Bergrede
en samengevat in de Gulden Regel. Wanneer we voor anderen doen wat we
zouden willen dat anderen voor ons doen, hoeven we geen enkele aandacht
te besteden aan de consequenties die daaruit zullen voortvloeien. Karma
zal daarvoor zorgen en onze toekomstige levens zullen niet worden verstoord
door tragedie en tegenslag.
Maar helaas zijn we niet allemaal in staat te leven volgens de hoge
idealen van de Gulden Regel. In vroegere levens hebben we toegegeven
aan de zelfzuchtige impulsen van onze lagere natuur met als resultaat
dat deze nu sterk zijn en de hogere motieven van hun plaats verdringen.
En wanneer we de lagere impulsen volgen, zijn wrijving en conflicten
het gevolg, wat in veel gevallen tot ongelukken en rampen in toekomstige
incarnaties zal leiden. Op die manier maken we ons eigen lot en roepen
we de ellende waarover we later zo bitter klagen zelf over ons uit.
‘Zo boven
zo beneden’
We zijn niet in staat de werkingen van karma op de innerlijke, onzichtbare
gebieden te volgen, maar ze kunnen op het stoffelijke gebied worden
waargenomen. We kunnen wat we waarnemen dan op andere gebieden toepassen
als we gebruikmaken van het aloude beginsel dat bekendstaat als het
hermetische axioma: ‘Zo boven, zo beneden’. Volgens dit
axioma is het kleine de afspiegeling van het grote; het lagere weerspiegelt
het hogere, en wat op hogere gebieden gebeurt heeft zijn tegenhanger
op lagere gebieden, waarbij rekening wordt gehouden met de karakteristieke
eigenschappen van de verschillende gebieden. We zien een toepassing
van dit principe in de overeenkomst die bestaat tussen de structuur
van het zonnestelsel en de structuur van een atoom.
Het hermetische axioma is op zijn beurt gebaseerd op het één-zijn
van alle leven. Omdat hetzelfde Ene Leven zich manifesteert op alle
gebieden van de natuur, hoewel onder verschillende aspecten, is het
alleen maar vanzelfsprekend dat dezelfde wetten op al deze gebieden
moeten gelden.
Een paar voorbeelden die aantonen hoe de wet van oorzaak en gevolg
werkt in de stoffelijke wereld kunnen daarom illustreren hoe deze wet
op andere gebieden van de natuur werkt.
In gewone geldzaken is het mogelijk een schuld terug te betalen voordat
de termijn is verlopen, en het wordt als eerlijk en juist beschouwd
om hetzij in een keer terug te betalen of in termijnen – iedere
keer een beetje. Maar we kunnen mensen op allerlei andere manieren iets
verschuldigd zijn dan alleen door geld te lenen. Als het geval echter
is te vergelijken met een financiële schuld, lijkt het redelijk
dat deze vroegtijdig kan worden afgelost, hetzij ineens of in termijnen.
We leren uit de natuurkunde dat twee gelijke maar tegengestelde krachten
elkaar neutraliseren en dat het gecombineerde effect nul is. Indien
een van de krachten groter is dan de andere zal het resultaat overeenkomen
met het verschil tussen beide en zal effectief zijn in de richting van
de grotere kracht. Zo is het ook in de wereld van de menselijke relaties,
als we dingen die geluk, vrede en welzijn voor anderen en voor onszelf
teweegbrengen ‘verdienstelijk’ noemen, en handelingen die
bij anderen en bij onszelf ongeluk, strijd en lijden teweegbrengen ‘onverdienstelijk’,
en men vergelijkt deze twee manieren van doen met de werking van natuurkrachten,
dan wordt duidelijk dat zulke handelingen elkaar zouden kunnen neutraliseren
en als netto resultaat nul opleveren, of een saldo van verdienstelijke
of onverdienstelijke handelingen, afhankelijk van welke de overhand
heeft.
Of als we een bedrijf runnen en meer vragen voor onze artikelen of
diensten dan ze waard zijn, doen we onrecht aan onze medemensen. We
leggen een extra last op hun schouders doordat we hen te veel hebben
berekend, en na verloop van tijd zal karma dit vereffenen door ons slachtoffers
te maken van anderen die van ons willen profiteren. We zullen dan moeten
terugbetalen wat we onrechtmatig hadden verdiend.
We weten niet hoe vaak we dit of iets dergelijks in het verleden hebben
gedaan, maar wat het ook is, we zullen het moeten vergoeden. We kunnen
niet ieder van onze slachtoffers individueel bereiken om een restitutie
te geven, want we weten niet wie dat zijn, of waar ze zijn. Als we de
schade die we anderen hebben berokkend willen herstellen, moeten we
een reeks handelingen van tegengestelde aard beginnen en als regel werken
ten dienste van onze medemens zonder iets daarvoor terug te willen hebben.
Door dit te doen herstellen we van tevoren het karmische evenwicht in
plaats van te wachten tot karma komt ophalen wat we verschuldigd zijn.
Dit was een voorbeeld uit de handel, maar het principe geldt voor elke
vorm van menselijke activiteit. We schieten misschien tekort in onze
mentale houding tegenover anderen; we kunnen chagrijnig en onberekenbaar
zijn terwijl we sympathiek en gelijkmoedig zouden moeten zijn. We zijn
misschien kritisch en cynisch waar we vriendelijk en erkentelijk zouden
moeten zijn. We hebben wellicht op honderd verschillende manieren fouten
gemaakt in onze relaties met onze medemensen, maar ongeacht de aard
van onze onverdienstelijke daden zouden we moeten beginnen om verdienstelijke
handelingen te verrichten van tegenovergestelde aard om de eerstgenoemde
te vereffenen.
Een ander voorbeeld is dat we weten dat we op het stoffelijke gebied
worden beïnvloed door de krachten van de natuur, maar we worden
niet erdoor beheerst of de slaaf ervan. We kunnen die krachten niet
belemmeren door ze onwerkzaam te maken, maar we kunnen hun gevolgen
te boven komen door andere en sterkere neutraliserende krachten een
rol te laten spelen.
De zwaartekracht, bijvoorbeeld, wil ons op de grond houden, maar als
we van de begane grond naar de eerste verdieping willen, zullen we deze
kracht moeten overwinnen. We doen dit door gebruik te maken van spierkracht
die sterker is dan de zwaartekracht.
Als er geen trap zou zijn, zouden weinig mensen de volgende verdieping
kunnen bereiken, maar niets kan ons tegenhouden om een trap te bouwen
zodat we de klim stap voor stap kunnen maken – ‘in termijnen’.
Als we terug willen naar de benedenverdieping kan dat door naar beneden
te springen, maar dat kan ernstig letsel opleveren, of we kunnen de
trap nemen en daardoor de gevolgen van de zwaartekracht via een aantal
kleine spierinspanningen opvangen. Al die tijd stonden we onder invloed
van de zwaartekracht, maar dit weerhield ons niet ervan ons doel te
bereiken.
Als we op die manier een kracht op het stoffelijke gebied de baas kunnen,
zou het mogelijk moeten zijn een onuitgewerkte karmische kracht op welk
gebied dan ook de baas te kunnen door er een andere en tegengestelde
kracht op ditzelfde gebied tegenover te stellen.
Iedere poging
telt
Een steen die op de ene schaal van een balans wordt gelegd, kan deze
langdurig naar beneden houden, maar als een fijn straaltje zand voortdurend
op de andere schaal blijft stromen, zal die na verloop van tijd even
zwaar zijn en vervolgens zwaarder dan de steen. In het begin leek het
of het zand geen effect had, want de steen kwam niet van zijn plaats,
en dan plotseling gaat hij toch omhoog. En zo is het ook met onze eigen
handelingen. We weten niet hoe groot onze ‘steen’ of het
totaal van onze verkeerde daden wellicht is en we moeten misschien een
hele tijd wachten voordat de resultaten van onze inspanningen zichtbaar
worden. Maar zoals ieder zandkorreltje zijn bijdrage leverde om het
gewicht van de steen te compenseren, zo telt iedere poging om onszelf
te verbeteren, zelfs de kleinste, mee, en als we ermee doorgaan zal
de tijd komen dat alle fouten zullen zijn vereffend.
Een nieuwe factor
dient zich aan
Op ieder gebied van karmische schuld zal een verdienstelijke handeling
een nieuwe en weldadige kracht introduceren die het resultaat ten gunste
zal beïnvloeden.
De werking kan worden vergeleken met een bal die in de lucht wordt
gegooid. Als er geen wind is, wordt de afstand die de bal aflegt door
twee factoren bepaald: de impuls die eraan wordt gegeven door de hand
die hem gooit, en de zwaartekracht.
Als er wind staat, doet een nieuwe factor zijn intrede die het resultaat
zal veranderen. Als de bal tegen de wind in wordt gegooid zal zijn reis
worden bekort; als hij met de wind meebeweegt zal de reis juist langer
duren.
In beide gevallen had de oorspronkelijke impuls die door de gooier
aan de bal was gegeven zijn volledige effect. In het geval van de tegenwind
ging echter een deel van de impuls op aan het overwinnen van de luchtweerstand,
met als netto resultaat dat de baan van de bal werd bekort.
In het geval dat de bal in dezelfde richting beweegt als de wind, gaat
niets van de oorspronkelijke impuls verloren, en het effect van de wind
is dat de bal juist een grotere afstand aflegt.
Als we dit principe toepassen op het menselijk handelen en we ter illustratie
aannemen dat de richting waarin de bal wordt geworpen staat voor verkeerde
handelingen, dan zou de tegenwind verdienstelijke handelingen vertegenwoordigen.
Zoals de tegenwind de afstand die de bal aflegt bekort, zo zou een
verdienstelijke handeling op zijn minst een deel van de fouten tegengaan
en het netto resultaat zou minder ongunstig zijn dan indien geen poging
tot tegenactie was ondernomen. Men kan zich voorstellen dat een orkaan
zelfs de richting van de bal zou kunnen omkeren.
Het enige wat
we hoeven te weten
Karma is zo’n omvangrijk en ingewikkeld onderwerp dat het een
bovenmenselijke intelligentie zou vereisen om de werkwijze ervan in
al haar verschillende toepassingen te begrijpen. Maar zo’n gedetailleerde
kennis is niet nodig om de toepassing ervan in het dagelijks leven te
begrijpen. Het enige wat we werkelijk hoeven te weten is dat we zullen
oogsten wat we gezaaid hebben, alles wat we gezaaid hebben en niets
dat we niet hebben gezaaid.
Met dit idee in ons denken gegrift is het gemakkelijk de dwaasheid
van kwaad doen in te zien, van elk handelen dat lijden en nadeel voor
anderen met zich meebrengt. Het is ook duidelijk dat als we de Gulden
Regel toepassen op ons handelen, de oogst gunstig zal zijn voor anderen
en onszelf, en er zal geen ongunstig saldo zijn dat we later zullen
moeten goedmaken. Vanaf dat moment zal het leven een zonniger en gelukkiger
aanblik krijgen.
Neutraliserend
of tevoren vereffend karma
Als een mens als gevolg van vroegere gedachten en daden onwenselijke
eigenschappen in zijn karakter heeft aangekweekt, hoeft hij deze situatie
niet met een negatieve en fatalistische houding te accepteren. In plaats
van toe te staan dat die neigingen deel blijven uitmaken van zijn aard,
kan hij een positieve houding aannemen en, met de juiste tegenmaatregelen,
veel doen om zijn karakter ten goede te veranderen.
Enkele oude leringen die met dit onderwerp samenhangen volgen hieronder:
Maatregelen die het ego neemt om neigingen te onderdrukken,
fouten te elimineren en deze te neutraliseren door het leggen van
nieuwe oorzaken, zullen de macht van karmische neigingen wijzigen
en de invloed ervan bekorten overeenkomstig de kracht of zwakte van
de inspanningen die men zich getroost om de gekozen maatregelen te
nemen.
De gevolgen [van karma] kunnen door de gedachten
en handelingen van onszelf of van een ander worden tegengegaan of
verzacht; en de gevolgen die hieruit voortvloeien vertegenwoordigen
de combinatie en interactie van alle oorzaken die betrokken zijn bij
het voortbrengen van die gevolgen.*
*‘Aphorisms on Karma’. Oorspronkelijk gepubliceerd
in het tijdschrift The Path, maart 1893; herdrukt in: Theosophical
Articles, deel I, The Theosophy Company, Los Angeles 1980, blz.
121; en in Echoes of the Orient, deel I, Point Loma Publications,
San Diego, 1975, blz. 314.
Wat we de leer van het tenietdoen van karma zouden
kunnen noemen, is een toepassing op dit gebied van de welbekende wet
in de natuurkunde die ervoor zorgt dat er een toestand van evenwicht
ontstaat als twee gelijke krachten elkaar tegenwerken. Iemand kan
op zijn karmische rekening een zeer onaangename oorzaak hebben en
tegelijk een oorzaak van tegengestelde aard. Indien deze op hetzelfde
moment tot uiting komen, kunnen ze elkaar dusdanig tegenwerken dat
geen van beide te voorschijn treedt en dit evenwicht betekent dat
ze even groot waren. Op deze wijze is het gemakkelijk te begrijpen
dat het bijbelse gezegde ‘liefdadigheid bedekt vele zonden’,
betrekking heeft op het verzachtende effect van liefdevolle daden
tegenover slechte, en het gaf middeleeuwse ridders aanleiding om een
aantal jaren van hun leven te wijden aan liefdadigheid.†
†Uit Echoes from the Orient, door W.Q.
Judge, blz. 48; herdrukt in Theosophical Articles, 1:51; en
Echoes of the Orient, 3:37.
Karmische oorzaken kunnen met elkaar botsen en een
resultaat in ons leven opleveren dat, terwijl het op geen van die
twee oorzaken lijkt, het juiste gevolg van beide is. Deze kunnen ook
worden uitgeput doordat twee tegengestelde karmische oorzaken bij
elkaar komen en zo het effect van elk opheffen.*
*Uit een toespraak door W.Q. Judge gehouden tijdens de
conventie van de Theosophical Society in Chicago, 27-28 april 1890.
Herdrukt in The Theosophical Forum, dec. 1943, blz. 551.
De aard van iedere incarnatie hangt af van het evenwicht
tussen verdiensten en tekortkomingen in het vorige leven of eerdere
levens – van de wijze waarop de mens heeft geleefd en gedacht;
en deze wet is onverbiddelijk en volkomen rechtvaardig.*
*Uit An Epitome of Theosophy door W.Q. Judge,
blz. 24; herdrukt in Echoes of the Orient, 3:61.
[H]et is niet noodzakelijk dat iedere geringe hoeveelheid
karma precies tot in de kleinste details wordt ondergaan zoals zij
werd teweeggebracht, want verschillende soorten karma kunnen op een
bepaald moment in het leven samenkomen en door hun gezamenlijke werking
een gevolg teweegbrengen dat, terwijl het als geheel al zijn samenstellende
elementen vertegenwoordigt, toch als karma verschilt van dat van iedere
afzonderlijke component. Dit staat bekend als het tenietdoen van de
verwachte uitwerking van de betrokken typen karma.†
†Op.cit., blz. 25; Echoes of the Orient,
3:62.
Het uitstellen
van karma
We kunnen erop vertrouwen dat de natuur ons karma toedient op de meest
barmhartige wijze en in overeenstemming met de hoogste rechtvaardigheid,
en op het moment dat we het best in staat zijn het te ontvangen. We
doen er daarom goed aan om karma tegemoet te treden op het moment dat
het zich aandient en het af te werken, want wat we nu doorstaan betekent
dat er in de toekomst zoveel minder hoeft te worden doorstaan.
Als we proberen eraan te ontkomen en daarin tijdelijk slagen, zal het
later terugkomen en dan valt het misschien samen met ander karma, waardoor
de last daarvan wordt verzwaard.
De een is misschien sterk genoeg om het hoofd te bieden aan een zware
slag, die een ander met een zwakker karakter zou verpletteren. Maar
zoals ‘God de wind tempert voor het geschoren lam’, zo ontvangt
die ander zijn karma misschien via een reeks kleine beproevingen, de
een na de ander. Op die manier kan karma over een langere of kortere
periode worden uitgesmeerd, maar het totaal aan vergeldend karma moet
de oorspronkelijke daad vereffenen.
Groepskarma
Grote ongelukken, zoals treinrampen of schipbreuken, neerstortende
vliegtuigen, branden, overstromingen, aardbevingen, enz., zijn gevallen
waar grote aantallen mensen bij elkaar worden gebracht omdat ze een
gelijksoortig karma hebben af te werken. Iedere betrokkene heeft door
zijn of haar vroegere daden zodanig karma opgebouwd dat het gevolg een
ernstig ongeluk of zelfs de dood is. De ‘inkeping in de gietvorm’
van al deze individuen is dezelfde en deze overeenkomst brengt hen psychomagnetisch
bijeen naar die plaats of omstandigheid waar de vroegere daden kunnen
worden vereffend.
Groepskarma verschilt daarom niet van individueel karma. Als de betrokken
individuen hun lot niet als groep hadden ondergaan, zouden ze het vroeg
of laat in afzonderlijke ongelukken hebben ondergaan.
Epidemieën die enorme aantallen slachtoffers eisen onder de bevolking
en hongersnoden die grote delen van de mensheid kunnen treffen, zijn
eveneens voorbeelden van individueel karma dat collectief wordt ondergaan.
Volkeren hebben evenals individuen hun levenscyclus. In het begin zijn
ze sterk en energiek, dan volgt een periode van volwassenheid en tenslotte
desintegratie en verval. Ook zij hebben hun karma, dat samenhangt met
hoe ze zich als volkeren in het verleden hebben gedragen. Als ze agressief
zijn geweest en met bruut geweld hun zwakkere medemensen hebben onderworpen,
zullen ze op hun beurt hetzelfde lot ondergaan. De ego’s waaruit
dat volk bestond zullen weer samen incarneren, misschien in hetzelfde
volk nadat dit oud en gedegenereerd is geworden, of misschien in een
ander volk met een nieuwe naam. Dit volk zal nu het slachtoffer worden
van zijn sterkere buur en op die manier oogsten wat het in het verleden
had gezaaid.
Ieder mens wordt aangetrokken tot dat volk bij wie hij door overeenkomst
in kenmerken en door vroegere banden thuishoort. Nationaal karma is
daarom, evenals elk ander groepskarma, uiteindelijk gebaseerd op het
karma van de individuele betrokkenen.
Karma en het
probleem van de vrije wil*
*Schrijvers over dit onderwerp wijzen erop dat de uitdrukking
‘vrije wil’ het werkelijke probleem niet goed aanduidt.
Ze zijn het er in het algemeen over eens dat de mens vrij is om zijn
wil al of niet te gebruiken om te proberen een bepaald verlangen te
bevredigen, maar dat hij niet vrij is om te kiezen welk verlangen dat
zal zijn. Dit is tevoren bepaald door het karakter dat hij heeft. Omdat
verlangen de wil beheerst, wordt de probleemstelling: ‘Is de mens
vrij om zijn verlangens te kiezen?’ in plaats van: ‘Is hij
vrij om zijn wil te gebruiken?’ De uitdrukking ‘vrije wil’
is hier aangehouden omdat gewoonlijk met deze woorden naar dit probleem
wordt verwezen.
‘Achter de wil staat verlangen’, zeiden de oude hermetisten
en achter of boven verlangen staat het ego, het bewuste wezen dat het
verlangen ervaart.
De wil is een universele, onpersoonlijke, kleurloze kracht die op zichzelf
geen morele kwaliteiten bezit. Het verlangen prikkelt de wil, en bepaalt
de aard of morele kwaliteit ervan.
De wil is de drijfkracht die door een ego wordt gebruikt om zijn energieën
te beheersen en te richten om het verlangde doel te bereiken. De wil
bestaat op alle gebieden en hoe hoger het gebied, hoe krachtiger de
wil. Alle wezens bezitten in grotere of kleinere mate een wil.
‘Ik wens’ is niet hetzelfde als ‘ik wil’. ‘Ik
wens’ is hetzelfde als ‘ik verlang’. ‘Ik wil’
wanneer ik ernaar streef het voorwerp van mijn verlangen te verkrijgen.
Over mensen die agressief en ambitieus zijn en alle weerstanden overwinnen
om een of ander gewenst doel te bereiken wordt vaak gezegd, dat ze ‘een
sterke wil’ hebben, maar omdat de ‘hoeveelheid’ wil
die men gebruikt afhangt van de kracht van het verlangen dat erachter
zit, zou het passender zijn te zeggen dat zo iemand ‘sterke verlangens’
heeft.
Denk nog eens
erover na
‘Denk tweemaal na voordat je iets zegt’ (of doet) is een
oude regel.
Als we direct doen wat in ons opkomt, is dat ons verlangen, dat het
lagere denken gebruikt om zijn doel te verwezenlijken zonder het ego
een kans te geven zijn invloed uit te oefenen. Het ego werd dan door
het verlangen gedomineerd.
Als we even wachten om ‘nog eens erover na te denken’,
heeft het ego de tijd om het hogere denken te activeren. Het kan dan
het verlangen onderzoeken en besluiten wat te doen. Als het besluit
positief is, spreekt het ego de wil aan en instrueert deze zo dat het
gewenste doel wordt bereikt. In dit geval was het ego en niet het verlangen
de bepalende factor.
Strijdige verlangens*
*Veel van wat hier wordt gezegd is toegelicht in hoofdstuk
4, vooral in de gedeelten over het menselijke ego, het denkvermogen,
stemmingen en karaktervorming.
De verlangens die de wil van de mens stimuleren zijn afkomstig uit
verschillende bronnen binnen zijn complexe natuur en zijn van velerlei
soort. Sommige komen voort uit de organen van het lichaam; andere komen
van de emotionele aard of van het denken. Deze zijn meer of minder verbonden
met het plezier en de genoegens van de persoonlijkheid. Weer andere
komen vanuit zijn hogere natuur. Deze betreffen zijn verantwoordelijkheden
en plichten tegenover anderen en zijn van een grootser, meer altruïstisch
karakter. Deze twee typen verlangens botsen van nature met elkaar.
Het actieve bewustzijn dat ervaringen opdoet, het menselijke ego, staat
halverwege tussen de hogere en lagere beginselen van de menselijke constitutie
en voelt de contrasterende impulsen tot handelen van deze twee kanten
van zijn natuur. Hetzelfde individu ervaart op het ene moment een bepaald
verlangen en op een ander moment een van tegenovergestelde aard; soms
heeft hij beide tegelijkertijd.
Wanneer het ego herhaaldelijk zwicht voor een lagere impuls, wordt
deze steeds sterker en wordt uiteindelijk tot een gewoonte. Bij gebrek
aan zelfanalyse heeft het ego zich geïdentificeerd met de impuls
en zijn macht tijdelijk daaraan overgegeven. Wanneer dit stadium is
bereikt, geeft het ego automatisch toe aan dat verlangen telkens wanneer
dit opkomt. Het verlangen gebruikt dan de wil om zijn doel te bereiken
en het ego onderwerpt zich passief daaraan.
Wanneer het ego zich realiseert dat het niet identiek is aan zijn eigen
gedachten of verlangens, zal het niet langer automatisch toegeven aan
iedere gedachte die, of ieder verlangen dat, zich aandient. Wanneer
het wordt geconfronteerd met strijdige verlangens zal het die daarentegen
onderzoeken en wegen en er een oordeel over vormen alvorens te kiezen.
Het karakter
vertoont neigingen, maar is niet de heerser
We weten dat verschillende mensen anders zullen reageren wanneer ze
worden geconfronteerd met uiteenlopende impulsen, want ieder neigt in
een bepaalde richting door de eigenschappen die tot zijn karakter behoren.
Laten we als illustratie het volgende geval nemen. Stel dat drie mensen
van wie de dagelijkse plichten saai en oninteressant zijn, plotseling
de gelegenheid wordt geboden uitgebreid op vakantie te gaan of iets
anders plezierigs te doen dat hen van hun plichten zou afhouden, wat
wellicht het verlies van hun positie en inkomen tot gevolg zou kunnen
hebben.
De eerste van de drie reageert misschien impulsief en grijpt
de gelegenheid aan zonder na te denken over de consequenties. Het verlangen
van zijn persoonlijke aard naar plezier was zo sterk dat het de roep
van de plicht opzijschoof, en het ego, dat gewend was zich met zijn
verlangen te identificeren, onderwerpt zich en slaagt niet erin zijn
vermogen om te kiezen te gebruiken.
De tweede voelt hetzelfde verlangen naar plezier en dezelfde
roep van zijn plicht als eerstgenoemde, maar na een moment van overweging
ziet hij af van het geboden genoegen en houdt zich in plaats daarvan
aan zijn plicht. In dit geval was zijn plichtsbesef zoveel sterker dan
zijn verlangen naar plezier dat dit van nature het verlangen tenietdeed,
en het kostte het ego weinig moeite om een keus te maken.
De derde is zich eveneens bewust van dezelfde tegengestelde
impulsen als door de andere twee werden gevoeld. Hij voelt beide, maar
geen van beide overheerst. Hij kijkt verder dan het huidige moment naar
het uiteindelijke resultaat van zijn handelen. Hij neemt de tijd om
naar de stem van zijn geweten te luisteren die hem toefluistert over
zijn plichten tegenover zijn gezin en zijn medemensen. Hij weegt en
vergelijkt de voors en tegens voordat hij besluit wat te doen. Hij aarzelt
en neigt dan naar de ene, dan naar de andere kant. Hij is aangekomen
bij een punt waar de wegen uiteengaan. Hij kan niet verder tenzij hij
een keus maakt. Hij kan geen twee wegen tegelijk bewandelen. Hij moet
kiezen: de ene of de andere. En hij kiest.
Het vermogen
om te kiezen is het ego aangeboren
Laten we aannemen dat twee tegengestelde dingen precies even aantrekkelijk
zijn, want dat kan voorkomen, omdat elk van de twee sterker kan zijn
dan de andere. Als dan de aantrekking van beide even sterk is, en omdat
er een keus moet worden gemaakt, en ook wordt gemaakt, moet het vermogen
om te kiezen liggen bij het ego, en niet bij de aantrekkingen. En als
het ego het vermogen heeft om te kiezen wanneer de twee aantrekkingen
even sterk zijn, heeft het dat vermogen ook wanneer deze niet gelijk
zijn. Een verandering in aantrekking kan het vermogen van het ego om
te kiezen niet wegnemen, want dit vermogen hoort tot de aard van het
ego en niet tot die van de aantrekkingen.
Waar de aantrekkingen ongelijk waren en het verlangen naar plezier
sterker was dan het plichtsgevoel, zoals bij de eerstgenoemde persoon,
gaf hij toe aan het verlangen omdat hij passief was en zijn bewustzijn
had geconcentreerd in zijn persoonlijkheid. Ook hij had het vermogen
om te kiezen, maar gebruikte het niet.
Als hij positief ingesteld was geweest en zijn bewustzijn in zijn hogere
natuur had geconcentreerd, had hij kunnen weigeren om toe te geven aan
de lagere impuls, had hij zijn vermogen tot kiezen kunnen gebruiken
en weerstand kunnen bieden aan de lagere impuls, zelfs al was deze sterker
dan de hogere. Dit vergt inspanning, want het ego moet de wil verschaffen
die nodig is om het sterkere verlangen te overstemmen. Het ego wordt
niet gedwongen deze poging te doen, want de omhoog gerichte aantrekking
legt haar wil niet op aan het ego. Men voelt deze slechts als een beroep
dat wordt gedaan op de betere kant van het ego.
In dit geval zou het beroep van hogere aard op zichzelf niet effectief
zijn geweest, en zou door het sterkere verlangen zijn overstemd, tenzij
het ego ervoor koos zich te verbinden met de hogere aantrekking en zijn
kracht aan deze zijde van zijn natuur zou inzetten. Als iemand weerstand
biedt aan een verlangen naar iets dat hij graag wil doen, en dat gemakkelijk
is, en in plaats daarvan iets doet dat eentonig is en inspanning vergt,
moet zo’n handeling het resultaat zijn van een bewuste en overwogen
keuze en een resoluut toegepaste wil.
We kunnen zonder moeite een heuvel afglijden. We doen dat uit louter
passiviteit, maar we kunnen het naar beneden glijden niet stoppen zonder
de vastberaden wil daartoe, en we kunnen niet naar boven klimmen zonder
inspanning. Die vastberadenheid en inspanning worden ons niet opgedrongen,
maar zijn het resultaat van keuze en een sterke wil.
Geen voorbeschikking
of fatalisme
De verschillende wijzen waarop de drie personen reageerden op dezelfde
impulsen had te maken met verschillen in hun karakter. We hebben al
uiteengezet hoe de mens zijn eigen karakter opbouwt door middel van
zijn gedachten, handelingen en gewoonten. Een deel van dit werk is gedaan
in zijn huidige leven, maar verreweg het grootste deel draagt hij bij
zich uit vroegere incarnaties.
Door zijn karakter vertoont hij neigingen in een bepaalde richting,
maar hij is niet verplicht om gevolg eraan te geven. Hij heeft het vermogen
om te kiezen, zoals we hebben gezien, en door zijn tweezijdige natuur
krijgt hij de gelegenheid te kiezen. Deze gelegenheid is er voor hem
altijd geweest, want zolang de mens bestaat is zijn aard dualistisch.
Door zijn keuzen en de handelingen die daaruit volgen schept hij oorzaken
die karma later aan hem teruggeeft als gevolgen. Omdat de mens de maker
is van zijn eigen karakter, is alleen hij verantwoordelijk voor zijn
verlangens, voorkeuren en daaruit voortvloeiende reacties.
De mens is vrij om te kiezen, maar hij moet de consequenties oogsten
van zijn keuze. Het is een lot waaraan hij niet kan ontkomen, maar hij
heeft het zelf gemaakt, en omdat het hem door niemand anders is opgelegd
is het geen ‘voorbeschikking’. Ook is het geen ‘fatalisme’,
want het is niet het resultaat van blinde, mechanische krachten.
Wanneer de mens door zijn eigen keuze een handeling begint, zet hij
daarmee de krachten van de natuur in werking. Hij roept de wet van oorzaak
en gevolg op, die vanaf dat moment de werking overneemt en het gevolg
aanpast aan de oorzaak. Het idee van een vrije wil is daarom volledig
in overeenstemming met de wet van oorzaak en gevolg. Deze zijn niet
met elkaar in strijd en beide factoren zijn nodig voor de evolutie van
de mens.
Theorieën
over fatalisme
Van de vroegste oudheid tot heden toe is het probleem van de vrije
wil altijd onderwerp geweest van hevige discussies en veel verschil
van mening. Veel filosofen zijn tot de conclusie gekomen dat de mens
niet vrij is te bepalen hoe hij zal handelen, maar dat zijn keuzen van
te voren zijn bepaald door zijn aangeboren karaktertrekken, zijn verlangens,
sympathieën en antipathieën.
Zowel theologen als materialisten gaan uit van het idee dat de mens
bij zijn geboorte ontstond, en moeten daarom tot de conclusie komen
dat hij geen invloed had op het ontstaan van zijn eigen karakter. Dit
moet voor hem zijn gemaakt door de macht die hem deed ontstaan, of die
macht nu God was zoals de theoloog gelooft of, zoals de materialist
denkt, de blinde krachten die in de natuur werkzaam zijn.
Gegeven een bepaald karakter moet een mens op een bepaalde manier handelen.
Als hij een edel karakter heeft, kunnen zijn handelingen niet anders
dan goed zijn. Als zijn karakter slecht is, moeten zijn handelingen
ook slecht zijn. In beide gevallen heeft hij geen keus. Hij denkt dat
hij vrij is om te handelen want hij is vrij zijn verlangens te volgen,
maar omdat deze verlangens hem zijn ingeplant, is dit gevoel van vrijheid
maar denkbeeldig. In feite heeft hij geen keuzevrijheid of vrije wil
zoals het gewoonlijk wordt genoemd. Dit zijn enkele van de theorieën
van het fatalisme. Als ze waar zouden zijn, zou de mens een automaat
zijn zonder initiatief, een robot die gedwongen is in een vooraf bepaalde
groef te lopen.
Onder deze omstandigheden kan de mens niet moreel verantwoordelijk
worden geacht voor zijn daden. Deze verantwoordelijkheid moet worden
gelegd bij de macht die hem heeft doen ontstaan.
Een niet-fatalistische
oplossing
De fatalist neemt als vanzelfsprekend aan dat de mens maar één
leven op aarde heeft en deze vooronderstelling leidt tot alle problemen
die daaruit voortvloeien. De oude wijsheid leert daarentegen dat de
mens eerder op aarde heeft geleefd. Het karakter dat hem nu tot bepaalde
handelingen doet neigen, werd niet voor hem gemaakt; hij heeft het in
vorige levens zelf gevormd. In dit leven oogst hij de gevolgen van zijn
vroegere handelingen via dit karakter.
De fatalist gaat er ook vanuit dat de mens een enkelvoudig en een eenheid
vormend wezen is dat identiek is met zijn verlangens, want hij maakt
geen onderscheid tussen de mens zelf, het ego, en de verlangens die
hij ervaart. Als deze veronderstelling juist was, zou er niets zijn
dat weerstand bood aan deze verlangens en zij zouden het leven van de
mens volledig overheersen. In dat geval is fatalisme de onvermijdelijke
conclusie. Maar er kunnen geen verlangens worden gevoeld als er geen
entiteit is, geen bewustzijnscentrum dat deze verlangens ervaart. Volgens
de oude wijsheid is deze entiteit het menselijke ego, en de verlangens
zijn slechts een deel van het veelzijdige voertuig dat door het ego
wordt gebruikt.
Ze zijn evenmin identiek met het ego als de cocon identiek is met de
larve die deze rondom zichzelf heeft gesponnen.
De theorie dat er maar één leven op aarde is, is volkomen
ontoereikend om het probleem van de vrije wil op te lossen, maar als
men inzicht heeft in de complexe natuur van de mens en de reïncarnatieleer
accepteert, kan dit probleem worden opgelost in overeenstemming met
universele rechtvaardigheid en de wet van oorzaak en gevolg.
De vrijheid
van keuze varieert
De mate van vrijheid om te kiezen varieert en is evenredig aan de bereikte
graad van ontwikkeling van het individu.
Kleine kinderen van wie het denken nog onvolwassen is, hebben heel
weinig keuzevrijheid en handelen bijna geheel op grond van hun impulsen.
Ze zijn daarom niet in dezelfde mate karmisch verantwoordelijk als volwassenen.
Maar met het verstrijken van de jaren ontwikkelen zich het denken en
het zelfbewustzijn. Hiermee ontstaat het vermogen van de mens om goed
van kwaad te onderscheiden en wordt zijn keuze weloverwogen. Daarom
is hij voortaan moreel verantwoordelijk voor zijn handelingen.
Iemand die minder ver ontwikkeld is voelt dezelfde tegengestelde aantrekkingen
als zijn meer ontwikkelde broeder en heeft dezelfde gelegenheid om te
kiezen, maar de kans dat hij daarvan gebruikmaakt is kleiner. Door pure
traagheid laat hij zich daarentegen beïnvloeden door zijn impulsen.
In dit opzicht staan sommige mensen niet ver boven de dieren die gehoor
geven aan iedere impuls die in hen opkomt.
Het type karakter dat we voor onszelf hebben opgebouwd bepaalt de mate
van vrijheid van onze wil.
In de natuurrijken lager dan het mensenrijk is de keuzevrijheid heel
beperkt, maar zelfs daar bestaat een zekere vrijheid binnen het beperkte
bereik van activiteit van ieder wezen.
De vrije wil
als factor in de evolutie
De leringen van de oude wijsheid over evolutie worden uitgebreid behandeld
in boeken zoals De Esoterische
Traditie en Mens
en Evolutie van G. de Purucker. We zullen deze leer alleen
even aantippen in verband met karma en vrije wil.
Het heelal bestaat ter wille van de evolutie van de ziel, en de methode
die wordt gebruikt om dit doel te bereiken, het ‘evolutieplan’,
bestaat eruit dat de mens in een reeks omstandigheden wordt geplaatst
waar hij moet kiezen uit tegenstrijdige belangen en moet leren door
de ervaringen die uit zijn keuzen voortvloeien. Keuzevrijheid is een
onmisbare factor bij de uitvoering van dit evolutieplan.
Zelfs onze meest triviale handelingen zijn het resultaat van keuze,
hetzij bewust gemaakt of uit gewoonte, en die gewoonte was het gevolg
van talloze keuzen in het verleden.
In het dagelijks leven komen we voortdurend voor situaties te staan
waarbij we moeten kiezen. In veel gevallen kunnen we de consequenties
van onze beslissing niet voorzien, maar moeten we min of meer blind
een keuze maken. We kiezen misschien verkeerd, maar als we niet hadden
gekozen, zouden we onze fout nooit hebben ontdekt. We leren door een
proces van vallen en opstaan waarin fouten waardevolle lessen zijn.
Een mens laat zich, vaak tegen beter weten in, door zijn lagere natuur
leiden in plaats van door zijn hogere, omdat hij denkt dat dit gemakkelijker
is en hem meer voordeel oplevert. Hij is kortzichtig en reikt naar een
onmiddellijke beloning, de plezierige ervaring die direct voor het grijpen
ligt die deze keuze schijnt te bieden. Als hij verder had gekeken dan
zijn neus lang was, zou hij hebben gezien dat het gemakkelijke voordeel
dat hij behaalde later zou moeten worden vergoed door een of andere
taak of een andere compensatie die het evenwicht herstelt, en hij zou
hebben gezien dat het egoïstische plezier dat hij genoot misschien
lijden of een andere vorm van tegenslag met zich meebrengt.
Als één zo’n ervaring onvoldoende is om hem deze
les te leren, zal hij zijn fout herhalen en karma zal weer hetzelfde
gevolg teweegbrengen. Na een aantal van zulke handelingen zal de herinnering
aan zo’n ervaring zich associëren met de zelfzuchtige impuls
en wanneer deze terugkeert zal het ego, zelfs wanneer het de details
van zijn ervaring is vergeten, onbewust van te voren worden gewaarschuwd
en weigeren zich aan de impuls te onderwerpen. Als we iets kiezen waarvan
we weten dat het heilzaam is voor anderen en voor onszelf, dan gaat
alles goed. Als we een onverstandige of egoïstische keuze maken,
kan niets ons daarvan weerhouden, maar we moeten dan rekening houden
met de gevolgen van onze keuze.
Zo zien we dat de werkwijzen van de natuur weldadig zijn, want het
lijden dat zij brengt helpt ons om zelfzuchtige impulsen te doorbreken
voordat ze een blijvende vorm aannemen. Ze helpen ons grip op onszelf
te krijgen en om een nieuwe start in de juiste richting te maken.
Vaak wordt de vraag gesteld: ‘Waarom zijn alle mensen niet zo
geschapen dat ze altijd dat doen wat goed is voor anderen en voor henzelf?’
Als de mens ‘alleen in staat was het goede te kiezen’ zou
hij helemaal niet kiezen; hij zou onder dwang handelen. Hij zou een
automaat zijn en zou geen gelegenheid hebben een vrije wil te ontwikkelen,
en dit is een vermogen dat een volledig ontwikkeld mens toebehoort.
Hij kan in de evolutie alleen vooruitkomen indien hij de vrijheid heeft
zowel het goede als het slechte te kiezen, het juiste zowel als het
verkeerde. Hij kan alleen door herhaalde overwinningen op zijn lagere
natuur een krachtig karakter opbouwen. Als de mens niet de vrijheid
had om het verkeerde te kiezen, zou het geen verdienste zijn als hij
het goede kiest.
Een kind dat leert lopen zou deze prestatie nooit kunnen leveren als
het bij zijn eerste poging daarin zou moeten slagen. Het moet vrij zijn
om nu en dan te vallen, zich pijn te doen en langzamerhand controle
over zichzelf te krijgen. Zo moet de mens ook vrij zijn fouten te maken
om daarvan te leren; en de menselijke aard bevat neigingen van tweeërlei
aard om hem daartoe de kans te geven.
Volgens de oude wijsheid is strijd een tijdelijke fase van de evolutie,
en als de mens zijn strijd tegen zijn lagere natuur eenmaal heeft gewonnen
en zich blijvend met zijn hogere natuur heeft verbonden, zal zijn gevecht
ophouden. Zijn evolutie, geleid door zijn hogere natuur, vordert vanaf
dat moment probleemloos en zijn hogere vermogens ontvouwen zich als
een bloemknop die zich opent.
Vertraagde gevolgen
en vrije wil
Het resultaat van een handeling volgt niet altijd onmiddellijk op zijn
oorzaak; er zit vaak geruime tijd tussen. Indien we van onze ervaring
moeten leren, zouden we kunnen vragen: ‘Zou de les niet meer gewicht
in de schaal leggen als het gevolg onmiddellijk op de oorzaak volgde,
want dan zouden we het verband tussen de twee kunnen zien?’
Als het gevolg onmiddellijk op de oorzaak zou volgen zoals een donderslag
de bliksem volgt, zou iemand met zelfzuchtige neigingen deze nooit naar
buiten durven te laten komen uit angst voor onmiddellijke vergelding.
Hij zou ervan worden weerhouden deze neigingen tot uiting te brengen
en ze zouden worden onderdrukt, maar niet geëlimineerd. Ze zouden
zich dan op een later moment weer naar de oppervlakte dringen.
In de hoop dat het gevolg lang op zich zal laten wachten of omdat hij
uit onwetendheid gelooft dat er geen gevolg zal zijn, zal zo iemand
zijn kans wagen en zijn kwade bedoelingen uitproberen. Na verloop van
tijd volgt het effect en de ervaring wordt een les. De inherente neiging
wordt dus ‘verdreven’ in plaats van alleen maar onderdrukt.
Maar het is niet nodig dat men zijn kwalijke neigingen de vrije loop
laat om te kunnen evolueren. Ze kunnen onder ogen worden gezien en worden
overwonnen op het mentale gebied en zouden dan niet tot fysieke resultaten
hoeven te leiden. Alleen wanneer we weigeren onze strijd op het mentale
gebied te leveren, moeten we dat op het uiterlijke gebied doen.
Het tweezijdige
aspect van de vrije wil
De vrije wil is een gereedschap waarmee de mens moet leren omgaan.
Hij is een waardevol gereedschap, maar zoals met zoveel andere gereedschappen,
brengt het gebruik ervan bepaalde risico’s met zich mee. De ervaren
gebruiker heeft veel voordeel ervan, terwijl hij in handen van de onervarene
schade kan aanrichten, zowel voor de gebruiker als voor anderen.
Iemand die zijn bewustzijn in zijn persoonlijkheid heeft geconcentreerd,
voelt zich meer van zijn medemensen gescheiden dan dat hij de eenheid
met hen ervaart. Zijn motieven zijn daarom vaak zelfzuchtig en hij handelt
zonder op gepaste wijze rekening te houden met het welzijn en de rechten
van anderen. Door zijn handelen maakt hij inbreuk op hun rechten net
zoals mensen met een soortgelijke instelling dat bij hem doen.
Wanneer grote groepen mensen op deze manier handelen, is het resultaat
daarvan de strijd en conflicten die in de wereld van vandaag zoveel
voorkomen.
Jonge kinderen zijn gewoonlijk bereid om het advies en de leiding van
hun ouders zonder veel verzet aan te nemen. Als ze een paar jaar ouder
zijn komen ze echter in een fase dat ze het op hun eigen manier willen
doen. Dan beginnen ze allerlei streken uit te halen en bezorgen zichzelf
en hun ouders een heleboel problemen. Naarmate de jaren vorderen beginnen
ze een verantwoordelijkheidsgevoel te ontwikkelen en worden meer behulpzame
leden van het gezin waarin ze opgroeien om zich later te ontwikkelen
tot volledig verantwoordelijke mannen en vrouwen.
Het zou voor hen stagnatie betekenen als ze altijd door hun ouders
zouden worden geleid. Volwassenheid vereist een zelfstandig leven en
het ontwikkelen van initiatief. Omdat het geen ervaring heeft moet het
kind zijn lessen leren ten koste van veel wrijving en strijd. Het is
een periode van beproeving voor zowel de kinderen als de ouders, maar
het is een noodzakelijke fase in de evolutie van een kind. Het proces
verloopt gemakkelijker naarmate het kind vrijwillig de hulp en het advies
van zijn ouders aanneemt.
Evenals het kind gaat de hele mensheid nu door een ‘tijdperk
van beproeving’ omdat ze haar vrije wil begint te gebruiken. Maar
de mens heeft nog niet geleerd dat op een wijze manier te doen. Door
zwakheid of onwetendheid kiest hij ervoor egoïstische impulsen
te volgen, en doordat dit op grote schaal gebeurt, is de hele wereld
in een staat van beroering gebracht.
Het ‘tijdperk van beproeving’ van de mensheid zou minder
een beproeving zijn indien men de Gulden Regel zou volgen en andere
ethische leringen die ons zijn gegeven door Jezus, Boeddha en andere
grote leraren, want ook de mensheid heeft haar ‘ouders’
gehad die hebben geprobeerd de mens met zo min mogelijk lijden en spanningen
door deze periode heen te leiden.
Maar voor de mensheid is deze periode, evenals voor het kind, slechts
een trede op de evolutieladder die men moet nemen alvorens grotere vooruitgang
kan worden geboekt. Nadat deze fase voorbij is en de mens een punt in
zijn evolutie heeft bereikt waar hij zich met zijn hogere natuur verbindt,
zal hij zich bewust worden van zijn één-zijn met zijn
medemensen en zijn verantwoordelijkheid tegenover hen. Hij zal hebben
geleerd om zijn vrije wil op een wijzere manier te gebruiken. Hij zal
ervoor kiezen met zijn medemensen in harmonie te werken en te doen wat
goed is voor iedereen.
Er zijn tekenen in de wereld dat men zich ervan bewust begint te worden
dat we allemaal van elkaar afhankelijk zijn; dat we tot ‘een en
dezelfde wereld’ behoren, waarin geen blijvende welvaart of blijvend
geluk in het ene deel kan zijn terwijl er ergens anders ellende en ongeluk
bestaat.
Goed en kwaad
Het bestaan van het kwaad in de wereld confronteert ons met een probleem
dat niet kan worden opgelost op grond van de aanname dat een weldoende,
alwijze en almachtige God de schepper van de mens is. Het probleem kan
niet beter worden verwoord dan zoals de Griekse filosoof Epicurus zo’n
tweeëntwintig eeuwen geleden dat deed:
Of God wenst het kwaad uit deze wereld te verwijderen
en kan dit niet, òf hij kan het maar wil het niet, òf
kan het niet en wil het niet, òf kan het wel en wil het. Als
hij het wil en niet kan is het onmacht, wat in tegenspraak is met
de aard van God; als hij het kan en niet wil is het slechtheid en
dat is niet minder in strijd met zijn aard; als hij het niet wil en
niet kan is dit zowel slechtheid als onmacht; en als hij het kan en
wil (alleen deze voorwaarden passen bij God), waar komt dan het kwaad
dat in de wereld bestaat vandaan?
Wat we ‘kwaad’ of disharmonie noemen, of strijd, begeerte,
onderdrukking, tirannie, samen met de ellende en het lijden die uit
zulke omstandigheden voortvloeien, kan direct worden herleid tot het
geloof van de mens dat hij afgescheiden is van zijn medemensen en kan
handelen zonder rekening te houden met hun welzijn. Het geloof dat hij
dit kan doen zonder de gevolgen daarvan te hoeven oogsten, geeft de
vrije hand aan zijn egoïstische impulsen en hij handelt dienovereenkomstig.
Als deze houding van ‘ieder voor zich’ door enorme menigten
mensen met tegengestelde belangen wordt aangenomen, is het gevolg daarvan
het kwaad dat in de huidige wereld op zo grote schaal voorkomt.
De dualiteit van geest en stof die in het universum en in de mens bestaat
schept in de mens een reeks situaties waarin hij moet besluiten of hij
de impulsen van zijn hogere of die van zijn lagere natuur wil volgen.
Later ervaart hij de gevolgen van zijn keuze, en door deze ervaringen
leert de natuur de mens of hij haar wetten breekt of in harmonie ermee
leeft. Goed en kwaad zijn de eindproducten van handelingen die zijn
geïnspireerd door de hogere of door de lagere natuur van de mens,
en door deze contrasterende gevolgen te vergelijken leert de mens geleidelijk
om in te zien dat het pad van altruïsme beter is dan dat van egoïsme.
Normen van goed en kwaad zijn geen vaststaande begrippen, maar variëren
naar gelang van de ontwikkeling van evoluerende wezens. Wat ‘goed’
is voor de ene graad van ontwikkeling is ‘slecht’ voor een
hogere graad, en wat ‘slecht’ is voor een lagere graad,
is ‘goed’ voor een nog lagere graad van ontwikkeling.
De vlam van een kaars is een helder lichtgevend object wanneer men
haar in een donkere kamer ziet, maar is een donker lichaam vergeleken
met de zon, want ze werpt zelfs een schaduw wanneer ze in helder zonlicht
wordt geplaatst. Goed en kwaad zijn, evenals licht en donker, relatieve
begrippen, maar voor iedere graad van ontwikkeling is er een maatstaf
van goed en kwaad. Iedereen die naar beste weten en overtuiging handelt
of probeert te handelen, doet wat voor hem juist of ‘goed’
is, terwijl iedereen die hiermee in strijd handelt ‘kwaad’
doet. Iemand die zijn bewustzijn richt op de materiële kant van
zijn natuur heeft tot nu toe weinig beheersing over zijn begeerten,
terwijl iemand anders, die mogelijk verder is ontwikkeld, zijn bewustzijn
richt op de geestelijke kant van zijn natuur en hij heeft zijn begeerten
onder controle. Van laatstgenoemde zal meer worden verwacht en voor
hem zou zelfzuchtig handelen onvergeeflijk zijn, terwijl dat bij de
eerste op zijn minst begrijpelijk is, zelfs al is het niet te verontschuldigen.
Vele kwaliteiten en grootheden in de natuur komen ‘in paren’
voor, of als tegengestelden. Er zouden bijvoorbeeld geen bergen zijn
als er niet ook laaglanden of valleien waren waarboven die bergen zich
verheffen. Een hand zou geen kou of warmte kunnen voelen als alle voorwerpen
dezelfde temperatuur zouden hebben als de hand. Wanneer ze wordt vergeleken
met een heet voorwerp, is de hand koud, terwijl ze in vergelijking met
een koud voorwerp warm is.
Er kan geen schaduw zijn tenzij er licht is om die schaduw voort te
brengen. Als de zon ons dag en nacht zou beschijnen, jaar in jaar uit,
zouden we hem niet als licht beschouwen, want we zouden niets hebben
om hem mee te vergelijken. Pas als de duisternis van de nacht het zonlicht
vervangt leren we het op zijn waarde te schatten.
De twee begrippen goed en kwaad vormen een dualiteit op het morele
vlak, zoals de aangehaalde voorbeelden dat zijn op materieel gebied.
We kunnen niet op een andere manier aan het begrip ‘goed’
denken dan als een contrast, een verbetering, ten opzichte van iets
dat niet goed is, ofwel ‘slecht’.
De mens is hier om vooruit te gaan, en alleen al het idee van vooruitgang
betekent dat er een voorwaartse beweging is vanaf iets dat men is ontgroeid
en dat daarom niet langer ‘goed’ is in vergelijking met
iets beters dat men voor zich ziet; een opwaarts klimmen van iets dat
lager is naar iets dat hoger is. Als er niet zulke contrasten bestonden
als vooruit en achteruit, boven en beneden, goed en kwaad, zou er geen
‘ladder’ zijn om langs omhoog te klimmen, geen weerstand
om te overwinnen.
Goed en kwaad zijn stadia waar entiteiten doorheen gaan als ze zich
van onvolmaaktheid naar volmaaktheid bewegen. In het huidige stadium
van de evolutie van de mens zijn zulke contrasterende toestanden noodzakelijk
voor zijn vooruitgang, want ze brengen ervaringen met zich mee die de
mens moet doormaken om zijn karakter te vervolmaken. Door de ongunstige
gevolgen van kwaad te ervaren, wapent de mens zich tegen toekomstige
mislukkingen, maar om met opzet het kwade te kiezen met het doel dit
te ervaren is heuvelafwaarts glijden, geen vooruitgang maar teruggang.
Wanneer de mens de lessen over goed en kwaad heeft geleerd, zal hij
op natuurlijke wijze en automatisch vanuit altruïstische motieven
handelen, en het grove kwaad dat nu de overhand heeft in de wereld zal
tot het verleden behoren. De dualiteit van goed en kwaad zoals wij die
kennen, zal dan haar doel hebben gediend en zal worden opzijgeschoven
als een trainingstoestel in een sportschool dat niet langer nodig is.
De mensheid zal dan in de praktijkschool van de natuur een hogere graad
hebben bereikt. Deze hogere graad zal niet vrij zijn van alle problemen
en moeilijkheden, want de menselijke natuur zal altijd haar tweeledigheid
van geest en stof behouden met de daaruit voortvloeiende contrasten,
maar de moeilijkheden die misschien daaruit voortkomen zullen niet tot
het grove kwaad leiden waardoor de wereld in deze tijd wordt gekweld,
maar zal een vorm aannemen die past bij het hogere gebied waarop de
mensheid dan zal bestaan.
Het zal uit het voorgaande duidelijk zijn dat de aanwezigheid van kwaad
in de wereld het gevolg is van het handelen van onvolmaakte, niet ver
geëvolueerde mensen, die de wetten van de harmonie in de natuur
geweld aandoen, en niet van een macht buiten de mens, hetzij God of
blind toeval. De mens schiep het kwaad in de wereld, maar het ligt ook
in zijn macht om de harmonie te herstellen.
In de woorden van H.P. Blavatsky: ‘Goed noch kwaad zouden bestaan
ware het niet dat ze wederzijds licht op elkaar werpen.’*
*H.P. Blavatsky Collected Writings, 8:115-16.
‘Indien we goed van kwaad willen onderscheiden, en licht van
duisternis, en het eerste naar waarde schatten, kan dat alleen door
het contrast tussen beide.’*
*Op.cit., 8:112.
Of in de woorden van Plotinus: ‘De ervaring van het kwade leidt
tot een beter begrip van het goede.’