Aantekeningen

Deel I

Aantekening bij Regel 1. – Eerzucht is de eerste vloek: de grote verleider van de mens die boven zijn medemens uitgroeit. Ze is de eenvoudigste vorm van het verlangen naar beloning. Voortdurend worden verstandige en krachtige mensen erdoor van hun hogere mogelijkheden afgeleid. Toch is ze een noodzakelijke lerares. Haar gevolgen vergaan in de mond tot stof en as; evenals dood en onderlinge vervreemding toont ze de mens tenslotte dat voor zichzelf werken betekent werken voor teleurstelling. Maar al schijnt deze eerste regel zo eenvoudig en gemakkelijk, toch moet u er niet snel aan voorbijgaan. Want deze ondeugden van de gewone mens maken een geraffineerde gedaanteverandering door en verschijnen in een andere vorm opnieuw in het hart van de leerling. Het is gemakkelijk om te zeggen: ik zal niet eerzuchtig zijn; het is niet zo gemakkelijk om te zeggen: wanneer de meester in mijn hart leest, zal hij constateren dat het volkomen zuiver is. De ware kunstenaar die uit liefde voor zijn werk werkt, bevindt zich soms meer vastberaden op de goede weg dan de occultist die zich verbeeldt dat zijn belangstelling niet langer op zichzelf is gericht, maar die in werkelijkheid de grenzen van ervaring en verlangen slechts heeft verruimd, en zijn belangstelling heeft verplaatst naar de dingen die het grotere tijdsbestek van zijn leven betreffen. Hetzelfde beginsel is van toepassing op de twee andere schijnbaar eenvoudige regels. Blijf er eens bij stilstaan en laat u niet gemakkelijk door uw eigen hart misleiden. Want nu, op de drempel, kan een fout nog worden hersteld. Maar als u haar met u meedraagt, zal ze groeien en tot bloei komen, of anders zult u bitter moeten lijden bij haar vernietiging.

    Aantekening bij Regel 5. – Verbeeld u niet dat u zich afzijdig kunt houden van slechte of dwaze mensen. Zij zijn uzelf, hoewel in mindere mate dan uw vriend of uw meester. Maar als u toestaat, dat de gedachte afgescheiden te zijn van een slecht ding of slechte persoon in u wortel schiet, schept u daardoor karma dat u aan dat ding of die persoon zal binden, totdat uw ziel inziet dat ze niet kan worden afgezonderd. Bedenk dat de zonde en schande van de wereld uw zonde en schande zijn; want u maakt er deel van uit; uw karma is onontwarbaar verweven met het grote karma. En voordat u kennis kunt bereiken, moet u alle plaatsen hebben bezocht, zowel de reine als de onreine. Bedenk daarom dat het besmeurde kleed waarvoor u nu terugdeinst om het aan te raken, misschien gisteren het uwe was of in de toekomst van u kan zijn. En als u zich met afschuw ervan afwendt wanneer het op uw schouders wordt gelegd, zal het zich nog vaster aan u hechten. Wie vol eigendunk is, bereidt zich een bedding van slijk. Onthoud u omdat het goed is zich te onthouden, en niet om zelf rein te blijven.

    Aantekening bij Regel 17. – Deze drie woorden lijken misschien te onbeduidend om op zichzelf te staan. De leerling zal zeggen: zou ik ooit deze gedachten bestuderen als ik niet de weg zocht? Ga echter niet haastig verder. Sta stil en denk eens even na. Is het de weg die u begeert, of is er in uw droombeelden een vaag vergezicht van grote hoogten die door uzelf moeten worden beklommen, of van een grootse toekomst die u eens zult bereiken? Wees dus gewaarschuwd. De weg moet worden gezocht terwille van de weg zelf en niet opdat uw voeten hem zullen betreden.
    Er is een overeenkomst tussen deze regel en de zeventiende van de tweede reeks. Wanneer na eeuwen worstelen en vele zeges de laatste strijd is gewonnen en het uiteindelijke geheim wordt opgeŽist, dan bent u voorbereid voor een nog verder pad. Wanneer het uiteindelijke geheim van deze grote les u wordt onthuld, wordt daarin het mysterie van de nieuwe weg geopenbaard – een pad dat ons wegvoert uit alle menselijke ervaring en dat de gewaarwording of verbeelding van de mens volledig te boven gaat. Men moet bij elk van deze punten lang stilstaan en er goed over nadenken. Bij elk van deze punten is het nodig er zeker van te zijn dat de weg terwille van de weg zelf wordt gekozen. De weg en de waarheid komen eerst en dan volgt het leven.

    Aantekening bij Regel 20. – Zoek de weg door alle ervaringen te toetsen, en denk eraan dat als ik dit zeg, ik niet zeg: geef toe aan de verleidingen van de zintuigen om deze te leren kennen. Voordat u occultist bent geworden, kunt u dit doen, maar niet daarna. Wanneer u deze weg heeft gekozen en bent ingeslagen, kunt u aan deze verleidingen niet zonder schaamte toegeven. Toch kunt u ze zonder afschuw ervaren; u kunt ze overdenken, waarnemen en toetsen en vol vertrouwen geduldig wachten op het uur dat ze niet langer invloed op u hebben. Veroordeel echter niet de mens die eraan toegeeft; reik hem uw hand als aan een broederpelgrim van wie de voeten zwaar zijn geworden van het slijk. Bedenk wel, leerling, dat hoe groot de kloof ook is tussen de zondaar en de goede mens, zij groter is tussen de goede mens en hij die kennis heeft verworven; zij is onmetelijk tussen de goede mens en hij die op de drempel staat van het goddelijke. Wees daarom op uw hoede, opdat u zich niet te snel zult verbeelden dat u losstaat van de massa. Als u het begin van de weg heeft gevonden, zal de ster van uw ziel haar licht doen gloren; en door dat licht zult u merken hoe groot de duisternis is waarin het brandt. De ziel, het hart, het brein – alle zijn duister en donker totdat de eerste grote strijd is gewonnen. Laat u zich daardoor niet afschrikken en bang maken; houd uw blik gericht op het kleine licht en het zal groeien. Maar laat de duisternis daarbinnen u helpen de hulpeloosheid te begrijpen van hen die nog geen licht hebben gezien, van wie de zielen nog in diepe duisternis zijn gehuld. Maak hen geen verwijten, deins niet voor hen terug, maar probeer iets van het zware karma van de wereld te verlichten; help dan dat kleine aantal sterke handen die beletten dat de machten van de duisternis een volledige overwinning behalen. Dan wordt u deelgenoot van een vreugde, die inderdaad een enorme inspanning en diepe droefheid met zich meebrengt, maar ook een groot en steeds groeiend genoegen.

    Aantekening bij Regel 21. – Het openen van de bloem is het glorieuze moment waarop de gewaarwording ontwaakt: daarmee komen vertrouwen, kennis, zekerheid. Het stilhouden van de ziel is het ogenblik van verbazing en daarop volgt een ogenblik van voldoening – dat is de stilte.
    Weet, leerling, dat zij die door de stilte zijn gegaan en haar vrede hebben gevoeld en haar kracht hebben behouden, ernaar verlangen dat ook u daar doorheen zult gaan. Daarom zal de leerling in de Hal van Lering, wanneer hij in staat is die te betreden, altijd zijn meester vinden.
    Zij die vragen, zullen ontvangen. Maar hoewel de gewone mens voortdurend vraagt, wordt zijn stem niet gehoord. Want hij vraagt alleen met zijn denken; en de stem van het denken wordt alleen gehoord op dat gebied waarop het denken actief is. Daarom zeg ik pas nadat de eerste eenentwintig regels zijn aangenomen: zij die vragen, zullen ontvangen.
    Te lezen in de occulte zin is te lezen met de ogen van de geest. Te vragen is de honger van binnen te voelen – het verlangen van de geestelijke aspiratie. Te kunnen lezen betekent in geringe mate het vermogen te hebben verkregen om die honger te stillen. Wanneer de leerling gereed is om te leren, dan wordt hij aangenomen, geaccepteerd, erkend. Dit moet zo zijn, want hij heeft zijn lamp aangestoken en dit kan niet onopgemerkt blijven. Maar het is onmogelijk te leren tenzij de eerste grote strijd is gewonnen. Het denken kan de waarheid herkennen, maar de geest kan haar niet ontvangen. Wanneer de storm eenmaal is doorstaan en de vrede is bereikt, dan is het altijd mogelijk te leren, al zou de leerling weifelen, aarzelen of zich afwenden. De stem van de stilte blijft in hem; en al zou hij het pad geheel verlaten, toch zal zij eenmaal opnieuw weerklinken en hem in tweeŽn scheuren en zijn hartstochten scheiden van zijn goddelijke mogelijkheden. Dan zal hij terugkeren, waarbij het verlaten lagere zelf lijdt en wanhoopskreten uit.
    Daarom zeg ik, vrede zij met u. ĎMijn vrede geef ik uí, kan door de meester alleen worden gezegd tot de geliefde leerlingen die zijn zoals hijzelf. Er zijn enkelen, zelfs onder degenen die de oosterse wijsheid niet kennen, tot wie dit kan worden gezegd en tot wie het dagelijks meer en meer in de volle betekenis kan worden gezegd.
    Besteed aandacht aan de drie waarheden. Ze zijn gelijkwaardig.


Deel II


    Aantekening bij Afd. II. – In staat zijn te staan betekent vertrouwen te hebben; in staat zijn te horen betekent de deuren van de ziel te hebben geopend; in staat zijn te zien betekent gewaarwording te hebben verworven; in staat zijn te spreken betekent het vermogen te hebben verkregen om anderen te helpen; begeerte te hebben overwonnen betekent te hebben geleerd hoe het zelf te gebruiken en te beheersen; zelfkennis te hebben verkregen betekent zich in de innerlijke burcht te hebben teruggetrokken van waaruit de persoonlijke mens onbevooroordeeld kan worden aanschouwd; uw ziel in haar bloei te hebben gezien betekent in uzelf een kortstondige flits te hebben aanschouwd van de gedaanteverandering die u na verloop van tijd tot meer dan een mens zal maken; deze te herkennen betekent de grote taak te volbrengen om in het vlammend licht te schouwen zonder de ogen neer te slaan en niet uit angst terug te deinzen, alsof het een afschuwelijke spookverschijning betreft. Dit overkomt een enkeling en daardoor gaat de zege, wanneer ze bijna is behaald, toch weer verloren; de stem van de stilte te horen betekent te begrijpen dat de enige ware leiding van binnenuit komt; naar de Hal van Lering te gaan betekent de toestand ingaan waarin leren mogelijk wordt. Dan zullen daar veel woorden voor u worden geschreven, geschreven in vurige letters die u gemakkelijk kunt lezen. Want als de leerling gereed is, is ook de meester gereed.

    Aantekening bij Regel 5. – Stem eropaf en luister ernaar, eerst in uw eigen hart. Eerst zegt u misschien: het is er niet; wanneer ik zoek, vind ik slechts disharmonie. Kijk dieper. Als u opnieuw wordt teleurgesteld, wacht dan en kijk nog dieper. Er is een natuurlijke melodie, een verborgen bron in ieder mensenhart. Ze kan onderdrukt zijn en volkomen verborgen en tot zwijgen gebracht – maar ze is er. Aan de basis van uw natuur zult u geloof, hoop en liefde vinden. Wie het kwade kiest, weigert in zichzelf te zien, sluit zijn oren voor de melodie van zijn hart, terwijl hij zijn ogen blind maakt voor het licht van zijn ziel. Hij doet dit omdat hij het gemakkelijker vindt in zijn begeerten te leven. Maar door alle leven loopt de sterke stroom die niet tot staan kan worden gebracht; de grote wateren zijn daar werkelijk. Ontdek ze en u zult gewaarworden dat er niemand is, zelfs niet het meest armzalige schepsel, of hij maakt er deel van uit, hoe blind hij zich misschien ook houdt voor dit feit en voor zichzelf een denkbeeldige uiterlijke vorm van verschrikking bouwt. In die zin zeg ik tot u: Al die wezens, tussen wie u voortworstelt, zijn fragmenten van het goddelijke. En de illusie waarin u leeft, is zo bedrieglijk dat het moeilijk is te achterhalen waar u voor het eerst de liefelijke stem in het hart van de ander zult ontdekken. Maar weet dat ze beslist binnenin uzelf is. Zoek haar dus daar en heeft u haar eenmaal gehoord, dan zult u haar gemakkelijker ook om u heen herkennen.

    Aantekening bij Regel 10. – Vanuit een volstrekt onpersoonlijk gezichtspunt, anders wordt uw waar neming gekleurd. Daarom moet onpersoonlijkheid eerst worden begrepen.
    Een waar verstand is onpartijdig: niemand is uw vijand – niemand is uw vriend. Allen zijn evenzeer uw leraren. Uw vijand wordt een mysterie dat moet worden opgelost, zelfs al zou het eeuwen kosten: want de mens moet worden begrepen. Uw vriend wordt een deel van uzelf, een uitbreiding van uzelf, een raadsel dat moeilijk is te verklaren. Er is maar ťťn ding dat moeilijker is te kennen – uw eigen hart. Pas wanneer de boeien van de persoonlijkheid zijn verbroken, kan men beginnen dat diepe mysterie van het zelf te zien. Pas wanneer u er afstand van kunt nemen, zal het zich op een of andere wijze aan uw verstand openbaren. Pas dan en niet eerder kunt u het begrijpen en er leiding aan geven. Pas dan, en niet eerder, kunt u al zijn vermogens op een waardige wijze gaan gebruiken.

    Aantekening bij Regel 13. – Het is onmogelijk anderen te helpen voordat uzelf enige zekerheid heeft verkregen. Wanneer u de eerste eenentwintig regels heeft geleerd, de Hal van Lering heeft betreden met uw vermogens ontwikkeld en de zintuigen ongeboeid, dan zult u ontdekken dat er binnenin u een bron is waaruit het vermogen tot spreken zal opwellen.
    Ik kan na de dertiende regel geen woorden toevoegen aan wat al is geschreven.
    Mijn vrede geef ik u.
    Deze aantekeningen zijn alleen voor hen geschreven aan wie ik mijn vrede geef: zij die van wat ik heb geschreven zowel de innerlijke als de uiterlijke betekenis kunnen lezen
.

 

Licht op het Pad & Door de Gouden Poort

© 1999 Theosophical University Press Agency, Den Haag