Broederschap – een feit in de
natuur
Uiterlijke tekenen van eenheid
Indirect bewijs van eenheid
Het struikelblok is zelfzucht
‘Loont’ zelfzucht?
Een beroep op de zelfzuchtigen
Omgebogen zelfzucht
Ethiek berust op wetten van de natuur
Eenheid is de oorzaak – broederschap het gevolg
Ideeën regeren de wereld
Sleutels tot enkele raadsels van het leven
Waarom is er zoveel
lijden in de wereld?
Waarom is er zoveel onrecht?
Hebben we een vrije wil of zijn we
marionetten van het lot?
Zijn we verantwoordelijk voor onze
daden – zullen we oogsten wat we zaaien?
Is er een leven na de dood?
Wat is het doel van het leven?
Is dit een lukraak door blinde krachten
bestuurd heelal of ligt er een plan aan ten grondslag?
De gouden eeuw van broederschap
Broederschap – een feit in de
natuur
Als de mens geen maatstaf heeft voor goed en kwaad
waarvan hij kan bewijzen dat ze op natuurwetten berust, zal er altijd
een wijdverspreid zedeloos gedrag zijn, niet alleen seksuele immoraliteit,
maar ook politiek en maatschappelijk immoreel gedrag, een algehele
ethische immoraliteit. In dat geval heeft de mens geen richtsnoer
in het leven, en het gevolg daarvan is corruptie, bedrog, eigenbelang,
oorlog en alle andere kwalijke dingen die daarop volgen.
De theosofische leringen bieden de mens niet alleen
hoopvolle en edele verwachtingen, maar ze geven hem ook ethische principes
die hij kan volgen en een verheven filosofie die deze beginselen op
adequate wijze verklaart. Vandaar dat oorlogen vanzelf zullen ophouden
wanneer de wereld zich tenslotte dit theosofische denken heeft eigen
gemaakt; corruptie in hoge en lage kringen zal een afschuwelijke herinnering
uit het verleden worden. Het is onder andere deze regeneratie waarvoor
wij werken. Dit . . . is een van de voornaamste redenen voor het stichten
van de Theosophical Society.
– G. de Purucker (The Theosophical
Forum, Feb. 1932)
Volgens de oude wijsheid is broederschap een feit in de natuur. Deze
stellige bewering berust op de innerlijke geestelijke eenheid van al
wat leeft. Iedere levenseenheid of monade is een emanatie van het ene
universele leven dat de onzichtbare oorzaak achter het zichtbare heelal
is.
Wij mensen vormen één groep monaden, monaden die met
elkaar zijn verbonden door een gemeenschappelijke oorsprong en een gemeenschappelijke
lotsbestemming – reisgenoten met een gemeenschappelijk einddoel.
De basis voor harmonie en samenwerking bestaat dus al, en een feitelijke
broederschap is de natuurlijke en normale betrekking tussen mensen.
Uiterlijke tekenen van eenheid
De mate waarin onze geestelijke eenheid wordt onderkend hangt af van
onze ontwikkeling, die tussen verschillende personen zeer sterk uiteenloopt.
Onverschilligheid voor het lijden en de ontbering van anderen wijst
op een gebrek aan geestelijke ontwikkeling. Een gevoel van eenheid,
mededogen, medeleven en sympathie voor iemand die lijdt, geeft blijk
van een besef van innerlijke eenheid. Een ooggetuige van een ongeval
kan, hoewel zelf fysiek ongedeerd, onpasselijk worden en zelfs flauwvallen
als gevolg van dit gevoel van innerlijke verbondenheid met het slachtoffer.
Bij het zien of horen van een heldhaftige of zelfopofferende daad,
of van een plicht die werd vervuld ondanks moeilijkheden of gevaar,
ervaren we hartverwarmende gevoelens en een versterkt geloof dat er
iets edels of goddelijks in onze medemens schuilt. Er is een snaar in
ons wezen die reageert wanneer door iemand anders de juiste toon wordt
aangeslagen, en waarom zou deze snaar in harmonie trillen met de aangeslagen
toon als er niet iets van goddelijkheid in ieder menselijk hart woont?
De afgescheidenheid zoals we die aan de buitenkant ervaren, is niet
zo volkomen als het oppervlakkig gezien misschien lijkt. Wanneer we
bijvoorbeeld in een bus of trein stappen is onze veiligheid in handen
van de bestuurder van dit vervoermiddel. Ons leven kan afhangen van
de monteur die onze auto heeft gerepareerd en wanneer we erin rijden
hangt ons leven bijna evenveel af van de voorzichtigheid van andere
bestuurders als van die van onszelf. Wanneer we over een brug lopen
of van een lift gebruikmaken, vertrouwen we ons leven toe aan de ontwerpers
en bouwers ervan. Wat wij doen beïnvloedt anderen en wat zij doen
beïnvloedt ons. Wij zijn onze ‘broeders hoeder’,
en hij is onze ‘hoeder’ en wij zijn in ons handelen verantwoordelijk
voor elkaar.
In de natuur zien we dat bepaalde dieren zoals bijen en mieren een
soort groepsbewustzijn hebben ontwikkeld, want ze vormen grote kolonies
waarin ze samenwerken voor het algemeen welzijn. Daardoor gedijt de
kolonie en worden de individuele eenheden in staat gesteld te overleven,
wat ze niet zouden kunnen als ze uitsluitend voor zichzelf werkten.
Wij mensen komen tot de ontdekking dat de natuur ons deel laat uitmaken
van allerlei combinaties, zoals families, steden, volkeren, enz. Als
leden van deze groepen doen we veel van ons werk gezamenlijk. We zien
in dat we delen zijn van iets dat groter is dan wijzelf en dat er voor
het individu en de groep door zo’n samenwerking iets kan worden
bereikt.
Het menselijk lichaam is een prachtig voorbeeld van de samenwerking
tussen verschillende cellen en organen, die met elkaar meewerken ten
behoeve van het lichaam als geheel. Onbewust bootst de mens de methode
van samenwerking van de natuur na wanneer een groot openbaar werk moet
worden uitgevoerd en hij van oordeel is dat hij daarvan voordeel heeft.
Hij sluit zich dan bij anderen aan om wat hij een ‘organisatie’
noemt te vormen met iemand aan het ‘hoofd’ en verschillende
commissies en ondergeschikten om de details uit te voeren, zoals ook
de organen in het lichaam hun verschillende functies vervullen. Wanneer
we het over onze gemeenschap of staat als geheel hebben en deze het
‘maatschappelijk lichaam’ of het ‘staatslichaam’
noemen, erkennen we onbewust een innerlijk feit.
Van welke aard de doelstelling ook mag zijn, religieus, politiek, wetenschappelijk,
commercieel of anderszins, en of het motief zelfzuchtig dan wel altruïstisch
is, de mensen beseffen dat ze door samenwerking meer kunnen bereiken
dan als afzonderlijke individuen.
We kunnen niet veel bewijzen van eenheid verwachten op het uiterlijke
gebied, waar onze afgescheidenheid het meest geprononceerd is; maar
zoals we hebben gezien ontbreken de aanwijzingen dat we op een of andere
manier met elkaar zijn verbonden niet geheel en al. De werkelijke eenheid
van al het leven moet echter op de geestelijke gebieden van de natuur
worden gezocht, en omdat de gewone mens op deze gebieden nog niet bewust
is, kan hij deze eenheid niet door rechtstreekse waarneming aantonen.
Indirect bewijs van eenheid
Uiterlijke en directe aanwijzingen voor eenheid liggen dan misschien
niet voor het oprapen, er is echter een overvloed aan indirecte bewijzen
waaruit blijkt dat we niet afgescheiden zijn, want we zien de rampzalige
gevolgen wanneer mensen zelfzuchtig en in strijd met de wetten van harmonie
handelen.
Deze wetten kunnen niet straffeloos worden geschonden, want ze dwingen
tot naleving ervan. Als we een stenen boog gaan bouwen, moeten de stenen
een vorm krijgen en op een manier worden geplaatst die overeenstemt
met de wetten van de mechanica. Er is geen uiterlijke autoriteit om
ons te dwingen deze wetten te gehoorzamen, maar als we dat nalaten zal
de boog in elkaar zakken. Evenmin dwingt de natuur ons met onze medemensen
in harmonie te leven, maar als we dit niet doen leidt dit tot de ineenstorting
van een goed georganiseerde maatschappij, zoals het niet in acht nemen
van de wetten van de mechanica het instorten van de boog tot gevolg
heeft.
Voorbeelden hiervan zijn overal te vinden, in het klein en in het groot,
in het gezin en de gemeenschap, landelijk en internationaal. Als sommige
mensen zelfzuchtig zijn en de rechten van anderen negeren, brengt dat
leed en ellende en een zwaardere last voor anderen. Met ieder jaar dat
verstrijkt wordt onze eenheid meer en meer duidelijk. Hedendaagse uitvindingen
hebben ons allen zo dicht bij elkaar gebracht, dat daden van zelfzucht
en agressie die vroeger plaatselijk gebeurden en buiten een kleine kring
onopgemerkt bleven, nu van invloed zijn op de hele mensheid. Als in
een verafgelegen deel van de wereld een agressief volk een zwakker buurland
aanvalt, denken we misschien dat het ons niet aangaat, maar voordat
er aan de aldus op gang gebrachte reeks gebeurtenissen een einde komt,
zijn we mogelijk tegen onze zin in het conflict betrokken en zijn tot
de ontdekking gekomen dat het ook ons aanging.
Het struikelblok is zelfzucht
Het ideaal van broederschap heeft altijd tot de menselijke verbeelding
gesproken. Wanneer hij zijn goede momenten heeft, droomt de mens van
een gouden millennium en in zijn binnenste is er iets dat hem zegt dat
het geen onbereikbare utopie is, maar dat het op zekere dag een levende
werkelijkheid zal worden.
De ethische leringen van de grote religies bevatten ook lessen in broederschap.
In de Bergrede drukt Jezus de mensen op het hart onzelfzuchtigheid,
vergevensgezindheid en edelmoedigheid in praktijk te brengen, hun naasten
lief te hebben als zichzelf, in het dagelijks leven de Gulden Regel
toe te passen en zo broederschap tot een levende werkelijkheid te maken.
Andere geestelijke leraren hebben dezelfde ethiek verkondigd.
In het algemeen is men het erover eens dat als de eenvoudige voorschriften
in de Bergrede ernstig worden genomen en in praktijk worden gebracht,
deze voldoende zouden zijn om daarop broederschap te baseren, en dat
de mens dit niet heeft gedaan is niet te wijten geweest aan een tekort
aan ethische leringen over dit onderwerp.
De altruïst en de sociaal bewogen mens vatten deze leringen ernstig
op en proberen hun medemensen goed te doen zonder zelfzuchtige motieven.
Er zijn door religieuze en andere groeperingen veel oprechte pogingen
gedaan om broederschap in praktijk te brengen en zonder die pogingen
door mensen van goede wil zou deze wereld er heel wat slechter aan toe
zijn dan ze nu is. Maar zij die pogen broederschap in praktijk te brengen
stuiten op moeilijkheden. Ze hebben met anderen te maken die met hun
zelfzucht de inspanningen ten behoeve van broederschap belemmeren en
deze tenietdoen.
De zelfzuchtige mens is de oorzaak van de conflicten en disharmonie
in de wereld. Ook aan hem zijn de ethische leringen van de religie bekendgemaakt,
maar hij heeft er eeuwenlang niets van willen weten en wil dit nog steeds
niet. Tenzij men hem ertoe zou kunnen brengen zijn zelfzuchtige instelling
te wijzigen, zal broederschap geen werkelijkheid worden. Blijkbaar zijn
ethische leringen op zichzelf, hoe mooi ook, niet genoeg om dit tot
stand te brengen en zijn ze niet doeltreffend waar ze het hardst nodig
zijn.
De zelfzuchtige mens meent dat zelfzucht onmiddellijk en concreet voordeel
biedt, terwijl het nut van altruïsme onzeker is en zich misschien
nooit zal voordoen. Hij ziet anderen die zelfzuchtig bezig zijn met
duidelijk gunstige resultaten en komt daarom tot de slotsom dat zelfzucht
meer ‘loont’ dan altruïsme en dat is voor hem de reden
om zelfzuchtig te handelen.
Zelfzucht en misdaad kunnen niet worden uitgebannen zolang iemand gelooft
dat deze voordeel opleveren. Tenzij men kan aantonen dat ze niet tot
voordeel strekken en nadelig zijn voor het welzijn van de mens, zullen
zelfzucht, corruptie en misdaad blijven bestaan, worden ze van steeds
ernstiger aard en zullen uiteindelijk onze beschaving te gronde richten
zoals ze dit in het verleden met zoveel andere hebben gedaan.
Het uitbannen van zelfzucht is daarom afhankelijk van het elimineren
van het winstmotief dat eraan ten grondslag ligt, en de oplossing van
dit probleem van zelfzucht hangt weer af van het antwoord op de vraag:
Loont zelfzucht?
‘Loont’ zelfzucht?
Willen we van zelfzucht voordeel hebben, dan moeten we van anderen
meer krijgen dan we ervoor teruggeven, of nog beter ‘iets voor
niets krijgen’. We moeten in staat zijn voordeel te behalen dat
we niet hebben verdiend, en we moeten in staat zijn de gevolgen van
onze slechte daden te ontlopen.
Men zal opmerken dat alle door zelfzucht verkregen gunstige resultaten
berusten op de veronderstelling dat we voordeel kunnen behalen zonder
de kiem ervoor te hebben gelegd, en kwaad kunnen zaaien zonder het te
oogsten, met andere woorden, het hangt af van ons vermogen om weerstand
te bieden aan de wet van oorzaak en gevolg. Als we deze wet kunnen trotseren,
kunnen we van onze zelfzucht profiteren. Zo niet dan heeft zelfzucht
geen voordeel.
Om te bewijzen dat ons menselijk handelen onderworpen is aan de wet
van oorzaak en gevolg, moet men dus aantonen dat zelfzucht geen voordeel
oplevert en dat er daarom geen reden is om zelfzuchtig te handelen.
Ieder die de wet van oorzaak en gevolg erkent, moet zelfzucht als middel
om voordelen te behalen van de hand wijzen.
Ieder die zelfzuchtig handelt in de hoop daar beter van te worden,
bewijst met zijn daad dat hij niet in de wet van oorzaak en gevolg gelooft.
Hij kan er lippendienst aan bewijzen, maar met zijn daad zegt hij eigenlijk:
‘Ik weet zeker dat ik niet zal hoeven te lijden onder de kwalijke
gevolgen van mijn daad. Er is misschien helemaal geen gevolg, en als
dat wel het geval is kan ik het ontlopen.’ Een slechte daad kan
alleen berusten op het geloof dat de boosdoener aan de gevolgen van
zijn daad kan ontsnappen, met andere woorden, op zijn vermogen de wet
van oorzaak en gevolg te trotseren.
Een beroep op de zelfzuchtigen
De zelfzuchtige mens leeft op een lager gebied dan de altruïst.
Zijn bewustzijn is geconcentreerd in zijn persoonlijkheid en hij is
zich daarom meer bewust van zijn fysieke afgescheidenheid van zijn medemensen
dan van zijn geestelijke eenheid met hen. Het ethische beroep dat de
religie op hem doet gaat zijn verstand te boven. Mochten we de hoop
koesteren zijn zelfzuchtige houding te veranderen, dan moeten we hem
tegemoet treden op het gebied waarop hij functioneert; we moeten een
beroep doen op zijn eigenbelang.
De wet van oorzaak en gevolg spreekt de altruïst aan, maar doet
ook een effectief beroep op de zelfzuchtige mens.
Wanneer de zelfzuchtige mens ervan overtuigd raakt dat hij zal oogsten
wat hij zaait, beseft hij dat iedere handeling die hij voor het welzijn
van iemand anders verricht, onvermijdelijk een overeenkomstige naar
hemzelf terugkerende weldaad tot gevolg zal hebben, en dat hij daarom
door anderen te helpen ook zichzelf voordeel bezorgt.
Evenzo beseft hij dat ook het leed dat hij mogelijk heeft veroorzaakt,
het kwaad dat hij een ander heeft aangedaan, bij hem zal terugkomen,
en dat hij daarom door anderen te benadelen ook zichzelf benadeelt.
Onder deze omstandigheden getuigt het slechts van gezond verstand om
broederschap in praktijk te brengen en te vermijden anderen onrecht
aan te doen. Een andere handelwijze is strijdig met het eigenbelang.
De wetenschap dat we zullen oogsten wat we zaaien heeft een tweeledig
effect: ze houdt zelfzucht in toom en bevordert broederschap.
Door het onlogische denkbeeld dat we hier maar voor één
enkel leven op aarde zijn wordt de mens misleid en gaat hij geloven
dat hij door zelfzucht voordelen kan behalen. Bekeken in het licht van
karma en reïncarnatie is het duidelijk dat zulke voordelen slechts
tijdelijk en denkbeeldig zijn. In plaats van echt te zijn bieden ze
evenmin voordeel als het zich op de hals halen van schulden die uiteindelijk
moeten worden terugbetaald.
De betekenis van de leringen over karma en reïncarnatie kan niet
worden overschat waar het hun effect op het menselijke doen en laten
betreft, want ze bevatten de oplossing voor het probleem van de zelfzucht
die de grootste belemmering voor de menselijke vooruitgang vormt.
Omgebogen zelfzucht
Wanneer de zelfzuchtige mens tot het besef komt dat altruïsme
in zijn voordeel is, zal hij beginnen het in praktijk te brengen. We
kunnen niet verwachten dat hij in één keer zijn karakter
verandert, want oude gewoonten en denkwijzen zijn moeilijk te wijzigen.
Zijn eerste pogingen zullen worden gedaan met het oog op de voordelen
die hij daardoor verwacht te behalen. Zijn motief is nog wel zelfzuchtig
maar de richting van de zelfzucht is omgebogen; niet langer benadeelt
ze anderen, maar deze komt hen ten goede. Hij heeft een eerste stap
in de goede richting gezet, wat beter is dan helemaal geen begin ermee
te maken, en hij heeft voor zichzelf geen voorraad toekomstige moeilijkheden
aangelegd.
Het onmiddellijke voordeel van de resultaten kan teleurstellend zijn,
maar hij heeft een nieuwe deur naar de betere kant van zijn natuur opengezet.
Hij heeft de nieuwe ervaring anderen gelukkig te maken en dit levert
hem op zijn beurt geluk op.
Naarmate hij in zijn evolutie geleidelijk vorderingen maakt, zal de
blijde ervaring om anderen wel te doen haar eigen beloning zijn, of
iedere gedachte aan beloning of straf uitwissen. Altruïsme zal
dan zijn natuurlijke manier van leven worden.
Ethiek berust op wetten
van de natuur
Bij zijn pogingen om de geldigheid of waarheid van een leer vast te
stellen beschikt de mens over drie methoden, waarmee hij een onderwerp
kan onderzoeken. Deze zijn religie, filosofie en wetenschap, en elk
hiervan onthult een ander aspect van het onderwerp dat wordt bestudeerd.
Als een leer waar is, moet zij een verklaring bieden die voor elk van
die drie gezichtspunten bevredigend is.
Uit een religieus oogpunt moet de leer de morele intuïtie van
de mens, zijn aspiraties en verlangens naar een hoger en edeler leven
bevredigen; zij moet hem leren hoe hij zijn leven in harmonie met zijn
medemens kan inrichten. Maar religie alleen, zonder filosofie en wetenschap
kan tot dogmatisme en bijgeloof leiden.
Uit filosofisch oogpunt moet de leer de rede en logica van de mens
bevredigen. Maar filosofie zonder religie en wetenschap kan leiden tot
een koud en dor intellectualisme, dat veraf staat van menselijk begrip
en sympathie.
Uit wetenschappelijk oogpunt moet de leer overeenstemmen met bewezen
feiten en de wetten van de natuur, maar als niet eveneens de religieuze
aspiraties, de rede en logica van de mens worden bevredigd, is de presentatie
ervan onvolledig en kan leiden tot een onverantwoord materialisme.
‘Er is geen religie hoger dan de waarheid’ zegt de oude
wijsheid en voegt eraan toe dat ware religie, ware filosofie en ware
wetenschap niet met elkaar in strijd kunnen zijn. Een leer die niet
erin slaagt om alle drie methoden van onderzoek tevreden te stellen
is in de presentatie ervan òf onjuist òf onvolledig.
Wanneer we proberen vast te stellen waarom ethische leringen geen grotere
invloed hebben gehad op het gedrag van de mens, komen we tot de ontdekking
dat ze uitsluitend vanuit een religieus gezichtspunt zijn behandeld.
Wat hieraan ontbreekt is een filosofie die aantoont waarom
de mens ethiek in praktijk moet brengen en een wetenschap die bewijst
dat deze filosofie op feiten in de natuur berust.
De leringen van karma en reïncarnatie bieden de filosofische grondslag
waarop ethiek berust. Deze leringen berusten op hun beurt op de natuur,
want de wetenschap heeft bewezen dat de materiële kant van de natuur
wordt beheerst door wetten, en verstand en logica zeggen ons dat deze
wetten overal in het heelal moeten gelden.
Als we ethische leringen aan een onderzoek onderwerpen, zien we dat,
zelfs al verwijzen ze niet naar de wet van oorzaak en gevolg, zij toch
erop berusten. In de Bergrede zegt Jezus tegen de mensen ‘zoek
eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid’ en dan zal in
de behoeften van het lichaam worden voorzien. Wat is ‘het koninkrijk
Gods en zijn gerechtigheid’ anders dan onzelfzuchtigheid en grootmoedigheid
in praktijk brengen, kortom leven volgens de Gulden Regel? Zulke handelingen
moeten hun gevolgen hebben, want de natuur zal op onze handelingen op
overeenkomstige wijze reageren en de gevolgen keren onvermijdelijk naar
ons terug. Daarom zegt Jezus in feite: Geef, en het verkrijgen zal vanzelf
gaan, een uitspraak die op de wet van oorzaak en gevolg berust.
Er zijn veel oude aforismen of voorschriften die op het menselijk gedrag
betrekking hebben en door de ene generatie aan de andere generatie zijn
overgedragen, omdat de mensen intuïtief aanvoelen dat ze waar zijn.
Wanneer men ze analyseert blijkt dat ook zij op karma zijn gebaseerd.
‘Hoe meer men geeft, hoe meer men heeft, dat is de wet van liefde’,
is zo’n gezegde. Hoe meer we weggeven, hoe meer we op onzelfzuchtige
wijze en zonder hoop op beloning doen, des te meer goed karma hebben
we voor onszelf ‘opgeslagen’ dat in de toekomst kan worden
geoogst.
‘Eerlijk duurt het langst’ is er ook een. Zowel eerlijkheid
als oneerlijkheid brengen hun passende gevolgen in overeenstemming met
de wet van oorzaak en gevolg. De gevolgen zullen in het eerste geval
uiteraard gunstig zijn, terwijl de gevolgen van oneerlijkheid ongunstig
zullen zijn, vandaar dat eerlijkheid het duurzaamst is.
Een ander aforisme zegt ons: ‘Alleen de dingen die je hebt weggegeven
zijn je volle eigendom geworden.’ Wat we hebben weggegeven zonder
daarvoor iets te ontvangen zal karma na verloop van tijd ongetwijfeld
aan ons teruggeven.
De intuïtie van de mens zegt hem dat er waarheid schuilt in deze
oude spreuken, maar zijn redenerend verstand moet hiervan ook overtuigd
zijn, voordat hij ze in praktijk zal brengen.
Samenvatting:
De religie onderwijst ethiek.
De filosofie toont aan waarom de mens ethiek in praktijk moet brengen.
De wetenschap bewijst dat ethiek op de wetten van de natuur berust.
Deze drie verschaffen samen de kennis en het begrip die nodig zijn
om broederschap tot een werkelijkheid te maken.
Eenheid is de oorzaak –
broederschap het gevolg
Zoals eerder gezegd is de eenheid van alle leven de grondslag van broederschap.
Wanneer deze eenheid volledig wordt beseft, zal broederschap als vanzelf
daarop volgen. Deze zal verschijnen als de uiterlijke manifestatie van
een toestand die op de innerlijke, geestelijke gebieden van de natuur
reeds bestaat.
Juist dit onvermogen van de mens om deze eenheid te erkennen leidt
tot alle strijd en disharmonie in de wereld. In zijn innerlijke hogere
natuur voelt de mens een band van eenheid met zijn medemensen, en wanneer
hij door dit gevoel wordt geleid handelt hij in harmonie met hen. Een
grote natuurramp brengt deze betere kant van de mens naar buiten en
hij ziet direct zijn plicht om mensen in nood te helpen.
Maar hij is nog niet zover geëvolueerd, dat hij deze eenheid ook
herkent wanneer het lijden en de ontberingen een minder spectaculaire
vorm aannemen. Dan isoleert hij zichzelf door zich in de schulp van
zijn lagere zelf terug te trekken en neemt zijn toevlucht tot de afgescheidenheid
die daar heerst. Hij beseft niet dat de afgescheidenheid waarmee hij
zich probeert te beschermen een waanidee is dat wordt veroorzaakt doordat
zijn visie zich beperkt tot slechts het materiële gebied van de
natuur, maar hem niet op de hoogte stelt van de eenheid die op innerlijke
gebieden bestaat.
Indien hij de innerlijke visie had, zou hij inzien dat zijn isolement
even onwerkelijk is als die van een huurder in een groot flatgebouw
die troost put uit de gedachte dat een brand in de flat van iemand anders
geen bedreiging is voor zijn eigen veiligheid.
We wonen inderdaad in ‘het grote flatgebouw van de natuur’
en ‘een brand in een van de flats’ zal, indien niet tijdig
bedwongen, uiteindelijk iedereen treffen. Als naties beginnen we te
leren dat onze vrede, vrijheid en welvaart afhankelijk zijn van andere
volkeren die deze voorrechten ook genieten; dat een aanval op een van
onze zusternaties een aanval op allen is, dat ‘de brand in de
flat van onze buurman onze brand is’.
Naarmate de mens evolueert en zich meer ten volle bewust wordt van
de banden die hem met zijn medemensen verbinden, kan hij niet langer
onverschillige gevoelens tegenover hen koesteren. Zijn begrip voor hun
problemen en noden wordt dermate levendig, zo pijnlijk voelbaar, dat
het lijkt alsof het zijn eigen problemen en moeilijkheden zijn. Hij
zou geen rust hebben voordat hij al het mogelijke had gedaan om aan
hen die hulp behoeven verlichting te bieden.
Wanneer we dit punt hebben bereikt zal het ‘staatslichaam’
niet alleen maar beeldspraak zijn, het zal een levende werkelijkheid
worden. In zo’n maatschappij zullen achterbuurten en een gebrek
aan kansen voor de minder bevoorrechten en andere maatschappelijke onrechtvaardigheden
als ziekten van het staatslichaam worden beschouwd en al het mogelijke
zou worden gedaan om deze uit de weg te ruimen, zoals men een etterende
zweer zal proberen te reinigen en te helen, opdat hij niet de rest van
het lichaam ziek maakt.
De leden van een dergelijke maatschappij zouden niet met elkaar wedijveren
voor eigen voordeel, maar eerder samenwerken in een poging iets bij
te dragen aan het algemeen welzijn. In plaats van de wet van de jungle
‘ieder voor zich’ zou het motto luiden ‘iedereen helpt
degenen die minder ver zijn gevorderd dan hijzelf’ en er zou niemand
achteropraken in de opmars van de vooruitgang. Zelfs de geringste heeft
iets te geven, en de achterblijver van nu kan, na levens van inspanning,
de leider van de toekomst zijn en de hulp die hem destijds werd geboden
terugbetalen.
Er zal geen broederschap komen ten gevolge van een kunstmatige overeenkomst
die van buitenaf is opgelegd, maar zij zal tot stand komen wanneer de
mensen het één-zijn met hun medemensen beseffen. Zij zullen
dan handelen en leven als broeders, die ze in feite zijn. Wanneer dit
gebeurt zal het Koninkrijk der Hemelen niet langer een utopische droom
zijn maar een levende werkelijkheid ‘op aarde zoals ook in de
Hemelen’ of geestelijke gebieden.
Ideeën regeren de
wereld
Als de gedachte dat zelfzucht nuttig is tot gevolg heeft gehad dat
zelfzucht de overhand heeft, ligt het voor de hand dat het denkbeeld
dat zelfzucht nooit voordeel oplevert maar altijd nadelig moet zijn,
de uitschakeling van zelfzucht tot gevolg zal hebben. Dit resultaat
zal niet in een keer totstandkomen. De wet van karma, waarop dit idee
berust, zou eerst begrepen en geassimileerd moeten worden. Bij dit soort
zaken moeten we, om een theosofische leraar te citeren, eerder ‘in
eeuwen denken’ dan in jaren en decennia.
Laten we in gedachten honderd jaar vooruitkijken en laten we aannemen
dat in de loop van die jaren de leer van karma eerst door oprechte en
nadenkende mensen is begrepen en in zich opgenomen, en daarna geleidelijk
via hen aan anderen overgebracht totdat ze tenslotte alle lagen van
de maatschappij heeft doordrongen. Karma zal dan als een vanzelfsprekend
feit worden aanvaard, zoals wij nu de wet van de zwaartekracht aanvaarden
en het zal in onze kerken en scholen worden onderwezen.
De kinderen die in zo’n maatschappij opgroeien, zouden vanaf
hun prilste jeugd van hun ouders en al hun voorgangers het idee in zich
opnemen dat ze verantwoordelijk zijn voor al hun handelingen en dat
ze onvermijdelijk zullen lijden voor enig nadeel dat zij anderen misschien
bezorgen.
Kan er enige twijfel over bestaan dat deze ideeën een generatie
van mensen zal voortbrengen die hun zelfzuchtige neigingen grotendeels
onder controle hebben? Denk eens aan het voordeel ten aanzien van alleen
maar het negatieve aspect van karma, aan het beteugelende effect dat
dit zou hebben, en denk aan het leed en de ellende die de mensheid hierdoor
bespaard zou blijven!
Zodra zelfzucht wordt bedwongen, zullen de hogere vermogens in de menselijke
natuur worden bevrijd en beginnen ze zichzelf tot uitdrukking te brengen.
Voeg daarbij de stellige zekerheid die karma biedt, dat de goede daden
die we nu zaaien ook tot ons zullen terugkeren. Kan er enige twijfel
over bestaan dat het gevolg hiervan harmonie en welwillendheid onder
de mensen zal zijn – de eerste stap op weg naar broederschap?
Sleutels tot enkele raadsels
van het leven
Nu kunnen we terugkomen op de vragen die we in het begin van dit boek
hebben gesteld en die deel uitmaken van het ‘levensraadsel’,
om te zien hoe ze door de leringen van de oude wijsheid worden beantwoord.
Een samenvatting van deze antwoorden volgt hieronder.
Waarom is er zoveel
lijden in de wereld?
Dit is het gevolg van het verkeerde denken van de mens, zijn verkeerde
manier van leven en zijn verkeerde daden in het verleden. Het is de
reactie van de natuur op ons gebrek aan zelfbeheersing, onze zelfzucht
en het leed dat we anderen hebben aangedaan. Het wordt ons niet opgelegd
door een macht buiten onszelf of door toeval; wij brachten het over
onszelf.
Als we standvastig blijven in juist denken en juist handelen, zal aan
het lijden geleidelijk een einde komen.
Waarom is er zoveel
onrecht?
Er is geen onrecht. De omstandigheden waarin we ons bevinden, de ervaringen
die we opdoen, hebben we voor onszelf gemaakt. Alleen ons geloof in
de theorie van één leven op aarde weerhoudt ons ervan
de rechtvaardigheid in te zien van al wat ons overkomt.
Hebben we een vrije wil of
zijn we marionetten van het lot?
De mens heeft een vrije wil of de vrijheid om te kiezen. Zijn karakter
dat naar het schijnt zijn keus bepaalt, heeft hij voor zichzelf gevormd.
Door zijn karakter te veranderen kan hij zijn lotsbestemming veranderen.
Omdat zijn lot zijn eigen maaksel is, is hij niet voorbestemd door iets
buiten hemzelf.
Zijn we verantwoordelijk
voor onze daden – zullen we oogsten wat we zaaien?
De mens is zijn eigen baas met een besef van goed en kwaad. Hij kan
doen wat hij verkiest, maar hij kan niet ontsnappen aan de consequenties
van zijn daad. Hij zal oogsten wat hij heeft gezaaid, niet meer en niet
minder; niet beter en niet slechter.
Is er een leven na de
dood?
Dat is er. De dood is slechts een slaap – de werkelijke mens
blijft leven. Alles wat het beste en het meest geliefde was is eeuwig.
Leeftijd is slechts een conditie van het lichaam – de ziel wordt
nooit oud. Het leven van het ego zet zich voort en blijft na de dood
bestaan evenals dit vóór de geboorte bestond.
Geboorte en dood zijn poorten waar het ego doorheen gaat, wanneer het
van de ene bewustzijnstoestand naar een andere overgaat. Bij de dood
trekt het ego zich terug uit een actieve zelfbewuste toestand in een
passieve droomtoestand. Na een lange rustperiode keert het ego terug
naar de actieve zelfbewuste staat door de poort van de geboorte.
Reïncarnatie is de universele sleutel die de meeste kwellende
problemen van het leven oplost.
Wat is het doel van
het leven?
Evolutie, groei, ontplooiing van sluimerende vermogens. Een opstijgen
van onvolmaaktheid naar volmaaktheid, een geleidelijk ontwikkelen naar
de eenwording met de innerlijke god van de mens, met onbegrensde mogelijkheden
tot groei wanneer die eenwording is bereikt – het steeds dichter
benaderen van een steeds verhevener ideaal.
Het leven is een school waar het nooit te laat is om te leren. Wat
men in één leven meester is geworden, zal in de volgende
incarnatie veel gemakkelijker blijken te zijn.
Is dit een lukraak door
blinde krachten bestuurd heelal of ligt er een plan aan ten grondslag?
Het zichtbare heelal is een belichaming van een deel van universeel
bewustzijn dat zich op dit gebied uitdrukt door middel van een oneindige
verscheidenheid van levenseenheden of monaden in verschillende stadia
van ontwikkeling. Al deze monaden maken op het ogenblik vorderingen
met hun evolutie in de diverse natuurrijken. Zij gaan langzaam van lagere
naar hogere stadia van ontwikkeling: monaden die lager dan de mens staan
gaan opwaarts naar het menselijke stadium, terwijl de mens evolueert
naar het christus-stadium.
Volgens de oude wijsheid luidt dit plan:
Volmaking is het doel.
Evolutie is de methode.
Dualiteit voorziet in het werkgereedschap.
Karma is de leraar, en
Reïncarnatie verschaft de tijd.
De niet-zelfbewuste godsvonk of goddelijke straal die in het begin
een emanatie was van het universele leven, moet door alle levensvormen
heengaan, moet zelfbewustzijn in het mensenrijk verwerven, en vervolgens
omhoogklimmen langs de goddelijke straal totdat ze zich weer verenigt
met haar goddelijke bron, waar haar bewustzijn, dat nog steeds zijn
identiteit als zelfbewust wezen behoudt, universeel wordt.
Dit betekent het einde van onze huidige evolutieperiode, maar niet
het einde van de evolutie. De monaden die met succes dit evolutiestadium
hebben doorlopen beginnen dan aan een lange rustperiode, waarna ze aan
een nieuwe evolutieperiode op een nog hoger gebied beginnen en zo vervolgen
ze hun opgang naar steeds hogere bewustzijnstoestanden ad infinitum.
Een onderwerp dat zo veelomvattend is als wat in dit boek is besproken
kan niet op gepaste wijze in zo’n klein bestek worden behandeld.
Het wordt hier slechts als een schets aangeboden, in de hoop dat het
de lezer ertoe zal brengen een van de grote werken over theosofie te
bestuderen, zoals De
Geheime Leer van H.P. Blavatsky, De
Esoterische Traditie en Mens
en Evolutie van G. de Purucker en andere boeken van deze schrijvers.
Zij bevatten de informatie die een mens nodig heeft om het leven en
de rol die hij daarin moet vervullen te begrijpen.
De volgende citaten zijn van de hand van H.P. Blavatsky, de stichtster
van de moderne theosofische beweging.
De hoofdzaak is dat de zeer vruchtbare bron van alle
misdadige en onethische handelingen moet worden uitgeroeid, namelijk
het geloof dat het voor de mens mogelijk is de gevolgen van zijn eigen
daden te ontlopen. Wanneer hem eenmaal de voornaamste wetten van alle,
karma en reïncarnatie, zijn geleerd en hij
bovendien de waardigheid van de menselijke natuur in zich voelt, zal
hij zich van het kwaad afkeren en het schuwen als een lichamelijk
gevaar.
– De Sleutel tot de Theosofie,
blz. 230
De gouden eeuw van broederschap
Als de theosofie bij haar zege in de strijd, waarbij
haar allesomvattende filosofie diep wortel heeft geschoten in het
denken en het hart van de mensen, en als haar leringen van reïncarnatie
en karma (met andere woorden van hoop en verantwoordelijkheid) onderdak
hebben gevonden in het leven van de nieuwe generaties, dan zal inderdaad
voor allen die nu lijden en verstoten zijn de dag van vreugde en blijheid
zijn aangebroken. Want echte theosofie is altruïsme
en we kunnen dit niet vaak genoeg herhalen. Ze is broederlijke liefde,
wederzijdse steun, onwankelbare toewijding aan de waarheid. Als de
mensen eenmaal beseffen dat alleen hierin het ware geluk kan worden
gevonden, en nooit in rijkdom, bezittingen of in enige zelfzuchtige
bevrediging, dan zullen de donkere wolken wegdrijven en zal er op
aarde een nieuwe mensheid worden geboren. Dan zal de Gouden Eeuw inderdaad
zijn aangebroken.
– H.P. Blavatsky Collected Writings,
11:202