|
Hoofdstuk 5
EMAND
DIE ZIJN PAD HEEFT GEKOZEN, moet in de eerste plaats beschikken
over de kracht om vooruit te gaan. Waar is deze te vinden? Als men om
zich heen kijkt, is het niet moeilijk te ontdekken waar andere mensen
hun kracht aan ontlenen. Zijn bron is diepe overtuiging. Door deze grote
ethische macht wordt in het dagelijkse leven van de mens iets opgewekt
dat hem in staat stelt om, hoe zwak hij ook is, door te gaan en te overwinnen.
Wat te overwinnen? Geen continenten, geen werelden, maar zichzelf. Door
die hoogste overwinning verkrijgt men toegang tot het geheel waarin alles
wat kan worden overwonnen en door inspanning kan worden verkregen, onmiddellijk
niet iets van hem, maar hemzelf wordt.
Een wapenrusting aandoen en ten strijde trekken,
en daarbij de kans lopen om in de hitte van het gevecht te worden gedood,
is gemakkelijk; stilstaan te midden van het geruzie van de wereld, zijn
kalmte bewaren terwijl er onrust in het lichaam is, blijven zwijgen te
midden van de duizend kreten van de zinnen en begeerten en dan, ontdaan
van alle wapenrusting en zonder haast of opwinding de dodelijke slang
van het zelf aanpakken en hem vernietigen, dat is geen gemakkelijke taak.
Toch moet dat worden gedaan; en het kan alleen op een moment van evenwicht
worden gedaan, wanneer de vijand door de stilte van de wijs is gebracht.
Maar voor dit verhevenste ogenblik is een kracht
nodig waarover een held van het slagveld niet hoeft te beschikken. Een
groot soldaat moet zijn vervuld van de diepe overtuigingen van de rechtvaardigheid
van zijn zaak en van de juistheid van zijn methode. De man die krijg voert
tegen zichzelf en de strijd wint, kan dit alleen doen als hij weet dat
hij in die strijd het enige doet dat waard is om te worden gedaan èn als
hij weet dat hij door dat te doen hemel en hel tot zijn dienaren maakt.
Ja, hij moet zich van beide bewust zijn. Hij heeft geen hemel nodig, waar
genot komt als een lang beloofde beloning; hij vreest geen hel, waar pijn
wacht om hem voor zijn zonden te straffen. Want eens en voor altijd heeft
hij die beweeglijke slang in zichzelf overwonnen die heen en weer kronkelt
in zijn voortdurend verlangen naar contact, in zijn eeuwig zoeken naar
genot en pijn. Nooit kan hij weer (als de overwinning werkelijk is behaald)
beven of zich triomfantelijk voelen bij enige gedachte aan wat de toekomst
inhoudt. Hij heeft niet langer die brandende gevoelens die hem de enige
bewijzen van zijn bestaan toeschenen. Hoe kan hij dan weten dat hij leeft?
Hij weet het slechts door redenering. En na verloop van tijd stelt hij
geen belang meer in het beredeneren ervan. Voor hem is er dan vrede; en
in die vrede zal hij de macht vinden die hij heeft begeerd. Dan zal hij
weten wat dat geloof is dat bergen kan verzetten.
II
Religie houdt
een mens af van het pad, belet hem vooruit te gaan, om verschillende heel
duidelijke redenen. Ten eerste maakt ze de essentiële fout om goed en
kwaad van elkaar te onderscheiden. De natuur kent zo’n onderscheid niet;
en de ethische en sociale wetten die ons door onze religies worden voorgeschreven,
zijn even tijdelijk, evenzeer iets van onze eigen bijzondere manier en
vorm van bestaan als de ethische en sociale wetten van mieren en bijen
dat zijn. We ontstijgen de toestand waarin deze dingen definitief bepaald
schijnen te zijn, en vergeten ze voor altijd. Dit is gemak kelijk aan
te tonen omdat een ruimdenkend mens die intelligent is, zijn levenswijze
moet veranderen als hij te midden van een ander volk gaat leven. Deze
mensen onder wie hij als een vreemdeling verkeert, hebben hun eigen diepgewortelde
religies en overgeërfde over tuigingen waarop hij geen inbreuk mag maken.
Tenzij hij iemand met een verachtelijk bekrompen en onnadenkende geest
is, ziet hij in dat hun vorm van wet en orde even goed is als die van
hem. Wat kan hij anders doen dan zijn gedrag geleidelijk aan hun regels
aanpassen? En als hij vele jaren onder hen verblijft, slijten de scherpe
kantjes van het verschil af en tenslotte vergeet hij waar hun geloof eindigt
en het zijne begint. Maar hebben zijn eigen mensen het recht te zeggen
dat hij verkeerd heeft gehandeld als hij geen mens heeft gekwetst en rechtvaardig
is gebleven?
Ik doe geen aanval op wet en orde; over deze dingen
spreek ik niet overhaast met afkeer. Op de juiste plaats zijn ze even
essentieel en noodzakelijk als de wetten die het leven van een bijenkorf
beheersen dat zijn voor een goede organisatie ervan. Ik wil erop wijzen
dat wet en orde op zichzelf tijdelijk zijn, en onbevredigend. Wanneer
de ziel van de mens heengaat van haar kortstondige verblijfplaats, wordt
ze niet vergezeld door gedachten aan wet en orde. Is ze sterk, dan nemen
de verrukking van het ware zijn en het werkelijke leven bezit van haar,
zoals iedereen weet die bij een stervende heeft gewaakt. Als de ziel zwak
is, verliest ze het bewustzijn en verdwijnt geleidelijk, overmand door
de eerste opwelling van het nieuwe leven.
Spreek ik met te grote stelligheid? Alleen zij
die actief leven in het moment, die niet hebben gewaakt bij doden en stervenden,
die niet over het slagveld hebben gelopen en de mannen in hun doodsstrijd
in het gezicht hebben gekeken, zullen dit zeggen. De sterke mens verlaat
verheugd zijn lichaam.
Waarom? Omdat hij niet langer wordt tegengehouden
en niet langer huivert door te aarzelen. Op het vreemde tijdstip van de
dood wordt hem bevrijding geschonken; en in een plotselinge uitbarsting
van vreugde herkent hij deze als bevrijding. Als hij hiervan eerder zeker
was geweest, zou hij een groot wijze zijn geweest, een man om de wereld
te regeren, want hij zou de macht hebben gehad zichzelf en zijn eigen
lichaam te beheersen. Die bevrijding van de ketenen van het gewone leven
kan even gemakkelijk tijdens het leven worden verkregen als door de dood.
Er is alleen een voldoend diepe overtuiging voor nodig om de mens in staat
te stellen zijn lichaam met hetzelfde gevoel te beschouwen waarmee hij
het lichaam van een ander mens zou beschouwen, of de lichamen van een
duizendtal mensen. Bij het peinzen over een slagveld is het onmogelijk
de doodsstrijd van ieder die lijdt te beseffen; waarom zou u zich dan
meer bewust zijn van uw eigen pijn dan van die van een ander? Voeg het
geheel samen en beschouw dit alles vanuit een ruimer standpunt dan dat
van het individuele leven. Dat u feitelijk uw eigen lichaamswond voelt
is een zwakheid van uw beperktzijn. Voor iemand met een psychische ontwikkeling
is de wond van een ander even bijtend als zijn eigen, en hij voelt zijn
eigen wond in het geheel niet als zijn wil daartoe krachtig genoeg is.
Ieder die ooit psychische toestanden ernstig heeft onderzocht, weet dat
dit min of meer uitgesproken het geval is, afhankelijk van de psychische
ontwikkeling. In veel gevallen is een mediamiek persoon zich sterker en
op een meer zelfzuchtige manier bewust van zijn eigen pijn dan van die
van iemand anders; maar dat is het geval wanneer de ontwikkeling, hoe
opmerkelijk deze misschien ook is, slechts een bepaald punt bereikt. Het
is de macht die de mens tot de grens van dat bewustzijn voert, dat diepe
vrede en dynamische activiteit is. Verder kan deze macht hem niet brengen.
Maar als hij de grens ervan heeft bereikt, is hij bevrijd van de onbeduidende
heerschappij van zijn eigen zelf. Dat is de eerste grote bevrijding. Beschouw
het lijden, het lijden dat ons overkomt door onze beperkte ervaring en
door ons geringe mededogen. Ieder van ons staat geheel alleen, een op
zichzelf staande eenheid, een pygmee in de wereld. Welk goed geluk kunnen
wij verwachten? Het grote leven van de wereld snelt voorbij en we lopen
elk ogenblik gevaar dat het ons zal overweldigen of zelfs volkomen vernietigen.
Verdediging ertegen is niet mogelijk; men kan daartegen geen verzetsleger
opstellen, omdat in dit leven ieder mens zijn eigen strijd voert tegen
ieder ander mens en geen twee onder hetzelfde vaandel kunnen worden verenigd.
Er is maar één manier om te ontsnappen aan dit verschrikkelijke ge vaar
waartegen we elk uur strijd leveren. Keer om en in plaats van tegen de
strijdkrachten in te gaan, sluit u bij hen aan; word één met de natuur
en bewandel op uw gemak haar pad. Verzet u niet tegen de levens omstandigheden,
en koester geen wrok daartegen, evenmin als de planten zich storen aan
regen en wind. Dan plotseling, tot uw eigen verbazing, merkt u dat u tijd
en kracht over heeft om te gebruiken in de grote strijd die ieder mens
onvermijdelijk moet leveren, die strijd in hemzelf die voert naar zijn
eigen overwinning.
Misschien zullen sommigen zeggen: naar zijn eigen
vernietiging. En waarom? Omdat hij vanaf het uur waarop hij voor het eerst
de schitterende werkelijkheid om te leven proeft, meer en meer zijn individuele
zelf vergeet. Hij vecht er niet langer voor, noch stelt hij de kracht
ervan tegenover de kracht van anderen. Hij bekommert zich niet langer
erom dat zelf te verdedigen of te voeden. Toch, wanneer hij aldus onverschillig
is voor het welzijn ervan, ontwikkelt het individuele zelf zich tot groter
stoerheid en kracht, zoals het prairiegras en de bomen van onbetreden
wouden. Het laat hem onverschillig of dit gebeurt of niet. Alleen in dat
geval bezit hij een mooi instrument gereed voor het gebruik; en hoe onverschilliger
hij ervoor is, hoeveel groter de kracht en schoonheid van zijn persoonlijk
zelf. Dit is gemakkelijk in te zien; een gekweekte bloem wordt tot een
ontaarde kopie van zichzelf als ze eenvoudig wordt verwaarloosd; een plant
moet tot het uiterste worden verzorgd en kunnen profiteren van alle vakkennis
van de tuinman, anders wordt ze slechts een wilde plant, alleen gevoed
door hemel en aarde. Wie heeft belang bij tussenoplossingen? Welke waarde
of kracht heeft de verwaarloosde gekweekte roos die in iedere knop is
aangevreten? Want zieke of in de groei belemmerde bloesems zullen zeker
ontstaan door een willekeurige verandering van omstandig heden, voortkomend
uit nalatigheid van de man die tot nu toe de voorzienigheid is geweest
van de plant in haar onnatuurlijke bestaan. Maar er zijn vlakten waar
de wind over waait en waar madeliefjes hoog opschieten met vollemaansgezichtjes,
zo mooi als geen kweker ze kan voortbrengen. Daarom, cultiveer tot het
uiterste; vergeet geen centimeter van uw tuingrond, niet het kleinste
plantje dat erin groeit; maak geen belachelijke aanspraken en maak niet,
door u in te beelden dat u bereid bent haar te vergeten, naïef een fout
waardoor u haar onderwerpt aan de verschrikkelijke gevolgen van halve
maatregelen. De plant die vandaag wordt besproeid en morgen wordt vergeten
moet wel verkommeren of vergaan. De plant die op geen andere hulp rekent
dan op die van de natuur zelf, meet zich onmiddellijk met haar krachten,
en sterft om opnieuw te worden geschapen òf groeit uit tot een machtige
boom waarvan de zware takken zich tot hoog in de hemel uitstrekken. Maar
maak geen vergissing zoals de godsdienstijveraars en sommige filosofen;
verwaarloos geen deel van uzelf zolang u weet dat het uzelf is. Zolang
de grond van de tuinman is, heeft hij de plicht die te verzorgen; maar
op een dag kan hij worden geroepen vanuit een ander land of door de dood
zelf en ogenblikkelijk is hij niet langer de tuinman, zijn taak is afgelopen,
en die plicht heeft hij niet meer. Zijn lievelingsplanten lijden dan en
sterven, en de zwakke worden één met de aarde. Maar snel eist de onstuimige
natuur de plek voor zichzelf op en laat die dichtgroeien met gras of met
reusachtig onkruid, of koestert er een jonge boom tot zijn takken hun
schaduw werpen op de grond. Wees gewaarschuwd en verzorg uw tuin tot het
uiterste totdat u geheel en al gereed bent heen te gaan en hem te laten
terugkeren tot de natuur om tot een vlakte te worden waarover de wind
waait en waar wilde bloemen bloeien. Als u dan later daarlangs komt en
over die vlakte ziet, zal – wat er ook is gebeurd – niets u bedroeven
of verrukken, want u zult kunnen zeggen: ‘ik ben de rotsachtige bodem,
ik ben de machtige boom, ik ben de sterke madeliefjes’, ongeacht wat welig
tiert waar eens uw rozenstruiken groeiden. Maar u moet de sterren grondig
hebben bestudeerd alvorens u het waagt om uw rozen te verwaarlozen en
na te laten de lucht met hun gekweekte geuren te vervullen. U moet uw
weg weten te vinden door de ongebaande lucht en vandaar naar de zuivere
ether; u moet gereed zijn om de grendel van de Gouden Poort weg te schuiven.
Cultiveer, zeg ik, en verwaarloos niets. Maar
bedenk dat u, al de tijd dat u uw tuin verzorgt en besproeit, zich schaamteloos
de taken van de natuur zelf aanmatigt. Omdat u zich haar werk heeft toege
eigend, moet u het tot het einde toe volbrengen, totdat u een punt heeft
bereikt waar ze geen macht heeft u te straffen, waar u niet bang voor
haar bent maar haar onverschrokken met gelijke munt betaalt. Ze lacht
in haar vuistje, de machtige moeder, terwijl ze u met lachoogjes heimelijk
gadeslaat, gereed om heel uw werk meedogenloos tot stof te doen vergaan,
als u haar slechts de kans geeft, als u lui en zorgeloos begint te worden.
De luiaard is de vader van de krankzinnige in de zin waarin het kind de
vader is van de man. De natuur heeft haar geweldige hand op hem gelegd
en het hele bouwsel verpletterd. De tuinman is evenals zijn rozenbomen
gebroken en neergeslagen door de machtige storm die door haar impuls is
opgestoken; zij liggen daar hulpeloos tot het zand over hen heenjaagt
en ze in een troosteloze wildernis worden begraven. Vanuit deze woestenij
zal de natuur zichzelf herscheppen en ze zal de as gebruiken van de man
die het waagde haar even onverschillig tegemoet te treden als de verdorde
bladeren van zijn planten. Zijn lichaam, ziel en geest worden gelijkelijk
door haar opgeëist.
III
De mens die
sterk is, die het besluit heeft genomen het onbekende pad te vinden, zet
iedere stap uiterst zorgvuldig. Hij uit geen overbodig woord, verricht
geen ondoordachte handelingen, hij veronachtzaamt geen plicht of taak,
hoe alledaags of hoe moeilijk ook. Maar terwijl zijn ogen en handen en
voeten aldus hun taak vervullen, ontstaan er binnenin hem nieuwe ogen
en handen en voeten. Want hij verlangt hartstochtelijk en voortdurend
ernaar om die weg te gaan waarop alleen de fijnstoffelijke organen hem
kunnen leiden. Hij heeft de fysieke wereld leren kennen en weet hoe die
te gebruiken; geleidelijk gaat zijn macht verder en herkent hij de psychische
wereld. Maar deze wereld moet hij leren kennen en hij moet weten hoe haar
te gebruiken; het hem vertrouwde leven mag hij niet loslaten voordat hij
greep heeft op dat waarmee hij niet vertrouwd is. Wanneer hij over zijn
psychische organen evenveel macht heeft verkregen als de baby over zijn
fysieke organen op het moment dat deze voor het eerst zijn longen opent,
dan is het uur voor het grootse avontuur aangebroken. Hoe weinig is er
nodig – en toch, wat is dat veel! De mens heeft slechts nodig dat het
psychische lichaam in alle delen vorm krijgt, zoals dat van een baby;
hij heeft slechts de diepe en onwrikbare overtuiging nodig waardoor een
baby wordt gedreven, namelijk dat het nieuwe leven begerenswaard is. Wanneer
aan die voorwaarden eenmaal is voldaan, kan hij gaan leven in de nieuwe
atmosfeer en opzien naar de nieuwe zon. Hij moet er echter aan denken
zijn nieuwe ervaring te vergelijken met de oude. Hij haalt nog adem, maar
anders; hij zuigt lucht in zijn longen en ontleent zijn leven aan de zon.
Hij is geboren in de psychische wereld en is nu afhankelijk van de psychische
lucht en het psychische licht. Zijn doel ligt niet hier: dit is slechts
een meer subtiele herhaling van het fysieke leven; hij moet erdoorheen
volgens soortgelijke wetten. Hij moet studeren, leren, groeien en overwinnen;
en intussen nooit vergeten dat zijn doel die plaats is waar geen lucht
is, noch zon of maan.
Verbeeld u niet dat de mens zelf zich langs deze
lijn van vooruitgang beweegt of van plaats verandert. Dat is niet het
geval. De meest natuurgetrouwe illustratie van het proces is die van snijden
door lagen korst of huid. Na zijn les volledig te hebben geleerd, werpt
de mens het fysieke leven af; na zijn les volledig te hebben geleerd,
werpt hij het psychische leven af; na zijn les volledig te hebben geleerd,
werpt hij het bespiege lende leven af, of het leven van verering.
Deze worden tenslotte alle terzijde geworpen,
en hij treedt binnen in de grootse tempel waar elke herinnering aan zelf
of aan zintuiglijke gewaarwording buiten wordt achtergelaten, zoals schoenen
worden geworpen van de voeten van een gelovige. Die tempel is de plaats
van zijn eigen zuivere godheid, de centrale vlam die, hoe verduisterd
ook, hem tijdens al zijn inspanningen heeft bezield. En wanneer hij dit
verheven thuis heeft gevonden, is hij zo veilig als de hemelen zelf. Hij
blijft stil, vervuld van alle kennis en macht. De uiterlijke mens, de
vererende, de handelende, de levende verpersoonlijking, gaat zijn eigen
weg hand in hand met de natuur, en laat al de grootse kracht zien van
de wilde groei van de aarde, verlicht door dat instinct dat kennis bevat.
Want in het innerlijkste heiligdom, in de eigenlijke tempel heeft de mens
de subtiele essentie van de natuur gevonden. Er kan niet langer enig verschil
tussen beide zijn, noch enige halve maatregel bestaan. En nu komt het
uur van handeling en macht. In dat innerlijke heiligdom is alles te vinden:
God en zijn schepselen, de duivels die op hen azen, degenen onder de mensen
die men liefhad en die men haatte. Tussen hen bestaat geen verschil meer.
Dan lacht de ziel van de mens in haar kracht en onbevreesdheid en gaat
uit in de wereld waarin haar handelingen nodig zijn; zij laat deze handelingen
plaatsvinden zonder ongerustheid, schrik, angst, spijt of vreugde.
Deze toestand is mogelijk voor de mens terwijl
hij nog leeft in het fysieke; want er zijn mensen die deze tijdens hun
leven hebben bereikt. Alleen deze toestand kan handelingen in het fysieke
lichaam goddelijk en waarachtig maken.
Het leven te midden van voorwerpen van de zin
tuigen moet voor altijd een uiterlijk verschijnsel blijven voor de verheven
ziel. Het kan alleen het machtige leven worden, het leven van vervulling,
wanneer het wordt bezield door de gekroonde en gelijkmoedige god die in
het heiligdom zetelt.
Het verkrijgen van deze toestand is zo uiterst
begerenswaardig omdat vanaf het moment dat men die ingaat, er geen moeilijkheid
meer is, geen zorg, geen twijfel of aarzeling. Zoals een groot kunstenaar
zijn schilderij vervaardigt zonder angst en zonder ooit een vergissing
te maken waar hij spijt van krijgt, zo gaat de mens die zijn innerlijk
zelf heeft gevormd, om met zijn leven.
Maar dat is het geval als men die toestand ingaat.
Dat waarnaar wij, die naar de bergen opkijken, hevig verlangen om het
te leren kennen, is de manier om er doorheen te gaan en de weg naar de
Poort. De Poort is die Gouden Poort, vergrendeld met een zware ijzeren
balk. De weg naar de drempel ervan maakt de mens duizelig en misselijk.
Het lijkt niet op een pad; het pad lijkt telkens weer te eindigen, voert
langs afgrijselijke afgronden, en verdwijnt in diepe wateren.
Als men eenmaal is overgestoken en de weg heeft
gevonden, lijkt het verwonderlijk dat de moeilijkheid zo groot heeft kunnen
schijnen. Want waar het pad verdwijnt, maakt het slechts een onverwacht
scherpe bocht; waar het voert langs de rand van de afgrond is het breed
genoeg voor de voet, en over de wateren die zo verraderlijk lijken is
er altijd een doorwaadbare plaats en een veerpont. Zo gebeurt het bij
alle diepe ervaringen van de menselijke natuur. Wanneer het eerste verdriet
het hart verscheurt, schijnt het dat er aan het pad een einde is gekomen
en dat een volkomen duisternis de plaats van het hemelgewelf heeft ingenomen.
En toch vervolgt de ziel tastend haar weg en wordt die moeilijke en schijnbaar
hopeloze bocht in de weg gepasseerd.
Zo is het ook met veel andere vormen van menselijke
foltering. Soms wordt over een lange periode of gedurende een heel leven
het pad van het bestaan voortdurend versperd door wat onoverkomelijke
hindernissen schijnen te zijn. Verdriet, pijn, lijden, het verlies van
al wat men liefheeft of van waarde acht, verheffen zich voor de doodsbange
ziel en roepen haar bij elke bocht een halt toe. Wie plaatst die hindernissen
daar? De rede deinst terug voor het kinderachtige dramatische beeld dat
de geloofsfanatici haar voorhouden – god die de duivel toestaat zijn schepselen
te kwellen voor hun uiteindelijke bestwil! Wanneer zal dat goede uiteindelijk
worden bereikt? Het idee dat in dit beeld ligt besloten veronderstelt
een einde, een doel. Er is er geen. Ieder van ons kan dit gerust toegeven;
want zover we met onze menselijke waar neming, rede, ons denken, intellect
of instinct kunnen reiken om het levensmysterie te begrijpen, tonen alle
verkregen gegevens aan dat het pad eindeloos is, dat aan de eeuwigheid
niet valt te ontkomen en dat deze door de passieve ziel niet kan worden
omgezet in een miljoen jaren.
De mens als individu of de mensheid als geheel
bezit duidelijk een dubbele constitutie. Ik spreek nu in algemene zin,
waarbij ik me er wel van bewust ben dat de verschillende filosofische
scholen hem verdelen en onderverdelen volgens hun diverse theorieën. Ik
bedoel het volgende: twee grote gemoedsbewegingen stromen door zijn natuur,
twee grote krachten leiden zijn leven; de ene maakt hem tot dier en de
andere maakt hem tot een god. Geen redeloos dier op aarde is zo grof en
wreed als de mens die zijn goddelijke vermogen onderwerpt aan zijn dierlijke
kracht. Dit spreekt vanzelf, omdat de hele kracht van zijn dubbele natuur
dan in één richting wordt gebruikt. Het dier gehoorzaamt slechts zijn
instincten en verlangt niet meer dan het bevredigen van zijn zucht naar
genoegen; het besteedt slechts weinig aandacht aan het bestaan van andere
wezens, behalve in zoverre als zij het genot of pijn verschaffen; het
weet niets af van de abstracte voorliefde voor wreedheid of één van die
andere boosaardige neigingen van de mens die hun eigen bevrediging inhouden.
Zodoende heeft de mens die tot beest wordt een miljoen keer zo sterke
greep op het leven dan een normaal beest en dat wat in het dier als genieting
onschuldig genoeg is, niet gestoord door een willekeurige ethische norm,
dat wordt in deze mens ondeugd, omdat het uit beginsel wordt bevredigd.
Bovendien verlegt hij alle goddelijke vermogens van zijn wezen naar dit
kanaal, en verlaagt zijn ziel door haar tot slavin van zijn zinnen te
maken. De god, misvormd en onherkenbaar gemaakt, dient het dier en voedt
het.
Overweeg dan of het niet mogelijk is de toestand
te veranderen. De mens zelf is koning van het land waarin dit vreemde
schouwspel zich voordoet. Hij staat het beest toe de plaats van de god
onrechtmatig te bezetten omdat het beest tijdelijk zijn grillige koninklijke
verbeelding het meest behaagt. Dit kan niet altijd voortduren; waarom
zou men er nog langer mee doorgaan? Zolang het dier regeert, zal er een
hevig lijden zijn als gevolg van veranderingen, van het heen en weer geslingerd
worden tussen genot en pijn, van het verlangen naar een voortzetting van
een aangenaam fysiek leven. En de god in zijn hoedanigheid van dienaar
maakt dit alles duizend keer zo erg; door het fysieke leven zoveel sterker
te vervullen met intens genot – uitzonderlijk, wellustig, esthetisch genot
– en met hevige pijn, die zo intens is dat men niet weet waar deze ophoudt
en waar het genot begint. Zolang de god dient, zolang zal het leven van
het dier worden verrijkt en steeds meer betekenis krijgen. Maar laat de
koning besluiten het aanzien van zijn hof te veranderen en met kracht
het dier van de regeringszetel te verdrijven, en daardoor de god terug
te brengen op de plaats van de godheid.
O, de diepe vrede die dan op het paleis neerdaalt!
Ja, alles wordt veranderd. Niet langer is er het koortsachtige persoonlijke
hunkeren of verlangen, niet langer is er opstandigheid of verdriet, niet
langer een hongeren naar genot of vrees voor pijn. Het is als een grote
kalmte die neerdaalt op een stormachtige oceaan; het is als een milde
zomerregen op verdorde grond; het is als de diepe poel, gevonden te midden
van de vermoeiende, dorstverwekkende doolhoven van het dreigende woud.
Maar er is veel meer dan dit. Niet alleen is de
mens meer dan een dier omdat er een god in hem is, maar hij is meer dan
een god omdat er een dier in hem is.
Wanneer u het dier eenmaal op zijn rechtmatige
plaats heeft gezet, die van de mindere, zult u zich in het bezit weten
van een grote kracht, tot dan toe onvermoed en onbekend. De god als dienaar
vermeerdert de genoegens van het dier duizendvoudig; het dier als dienaar
verhoogt de vermogens van de god duizendvoudig. En door de vereniging,
de juiste verhouding van deze twee krachten in hem, staat de mens als
een sterke koning en kan hij zijn hand opheffen en de grendel van de Gouden
Poort schuiven. Wanneer deze krachten in een onjuiste verhouding tot elkaar
staan, dan is de koning slechts een gekroonde wellusteling, zonder macht,
en wordt met zijn waardigheid slechts de spot gedreven; want de dieren
– hoewel niet goddelijk – kennen tenminste vrede en worden niet verscheurd
door verdorvenheid en wanhoop.
Dat is het hele geheim. Dat is het wat de mens
sterk maakt, machtig en in staat om hemel en aarde in zijn greep te houden.
Verbeeld u niet dat het gemakkelijk kan worden bereikt. Laat u niet misleiden
door het idee dat de religieuze of de deugdzame mens het kan! Dat is niet
het geval. Zij doen niet meer dan een norm stellen, een sleur, een wet,
waardoor ze het dier intomen. De god wordt gedwongen hen op een bepaalde
manier te dienen en doet dat door hen te behagen met de geloofsopvattingen
en de geliefkoosde fantasiebeelden van de vromen, met het opgeblazen gevoel
van persoonlijke trots die de deugdzamen vreugde schenkt. Deze bijzondere
en geheiligde ondeugden zijn te laag en te onedel om mogelijk te zijn
voor het gewone dier, voor wie de enige inspirator de natuur zelf is,
altijd fris als de dageraad. De god in de mens, als deze is onteerd, is
iets onuitsprekelijk schandelijks in zijn vermogen tot voortbrenging.
Het dier in de mens, als het is veredeld, is iets
onvoorstelbaar groots in zijn macht om te dienen en door zijn kracht.
U die uw dierlijke zelf laat voortbestaan, slechts
ingetoomd en binnen zekere grenzen gehouden, u vergeet dat dit een grote
kracht is, een integrerend deel van het dierlijke leven van de wereld
waarin u leeft. Met dat zelf kunt u mensen beheersen en afhankelijk van
uw kracht meer of minder waarneembaar invloed uitoefenen op de wereld.
De god zal, wanneer hem zijn rechtmatige plaats wordt gegeven, dit buitengewone
schepsel zodanig inspireren en leiden, het zodanig opvoeden en ontwikkelen,
het zodanig dwingen tot handelen en tot erkenning van zijn ware aard,
dat het u zal doen beven wanneer u de macht die in u is ontwaakt gaat
herkennen. Het dier in u zal dan een koning zijn onder de dieren van de
wereld.
Dit is het geheim van de magiërs van de oude wereld,
die de natuur dwongen hen te dienen en wonderen te doen tot hun voordeel.
Dit is het geheim van het komende ras dat Lord Lytton ons aankondigde.
Maar deze macht kan alleen worden verkregen door
de god te laten regeren. Maak het dier tot heerser over uzelf en nooit
zal het over anderen regeren.
Licht
op het Pad & Door de Gouden Poort
©
1999 Theosophical University Press Agency, Den Haag
|