|
Hoofdstuk 1
E
ZIJN ALLEN BEKEND met die harde
omstandigheid die we ellende noemen, die de mens achtervolgt, en vreemd
genoeg die hem niet op een vage of twijfelachtige manier achtervolgt,
zoals het op het eerste gezicht lijkt, maar onafgebroken en vasthoudend.
Ze is niet absoluut continu aanwezig, anders zou de mens ophouden te bestaan;
maar de vasthoudendheid is ononderbroken. De schimmige vorm van de wanhoop
staat altijd achter de mens, gereed om hem te treffen met haar verschrikkelijke
vinger als hij zich te lang op zijn gemak voelt. Wat geeft deze spookachtige
gedaante het recht ons vanaf het uur van onze geboorte tot ons stervensuur
te achtervolgen? Wat geeft haar het recht altijd aan onze deur te staan,
die op een kier te houden met haar ontastbare maar ronduit afschuwe lijke
hand, klaar om binnen te komen als het haar goeddunkt? De grootste filosoof
die ooit bestond bezwijkt tenslotte voor haar; en alleen hij die het feit
erkent dat er geen ontkomen aan is, en die weet dat hij zoals alle mensen
vroeg of laat moet lijden, is een filosoof die die naam verdient. Deze
pijn en smart maakt deel uit van het erfgoed van de mens; en hij die zich
voorneemt dat niets hem zal doen lijden, hult zich slechts in een diepgaand
en kil egoïsme. Misschien dat deze mantel hem beschermt tegen leed; hij
zal hem ook beletten te genieten. Als er vrede op deze aarde kan worden
gevonden, of ook maar een beetje vreugde in het leven, dan kan dat niet
gebeuren door de poorten van het gevoel te sluiten, die ons toegang verschaffen
tot het meest verheven en meest levendige deel van ons bestaan. Zintuiglijke
gewaarwording, zoals die tot ons komt via het stoffelijk lichaam, verschaft
ons alles wat ons ertoe brengt in die verschijningsvorm te leven. Het
is onvoorstelbaar dat een mens zich de moeite zou willen geven om adem
te halen als die handeling niet een gevoel van bevrediging zou geven.
Zo is het met elke daad op elk moment in ons leven. We leven omdat zelfs
het gevoel pijn te hebben aangenaam is. We verlangen naar gewaarwording,
anders zouden we ons eenstemmig overgeven aan de diepe wateren van de
vergetelheid en zou de mensheid uitsterven. Als dit al geldt voor het
fysieke leven, geldt het duidelijk ook voor het leven van de emoties –
de verbeelding, het gevoel, al die fijne, delicate formaties die samen
met het verbazingwekkende vermogen van de hersenen om de dingen vast te
leggen, de innerlijke of subtiele mens vormen. Zintuiglijke gewaarwordingen
schenken de mens genoegen; een eindeloze reeks gewaarwordingen is voor
hem leven. Vernietig de gewaarwording die hem de wil geeft te volharden
in het experiment dat leven heet, en er blijft niets over. De mens die
poogt het gevoel van pijn uit te wissen en die zich voorneemt gelijkmoedig
te blijven wanneer hem iets prettigs of onaangenaams overkomt, tast daarom
het leven precies in de wortel aan en vernietigt het doel van zijn eigen
bestaan. En dat moet, voorzover onze huidige verstandelijke of intuïtieve
vermogens ons kunnen tonen, van toepassing zijn op elke toestand, zelfs
op de door de oosterling zo begeerde toestand van nirvana. Dit kan slechts
een toestand van een oneindig subtielere en meer verfijnde gewaarwording
zijn, als het al een toestand is en niet vernietiging; en volgens de levenservaring
op grond waarvan we nu kunnen oordelen, betekent toenemende verfijning
van gewaarwording toenemende intensiteit – zoals bijvoorbeeld een
mens met fijngevoeligheid en verbeeldingskracht meer wordt getroffen door
ontrouw of trouw van een vriend dan iemand met een heel grofstoffelijke
natuur via de zintuigen kan voelen. Het is dan ook duidelijk dat de filosoof
die weigert te voelen, zichzelf geen toevluchtsoord laat, zelfs niet het
verre en onbereikbare doel van het nirvana. Het enige wat hij kan doen
is zichzelf het erfgoed van het leven ontzeggen, wat met andere woorden
betekent het recht op gewaarwording. Als hij verkiest datgene te offeren
wat hem tot mens maakt, moet hij zich tevredenstellen met niets dan de
passiviteit van het bewustzijn – een toestand waarbij vergeleken
het leven van de oester iets opwindends is.
Maar niemand kan zo’n kunststuk volbrengen. Het
feit dat hij nog altijd bestaat, bewijst overduidelijk dat hij nog steeds
gewaarwording wenst, en wel in een zo positieve en actieve vorm dat het
verlangen in een fysiek bestaan moet worden bevredigd. Het zou praktischer
zijn zichzelf niet te misleiden onder het voorwendsel van stoïcisme, en
niet te pogen afstand te doen van iets waarvan u weet dat niets u ertoe
zou bewegen het op te geven. Zou het niet een moediger gedragslijn zijn,
een manier die meer uitzicht biedt op een oplossing van het grote levensraadsel,
om het aan te pakken, het vast in de greep te houden en te eisen dat het
zijn mysterie prijsgeeft? Als de mens maar een ogenblik zou willen stilstaan
en zich afvragen welke lessen hij heeft geleerd van genot en pijn, dan
zou men veel te weten komen over dat vreemde iets dat deze gevolgen teweegbrengt.
Maar mensen zijn geneigd zich haastig af te keren van zelfonderzoek, of
van elke diepgaande analyse van de menselijke natuur. Toch moet er een
wetenschap van het leven zijn die even begrijpelijk is als welke methode
van de scholen dan ook. Weliswaar is die wetenschap onbekend en naar het
bestaan ervan wordt alleen maar gegist, er wordt alleen maar op gezinspeeld,
door een of twee gevorderde denkers. De ontwikkeling van een wetenschap
omvat niet meer dan het ontdekken van wat al bestaat; en scheikunde is
nu voor de ongeletterde even magisch en ongelooflijk als de wetenschap
van het leven voor de gewone waar nemer. Toch is er misschien een ziener,
en moet deze er zijn, die de groei van de nieuwe kennis waarneemt, zoals
de eersten die uit liefhebberij experimenteerden in het laboratorium zagen
hoe een stelsel van kennis, dat nu is vastgelegd, zich uit de natuur heeft
ontwikkeld om door de mens te worden gebruikt en er zijn voordeel mee
te doen.
II
Ongetwijfeld
zouden veel meer mensen experimenteren met zelfmoord, zoals velen nu al
doen, om te ontkomen aan de last van het leven, als men hen ervan zou
kunnen overtuigen dat op die manier vergetelheid kon worden gevonden.
Maar wie aarzelt alvorens het gif te drinken uit vrees om alleen maar
een andere bestaanswijze op te roepen, en mogelijk een meer actieve vorm
van ellende, is iemand met meer kennis dan de overijlde zielen die zich
onbesuisd in het onbekende storten, vertrouwend op de goede afloop ervan.
De wateren van de vergetelheid zijn iets heel anders dan de wateren van
de dood, en de mensheid kan niet uitsterven door middel van de dood zolang
de wet van geboorte nog van kracht is. De mens keert terug tot het fysieke
leven zoals de dronkaard terugkeert tot de wijnfles – hij weet niet waarom,
behalve dat hij het gevoel verlangt dat door het leven wordt voortgebracht,
zoals de dronkaard het gevoel verlangt teweeggebracht door de wijn. De
werkelijke wateren van de vergetelheid liggen ver achter ons bewustzijn
en kunnen slechts worden be reikt door op te houden in dat bewustzijn
te bestaan – door op te houden de wil te gebruiken die ons vervult met
gevoel en gevoeligheden.
Waarom keert het schepsel mens niet terug in de
grote schoot van de stilte waaruit hij is gekomen, om daar in vrede te
blijven, zoals het ongeboren kind in vrede is voordat de stuwkracht van
het leven het heeft bereikt? Hij doet dit niet omdat hij hunkert naar
genot en pijn, vreugde en verdriet, boosheid en liefde. De ongelukkige
mens zal blijven beweren dat hij niet verlangt te leven; en toch bewijst
hij door te leven dat zijn woorden onwaar zijn. Niemand kan hem dwingen
te leven; een galeislaaf is misschien geketend aan zijn roeiriem, maar
zijn leven kan niet worden geketend aan zijn lichaam. Het prachtige mechanisme
van het menselijk lichaam is even nutteloos als een stoom machine waarvan
het vuur is gedoofd, indien de wil om te leven ophoudt – de wil die we
resoluut en zonder onderbreking handhaven, en die ons in staat stelt de
taken uit te voeren die ons anders met ontzetting zouden vervullen, zoals
bijvoorbeeld het ieder ogenblik in- en uitademen. Zo’n herculische krachtsinspanning
houden we vol zonder te klagen, en zelfs met genoegen, om te midden van
ontelbare gewaarwordingen te kunnen bestaan.
En meer dan dat: de meesten van ons zijn ermee
tevreden voort te gaan zonder doel of plan, zonder enig idee van een bestemming
of begrip van de weg die we gaan. Wanneer de mens voor het eerst deze
doelloosheid gewaarwordt en zich er vagelijk van bewust is te werken met
niet-aflatende inspanning en zonder het minste idee op welk doel die inspanningen
zijn gericht, dan daalt over hem de ellende van het negentiende-eeuwse
denken. Hij voelt zich verloren en is ver bijsterd en zonder hoop. Hij
wordt sceptisch, ontgoocheld, lusteloos en stelt de kennelijk niet te
be antwoorden vraag of het inderdaad de moeite waard is adem te halen
voor zo’n onbekend en schijnbaar onkenbaar resultaat. Maar is dit resultaat
onkenbaar? En, om een minder diepgaande vraag te stellen, is het dan onmogelijk
te gissen naar de richting waarin het doel ligt?
III
Deze
vraag, voortgekomen uit somberheid en vermoeidheid die volgens ons een
wezenlijk deel uitmaakt van de negentiende-eeuwse geest, is in feite een
vraag die door de eeuwen heen moet zijn gesteld. Als we met enig begrip
konden teruggaan in de geschiedenis, zouden we ongetwijfeld ontdekken
dat deze vraag altijd opkwam op het moment dat de bloem van de beschaving
tot volle bloei was gekomen en wanneer zijn bloembladen nog maar losjes
werden bijeengehouden. Op stoffelijk gebied heeft de mens dan zijn grootste
hoogte bereikt; hij heeft de steen tegen de Heuvel van Moeilijkheden omhooggerold
alleen maar om die te zien terugrollen als de top is bereikt – zoals in
Egypte, in Rome, in Griekenland. Waarom dit nutteloze zwoegen? Is het
niet genoeg om een onuitsprekelijke vermoeidheid en walging op te wekken
als we eeuwig een taak volbrengen en dan zien hoe die telkens opnieuw
ongedaan wordt gemaakt? Toch heeft de mens dat de hele geschiedenis door
gedaan, voorzover we met onze beperkte kennis weten. Er is één top die
hij met reusachtige en vereende kracht bereikt, waar de intellectuele,
verstandelijke en materiële kant van zijn natuur een grote en schitterende
bloei doormaakt. De climax van zinnenstrelende volmaaktheid wordt bereikt,
en dan verzwakt zijn greep, zijn kracht vermindert, en door moedeloosheid
en oververzadiging valt hij terug in barbarisme. Waarom blijft hij niet
staan op deze heuveltop die hij heeft bereikt, en kijkt hij niet op naar
de bergen aan de andere kant en besluit hij niet die grotere hoogten te
beklimmen? Omdat hij onwetend is, en bij het zien van een grote schittering
in de verte slaat hij verbijsterd en verblind zijn ogen neer en gaat terug
om aan de schaduwzijde van zijn vertrouwde heuvel te rusten. Maar zo nu
en dan is iemand moedig genoeg om zijn blik vast gericht te houden op
die schittering en iets te onderscheiden van de vorm ervan. Dichters en
filosofen, denkers en leraren – al degenen die de ‘oudere broeders van
de mensheid’ zijn – hebben van tijd tot tijd dit beeld aanschouwd en enkelen
van hen hebben in de verbijsterende schittering de contouren van de Gouden
Poort herkend.
Die poort verleent toegang tot het heiligdom van
de eigen natuur van de mens, tot de plaats vanwaar zijn levenskracht komt
en waar hij priester is van de levenstempel. Dat het mogelijk is daar
binnen te gaan, door die poort te gaan, heeft een enkeling ons getoond.
Plato, Shakespeare, en een paar anderen die sterk genoeg waren, zijn erdoor
gegaan en hebben tot ons aan deze kant van de poort in gesluierde taal
gesproken. Als de geestelijk sterke mens over de drempel is gegaan, spreekt
hij niet meer tot hen aan de andere kant. En zelfs de woorden die hij
uit als hij erbuiten is, zijn zo vol mysterie, zo versluierd en diepzinnig,
dat alleen zij die in zijn voetstappen treden het licht daarin kunnen
zien.
IV
Mensen
zouden erachter willen komen hoe pijn kan worden ingewisseld voor genot;
dat wil zeggen, men wil erachter komen op welke manier het bewustzijn
kan worden bijgesteld om het meest aangename gevoel te kunnen beleven.
Of dit kan worden ontdekt door het menselijke denken, is op z’n minst
een vraag die het onderzoeken waard is.
Als de geest van de mens zich met voldoende concentratie
op een bepaald onderwerp richt, krijgt hij vroeg of laat inzicht daarin.
Die mens bij wie de uiteindelijke verlichting verschijnt, wordt een genie
genoemd, een uitvinder, een geïnspireerde; maar hij is niet meer dan de
kroon op een groot denkwerk dat tot stand is gekomen door onbekende mensen
om hem heen, die een lange reeks vormen die teruggaat tot in een ver verleden.
Zonder hen zou hij niet over het materiaal hebben kunnen beschikken om
mee te werken. Zelfs een dichter heeft ontelbare rijmelaars nodig om uit
te putten. Hij is de essentie van de poëtische kracht van zijn tijd, en
van de tijden vóór hem. Het is onmogelijk een individu, van welk soort
ook, los te zien van zijn [geest]verwanten.
Daarom, als de mensen in plaats van het onbe kende
als onkenbaar te aanvaarden, eenstemmig hun gedachten erop zouden richten,
zou die Gouden Poort niet zo onverbiddelijk gesloten blijven. Er is slechts
een krachtige hand voor nodig om haar open te duwen. De moed er binnen
te gaan is de moed om de uithoeken van zijn eigen natuur te onderzoeken,
zonder angst en zonder schaamte. In het zuivere deel, de essentie, het
aroma van de mens, is de sleutel te vinden die deze grote poort ontsluit.
En als ze opengaat, wat treft men dan aan?
Er zijn in de langdurige stilte van de eeuwen
hier en daar stemmen die antwoord geven op deze vraag. Zij die er doorheen
zijn gegaan, hebben een boodschap nagelaten voor geestverwanten. In zo’n
boodschap kunnen we duidelijke aanwijzingen vinden over wat we achter
de Poort kunnen verwachten. Maar alleen zij die deze weg willen gaan,
begrijpen de verborgen betekenis van die boodschap. Geleerden, of liever
kamer geleerden, lezen de heilige boeken van verschillende volkeren, de
poëzie en de filosofie nagelaten door verlichte geesten, en vinden daarin
alleen materiële zaken. Alles wat ze vinden in de bijbels van de mensheid
verklaren ze door een verbeeldingskracht die natuur legenden verheerlijkt
of de psychische mogelijkheden van de mens overdrijft.
Wat in de tekst van deze boeken kan worden gevonden,
is in ieder van ons te vinden: en het is onmogelijk in de literatuur of
via welke denkwijze ook iets te vinden dat niet aanwezig is in degene
die studeert. Dit is natuurlijk een duidelijk feit dat iedereen die werkelijk
studeert kent. Maar er moet speciaal aan worden herinnerd in verband met
dit diepzinnige en weinig bekende onderwerp, omdat mensen maar al te gemakkelijk
geloven dat er voor anderen niets kan bestaan waar zijzelf niets kunnen
ontdekken.
Eén ding wordt door de lezer ervan al snel ingezien:
zij die hem zijn voorgegaan hebben niet geconstateerd dat de Gouden Poort
tot vergetelheid leidt. Integen deel, als de drempel is overschreden worden
gewaarwordingen voor het eerst iets werkelijks. Maar ze zijn van een nieuwe
orde, een voor ons tot nu toe onbekende orde, en door ons absoluut niet
naar waarde te schatten zonder tenminste te beschikken over een of andere
aanwijzing over de aard ervan. Ongetwijfeld kan deze aanwijzing worden
gevonden door iedere studerende die de moeite neemt alle literatuur door
te nemen die voor ons toegankelijk is. Allen die het onderwerp voldoende
hebben bestudeerd raken ervan overtuigd dat er mystieke boeken en manuscripten
bestaan, maar dat deze ontoegankelijk blijven eenvoudig omdat niemand
gereed is om ook maar de eerste bladzijde van een ervan te begrijpen.
Want er moet in alles een doorlopende lijn zijn: we zien die gaan van
grove onwetendheid tot intelligentie en wijsheid; het is niet meer dan
natuurlijk dat die lijn door moet lopen tot intuïtieve kennis en inspiratie.
We bezitten enkele schaarse fragmenten van deze grote gaven van de mens;
waar is dan het geheel waarvan zij deel moeten uitmaken? Verborgen achter
de dunne en toch schijnbaar ondoordringbare sluier die het voor ons verbergt,
zoals deze alle wetenschap verborg, alle kunst, alle vermogens van de
mens, totdat hij de moed had het scherm weg te trekken. Die moed komt
alleen voort uit overtuiging. Als de mens eenmaal gelooft dat hetgeen
hij verlangt bestaat, zal hij het tot elke prijs willen verkrijgen. In
dit geval ligt de moeilijkheid in het ongeloof van de mens. Er is een
grote stroom van gedachten en aandacht voor nodig om de weg in te slaan
naar de onbekende regionen van de menselijke natuur om de poort daarvan
te ontsluiten en zijn glorieuze vergezichten te verkennen.
Dat het de moeite waard is dit te doen, wat de
gevaren misschien ook zijn, moet iedereen erkennen die de sombere vraag
van de negentiende eeuw heeft gesteld: Is het leven de moeite waard? Het
is ongetwijfeld voldoende om de mens tot hernieuwde inspanning aan te
sporen – het vermoeden dat er achter de beschaving, achter de cultuur
van ons denken, achter kunst en technische perfectie, een nieuwe, andere
poort is die toegang verschaft tot de werke lijke dingen van het leven.
V
Wanneer
het lijkt of het einde is gekomen, het doel bereikt, en dat de mens niets
meer te doen staat – juist dan, wanneer hij geen keuze schijnt te hebben
dan tussen eten en drinken en een gemakkelijk leven zoals de dieren dat
hebben, en scepticisme dat de dood betekent – dan ligt in feite de Gouden
Poort vóór hem, als hij maar zou kijken. Met de culturele bagage van zijn
tijd in zich en wel zo volkomen geassimileerd dat hijzelf een belichaming
ervan is, is hij gereed de grote stap te wagen die absoluut mogelijk is,
maar toch door zo weinigen – zelfs van hen die ervoor zijn toegerust –
wordt ondernomen. Deze stap wordt zo zelden gezet, deels wegens de diepgaande
moeilijkheden die ermee gepaard gaan, maar nog veel meer omdat de mens
zich niet realiseert dat dit werkelijk de richting is waarin genot en
voldoening zijn te verkrijgen.
Er zijn bepaalde genoegens die iedereen aanspreken;
ieder mens weet dat hij in een of andere laag van zijn zintuiglijke gewaarwording
het hoogste genot ervaart. Vanzelfsprekend richt hij zich tijdens het
leven stelselmatig daarop, zoals de zonnebloem zich naar de zon keert
en de waterlelie afhankelijk is van het water. Maar al die tijd worstelt
hij met het afschuwe lijke feit dat hem tot in zijn ziel benauwt, dat
zodra hij het nagestreefde genot heeft gesmaakt, hij dat dan weer verliest
en opnieuw ernaar op zoek moet. Meer nog: in werkelijkheid bereikt hij
het nooit, want het ontglipt hem op het laatste moment. Dat komt omdat
hij probeert te grijpen wat ongrijpbaar is en de honger van zijn ziel
naar gewaarwording wil bevredigen door het contact met uiter lijke voorwerpen.
Hoe kan iets dat uiterlijk is de innerlijke mens bevredigen of zelfs maar
behagen – de mens die binnenin heerst en geen oog heeft voor de stof,
geen handen om voorwerpen aan te raken, geen zintuigen waarmee hij dat
wat buiten zijn magische muren ligt kan begrijpen? Die betoverde barrières
die hem omgeven zijn grenzeloos, want hij is overal; hij is te ontdekken
in al wat leeft; en men kan zich geen stukje van het heelal voorstellen
zonder hem, wanneer dat heelal als een samenhangend geheel wordt gezien.
En als dit niet vanaf het begin een uitgangspunt is, dan is het volkomen
nutteloos het thema ‘leven’ onder de loep te nemen. Het leven heeft inderdaad
geen betekenis als het niet universeel en samenhangend is, als we ons
bestaan niet in stand houden op grond van het feit dat we deel uitmaken
van dat wat is, en niet op grond van ons eigen zijn.
Dit is een van de belangrijkste factoren in de
ontwikkeling van de mens: de erkenning – de diepgaande en volledige erkenning
– van de wet van universele eenheid en samenhang. De scheiding die er
tussen individuen is, tussen werelden, tussen de verschillende polen van
het heelal en van het leven, de mentale en fysieke fantasie die ruimte
wordt genoemd, is een nachtmerrie van de menselijke verbeelding. Dat nacht
merries bestaan, en alleen maar bestaan om te kwellen, weet ieder kind;
wat we nodig hebben is het vermogen om te kunnen onderscheiden tussen
de droombeelden van het brein die alleen onszelf betreffen en de droombeelden
van het dagelijkse leven waarbij ook anderen zijn betrokken. Deze regel
gaat ook op voor het grotere geheel. Het gaat alleen ons aan dat we leven
in een nachtmerrie van onwerkelijke verschrikking en ons inbeelden alleen
te zijn in het heelal en onafhankelijk te kunnen handelen, zolang onze
met gezellen alleen diegenen zijn die tot de droom be horen. Maar als
we willen spreken met hen die de Gouden Poort hebben beproefd en deze
hebben opengeduwd, dan is het hard nodig – zelfs essentieel – de zaken
uit elkaar te houden en niet de verwarring van de slaap in ons leven te
halen. Als we dat doen, worden we als gekken beschouwd en vallen we terug
in de duisternis waar de enige vriend chaos is. Deze chaos volgde op elke
inspanning van de mens die in de geschiedenis is beschreven; na de bloei
van de beschaving valt de bloem af en sterft, en winter en duisternis
vernietigen haar. Zolang de mens weigert zijn onderscheidingsvermogen
te gebruiken, dat hem in staat zou stellen een onderscheid te maken tussen
de ge daanten van de nacht en de actieve gestalten van de dag, is dit
onvermijdelijk.
Maar als de mens de moed heeft weerstand te bieden
aan deze neiging om steeds weer terug te vallen, rustig blijft staan op
de hoogte die hij heeft bereikt, en dan zijn voet uitsteekt op zoek naar
een volgende trede, waarom zou hij die dan niet vinden? Er is niets dat
erop wijst dat de weg op een bepaald punt eindigt, afgezien van de traditie
die zegt dat het zo is en die door de mens is aanvaard en gekoesterd als
een rechtvaardiging van zijn geestelijke traagheid.
VI
Geestelijke
traagheid is in feite de vloek van de mens. Zoals een boerenkinkel of
een kosmopo litische zigeuner misschien uit pure gemakzucht in het vuil
en in armoede leven, zo leeft ook de man van de wereld die zich om dezelfde
reden tevredenstelt met zinnenstrelende genoegens. Het drinken van heerlijke
wijnen, het genieten van verfijnde gerechten, de voorliefde voor prachtige
beelden en klanken, voor mooie vrouwen en een aantrekkelijke omgeving
– dat alles is niet beter voor de beschaafde mens, is niet bevredigender
als hoogtepunt van genot, dan het grove amusement en de genietingen van
een boeren kinkel dat zijn voor de mens zonder beschaving. Er kan geen
eindpunt zijn, want het leven in al zijn vormen is een lange reeks van
fijne schakeringen; en de mens die verkiest stil te staan op het punt
van beschaving dat hij heeft bereikt, en erkent dat hij niet verder kan,
doet eenvoudig een willekeurige bewering die dient als excuus voor zijn
geestelijke traagheid. Men kan natuurlijk stellen dat die zigeuner tevreden
is met zijn vuil en zijn armoede, en omdat hij dat is, een even groot
mens is als de meest beschaafde. Maar hij is dat alleen maar omdat hij
onwetend is; vanaf het moment dat licht zijn schemerige denken binnenkomt,
richt de hele mens zich ernaar. Zo is het ook op het hogere niveau; met
dit verschil dat het binnendringen in het denkvermogen, het toelaten van
het licht, nog moei lijker is. De boerenkinkel houdt van zijn bier en
zolang hij dat kan krijgen, geeft hij niets om de prachtige wetten van
ethiek en religie, waarvan wordt aangenomen dat die over de mensheid heersen
en die de mens ertoe brengen zich in zijn leven te matigen. De fijnproever
in teresseert zich alleen voor verfijnde smaakjes en volmaakte aroma’s;
maar hij is even blind als de eerste de beste boerenkinkel voor het feit
dat er nog iets meer is dan dit genot. Evenals een boerenkinkel wordt
hij misleid door een hersenschim die zijn ziel benauwt; en nu hij een
zinnenstrelende vreugde heeft gevonden die hem bevalt, beeldt hij zich
in dat hij zichzelf de hoogste mate van bevrediging kan bezorgen door
eindeloze herhaling ervan, tot hij tenslotte gek wordt. Het boeket van
de wijn waar hij dol op is, komt zijn ziel binnen en vergiftigt haar,
en hem resten geen andere gedachten dan die van zinnelijke begeerte; en
hij bevindt zich in dezelfde hopeloze toestand als iemand die stomdronken
sterft. Wat heeft de dronkaard bereikt met zijn waanzin? Niets; pijn heeft
tenslotte het genot totaal verzwolgen en de dood komt tussenbeide om een
einde te maken aan de foltering. De mens ondergaat de uiteindelijke straf
voor zijn aanhoudende onbekendheid met een natuurwet die even onverbiddelijk
is als de wet van de zwaartekracht – een wet die een mens verbiedt stil
te staan. Dezelfde beker van genot kan niet tweemaal worden gedronken;
de tweede keer moet hij of een greintje gif of een druppel levenselixer
bevatten.
Dit argument gaat ook op voor intellectuele genoegens;
dezelfde wet is hier van kracht. Mensen die in hun tijd de bloem van het
intellect zijn, die hun medemensen vooruit zijn en ver boven hen uitsteken,
zien we tenslotte de fatale tredmolen van denken betreden wanneer ze toegeven
aan de ingeboren traagheid van de ziel en zich beginnen te misleiden door
de troost van de herhaling. Dan begint de verschraling en vermindert de
vitaliteit, die onfortuinlijke en teleurstellende toestand waarin grote
mannen en vrouwen maar al te vaak geraken als ze juist de middelbare leeftijd
zijn gepasseerd. Het vuur van de jeugd, de kracht van het jeugdig intellect
overwint de innerlijke traagheid en doet de mens hoogten van denken beklimmen
en zijn mentale longen vullen met de vrije berglucht. Maar dan komt tenslotte
de fysieke reactie; het stoffelijke mechanisme van het brein verliest
zijn machtige stuwkracht en begint zijn inspanningen op te geven, eenvoudig
omdat de jeugd van het lichaam ten einde loopt. Nu wordt de mens besprongen
door de grote verleider van de mensheid die op de ladder van het leven
altijd staat te wachten op hen die zover klimmen. Hij laat de giftige
druppel in het oor vallen en vanaf dat moment stompt het bewustzijn af,
en de mens deinst terug uit vrees dat zijn kansen in het leven gaan afnemen.
Hij trekt zich haastig terug op een vertrouwd terrein van ervaring, en
vindt daar troost door een bekend akkoord van hartstocht en emotie aan
te slaan. En maar al te velen die dit doen blijven stilstaan uit angst
het onbekende op te roepen, en ze stellen zich ermee tevreden voortdurend
dat akkoord aan te slaan dat het gemakkelijkst tot stand komt. Hierdoor
verzekeren ze zich ervan dat het leven nog steeds in hen brandt. Maar
tenslotte is hun lot hetzelfde als dat van de fijnproever en de dronkaard.
De macht van de betovering vermindert met de dag naarmate het organisme
dat voelt zijn levenskracht verliest; en de mens probeert de opwinding
en de hartstocht van vroeger te doen herleven door de toon heftiger aan
te slaan, door dat wat hem doet voelen vaster te omknellen, door de beker
gif tot op de fatale bodem leeg te drinken. En dan is hij verloren; krankzinnigheid
doordringt zijn ziel, zoals dat ook gebeurt met het lichaam van de dronkaard.
Het leven heeft niet langer enige betekenis voor hem en hij stort zich
overhaast in de afgrond van intellectuele waanzin. Een minder groot mens
die deze grote dwaasheid begaat, bederft de stemming van anderen door
verveeld vast te houden aan bekende gedachten, door hardnekkig te blijven
ronddraaien in de tredmolen die volgens hem het uiteindelijke doel is.
De wolk die om hem heen hangt, is even nood lottig als de dood zelf; en
zij die eens aan zijn lippen hingen, keren zich bedroefd van hem af en
moeten terugzien op zijn vroegere woorden om zich zijn grootsheid te herinneren.
VII
Wat is
het middel tegen deze ellende en energieverspilling? Bestaat het wel?
Ongetwijfeld heeft het leven zelf een innerlijke logica en een wetmatigheid
waardoor het bestaan mogelijk wordt; anders zou chaos en waanzin de enig
bereikbare toestand zijn.
Wanneer een mens zijn eerste beker genot drinkt,
raakt zijn ziel vervuld van de onuitsprekelijke vreugde die opkomt door
een nieuwe, verfrissende ervaring. De druppel gif die hij in de tweede
beker doet, en die, als hij volhardt in die dwaasheid, moet worden verdubbeld
en verdrievoudigd tot de hele beker tenslotte vol gif is – dat is het
blinde verlangen naar herhaling en intensivering; het is duidelijk dat
dit de dood betekent, dat zegt elke analogie. Het kind wordt man; hij
kan zijn kindertijd niet vasthouden en de geneugten van de kinderjaren
niet herhalen en intensiveren tenzij hij de onvermijdelijke prijs betaalt
en krankzinnig wordt. De plant boort zijn wortels in de grond en laat
zijn groene bladeren omhoogschieten; dan bloeit hij en draagt vruchten.
De plant die alleen wortels of bladeren vormt, en steeds stagneert in
zijn groei, wordt door de tuinman beschouwd als iets dat nutteloos is
en moet worden verwijderd.
De mens die de weg van de inspanning kiest en
weigert toe te staan dat slaap en sloomheid zijn ziel verdooft, vindt
in zijn genoegens een nieuwe en edeler vreugde telkens als hij ervan geniet
– iets subtiels en ongrijpbaars waardoor deze steeds verderaf komen te
staan van een toestand waarin louter zinnenstreling alles is; deze subtiele
essentie is het levenselixer dat de mens onsterfelijk maakt. Degene die
deze leert kennen en niet wil drinken tenzij ze in de beker is, ziet hoe
het leven zich verruimt en de wereld voor zijn gretige ogen groeit. Hij
herkent de ziel in de vrouw die hij liefheeft, en hartstocht wordt innerlijke
vrede; zijn denken bestrijkt de voortreffelijke eigenschappen van een
geestelijke waarheid die verder reikt dan het terrein van onze denkpatronen,
en in plaats van in de tredmolen van het intellectualisme te gaan lopen,
blijft hij zitten op de brede rug van de adelaar van de intuïtie en stijgt
op in de ijle lucht waar grote dichters hun inzichten hebben verkregen;
hij ziet, binnen de grenzen van zijn eigen vermogen tot gewaarworden,
tot het beleven van vreugde aan zuivere lucht en zonne schijn, aan voedsel
en wijn, aan beweging en rust, de mogelijkheden van de subtiele mens,
van dat wat niet sterft als het lichaam of het brein ophoudt te bestaan.
Het beleven van vreugde aan kunst, aan muziek, aan licht en liefelijkheid
– achter die vormen, die mensen zolang herhalen tot alleen de vormen overblijven,
ziet hij de glorie van de Gouden Poort waar hij doorheen gaat om het nieuwe
leven te vinden dat hem stimuleert en kracht geeft, zoals de verfrissende
berglucht door haar vitaliserende kracht stimuleert en versterkt. En als
hij, druppel voor druppel, steeds meer van het levens elixer in zijn beker
heeft gedaan, is hij sterk genoeg om deze krachtige lucht in te ademen
en zich ermee te voeden. Of hij dan sterft of in fysieke vorm leeft, in
beide gevallen gaat hij voort en vindt met elke in- en uitademing nieuwe
en edeler genietingen, meer volmaakte en bevredigende ervaringen.
Licht
op het Pad & Door de Gouden Poort
©
1999 Theosophical University Press Agency, Den Haag
|