Ouderdom, ziekte en dood
Hoe mooi is de wereld om ons heen! Het opkomen van
de zon boven de bergen in het oosten behoort tot de allermooiste dingen
die ik ken.
Het is zo mooi omdat het in ons een gevoel oproept
van een harmonie die verwant is aan de natuurlijke schoonheid die de
oostelijke hemel kleurt. Alle schoonheid zetelt dus in het bewustzijn
van de waarnemer, waarin alle door ons waargenomen dingen in een zeer
werkelijke zin aanwezig zijn.
U kunt geen schoonheid buiten u zien als er geen
schoonheid in u is. U kunt schoonheid niet begrijpen tenzij uzelf innerlijk
iets moois bezit. U kunt harmonie niet begrijpen tenzij u in uw innerlijke
zelf harmonie bent. Alle dingen van waarde zijn in uzelf en de buitenwereld
biedt u alleen de prikkel, de aansporing om van uw innerlijke begripsvermogen
gebruik te maken.
Er is schoonheid in begrijpen, en begrip komt alleen
voort uit een begrijpend hart, hoe paradoxaal dit op het eerste gehoor
ook mag klinken. Het is het begrijpende hart dat visie heeft.
De ziener oefent zich om het ziende oog te openen
en de natuur spreekt tot hem in klanken die elk jaar betoverender en
wonderlijker worden, omdat hij innerlijk groeit. Zijn begrip verruimt
en verdiept zich. Het gefluister van de bomen, het ruisen en ritselen
van de bladeren, de trage golfslag op het kiezelstrand, het sjirpen
van de krekel, het koeren van de duif, het geluid van een menselijke
stem – hoe schel die vaak ook is – houden een wonder voor
hem in. Hij beseft zijn verwantschap met al wat is, en ziet in dat hij
slechts één element is in een prachtig mozaiek van leven,
waarmee hij onafscheidelijk is verbonden, en dat het steeds mooier en
verhevener wordt naarmate zijn visie groeit; hij kent het verheven visioen
en streeft ernaar het steeds duidelijker te zien.
Als u het ziende oog bezat, zou u kunnen leren van
al wat bestaat, van elke boom, elke bloem, elk atoom van het zand dat
onder uw voeten knarst. Heeft u nooit in het hart van een bloem gekeken?
Heeft u zich nooit verdiept in de schoonheid, de symmetrie, de pracht
om u heen? Heeft u nooit naar een zonsopkomst of zonsondergang gekeken
en u verwonderd over het kleurenspel aan de oostelijke of westelijke
horizon? Heeft u nooit diep in de ogen van een medemens gekeken, met
het ziende oog naar uw naaste gekeken? Heeft u daar nooit wonderen ontdekt?
Wat is de wereld prachtig die ons omringt! Maar ondanks alle schoonheid
om ons heen doet ons hart toch pijn en worden we overweldigd door de
gedachte aan de ellende van de mensheid, veroorzaakt door de drie beangstigende
problemen – ouderdom, ziekte en dood.
Leer het denken te beheersen. De mens is
een kind van de goden en zijn denken zou goddelijk moeten zijn, zijn
gedachten omhooggericht, zijn hart voortdurend bereid tot meer en meer
liefde; en daarom moet zijn instelling eveneens goddelijk zijn.
Zoek de stille plaatsen van uw hart op; betreed
de zo rustige en stille kamers van uw innerlijke wezen. Algauw zult
u leren op de deur van uw eigen hart te kloppen. Al doende leert men.
Intuïtie zal uw deel worden. U zult onmiddellijk kennis opdoen;
u zult de waarheid ogenblikkelijk kennen. Dat is de weg; zo is de leer.
Op deze stille plaatsen ontvangt u licht, krijgt
u visioenen van de waarheid, omdat uw geest – de kern, het hart
van uw wezen – de kern van het zijn is ingegaan waaruit hij afkomstig
is, waarvan hij nooit is gescheiden, waaruit hij oorspronkelijk voortkwam
en waarmee u onafgebroken in rechtstreekse verbinding staat.
Besef deze wonderschone waarheid; neem haar ter
harte. Want er zijn onuitputtelijke bronnen van wijsheid, van kennis
en van liefde – ja, en van macht – in de eerste plaats macht
over uzelf, wat macht betekent over de natuur waarin we leven, ons bewegen
en ons bestaan hebben. Want de kern van uw wezen is de innerlijke god
in u, de goddelijke geest, de christos-geest, de buddhische luister.
Het zijn deze rustige plaatsen van de ziel, deze
diepe stilten van het hart – dat wil zeggen het binnenste van
het binnenste van de mens – die de Groten opzoeken wanneer ze
meer licht en grotere kennis willen verwer-ven; want dan dringen ze
door tot de structuur en het weefsel van het heelal en kennen daarom
de waarheid uit de eerste hand, om- dat ze in hun eigen denken en intelligentie
– in het vertolkende orgaan dat we het denkvermogen noemen –
één worden met dat heelal en synchroon en in harmonie
meetrillen met de vibraties op alle gebieden van de Eeuwige Moeder.
Daar worden ze één met het Al en kennen daarom intuïtief
de waarheid.
De ouderdom hoeft u niet te verontrusten. Als hij
komt, het lichaam zwakker wordt en de fysieke sluiers dunner worden,
zal iemand die op de juiste wijze heeft geleefd, die een zuiver leven
heeft geleid en hoogstaande gedachten heeft gekoesterd, zien en al ziende
weten. Zijn visie dringt door tot achter de sluiers van de stof, want
langzaamaan raakt hij bekend met de mysteries achter de sluier die de
mensen de dood noemen.
Gedurende zekere tijd en afhankelijk van de lengte
van de periode die aan de dood voorafgaat, trekt de ziel zich uit het
oud geworden lichaam terug. Dit verklaart de toename van de zogenaamde
symptomen en lichamelijke verschijnselen van het ouder worden, van de
ouderdom. Maar dit zich terugtrekken van de ziel verloopt in normale
gevallen vredig en rustig en is de door de natuur gevolgde weg om de
dood als een stille zegen van vrede en harmonie te laten komen.
Dood is geboorte, geboorte; en in plaats
van de pijnlijke scheiding bij de dood van jongeren, komt de dood voor
de ouderen onder ons vredig en rustig; als een barmhartige engel treedt
ze stilletjes hun wezen binnen en maakt de banden los die de ziel aan
haar voertuig van vlees binden; en het heengaan is even rustig en zacht
als de komst van de schemering vóór de nacht; het is een
weldadige slaap.
Ieder mens kan een moeilijke ouderdom voorkomen,
of tenminste de lasten ervan aanmerkelijk verlichten; dat kunt u bereiken
door een goed leven te leiden, door in uw hogere zelf te leven in plaats
van de behoeften en begeerten van uw lichaam te idealiseren. De ouderdom
komt dan ongemerkt, brengt zegeningen met zich en een toename van alle
hogere vermogens en krachten, zodat de naderende ouderdom is vervuld
van harmonieën uit een andere wereld en van schoonheid door visioenen
van waarheid en heerlijkheid.
Ouderdom is een zegen als het voorafgaande leven
goed is geweest. Hij brengt dingen met zich die anders onbereikbaar
zijn, zoals een uitbreiding van bewustzijn waarvan de jeugd geen vermoeden
heeft. Hij brengt een groter verstandelijk vermogen met zich, dat door
zijn diepgang niet wordt begrepen door de onvolwassene, de jongere,
de man van middelbare leeftijd, die het daarom toeschrijft aan vage
generalisaties van grootvader. In zulke omstandigheden staat grootvader
dichter bij de waarheid en ziet hij meer dan het nog ongeopende oog
van de jeugd. Een mooie ouderdom schenkt verruiming van ziel, niet alleen
van het verstand, maar van het geestelijke bewustzijn en de daarbijbehorende
visie.
Soms echter, wanneer grofstoffelijke begeerten het
leven hebben beheerst, wanneer de banden die de ziel met het lichaam
verenigen als het ware aan het fysieke voertuig zijn geklonken door
het toegeven aan grove aandriften, dan is de dood zelfs op de oude dag
pijnlijk; want de ziel heeft zich niet op een natuurlijke manier teruggetrokken,
of tenminste niet in belangrijke mate, en ook is de bereikte leeftijd
niet zo hoog wanneer de dood tenslotte komt.
De ouderdom is niet iets om bang voor te zijn. Het
is een zegen. Het is de schoonheid, gezien als door een sluier, van
het leven daarachter, het hogere leven, het leven waarin het hogere
incarnerende ego leeft, in letterlijke zin. Een afspiegeling –
zoals komende gebeurtenissen hun schaduwen vooruitwerpen, een afspiegeling
van de komende luister – zó is een mooie ouderdom.
Ziekte, het tweede onheil dat de mensheid kwelt,
is een zuiveringsproces, een proces van reiniging; en voor de mens in
het huidige onvolmaakte ontwikkelingsstadium in heel veel gevallen een
door de hemel gezonden zegen. Ze geneest ons van egoïsme. Ze leert
ons geduld. Ze brengt ons ertoe stil te staan bij de schoonheid van
het leven, bij de noodzaak op de juiste manier te leven. Ze maakt ons
vriendelijk en meevoelend.
Ga eens na hoe de gemiddelde mens in zijn huidige
onvolmaakte evolutiestadium ervoor staat, met zijn hartstochten, onbeheerste
emoties en een sterke begeerte naar sensatie, steeds meer sensatie.
Probeer u eens voor te stellen dat de mensen zoals ze nu zijn een lichaam
hadden dat niet ziek kon worden, maar wel kon verzwakken en sterven
door buitensporig gedrag. Ziet u niet in dat de dingen zoals ze zijn
een heel goede kant hebben? Ziekten zijn voor ons eigenlijk een waarschuwing
om onze slechte gedachten om te zetten in betere en in overeenstemming
met de natuurwetten te leven.
Bedenk wel dat ziekten niet door een buiten ons
staande en tirannieke natuur over ons worden gebracht; ziekten zijn
in alle gevallen het gevolg of het uitvloeisel van ons eigen verkeerde
handelen: mentaal en lichamelijk wangedrag, in dit of in een vorig leven.
Ziekten en de pijn en het lijden waarmee ze gepaard gaan zijn onze beste
vrienden en vermaners. Ze verzachten ons hart, verruimen ons denken,
geven ons de gelegenheid de wil te oefenen en een terrein waar we onze
morele instincten kunnen trainen. Ze vervullen ons ook van medelijden
en medeleven met anderen.
Het is waar dat ieder van ons zelf verantwoordelijk
is voor zijn ziekten en tegenslagen; alle tegenslagen in het leven hebben
we onszelf toebedeeld. We hebben ze verdiend omdat we de ouders ervan
zijn. Ze komen over ons, we worden erdoor getroffen; we ontvangen alleen
maar de reacties, de gevolgen van zaden van denken en handelen die we
in het verleden hebben gezaaid – een schitterende leer, karma!
Maar ‘goed’ en ‘kwaad’ zijn
betrekkelijk. We noemen dingen goed wanneer ze ons aangenaam zijn, en
als ze ons niet aanstaan zeggen we dat ze slecht zijn. En toch is in
sommige gevallen gebleken dat juist dat wat u eens niet aanstond, uitstekend
voor u was, u kansen bracht, u geluk bracht, op zijn minst uw karakterkracht
versterkte, wat meer waard is dan alle aardse schatten. Ze gaven u inzicht,
maakten uw innerlijke krachten vrij, stelden u in staat te denken; kortom,
ze maakten een mens van u.
Er overkomt ons niets dat wij niet zelf vroeger
hebben veroorzaakt. We hebben de zaden gezaaid. Nu hebben de zaden in
ons zich ontwikkeld en zeggen we: ik kan niet begrijpen hoe zoiets mij
kon overkomen. Maar het is gebeurd, en als u het goed opneemt en het
op de juiste wijze onder ogen ziet, als u goed reageert en het ziet
als iets wat u zelf heeft gekozen, wordt u een medewerker van het lot;
u wordt gelukkig en groeit. Kracht wordt uw deel. In uw hart groeit
wijsheid.
Neem als voorbeeld een buitengewoon goed en edel
mens. Laten we zeggen dat hij plotseling wordt getroffen door een ernstige
en afschuwelijke ziekte, om een duidelijk en markant geval te nemen.
Voorzover hij weet is er in zijn huidige leven niets dat dit heeft veroorzaakt.
Plotseling en op onverklaarbare wijze wordt hij getroffen, zodat hij
een poosje een hekel aan zichzelf heeft; zijn gefolterde ziel keert
zich tot de goden die niet luisteren en hij zegt: ‘Wat heb ik
gedaan dat mij dit overkomt?’ Moeten we zeggen dat hij een slecht
mens is? Nee, hij is een goed mens, maar in dit geval waren er zaden
uit het verleden, zaden van gedachten, van emoties, van zwakheden uit
vroegere levens die nog niet waren uitgewerkt, nog geen vrucht hadden
gedragen, maar dat nu wel doen. Ze komen nu tevoorschijn. Misschien
wilden ze in een vorig leven al tevoorschijn komen, maar was de man
laf en drong hij ze op een of andere manier met zijn gedachten terug,
waardoor hij de marteling tot een later moment uitstelde.
De les hieruit is dus: als u door het ongeluk wordt
getroffen, als uw hart wordt gekweld door verdriet en het lijkt of de
hele wereld zich tegen u keert, wees dan flink. Zie het onder ogen en
reken ermee af, zodat u geen zaden van onuitgewerkt karma laat liggen
die in de toekomst, als uw karakter sterker en beter is geworden, zullen
opschieten en u veel ongelukkiger maken dan nu het geval zou zijn.
Er zijn grote en edele mensen geweest, discipelen
op het pad, ja zelfs gevorderde, die zulke dingen zijn overkomen. Oude
karmische zaden van het lot die zijn blijven liggen, die werden teruggedrongen,
die men wilde wegwerken – komen nu tevoorschijn en richten een
edel leven ogenschijnlijk te gronde.
Wanneer u dus in uw leven door leed, door verdriet
wordt getroffen, wanneer u door pijn wordt gekweld, denk dan daarover
na, want ze maken u wakker. Genoegens wiegen u in slaap; zogenaamde
vreugden doen u inslapen. Leed, verdriet, veranderingen die u niet aanstaan
– die drie dingen zijn het die u wakker roepen. Erken de waarheid
hiervan! Ze zal u kracht geven; ze zal u vrede brengen; ze zal u in
staat stellen de problemen van het leven het hoofd te bieden met een
verlicht hart; ze zal u hulp en troost schenken.
Bedenk wel dat het alleen het eindige is dat lijdt;
het is ook het eindige dat liefheeft. Het eindige doet dit omdat het
leert. Het is bezig te leren, te groeien; hoe klein het ook is of hoe
groot – insect en god, supergod en atoom van de aarde –
alles leert en groeit en gaat daarom door stadia van geluk en vreugde,
en van lijden en pijn.
Alles wat is, is voor ogen die zien en
een hart dat begrijpt een gelegenheid om te leren en dus om te groeien;
en wanneer u beseft dat lijden en pijn twee middelen zijn waardoor we
groeien, komt er vrede in het hart en komt het denken tot rust.
Wat maakt de majestueuze eik tot wat hij is? Is
het het zachte briesje en de zacht neerdruppelende regen? Als dat zo
was zou de eik zwak zijn en als een wilg buigen voor de wind. Nee, het
zijn de stormen en windvlagen waaraan de eik is blootgesteld en waaraan
hij krachtig weerstand biedt; strijdend tegen stormen en windvlagen
wordt hij sterk.
Mensen leren veel vlugger dan de zogenaamde gevoelloze
planten. Niets leert zo snel en gemakkelijk als het menselijk hart.
Schrik daarom niet terug voor lijden en pijn, want dat zijn betere leermeesters
dan geluk en zelfvoldaanheid. Dit laatste is bijna geestelijke zelfmoord
– door zo voldaan en ingenomen te zijn met uzelf en met wat u
bent, valt u in slaap. Maar de natuur zal dat niet altijd dulden. Tenslotte
komt er een karmische prikkel, een karmische aansporing en dan lijdt
u een beetje; maar daardoor wordt u wakker en begint u te groeien. Zegen
die karmische prikkel; wees daarvoor niet bang. Richt uw blik op het
essentieel goddelijke in u. Bedenk dat alles wat gebeurt voorbijgaat
en dat u van alles kunt leren, en door te leren zult groeien –
groter worden en van groter overgaan in nog ruimere sferen van grootsheid.
Het komt allemaal neer op een strijd tussen het
zelf en het zelf: niet zozeer een gevecht tegen elkaar, maar niettemin
een voortdurend standhouden tegen alle verwachtingen in, en in zekere
zin is dat een geestelijke oefening. Oefening maakt ons sterk, maakt
ons lenig en krachtig, geschikt om nog grotere beproevingen en moeilijkheden
moedig tegemoet te treden. De grootste vriend die we hebben, het beste
middel dat ons loutert, is verdriet of pijn, want het hart en het denken
moeten door pijn worden gelouterd, zoals goud wordt gezuiverd in het
vuur.
Gewoonlijk houden wij mensen daar niet van. In dat
opzicht zijn we net kleine kinderen; niettemin is het een feit en als
we ons ervoor openstellen, ontdekken we algauw dat de werkelijke mens
de beproevingen en moeilijkheden van het leven blijmoedig onder ogen
ziet en te boven komt.
Een prachtige regel die ons steun geeft, luidt:
wat ook tot u komt, treed dat moedig tegemoet. Beschouw het als precies
wat uzelf heeft gewild – dat zal u vrede geven. Het zal voorbijgaan,
het zal vanzelf uitwerken. Een goede en praktische regel van de ethiek
is: klaag niet, wend uw gezicht naar het mystieke oosten van de toekomst,
wees moedig van hart en bedenk dat u afstamt van en verwant bent aan
de onsterfelijke goden die het heelal besturen en leiden.
Er zijn in het leven inderdaad perioden waarin het
hogere zelf ons op paden van beproeving leidt, zodat we kunnen groeien
door de beproevingen met succes te doorstaan. Maar het hogere zelf is
altijd bij ons, het spoort ons voortdurend aan door wenken en ingevingen
om moedig te zijn, het leven dapper onder ogen te zien, waarheidlievend
te zijn, rein te zijn, sterk te zijn, oprecht te zijn, rechtschapen
te zijn, en nog veel meer van die dingen; en dat zijn precies die eigenschappen
in de menselijke natuur die, als we steeds eraan gehoor geven, ons tegen
rampen beschermen. Het enige echte onheil dat de geest-ziel van de mens
kent is zwakheid, mislukking, ontmoediging. Fysieke rampen en andere
dingen in het stoffelijk leven zijn vaak verhulde zegeningen; het hogere
zelf leert ons hoe we die met de juiste instelling het hoofd kunnen
bieden en hoe we het best als overwinnaar daaruit tevoorschijn kunnen
komen.
Het is de innerlijke vreugde die ons naar de overwinning
voert, het besef dat we niets kunnen bereiken vóór we
het willen; en dit zou niet zo zijn als het hart van het heelal
geen harmonie en liefde was; want het hart van de dingen is hemelse
vrede en liefde en schoonheid.
Vergeet daarom deze waarheden niet als pijn en lijden
u treffen. Houd stand! Wees flink! Trotseer de storm en voor u het weet
ziet u de blauwe hemel boven u en zult u succes en voorspoed kennen,
omdat u moedig heeft gehandeld. U heeft de proef doorstaan en die heeft
u sterker gemaakt.
Alle lichamelijke kwalen hebben uiteindelijk hun
oorsprong in een verkeerde kijk op het leven, in een verkeerd gerichte
individuele wil. Alle ziekten zoals ze in oorsprong bestaan, niet als
ze eenmaal in het fysieke lichaam voorkomen en lijden en pijn veroorzaken,
hebben uiteindelijk hun begin in het denken – in dit of een ander
leven. Het ontbreken van een sterke wil, en het toegeven aan slechte
gewoonten die gedachtezaden kweken en gedachtebezinksels in het denken
achterlaten, verzwakken het karakter. Een slechte of verkeerde gedachte
openbaart zich in een lichaam en richt dat tenslotte door verkeerde
gewoonten te gronde. En kritiek, pessimisme, de gewoonte om te klagen
en te vitten, zijn in werkelijkheid ziekten van de geest.
Iedere wijze en ziener heeft ons hetzelfde geleerd:
reinig de tempel van de heilige geest, drijf de demonen van de lagere
natuur uit. Wat zijn die demonen? Onze eigen gedachten.
Disharmonische gedachten vergiftigen niet alleen
de lucht, maar ze vergiftigen ook uw bloed, uw lichaam, en ziekte is
daarvan het gevolg. Wat zijn disharmonische gedachten? Dat zijn zelfzuchtige
gedachten, slechte gedachten, lage gedachten, storende gedachten; ze
ontstaan in een hart waar liefde ontbreekt. Volmaakte liefde in het
menselijk hart leidt tot de vorming van een sterk lichaam dat fysiologisch
zuiver functioneert, omdat uw innerlijk in psychisch en moreel opzicht
zuiver is en harmonieus werkt, want in dat geval functioneren het denken,
de ziel, de geest – de ware mens – harmonisch. Het lichaam
weerspiegelt slechts wat u bent.
U bepaalt nu voor een groot deel wat u over tien
jaar zult zijn. Misschien heeft u dan een ziekte overwonnen waaraan
u nu lijdt. Misschien heeft u dan een ziekte die u nu niet heeft. In
beide gevallen bent u zelf verantwoordelijk. Het beste middel om ziekte
te voorkomen is een altruïstische ziel die werkt door een onbaatzuchtig
gemoed – een onzelfzuchtig hart. Er is niets dat de mens zo vlug
ziek maakt als zelfzucht met de daarbij behorende verleidingen en het
bezwijken voor die verleidingen. Wees volkomen onzelfzuchtig en de schatten
van de wereld vallen u ten deel: een goede gezondheid, een ruime visie,
materiële rijkdom, een overvloed aan kracht en liefde, een schat
aan vermogens, aan alles.
Als uw gedachten als onhandelbare paarden door uw
brein jagen, vecht en verspil uw kracht dan niet. Stel u dingen voor
die tegengesteld zijn aan wat u verafschuwt. Stel u dingen voor die
u innerlijk liefheeft, werkelijk liefheeft in uw hart, en waarvan u
weet dat ze helpen. Vorm u innerlijk een beeld; innerlijke visualisatie
is het geheim.
Als u zich neerslachtig voelt, als u zich schaamt
voor gedachten die in u opkomen, worstel dan niet ermee, bestrijd ze
niet, vergeet ze. Het zijn slechts schimmen die uit uw eigen verleden
opdoemen. Wend uw hoofd naar het oosten en kijk naar de opkomende zon.
Stel u visioenen van schoonheid voor. Zie naar de bergtoppen van uw
natuur waar de rooskleurige aurora van de innerlijke dageraad het weefsel
van haar magische pracht voor uw ogen uitspreidt.
Daarin ligt het geheim van de overwinning. Dit is
de beste weg, de gemakkelijkste weg, en u kunt die volgen omdat u met
uw verbeeldingskracht en uw wil de schepper bent van uw eigen lot. Door
dat te doen wordt het scheppend vermogen in u actief. Dit is zo’n
eenvoudige regel en toch is het de boodschap van de wijzen van alle
tijden.
Vergeet de kwalijke gedachten en geef ze geen kunstmatig
leven door ze eerst te visualiseren en dan te bestrijden. Verspil uw
krachten niet door te vechten tegen de schimmen, de spoken en geesten
van uw verbeelding. Het zijn slechts illusies van uw eigen verbeelding
en ze hebben geen werkelijk bestaan buiten uzelf. Toch kunnen die spoken
en geesten u soms overmannen en een tijdelijke werkelijkheid worden,
omdat u er in uw denken vorm en kracht aan heeft gegeven. U maakt deze
dingen concreet in gedachten, en gedachten zullen uw lichaam beheersen.
Roep het tegengestelde op. Vorm u beelden van schoonheid
en kracht. Als u door lelijke dingen in beslag wordt genomen, stel u
dan een beeld van schoonheid voor. Dat is veel boeiender. Het is een
uitstekende tijdsbesteding en het werkt altijd. Vorm u een beeld van
dingen die hoog en edel van aard zijn en visualiseer ze met kracht.
Stel u voor dat u succes heeft in goede dingen. Vorm beelden van schoonheid,
van innerlijke grootsheid.
Verheven en edele gedachten kunnen de ziel verheffen.
Zelfs als we aan het werk zijn en onze handen druk bezig, kunnen onze
gedachten de weg volgen naar de goden in de ruimte van wie we afstammen,
en kunnen we de inspiratie voelen van een goddelijk voorgeslacht, die
als het ware door de aderen van de ziel stroomt. Dat maakt ons werkelijk
tot mens.
Breng uw gedachten tot rust; dat betekent niet dat
u moet ophouden met denken, maar dat u uw gedachten beheerst, meester
erover bent. Wees niet de slaaf van gedachten die als mentale zwervers
uw denken doorkruisen. Schep gedachten en geef leiding aan deze kinderen
van u, en als ze ondeugend worden, houd ze dan in toom, leg ze het zwijgen
op.
Wees een denker, niet zozeer van gedachten dan wel
van gedachte. Met andere woorden, laat de rusteloze activiteit van uw
brein voor wat ze is en betreed de binnenkamer van uw hart, de verborgen
hoeken van uw bewustzijn, het innerlijke heiligdom, en zie het licht.
Laat het licht toe. Breng uw gedachten tot rust en treed het bewustzijn
binnen.
Ga eens na hoe u denkt, en zie hoeveel tijd u verspilt
aan allerlei gedachten die in u opkomen, meestal nutteloze gedachten,
terwijl u verzuimt te drinken uit die heilige bronnen van kennis en
wijsheid en bewustzijn die u in u heeft, de bronnen van inspiratie en
genialiteit – te drinken uit die levenwekkende bronnen, uit de
bronnen der muzen, waaraan alles ontspringt wat het leven de moeite
waard maakt.
Er is een manier om vast te stellen of iets dat
in het denken opkomt, uit het hogere zelf of alleen uit een begeerte
voortkomt, of door een begeerte is gekleurd. Dit is het criterium, een
gemakkelijk criterium. Het hogere zelf is onpersoonlijk; het is onzelfzuchtig;
het is vriendelijk; het wordt gekenmerkt door liefde, medelijden en
mededogen; het kent verheven inspiraties. De lagere natuur is zelfzuchtig,
inhalig, op eigen voordeel uit, vaak haatdragend, onverzoenlijk, heftig.
Het hogere zelf is een geestelijke entiteit en zweeft
als het ware boven het slijk van het lagere zelf, zoals de zon op de
aarde schijnt. Het hogere zelf heeft een enorme invloed op het lagere
zelf; maar het lagere zelf heeft totaal geen invloed, zelfs niet indirect,
op het hogere zelf. Het lagere zelf heeft echter een geweldige invloed
op het menselijke zelf, de tussennatuur.
Als dat wat in uw denken opkomt, of door uw eigen
wilskracht en aspiratie wordt opgeroepen, iets is dat u aanspoort uw
medemensen goed te doen, dat u innerlijke vrede en steun geeft, u vriendelijker
maakt en meer om anderen doet geven, dan komt het uit het hogere deel.
Die hogere drang kan een begeerte zijn, maar niet een begeerte van de
persoonlijkheid; het is een begeerte van de geest, een verlangen te
groeien, meer te zijn, anderen te helpen, lief te hebben, onrecht dat
u is aangedaan te vergeten, en te vergeven.
Een vriendelijke gedachte naar een ander uitgezonden,
is een bescherming voor die ander en het is goed dat te doen. Het is
menselijk, diep menselijk, iets dat elk normaal mens graag doet. Er
zijn weinig dingen die het hart en het denken zo bevredigen als het
gevoel dat we tenminste vandaag in onze gevoelens of gedachten tegenover
anderen niet onvriendelijk zijn geweest, maar behulpzaam, vriendelijk,
zorgzaam en onpersoonlijk.
Het zaaien van gedachtezaden is niet van verantwoordelijkheid
ontbloot. Ieder die gedachtezaden zaait in het denken van zijn medemensen,
wordt door de natuurwet strikt verantwoordelijk gehouden. De natuur
is niet anarchistisch; ze wordt overal door oorzaak en gevolg beheerst
– door karma.
Dit legt weliswaar een zware verantwoordelijkheid
op ieder die anderen onderwijst en zo in hun geest zaden van gedachten
en gevoelens zaait, maar wat is aan de andere kant de beloning voor
een edel werk dat goed wordt gedaan? De beloning, de vergoeding is schitterend.
Waak over uw gedachten en waak even zorgvuldig over
wat u zegt. Spreek weinig, maar als u spreekt, spreek dan in het volle
besef van uw verantwoordelijkheid.
Wat is een gedachte? Een gedachte is een wezen:
het is een levende entiteit. De hele geopenbaarde natuur, in haar volle
omvang en verscheidenheid, berust in haar differentiaties op het ene
feit dat zich in het hart van elk van die entiteiten een goddelijke
gedachte bevindt, een zaad van het goddelijke. En dat zaad is door de
eonen heen bestemd te groeien, totdat het inherente leven, de individualiteit,
de kracht en het vermogen die in dat zaad besloten liggen, zich op min
of meer volmaakte wijze manifesteren. Op die manier wordt zo’n
god-zaad of monade op zijn beurt een goddelijk wezen, een zelfbewuste
god, een kind van het kosmisch goddelijke, zijn ouder.
Gedachten zijn wezens omdat gedachten substantieel
zijn. Gedachten zijn substantiële entiteiten – niet gevormd
uit de substantie van onze fysieke wereld, maar uit etherische substantie.
De mens is een brandpunt van scheppende krachten;
hij is een brandpunt van energieën en er gaan voortdurend ontelbare
stromen en rivieren van kleine levens van hem uit. Deze atomaire wezens,
deze levensatomen, verlaten hem door middel van zijn fysieke emanaties.
Ze verlaten hem ook via zijn denken en dan zijn het gedachten die op
die manier in de gedachteatmosfeer van de wereld worden gebracht. Bovendien
is elke gedachte een wezen, omdat ze natuurlijk geen fractie van een
seconde zou kunnen blijven bestaan als er niet een individualiteit in
aanwezig was, die haar essentie is en haar als entiteit in geïndividualiseerde
vorm instandhoudt.
Deze emanatiestromen uit het scheppende centrum
dat de mens is – uit dit brandpunt van leven dat de mens is –
gaan de onzichtbare gebieden binnen als gedachten, en de fysieke, zichtbare
gebieden als zijn fysieke emanaties. De onzichtbare – de gedachten
die goed, slecht, neutraal, sterk gekleurd, bijna kleurloos, zeer emotioneel,
koel, warm, zuiver, lieflijk of afschuwelijk zijn, allerlei soorten
energieën – verlaten het brandpunt van leven dat de mens
is; en deze levensatomen die de mens verlaten beginnen zich daarna zelfstandig
te ontwikkelen en worden na verloop van tijd, al evoluerende, de tussennatuur
van de dieren.
Op deze wijze bouwen de emanaties van de mens de
dierenwereld op; de dieren voeden zich met die vele soorten levensatomen,
fysieke, vitale, astrale, mentale en wat al niet. Zoals de mens stromen
levensatomen emaneert, zo straalt de zon zijn levensessentie de ruimte
in, en schenkt daardoor leven en energie en etherische substantie aan
alles wat door zijn kracht schenkende stralen wordt aangeraakt, en ook
aan zijn eigen atomen, zijn elektronen en wat er meer tot de fysieke
sfeer behoort.
Zo zendt de mens dus onafgebroken zijn levenskrachten
uit. Deze van hem uitgaande levensstromen schenken leven, een drang
tot evolutie, en kenmerkende eigenschappen aan de wezens van de rijken
onder de mens, omdat die rijken lager dan de mens de geëvolueerde
voortbrengselen zijn van de gedachten en levensemanaties van de mensheid.
De gedachten van haat en vijandschap van de mens,
zijn vaak brute hartstochten en de verschillende krachten van laag gehalte
die van hem uitgaan, zijn de oorsprong van de wezens en entiteiten in
de submenselijke rijken, die door de mens als vijandig en schadelijk
voor zijn eigen rijk worden beschouwd. Anderzijds gaan er van de mens
vitale en mentale emanaties van andere aard uit, die een verheffend,
harmonisch, vriendelijk, beminnelijk, evenwichtig karakter hebben; deze
verschaffen op overeenkomstige wijze de tussen- of psychische beginselen
van niet-giftige, onschadelijke en welgevormde dieren en ook van de
grote reeks mooie en nuttige planten en bloemen in het plantenrijk.
Omdat de natuur één groot organisme
is, is alles met al het andere verbonden. Daarom kunt u niet ademen,
niet denken, zonder energieën, krachten in beweging te zetten die
tenslotte de uiterste grenzen van ons eigen heelal zullen bereiken en
daarvoorbij zullen gaan naar de grenzen van andere heelallen.
Zelfs een gedachte aan een ster zal eens die ster
bereiken, met uiterst gering effect weliswaar, maar niettemin is dit
feit een voorbeeld van een verheven waarheid. Het is ook een waarheid
die tot nadenken stemt.
Ja, onze gedachten beroeren zelfs de sterren. En
zij van wie het innerlijke oog meer is geopend en die inzien dat de
schitterende, lichtende hemellichamen die verspreid staan in het blauwe
uitspansel van de nacht slechts het fysieke kleed zijn van een innerlijke
en stralende vlam van bewustzijn, die zich manifesteert als de luister
van deze kosmische zonnen – zoals uw bewustzijn zich door u als
mens openbaart – zij die op weg zijn zieners te worden, hebben
gedachten die de zonnen en de sterren bereiken. Ieder mens is een kind
van een zon, en dus een atoom van geestelijke energie; en welke vader
kent zijn kind niet en geeft geen gehoor aan zijn zachte geroep?
Hoe staat het met de dood, het derde onheil dat
de mensheid treft? De dood opent de deur en schenkt visie; de dood is
de grootste en mooiste verandering die het hart van de natuur voor ons
in petto heeft.
Er bestaat geen dood als we met dat woord een volslagen,
totaal en absoluut einde bedoelen van al wat is. Dood is verandering,
zoals ook geboorte door reïncarnatie, die de dood voor de ziel
betekent, verandering is; er is geen verschil tussen de zogenaamde dood
en het zogenaamde leven, want ze zijn één. De verandering
betekent in een andere levensfase komen. De dood is een fase
van het leven, zoals het leven een fase van de dood is. Het is niet
iets om bang voor te zijn.
Het fysieke lichaam van de mens moet enige tijd
slapen om weer op krachten te komen; zo moet ook de psychische constitutie
van de mens rust hebben – in devachan.
De dood is even natuurlijk, de dood is even eenvoudig,
de dood is even pijnloos, de dood is even schoon als de groei van een
mooie bloem. Hij is de poort waardoor de pelgrim in het hogere stadium
komt.
Bij het sterven voltrekt zich dezelfde reeks gebeurtenissen
die plaatsvindt wanneer we ’s avonds naar bed gaan en dat wonderland
van bewustzijn ingaan dat we de slaap noemen; en als we uitgerust, kalm,
verfrist, versterkt ontwaken, weer gereed voor de strijd en de problemen
van het dagelijks leven, zien we dat we dezelfde persoon zijn die we
waren vóór we in slaap vielen. In de slaap vindt er een
onderbreking van het bewustzijn plaats; in de dood is er eveneens een
bewustzijnsonderbreking. In de slaap hebben we dromen, zijn we min of
meer onbewust; en in de dood hebben we dromen, gelukkige, wonderlijke,
geestelijke dromen – of zijn we volslagen onbewust. Zoals we uit
de slaap ontwaken, zo keren we in de volgende incarnatie weer naar de
aarde terug om de taken van ons karmische leven in een nieuw menselijk
lichaam op te nemen.
Er is één verschil tussen de slaap
en de dood, maar het is een verschil van omstandigheden en volstrekt
niet van aard: na de slaap keren we naar hetzelfde lichaam terug; na
de dood komen we in een nieuw lichaam. Elke dag dat we uit de slaap
wakker worden, incarneren we, reïncarneren we. Want wat er is gebeurd,
wat ons overkwam, wat volgde terwijl het fysieke lichaam sliep, is precies
hetzelfde, zij het van heel korte duur, als wat plaatsvindt, als wat
volgt, wanneer en nadat we sterven.
De dood is een absolute slaap, een volmaakte slaap,
een volmaakte rust; de slaap is een onvolledige dood, een onvolkomen
dood, vaak verstoord door koortsachtige en onrustige dromen, als gevolg
van de onvolmaaktheid van de bewuste entiteit, noem haar de ziel zo
u wilt, die het menselijke ego is. Dood en slaap zijn broeders. Wat
in de slaap gebeurt, vindt plaats in de dood – maar dan volledig.
Wat bij de dood en na de dood gebeurt, vindt plaats wanneer we slapen
– maar dan onvolledig. We incarneren iedere keer als we ontwaken,
omdat ontwaken wil zeggen dat de entiteit die het lichaam gedurende
de slaap tijdelijk heeft verlaten – het verstand, het astraal-fysieke
bewustzijn – in dat lichaam terugkeert, opnieuw incarneert, en
daardoor ontwaakt het lichaam en geeft het psychische vuur weer kracht
aan het bloed, de weefsels en de zenuwen.
Bent u ooit bang geweest om naar bed te gaan, te
gaan liggen en het bewustzijn te verliezen? Nee. Het is zo natuurlijk;
het is zo’n prettige ervaring; het geeft zoveel rust. De natuur
geeft rust en het vermoeide brein rust uit; de innerlijke constitutie,
de ziel, als u die zo wilt noemen, heeft zich tijdens de slaapperiode
tijdelijk in het hogere bewustzijn van de mens teruggetrokken –
de straal is als het ware weer opgenomen in de innerlijke geestelijke
zon.
Precies hetzelfde vindt plaats bij de dood, maar
bij de dood wordt het versleten kleed afgelegd; de rust is ook lang,
heel mooi en zegenrijk, vol heerlijke, verheven dromen en onvervulde
wensen, die nu in het bewustzijn van het geestelijke wezen in vervulling
gaan. Deze droomtoestand is een panorama waarin al onze edelste verwachtingen,
alle geestelijke, niet vervulde verlangens waarvan we droomden, worden
verwezenlijkt. Het betekent de volmaakte en volkomen vervulling ervan,
in een toestand van geluk en zaligheid.
De dood is een absolute slaap, een volkomen slaap.
De slaap is een onvolkomen, een onvolledige dood. Wat er daarom gebeurt
in de korte tijd dat u slaapt, herhaalt zich op volmaakte en volledige
wijze en op grote schaal wanneer u sterft. Zoals u ’s morgens
in hetzelfde fysieke lichaam ontwaakt, omdat de slaap niet zo volkomen
is dat de zilveren levensdraad die de innerlijke, afwezige entiteit
met het slapende lichaam verbindt, wordt verbroken, evenzo keert u weer
naar de aarde terug na uw devachanische ervaringen, of ervaringen in
de hemelwereld, de wereld van rust, van volstrekte vrede, van volkomen,
zalige rust.
Tijdens de slaap verbindt de zilveren levensdraad
de rondtrekkende entiteit nog met het lichaam dat ze heeft verlaten,
zodat ze langs deze psychomagnetische verbindingslijn naar dat lichaam
terugkeert; maar wanneer de dood komt, wordt dat zilveren levenskoord
bliksemsnel verbroken (de natuur is in dit geval heel barmhartig) en
de rondtrekkende entiteit keert niet meer naar haar afgedankte lichaam
terug. Dit definitieve vertrek van het innerlijke bewustzijn betekent
dat het zilveren levenskoord wordt verbroken; het lichaam wordt dan
afgedankt als een versleten en nutteloos kledingstuk. Overigens is de
ervaring van het rondtrekkende bewustzijn, de rondtrekkende entiteit
of ziel, precies gelijk aan wat haar tijdens de slaap overkwam, maar
nu op kosmische schaal. Het bewustzijn vertrekt, en vóór
het weer als een reïncarnerend ego naar de aarde terugkeert, gaat
het van sfeer naar sfeer, van gebied naar gebied, van woning naar woning
in het Huis des Vaders, om de woorden uit de christelijke Heilige Schrift
te gebruiken.
Niettemin rust het ook in zekere zin, in volslagen
geluk, in volkomen vrede; en tijdens die rustperiode verwerkt en assimileert
het de ervaringen van het vorige leven, en neemt deze ervaringen in
zijn wezen op als karakter, net zoals het rustende lichaam tijdens de
slaap het voedsel dat het overdag tot zich heeft genomen, verteert en
verwerkt, de afvalproducten afscheidt en de weefsels weer opbouwt; en
wanneer de tijd van ontwaken aanbreekt is het verkwikt. Ook het reïncarnerende
ego is verkwikt als het naar de aarde terugkeert.
Hetzelfde geldt voor de slaap: de slaap wordt veroorzaakt
doordat de entiteit die het fysieke lichaam vervulde met haar vlam en
het actief leven schonk, zich uit het lichaam terugtrekt. Dat is slaap.
En als de terugtrekking van de innerlijke entiteit volledig is, is de
slaap, als slaap, relatief volkomen en is er sprake van betrekkelijk
volledige onbewustheid – de zoetste slaap van alle. Want dan wordt
het lichaam niet gestoord, het rust vredig en stil en herstelt in het
lichaam wat in de uren van actief werk of spel werd afgebroken.
Als de innerlijke entiteit zich onvolledig of gedeeltelijk
terugtrekt, komen er dromen, want de innerlijke entiteit voelt de aantrekking
van haar eigen fysieke natuur; de psychische mens voelt dat de fysieke
mens als het ware psychomagnetisch op hem inwerkt; de onbewuste toestand
van de slaap wordt verstoord door de trillingen van de fysieke mens,
van het bezielde lichaam. Dit veroorzaakt boze dromen, slechte dromen,
koortsachtige dromen, vreemde dromen, ongelukkige dromen. Als het terugtrekken
wat vollediger is dan in het laatste geval, maar nog niet helemaal volledig,
dan zijn er gelukkige dromen, vredige dromen.
Wanneer de slaap volkomen onbewust is, komt dat
omdat de innerlijke entiteit dan het minst door de psychomagnetische
trillingen van het lichaam, en van het brein in het bijzonder, wordt
beïnvloed. Dit bewustzijn of dit denken zelf is in een sluimertoestand;
het rust uit, maar er is nog een bepaalde hoeveelheid bewustzijn aanwezig
die het brein echter niet als een droom kan vastleggen, omdat de scheiding
tussen het lichaam en het bewustzijn dat het heeft verlaten te volledig
is. Maar terwijl dit bewustzijn dus als het ware half wakker is, half
rust, bevindt het zich in die bijzondere wereld, onzichtbaar voor het
menselijk oog, waarheen zijn gevoelens en gedachten het in de voorafgaande
ogenblikken en uren hebben geleid. Het is daar als bezoeker, volkomen
beschermd, volkomen bewaakt en niets zal of kan het naar alle waarschijnlijkheid
schaden – tenzij de essentiële natuur van die mens zo is
ontaard dat het geestelijke schild, dat normaal deze innerlijke entiteit
omgeeft, zo dun is geworden dat tegenwerkende invloeden erin kunnen
doordringen.
Wedergeboorte, het ontwaken uit de rust tussen aardse
levens, vloeit voort uit het lot, het lot dat u in vorige levens voor
uzelf heeft gemaakt. U heeft zelf ervoor gezorgd dat u hier op aarde
moest terugkeren; en daarom bent u nu hier, omdat u in andere levens
de basis heeft gelegd voor uw reïncarnatie. U bent uw eigen ouders,
u bent uw eigen kinderen, omdat u uzelf bent. Als karakter, als mens
bent u eenvoudig het gevolg van wat u in het verleden van uzelf heeft
gemaakt; en uw toekomstige lot – het noodzakelijke gevolg van
oorzaken – zal het resultaat, het karma zijn van wat u nu van
uzelf maakt.
Dit zijn de verborgen oorzaken van wedergeboorte:
de mensen hunkeren naar licht en weten niet waar ze dat moeten zoeken.
Hun intuïtie vertelt hun de waarheid, maar ze weten niet hoe ze
die moeten uitleggen. Hun denken, hun intellect, is in verwarring gebracht
door leringen die hun werden gegeven door hen die alleen in de stoffelijke
wereld naar licht zochten. Zoeken naar licht – inderdaad een edele
bezigheid! – maar als men er alleen in de fysieke wereld naar
zoekt, bewijst dit dat de zoeker de sleutel heeft verloren tot de grootse
binnenwereld waarvan het fysieke heelal slechts de schil is,
het bekleedsel, het omhulsel, het lichaam, de buitenste laag.
Een van de verborgen oorzaken van wedergeboorte,
van de wedergeboorte van de menselijke ziel, is de volgende; de mens,
die een essentieel deel is van het heelal, één met het
hart daarvan, moet in het diepst van zijn hart en in feite in zijn hele
wezen, aan de kosmische wet van wederbelichaming gehoorzamen: geboorte,
dan groei, dan jeugd, dan volwassenheid, dan uitbreiding van vermogens
en krachten, dan verval en vervolgens de komst van de grote vrede –
slaap, rust; en dan weer opnieuw verschijnen in het gemanifesteerde
bestaan. Ook heelallen hebben hun wedergeboorte. Ook een hemellichaam
– een ster, zon, planeet – belichaamt zich opnieuw. Elk
daarvan is een lichaam, evenals u dat in uw laagste deel bent; elk is
een onafscheidelijk deel van het grenzeloze heelal, evenals u; elk komt
voort uit de schoot van de grenzeloze ruimte als het kind ervan, net
als u; en er is één universele, kosmische wet, die in
alles werkt en alles doordringt, zodat wat de één overkomt,
klein of groot, gevorderd of niet gevorderd, ontwikkeld of onontwikkeld,
ieder en alles overkomt.
U schept uw eigen lot; u maakt uzelf tot wat u bent.
Wat u nu bent is precies wat u in vorige levens van uzelf heeft gemaakt;
en nu bent u bezig van uzelf te maken wat u in de toekomst zult zijn.
U heeft een wil en u gebruikt die wil voor uw wel of wee, terwijl u
uw levens op aarde leeft en later in de onzichtbare gebieden van de
ruimten der ruimte. Dat is ook een verborgen oorzaak van wedergeboorte,
de tweede.
Er is nog een derde verborgen oorzaak en misschien
oefent die in stoffelijke zin de grootste invloed uit; deze derde oorzaak
ligt in het innerlijk van ieder van ons. Het is de dorst naar het stoffelijke
leven, de dorst naar het leven op aarde, een vurig verlangen naar de
akkers en weilanden waar we eens ronddwaalden en waarmee we vertrouwd
zijn, die ons telkens en telkens weer naar de aarde terugbrengen. Het
is deze trishna, deze tanha, deze ‘dorst’
om terug te keren naar een vertrouwde omgeving die ons naar de aarde
terugbrengt – als een afzonderlijke oorzaak misschien van grotere
invloed dan alle andere.
Het geëxcarneerde wezen gaat na de dood en
vóór het naar de aarde terugkeert om te worden wedergeboren,
daarheen waar het totaal van zijn verlangens, emoties, aspiraties hem
voert. Zo gaat het ook in het leven van de mens op aarde. Een mens doet
zijn best die loopbaan te volgen waarnaar hij streeft of verlangt; en
als we dit fysieke lichaam afleggen als een bekleedsel dat niet langer
van nut is, worden we aangetrokken tot die innerlijke sferen en gebieden
waarnaar onze verlangens en aspiraties in het vorige leven op aarde
uitgingen. Dat is ook precies de reden dat we naar deze aarde, naar
een lichaam van vlees en bloed, terugkeren. Het is dezelfde regel, maar
hij werkt in tegengestelde richting. We hadden stoffelijke verlangens,
een materiële honger en dorst, die na de dood als latente zaden
in ons karakter aanwezig zijn; en die brengen ons tenslotte naar de
aarde terug.
Na de dood zijn het de betere, veelbelovende, zuivere,
gave karakterzaden, de vruchten, de gevolgen van onze verlangens naar
schoonheid, naar harmonie en naar vrede, die ons naar de gebieden voeren
waar harmonie, schoonheid en vrede heersen. En die gebieden zijn sferen,
evenals de aarde, maar veel etherischer en veel mooier, want de sluiers
van de stof zijn er dunner, de fysieke bekleedselen zijn er niet zo
dicht als hier. Het geestesoog ziet helderder. De dood bevrijdt ons
van één wereld en we gaan door de poorten van verandering
een andere wereld binnen, zoals precies het omgekeerde plaatsvindt wanneer
de incarnerende ziel de gebieden van de fijnere ether verlaat om af
te dalen naar ons eigen grovere en fysieke aardse leven en naar een
grofstoffelijk lichaam.
Voor de entiteit die door de innerlijke werelden
gaat, zoals zij door deze wereld ging, zijn ze even werkelijk –
in feite werkelijker – als de onze, omdat zij dichter bij die
werelden staat. Ze zijn etherischer en staan daarom dichter bij de etherische
aard van de eeuwige pelgrim die op zijn altijddurende reis naar volmaking
een ander stadium doorloopt. En deze veranderingen voltrekken zich,
de een na de ander, vóór de volgende incarnatie op het
terugkerende rad van de cyclus – terwijl de pelgrim in de loop
van de eeuwen van de ene sfeer naar de andere gaat, steeds hoger, naar
verhevener gebieden, tot het hoogste punt van de cyclus van de reis
van die pelgrim wordt bereikt.
Heb daarom geen enkele vrees. Alles is goed, want
het hart van u is het heelal, en de kern van de kern van u is het hart
van het heelal. Zoals onze luisterrijke dagster in alle richtingen zijn
stralen doet uitgaan, zo zendt ook dit hart van het heelal, dat overal
is omdat het niet ergens in het bijzonder is, voortdurend stralen uit;
en die stralen zijn de entiteiten waar het heelal vol mee is.