Het levensraadsel
Nils A. Amnéus

Vertaling van: Life’s Riddle, Nils A. Amnéus

ISBN 9070328593, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2002  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565AG Den Haag

Inhoudsopgave


 

Broederschap – een feit in de natuur

Uiterlijke tekenen van eenheid
Indirect bewijs van eenheid
Het struikelblok is zelfzucht
‘Loont’ zelfzucht?
Een beroep op de zelfzuchtigen
Omgebogen zelfzucht
Ethiek berust op wetten van de natuur
Eenheid is de oorzaak – broederschap het gevolg
Ideeën regeren de wereld
Sleutels tot enkele raadsels van het leven
   Waarom is er zoveel lijden in de wereld?
   Waarom is er zoveel onrecht?
   Hebben we een vrije wil of zijn we marionetten van het lot?
   Zijn we verantwoordelijk voor onze daden – zullen we oogsten wat we zaaien?
   Is er een leven na de dood?
   Wat is het doel van het leven?
   Is dit een lukraak door blinde krachten bestuurd heelal of ligt er een plan aan ten grondslag?

De gouden eeuw van broederschap

 

Broederschap – een feit in de natuur

Als de mens geen maatstaf heeft voor goed en kwaad waarvan hij kan bewijzen dat ze op natuurwetten berust, zal er altijd een wijdverspreid zedeloos gedrag zijn, niet alleen seksuele immoraliteit, maar ook politiek en maatschappelijk immoreel gedrag, een algehele ethische immoraliteit. In dat geval heeft de mens geen richtsnoer in het leven, en het gevolg daarvan is corruptie, bedrog, eigenbelang, oorlog en alle andere kwalijke dingen die daarop volgen.

De theosofische leringen bieden de mens niet alleen hoopvolle en edele verwachtingen, maar ze geven hem ook ethische principes die hij kan volgen en een verheven filosofie die deze beginselen op adequate wijze verklaart. Vandaar dat oorlogen vanzelf zullen ophouden wanneer de wereld zich tenslotte dit theosofische denken heeft eigen gemaakt; corruptie in hoge en lage kringen zal een afschuwelijke herinnering uit het verleden worden. Het is onder andere deze regeneratie waarvoor wij werken. Dit . . . is een van de voornaamste redenen voor het stichten van de Theosophical Society.
    – G. de Purucker (The Theosophical Forum, Feb. 1932)

Volgens de oude wijsheid is broederschap een feit in de natuur. Deze stellige bewering berust op de innerlijke geestelijke eenheid van al wat leeft. Iedere levenseenheid of monade is een emanatie van het ene universele leven dat de onzichtbare oorzaak achter het zichtbare heelal is.

Wij mensen vormen één groep monaden, monaden die met elkaar zijn verbonden door een gemeenschappelijke oorsprong en een gemeenschappelijke lotsbestemming – reisgenoten met een gemeenschappelijk einddoel. De basis voor harmonie en samenwerking bestaat dus al, en een feitelijke broederschap is de natuurlijke en normale betrekking tussen mensen.

 

Uiterlijke tekenen van eenheid

De mate waarin onze geestelijke eenheid wordt onderkend hangt af van onze ontwikkeling, die tussen verschillende personen zeer sterk uiteenloopt.

Onverschilligheid voor het lijden en de ontbering van anderen wijst op een gebrek aan geestelijke ontwikkeling. Een gevoel van eenheid, mededogen, medeleven en sympathie voor iemand die lijdt, geeft blijk van een besef van innerlijke eenheid. Een ooggetuige van een ongeval kan, hoewel zelf fysiek ongedeerd, onpasselijk worden en zelfs flauwvallen als gevolg van dit gevoel van innerlijke verbondenheid met het slachtoffer.

Bij het zien of horen van een heldhaftige of zelfopofferende daad, of van een plicht die werd vervuld ondanks moeilijkheden of gevaar, ervaren we hartverwarmende gevoelens en een versterkt geloof dat er iets edels of goddelijks in onze medemens schuilt. Er is een snaar in ons wezen die reageert wanneer door iemand anders de juiste toon wordt aangeslagen, en waarom zou deze snaar in harmonie trillen met de aangeslagen toon als er niet iets van goddelijkheid in ieder menselijk hart woont?

De afgescheidenheid zoals we die aan de buitenkant ervaren, is niet zo volkomen als het oppervlakkig gezien misschien lijkt. Wanneer we bijvoorbeeld in een bus of trein stappen is onze veiligheid in handen van de bestuurder van dit vervoermiddel. Ons leven kan afhangen van de monteur die onze auto heeft gerepareerd en wanneer we erin rijden hangt ons leven bijna evenveel af van de voorzichtigheid van andere bestuurders als van die van onszelf. Wanneer we over een brug lopen of van een lift gebruikmaken, vertrouwen we ons leven toe aan de ontwerpers en bouwers ervan. Wat wij doen beïnvloedt anderen en wat zij doen beïnvloedt ons. Wij zijn onze ‘broeders hoeder’, en hij is onze ‘hoeder’ en wij zijn in ons handelen verantwoordelijk voor elkaar.

In de natuur zien we dat bepaalde dieren zoals bijen en mieren een soort groepsbewustzijn hebben ontwikkeld, want ze vormen grote kolonies waarin ze samenwerken voor het algemeen welzijn. Daardoor gedijt de kolonie en worden de individuele eenheden in staat gesteld te overleven, wat ze niet zouden kunnen als ze uitsluitend voor zichzelf werkten.

Wij mensen komen tot de ontdekking dat de natuur ons deel laat uitmaken van allerlei combinaties, zoals families, steden, volkeren, enz. Als leden van deze groepen doen we veel van ons werk gezamenlijk. We zien in dat we delen zijn van iets dat groter is dan wijzelf en dat er voor het individu en de groep door zo’n samenwerking iets kan worden bereikt.

Het menselijk lichaam is een prachtig voorbeeld van de samenwerking tussen verschillende cellen en organen, die met elkaar meewerken ten behoeve van het lichaam als geheel. Onbewust bootst de mens de methode van samenwerking van de natuur na wanneer een groot openbaar werk moet worden uitgevoerd en hij van oordeel is dat hij daarvan voordeel heeft. Hij sluit zich dan bij anderen aan om wat hij een ‘organisatie’ noemt te vormen met iemand aan het ‘hoofd’ en verschillende commissies en ondergeschikten om de details uit te voeren, zoals ook de organen in het lichaam hun verschillende functies vervullen. Wanneer we het over onze gemeenschap of staat als geheel hebben en deze het ‘maatschappelijk lichaam’ of het ‘staatslichaam’ noemen, erkennen we onbewust een innerlijk feit.

Van welke aard de doelstelling ook mag zijn, religieus, politiek, wetenschappelijk, commercieel of anderszins, en of het motief zelfzuchtig dan wel altruïstisch is, de mensen beseffen dat ze door samenwerking meer kunnen bereiken dan als afzonderlijke individuen.

We kunnen niet veel bewijzen van eenheid verwachten op het uiterlijke gebied, waar onze afgescheidenheid het meest geprononceerd is; maar zoals we hebben gezien ontbreken de aanwijzingen dat we op een of andere manier met elkaar zijn verbonden niet geheel en al. De werkelijke eenheid van al het leven moet echter op de geestelijke gebieden van de natuur worden gezocht, en omdat de gewone mens op deze gebieden nog niet bewust is, kan hij deze eenheid niet door rechtstreekse waarneming aantonen.

 

Indirect bewijs van eenheid

Uiterlijke en directe aanwijzingen voor eenheid liggen dan misschien niet voor het oprapen, er is echter een overvloed aan indirecte bewijzen waaruit blijkt dat we niet afgescheiden zijn, want we zien de rampzalige gevolgen wanneer mensen zelfzuchtig en in strijd met de wetten van harmonie handelen.

Deze wetten kunnen niet straffeloos worden geschonden, want ze dwingen tot naleving ervan. Als we een stenen boog gaan bouwen, moeten de stenen een vorm krijgen en op een manier worden geplaatst die overeenstemt met de wetten van de mechanica. Er is geen uiterlijke autoriteit om ons te dwingen deze wetten te gehoorzamen, maar als we dat nalaten zal de boog in elkaar zakken. Evenmin dwingt de natuur ons met onze medemensen in harmonie te leven, maar als we dit niet doen leidt dit tot de ineenstorting van een goed georganiseerde maatschappij, zoals het niet in acht nemen van de wetten van de mechanica het instorten van de boog tot gevolg heeft.

Voorbeelden hiervan zijn overal te vinden, in het klein en in het groot, in het gezin en de gemeenschap, landelijk en internationaal. Als sommige mensen zelfzuchtig zijn en de rechten van anderen negeren, brengt dat leed en ellende en een zwaardere last voor anderen. Met ieder jaar dat verstrijkt wordt onze eenheid meer en meer duidelijk. Hedendaagse uitvindingen hebben ons allen zo dicht bij elkaar gebracht, dat daden van zelfzucht en agressie die vroeger plaatselijk gebeurden en buiten een kleine kring onopgemerkt bleven, nu van invloed zijn op de hele mensheid. Als in een verafgelegen deel van de wereld een agressief volk een zwakker buurland aanvalt, denken we misschien dat het ons niet aangaat, maar voordat er aan de aldus op gang gebrachte reeks gebeurtenissen een einde komt, zijn we mogelijk tegen onze zin in het conflict betrokken en zijn tot de ontdekking gekomen dat het ook ons aanging.

 

Het struikelblok is zelfzucht

Het ideaal van broederschap heeft altijd tot de menselijke verbeelding gesproken. Wanneer hij zijn goede momenten heeft, droomt de mens van een gouden millennium en in zijn binnenste is er iets dat hem zegt dat het geen onbereikbare utopie is, maar dat het op zekere dag een levende werkelijkheid zal worden.

De ethische leringen van de grote religies bevatten ook lessen in broederschap. In de Bergrede drukt Jezus de mensen op het hart onzelfzuchtigheid, vergevensgezindheid en edelmoedigheid in praktijk te brengen, hun naasten lief te hebben als zichzelf, in het dagelijks leven de Gulden Regel toe te passen en zo broederschap tot een levende werkelijkheid te maken. Andere geestelijke leraren hebben dezelfde ethiek verkondigd.

In het algemeen is men het erover eens dat als de eenvoudige voorschriften in de Bergrede ernstig worden genomen en in praktijk worden gebracht, deze voldoende zouden zijn om daarop broederschap te baseren, en dat de mens dit niet heeft gedaan is niet te wijten geweest aan een tekort aan ethische leringen over dit onderwerp.

De altruïst en de sociaal bewogen mens vatten deze leringen ernstig op en proberen hun medemensen goed te doen zonder zelfzuchtige motieven. Er zijn door religieuze en andere groeperingen veel oprechte pogingen gedaan om broederschap in praktijk te brengen en zonder die pogingen door mensen van goede wil zou deze wereld er heel wat slechter aan toe zijn dan ze nu is. Maar zij die pogen broederschap in praktijk te brengen stuiten op moeilijkheden. Ze hebben met anderen te maken die met hun zelfzucht de inspanningen ten behoeve van broederschap belemmeren en deze tenietdoen.

De zelfzuchtige mens is de oorzaak van de conflicten en disharmonie in de wereld. Ook aan hem zijn de ethische leringen van de religie bekendgemaakt, maar hij heeft er eeuwenlang niets van willen weten en wil dit nog steeds niet. Tenzij men hem ertoe zou kunnen brengen zijn zelfzuchtige instelling te wijzigen, zal broederschap geen werkelijkheid worden. Blijkbaar zijn ethische leringen op zichzelf, hoe mooi ook, niet genoeg om dit tot stand te brengen en zijn ze niet doeltreffend waar ze het hardst nodig zijn.

De zelfzuchtige mens meent dat zelfzucht onmiddellijk en concreet voordeel biedt, terwijl het nut van altruïsme onzeker is en zich misschien nooit zal voordoen. Hij ziet anderen die zelfzuchtig bezig zijn met duidelijk gunstige resultaten en komt daarom tot de slotsom dat zelfzucht meer ‘loont’ dan altruïsme en dat is voor hem de reden om zelfzuchtig te handelen.

Zelfzucht en misdaad kunnen niet worden uitgebannen zolang iemand gelooft dat deze voordeel opleveren. Tenzij men kan aantonen dat ze niet tot voordeel strekken en nadelig zijn voor het welzijn van de mens, zullen zelfzucht, corruptie en misdaad blijven bestaan, worden ze van steeds ernstiger aard en zullen uiteindelijk onze beschaving te gronde richten zoals ze dit in het verleden met zoveel andere hebben gedaan.

Het uitbannen van zelfzucht is daarom afhankelijk van het elimineren van het winstmotief dat eraan ten grondslag ligt, en de oplossing van dit probleem van zelfzucht hangt weer af van het antwoord op de vraag: Loont zelfzucht?

 

‘Loont’ zelfzucht?

Willen we van zelfzucht voordeel hebben, dan moeten we van anderen meer krijgen dan we ervoor teruggeven, of nog beter ‘iets voor niets krijgen’. We moeten in staat zijn voordeel te behalen dat we niet hebben verdiend, en we moeten in staat zijn de gevolgen van onze slechte daden te ontlopen.

Men zal opmerken dat alle door zelfzucht verkregen gunstige resultaten berusten op de veronderstelling dat we voordeel kunnen behalen zonder de kiem ervoor te hebben gelegd, en kwaad kunnen zaaien zonder het te oogsten, met andere woorden, het hangt af van ons vermogen om weerstand te bieden aan de wet van oorzaak en gevolg. Als we deze wet kunnen trotseren, kunnen we van onze zelfzucht profiteren. Zo niet dan heeft zelfzucht geen voordeel.

Om te bewijzen dat ons menselijk handelen onderworpen is aan de wet van oorzaak en gevolg, moet men dus aantonen dat zelfzucht geen voordeel oplevert en dat er daarom geen reden is om zelfzuchtig te handelen.

Ieder die de wet van oorzaak en gevolg erkent, moet zelfzucht als middel om voordelen te behalen van de hand wijzen.

Ieder die zelfzuchtig handelt in de hoop daar beter van te worden, bewijst met zijn daad dat hij niet in de wet van oorzaak en gevolg gelooft. Hij kan er lippendienst aan bewijzen, maar met zijn daad zegt hij eigenlijk: ‘Ik weet zeker dat ik niet zal hoeven te lijden onder de kwalijke gevolgen van mijn daad. Er is misschien helemaal geen gevolg, en als dat wel het geval is kan ik het ontlopen.’ Een slechte daad kan alleen berusten op het geloof dat de boosdoener aan de gevolgen van zijn daad kan ontsnappen, met andere woorden, op zijn vermogen de wet van oorzaak en gevolg te trotseren.

 

Een beroep op de zelfzuchtigen

De zelfzuchtige mens leeft op een lager gebied dan de altruïst. Zijn bewustzijn is geconcentreerd in zijn persoonlijkheid en hij is zich daarom meer bewust van zijn fysieke afgescheidenheid van zijn medemensen dan van zijn geestelijke eenheid met hen. Het ethische beroep dat de religie op hem doet gaat zijn verstand te boven. Mochten we de hoop koesteren zijn zelfzuchtige houding te veranderen, dan moeten we hem tegemoet treden op het gebied waarop hij functioneert; we moeten een beroep doen op zijn eigenbelang.

De wet van oorzaak en gevolg spreekt de altruïst aan, maar doet ook een effectief beroep op de zelfzuchtige mens.

Wanneer de zelfzuchtige mens ervan overtuigd raakt dat hij zal oogsten wat hij zaait, beseft hij dat iedere handeling die hij voor het welzijn van iemand anders verricht, onvermijdelijk een overeenkomstige naar hemzelf terugkerende weldaad tot gevolg zal hebben, en dat hij daarom door anderen te helpen ook zichzelf voordeel bezorgt.

Evenzo beseft hij dat ook het leed dat hij mogelijk heeft veroorzaakt, het kwaad dat hij een ander heeft aangedaan, bij hem zal terugkomen, en dat hij daarom door anderen te benadelen ook zichzelf benadeelt. Onder deze omstandigheden getuigt het slechts van gezond verstand om broederschap in praktijk te brengen en te vermijden anderen onrecht aan te doen. Een andere handelwijze is strijdig met het eigenbelang. De wetenschap dat we zullen oogsten wat we zaaien heeft een tweeledig effect: ze houdt zelfzucht in toom en bevordert broederschap.

Door het onlogische denkbeeld dat we hier maar voor één enkel leven op aarde zijn wordt de mens misleid en gaat hij geloven dat hij door zelfzucht voordelen kan behalen. Bekeken in het licht van karma en reïncarnatie is het duidelijk dat zulke voordelen slechts tijdelijk en denkbeeldig zijn. In plaats van echt te zijn bieden ze evenmin voordeel als het zich op de hals halen van schulden die uiteindelijk moeten worden terugbetaald.

De betekenis van de leringen over karma en reïncarnatie kan niet worden overschat waar het hun effect op het menselijke doen en laten betreft, want ze bevatten de oplossing voor het probleem van de zelfzucht die de grootste belemmering voor de menselijke vooruitgang vormt.

 

Omgebogen zelfzucht

Wanneer de zelfzuchtige mens tot het besef komt dat altruïsme in zijn voordeel is, zal hij beginnen het in praktijk te brengen. We kunnen niet verwachten dat hij in één keer zijn karakter verandert, want oude gewoonten en denkwijzen zijn moeilijk te wijzigen. Zijn eerste pogingen zullen worden gedaan met het oog op de voordelen die hij daardoor verwacht te behalen. Zijn motief is nog wel zelfzuchtig maar de richting van de zelfzucht is omgebogen; niet langer benadeelt ze anderen, maar deze komt hen ten goede. Hij heeft een eerste stap in de goede richting gezet, wat beter is dan helemaal geen begin ermee te maken, en hij heeft voor zichzelf geen voorraad toekomstige moeilijkheden aangelegd.

Het onmiddellijke voordeel van de resultaten kan teleurstellend zijn, maar hij heeft een nieuwe deur naar de betere kant van zijn natuur opengezet. Hij heeft de nieuwe ervaring anderen gelukkig te maken en dit levert hem op zijn beurt geluk op.

Naarmate hij in zijn evolutie geleidelijk vorderingen maakt, zal de blijde ervaring om anderen wel te doen haar eigen beloning zijn, of iedere gedachte aan beloning of straf uitwissen. Altruïsme zal dan zijn natuurlijke manier van leven worden.

 

Ethiek berust op wetten van de natuur

Bij zijn pogingen om de geldigheid of waarheid van een leer vast te stellen beschikt de mens over drie methoden, waarmee hij een onderwerp kan onderzoeken. Deze zijn religie, filosofie en wetenschap, en elk hiervan onthult een ander aspect van het onderwerp dat wordt bestudeerd. Als een leer waar is, moet zij een verklaring bieden die voor elk van die drie gezichtspunten bevredigend is.

Uit een religieus oogpunt moet de leer de morele intuïtie van de mens, zijn aspiraties en verlangens naar een hoger en edeler leven bevredigen; zij moet hem leren hoe hij zijn leven in harmonie met zijn medemens kan inrichten. Maar religie alleen, zonder filosofie en wetenschap kan tot dogmatisme en bijgeloof leiden.

Uit filosofisch oogpunt moet de leer de rede en logica van de mens bevredigen. Maar filosofie zonder religie en wetenschap kan leiden tot een koud en dor intellectualisme, dat veraf staat van menselijk begrip en sympathie.
Uit wetenschappelijk oogpunt moet de leer overeenstemmen met bewezen feiten en de wetten van de natuur, maar als niet eveneens de religieuze aspiraties, de rede en logica van de mens worden bevredigd, is de presentatie ervan onvolledig en kan leiden tot een onverantwoord materialisme.

‘Er is geen religie hoger dan de waarheid’ zegt de oude wijsheid en voegt eraan toe dat ware religie, ware filosofie en ware wetenschap niet met elkaar in strijd kunnen zijn. Een leer die niet erin slaagt om alle drie methoden van onderzoek tevreden te stellen is in de presentatie ervan òf onjuist òf onvolledig.

Wanneer we proberen vast te stellen waarom ethische leringen geen grotere invloed hebben gehad op het gedrag van de mens, komen we tot de ontdekking dat ze uitsluitend vanuit een religieus gezichtspunt zijn behandeld. Wat hieraan ontbreekt is een filosofie die aantoont waarom de mens ethiek in praktijk moet brengen en een wetenschap die bewijst dat deze filosofie op feiten in de natuur berust.

De leringen van karma en reïncarnatie bieden de filosofische grondslag waarop ethiek berust. Deze leringen berusten op hun beurt op de natuur, want de wetenschap heeft bewezen dat de materiële kant van de natuur wordt beheerst door wetten, en verstand en logica zeggen ons dat deze wetten overal in het heelal moeten gelden.

Als we ethische leringen aan een onderzoek onderwerpen, zien we dat, zelfs al verwijzen ze niet naar de wet van oorzaak en gevolg, zij toch erop berusten. In de Bergrede zegt Jezus tegen de mensen ‘zoek eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid’ en dan zal in de behoeften van het lichaam worden voorzien. Wat is ‘het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid’ anders dan onzelfzuchtigheid en grootmoedigheid in praktijk brengen, kortom leven volgens de Gulden Regel? Zulke handelingen moeten hun gevolgen hebben, want de natuur zal op onze handelingen op overeenkomstige wijze reageren en de gevolgen keren onvermijdelijk naar ons terug. Daarom zegt Jezus in feite: Geef, en het verkrijgen zal vanzelf gaan, een uitspraak die op de wet van oorzaak en gevolg berust.

Er zijn veel oude aforismen of voorschriften die op het menselijk gedrag betrekking hebben en door de ene generatie aan de andere generatie zijn overgedragen, omdat de mensen intuïtief aanvoelen dat ze waar zijn. Wanneer men ze analyseert blijkt dat ook zij op karma zijn gebaseerd.

‘Hoe meer men geeft, hoe meer men heeft, dat is de wet van liefde’, is zo’n gezegde. Hoe meer we weggeven, hoe meer we op onzelfzuchtige wijze en zonder hoop op beloning doen, des te meer goed karma hebben we voor onszelf ‘opgeslagen’ dat in de toekomst kan worden geoogst.

‘Eerlijk duurt het langst’ is er ook een. Zowel eerlijkheid als oneerlijkheid brengen hun passende gevolgen in overeenstemming met de wet van oorzaak en gevolg. De gevolgen zullen in het eerste geval uiteraard gunstig zijn, terwijl de gevolgen van oneerlijkheid ongunstig zullen zijn, vandaar dat eerlijkheid het duurzaamst is.

Een ander aforisme zegt ons: ‘Alleen de dingen die je hebt weggegeven zijn je volle eigendom geworden.’ Wat we hebben weggegeven zonder daarvoor iets te ontvangen zal karma na verloop van tijd ongetwijfeld aan ons teruggeven.

De intuïtie van de mens zegt hem dat er waarheid schuilt in deze oude spreuken, maar zijn redenerend verstand moet hiervan ook overtuigd zijn, voordat hij ze in praktijk zal brengen.

Samenvatting:

De religie onderwijst ethiek.

De filosofie toont aan waarom de mens ethiek in praktijk moet brengen.

De wetenschap bewijst dat ethiek op de wetten van de natuur berust.

Deze drie verschaffen samen de kennis en het begrip die nodig zijn om broederschap tot een werkelijkheid te maken.

 

Eenheid is de oorzaak – broederschap het gevolg

Zoals eerder gezegd is de eenheid van alle leven de grondslag van broederschap. Wanneer deze eenheid volledig wordt beseft, zal broederschap als vanzelf daarop volgen. Deze zal verschijnen als de uiterlijke manifestatie van een toestand die op de innerlijke, geestelijke gebieden van de natuur reeds bestaat.

Juist dit onvermogen van de mens om deze eenheid te erkennen leidt tot alle strijd en disharmonie in de wereld. In zijn innerlijke hogere natuur voelt de mens een band van eenheid met zijn medemensen, en wanneer hij door dit gevoel wordt geleid handelt hij in harmonie met hen. Een grote natuurramp brengt deze betere kant van de mens naar buiten en hij ziet direct zijn plicht om mensen in nood te helpen.

Maar hij is nog niet zover geëvolueerd, dat hij deze eenheid ook herkent wanneer het lijden en de ontberingen een minder spectaculaire vorm aannemen. Dan isoleert hij zichzelf door zich in de schulp van zijn lagere zelf terug te trekken en neemt zijn toevlucht tot de afgescheidenheid die daar heerst. Hij beseft niet dat de afgescheidenheid waarmee hij zich probeert te beschermen een waanidee is dat wordt veroorzaakt doordat zijn visie zich beperkt tot slechts het materiële gebied van de natuur, maar hem niet op de hoogte stelt van de eenheid die op innerlijke gebieden bestaat.

Indien hij de innerlijke visie had, zou hij inzien dat zijn isolement even onwerkelijk is als die van een huurder in een groot flatgebouw die troost put uit de gedachte dat een brand in de flat van iemand anders geen bedreiging is voor zijn eigen veiligheid.

We wonen inderdaad in ‘het grote flatgebouw van de natuur’ en ‘een brand in een van de flats’ zal, indien niet tijdig bedwongen, uiteindelijk iedereen treffen. Als naties beginnen we te leren dat onze vrede, vrijheid en welvaart afhankelijk zijn van andere volkeren die deze voorrechten ook genieten; dat een aanval op een van onze zusternaties een aanval op allen is, dat ‘de brand in de flat van onze buurman onze brand is’.

Naarmate de mens evolueert en zich meer ten volle bewust wordt van de banden die hem met zijn medemensen verbinden, kan hij niet langer onverschillige gevoelens tegenover hen koesteren. Zijn begrip voor hun problemen en noden wordt dermate levendig, zo pijnlijk voelbaar, dat het lijkt alsof het zijn eigen problemen en moeilijkheden zijn. Hij zou geen rust hebben voordat hij al het mogelijke had gedaan om aan hen die hulp behoeven verlichting te bieden.

Wanneer we dit punt hebben bereikt zal het ‘staatslichaam’ niet alleen maar beeldspraak zijn, het zal een levende werkelijkheid worden. In zo’n maatschappij zullen achterbuurten en een gebrek aan kansen voor de minder bevoorrechten en andere maatschappelijke onrechtvaardigheden als ziekten van het staatslichaam worden beschouwd en al het mogelijke zou worden gedaan om deze uit de weg te ruimen, zoals men een etterende zweer zal proberen te reinigen en te helen, opdat hij niet de rest van het lichaam ziek maakt.

De leden van een dergelijke maatschappij zouden niet met elkaar wedijveren voor eigen voordeel, maar eerder samenwerken in een poging iets bij te dragen aan het algemeen welzijn. In plaats van de wet van de jungle ‘ieder voor zich’ zou het motto luiden ‘iedereen helpt degenen die minder ver zijn gevorderd dan hijzelf’ en er zou niemand achteropraken in de opmars van de vooruitgang. Zelfs de geringste heeft iets te geven, en de achterblijver van nu kan, na levens van inspanning, de leider van de toekomst zijn en de hulp die hem destijds werd geboden terugbetalen.

Er zal geen broederschap komen ten gevolge van een kunstmatige overeenkomst die van buitenaf is opgelegd, maar zij zal tot stand komen wanneer de mensen het één-zijn met hun medemensen beseffen. Zij zullen dan handelen en leven als broeders, die ze in feite zijn. Wanneer dit gebeurt zal het Koninkrijk der Hemelen niet langer een utopische droom zijn maar een levende werkelijkheid ‘op aarde zoals ook in de Hemelen’ of geestelijke gebieden.

 

Ideeën regeren de wereld

Als de gedachte dat zelfzucht nuttig is tot gevolg heeft gehad dat zelfzucht de overhand heeft, ligt het voor de hand dat het denkbeeld dat zelfzucht nooit voordeel oplevert maar altijd nadelig moet zijn, de uitschakeling van zelfzucht tot gevolg zal hebben. Dit resultaat zal niet in een keer totstandkomen. De wet van karma, waarop dit idee berust, zou eerst begrepen en geassimileerd moeten worden. Bij dit soort zaken moeten we, om een theosofische leraar te citeren, eerder ‘in eeuwen denken’ dan in jaren en decennia.

Laten we in gedachten honderd jaar vooruitkijken en laten we aannemen dat in de loop van die jaren de leer van karma eerst door oprechte en nadenkende mensen is begrepen en in zich opgenomen, en daarna geleidelijk via hen aan anderen overgebracht totdat ze tenslotte alle lagen van de maatschappij heeft doordrongen. Karma zal dan als een vanzelfsprekend feit worden aanvaard, zoals wij nu de wet van de zwaartekracht aanvaarden en het zal in onze kerken en scholen worden onderwezen.

De kinderen die in zo’n maatschappij opgroeien, zouden vanaf hun prilste jeugd van hun ouders en al hun voorgangers het idee in zich opnemen dat ze verantwoordelijk zijn voor al hun handelingen en dat ze onvermijdelijk zullen lijden voor enig nadeel dat zij anderen misschien bezorgen.

Kan er enige twijfel over bestaan dat deze ideeën een generatie van mensen zal voortbrengen die hun zelfzuchtige neigingen grotendeels onder controle hebben? Denk eens aan het voordeel ten aanzien van alleen maar het negatieve aspect van karma, aan het beteugelende effect dat dit zou hebben, en denk aan het leed en de ellende die de mensheid hierdoor bespaard zou blijven!

Zodra zelfzucht wordt bedwongen, zullen de hogere vermogens in de menselijke natuur worden bevrijd en beginnen ze zichzelf tot uitdrukking te brengen. Voeg daarbij de stellige zekerheid die karma biedt, dat de goede daden die we nu zaaien ook tot ons zullen terugkeren. Kan er enige twijfel over bestaan dat het gevolg hiervan harmonie en welwillendheid onder de mensen zal zijn – de eerste stap op weg naar broederschap?

 

Sleutels tot enkele raadsels van het leven

Nu kunnen we terugkomen op de vragen die we in het begin van dit boek hebben gesteld en die deel uitmaken van het ‘levensraadsel’, om te zien hoe ze door de leringen van de oude wijsheid worden beantwoord.

Een samenvatting van deze antwoorden volgt hieronder.

 

Waarom is er zoveel lijden in de wereld?

Dit is het gevolg van het verkeerde denken van de mens, zijn verkeerde manier van leven en zijn verkeerde daden in het verleden. Het is de reactie van de natuur op ons gebrek aan zelfbeheersing, onze zelfzucht en het leed dat we anderen hebben aangedaan. Het wordt ons niet opgelegd door een macht buiten onszelf of door toeval; wij brachten het over onszelf.

Als we standvastig blijven in juist denken en juist handelen, zal aan het lijden geleidelijk een einde komen.

 

Waarom is er zoveel onrecht?

Er is geen onrecht. De omstandigheden waarin we ons bevinden, de ervaringen die we opdoen, hebben we voor onszelf gemaakt. Alleen ons geloof in de theorie van één leven op aarde weerhoudt ons ervan de rechtvaardigheid in te zien van al wat ons overkomt.

 

Hebben we een vrije wil of zijn we marionetten van het lot?

De mens heeft een vrije wil of de vrijheid om te kiezen. Zijn karakter dat naar het schijnt zijn keus bepaalt, heeft hij voor zichzelf gevormd. Door zijn karakter te veranderen kan hij zijn lotsbestemming veranderen. Omdat zijn lot zijn eigen maaksel is, is hij niet voorbestemd door iets buiten hemzelf.

 

Zijn we verantwoordelijk voor onze daden – zullen we oogsten wat we zaaien?

De mens is zijn eigen baas met een besef van goed en kwaad. Hij kan doen wat hij verkiest, maar hij kan niet ontsnappen aan de consequenties van zijn daad. Hij zal oogsten wat hij heeft gezaaid, niet meer en niet minder; niet beter en niet slechter.

 

Is er een leven na de dood?

Dat is er. De dood is slechts een slaap – de werkelijke mens blijft leven. Alles wat het beste en het meest geliefde was is eeuwig. Leeftijd is slechts een conditie van het lichaam – de ziel wordt nooit oud. Het leven van het ego zet zich voort en blijft na de dood bestaan evenals dit vóór de geboorte bestond.

Geboorte en dood zijn poorten waar het ego doorheen gaat, wanneer het van de ene bewustzijnstoestand naar een andere overgaat. Bij de dood trekt het ego zich terug uit een actieve zelfbewuste toestand in een passieve droomtoestand. Na een lange rustperiode keert het ego terug naar de actieve zelfbewuste staat door de poort van de geboorte.

Reïncarnatie is de universele sleutel die de meeste kwellende problemen van het leven oplost.

 

Wat is het doel van het leven?
Evolutie, groei, ontplooiing van sluimerende vermogens. Een opstijgen van onvolmaaktheid naar volmaaktheid, een geleidelijk ontwikkelen naar de eenwording met de innerlijke god van de mens, met onbegrensde mogelijkheden tot groei wanneer die eenwording is bereikt – het steeds dichter benaderen van een steeds verhevener ideaal.

Het leven is een school waar het nooit te laat is om te leren. Wat men in één leven meester is geworden, zal in de volgende incarnatie veel gemakkelijker blijken te zijn.

 

Is dit een lukraak door blinde krachten bestuurd heelal of ligt er een plan aan ten grondslag?

Het zichtbare heelal is een belichaming van een deel van universeel bewustzijn dat zich op dit gebied uitdrukt door middel van een oneindige verscheidenheid van levenseenheden of monaden in verschillende stadia van ontwikkeling. Al deze monaden maken op het ogenblik vorderingen met hun evolutie in de diverse natuurrijken. Zij gaan langzaam van lagere naar hogere stadia van ontwikkeling: monaden die lager dan de mens staan gaan opwaarts naar het menselijke stadium, terwijl de mens evolueert naar het christus-stadium.

Volgens de oude wijsheid luidt dit plan:

Volmaking is het doel.
Evolutie is de methode.
Dualiteit voorziet in het werkgereedschap.
Karma is de leraar, en
Reïncarnatie verschaft de tijd.

De niet-zelfbewuste godsvonk of goddelijke straal die in het begin een emanatie was van het universele leven, moet door alle levensvormen heengaan, moet zelfbewustzijn in het mensenrijk verwerven, en vervolgens omhoogklimmen langs de goddelijke straal totdat ze zich weer verenigt met haar goddelijke bron, waar haar bewustzijn, dat nog steeds zijn identiteit als zelfbewust wezen behoudt, universeel wordt.

Dit betekent het einde van onze huidige evolutieperiode, maar niet het einde van de evolutie. De monaden die met succes dit evolutiestadium hebben doorlopen beginnen dan aan een lange rustperiode, waarna ze aan een nieuwe evolutieperiode op een nog hoger gebied beginnen en zo vervolgen ze hun opgang naar steeds hogere bewustzijnstoestanden ad infinitum.

Een onderwerp dat zo veelomvattend is als wat in dit boek is besproken kan niet op gepaste wijze in zo’n klein bestek worden behandeld. Het wordt hier slechts als een schets aangeboden, in de hoop dat het de lezer ertoe zal brengen een van de grote werken over theosofie te bestuderen, zoals De Geheime Leer van H.P. Blavatsky, De Esoterische Traditie en Mens en Evolutie van G. de Purucker en andere boeken van deze schrijvers. Zij bevatten de informatie die een mens nodig heeft om het leven en de rol die hij daarin moet vervullen te begrijpen.

De volgende citaten zijn van de hand van H.P. Blavatsky, de stichtster van de moderne theosofische beweging.

De hoofdzaak is dat de zeer vruchtbare bron van alle misdadige en onethische handelingen moet worden uitgeroeid, namelijk het geloof dat het voor de mens mogelijk is de gevolgen van zijn eigen daden te ontlopen. Wanneer hem eenmaal de voornaamste wetten van alle, karma en reïncarnatie, zijn geleerd en hij bovendien de waardigheid van de menselijke natuur in zich voelt, zal hij zich van het kwaad afkeren en het schuwen als een lichamelijk gevaar.
    – De Sleutel tot de Theosofie, blz. 230

 

De gouden eeuw van broederschap

Als de theosofie bij haar zege in de strijd, waarbij haar allesomvattende filosofie diep wortel heeft geschoten in het denken en het hart van de mensen, en als haar leringen van reïncarnatie en karma (met andere woorden van hoop en verantwoordelijkheid) onderdak hebben gevonden in het leven van de nieuwe generaties, dan zal inderdaad voor allen die nu lijden en verstoten zijn de dag van vreugde en blijheid zijn aangebroken. Want echte theosofie is altruïsme en we kunnen dit niet vaak genoeg herhalen. Ze is broederlijke liefde, wederzijdse steun, onwankelbare toewijding aan de waarheid. Als de mensen eenmaal beseffen dat alleen hierin het ware geluk kan worden gevonden, en nooit in rijkdom, bezittingen of in enige zelfzuchtige bevrediging, dan zullen de donkere wolken wegdrijven en zal er op aarde een nieuwe mensheid worden geboren. Dan zal de Gouden Eeuw inderdaad zijn aangebroken.
    – H.P. Blavatsky Collected Writings, 11:202


Het levensraadsel , blz. 226-41

© 2002  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag