|
ESCHOUW
MET MIJ het individuele bestaan als een koord dat zich van het
oneindige naar het oneindige uitstrekt en geen begin en geen einde heeft
en evenmin kan worden gebroken. Dit koord wordt door ontelbare fijne draden
gevormd, die dicht aaneen liggen en de dikte ervan vormen. Deze draden
zijn kleurloos, zijn volmaakt recht, enorm sterk en zonder oneffenheden.
Dit koord dat alle plaatsen doorloopt, maakt vreemde toestanden mee. Heel
vaak blijft een draad haken en komt vast te zitten of wordt misschien
slechts met geweld van zijn gelijkmatige pad gebracht. Dan is hij voor
lange tijd in de war en brengt het geheel in wanorde. Soms wordt er één
met vuil of met verf besmeurd; en de vlek loopt niet alleen verder uit
dan de plek van aanraking, maar ze verkleurt ook andere draden. En bedenk
dat die draden leven – ze zijn te vergelijken met elektriciteitskabels,
sterker nog, ze zijn als trillende zenuwen. Hoever zal een vlek, een ruk
in de verkeerde richting, doorwerken! Maar uiteindelijk komen de lange
strengen, de levende draden die in hun ononderbroken continuïteit het
individu vormen, vanuit de schaduw en gaan in het licht. Dan zijn de draden
niet langer kleurloos, maar als van goud; opnieuw liggen ze aaneengesloten,
zonder oneffen heden. Wederom zijn ze met elkaar in harmonie ge komen;
en vanuit die innerlijke harmonie wordt de grotere harmonie waargenomen.
Dit voorbeeld geeft maar een klein gedeelte weer
– één enkel aspect van de waarheid: het is nog minder dan een fragment.
Blijf er evenwel bij stilstaan; het kan u tot hulp zijn om meer waar te
nemen. Eerst moet men begrijpen dat de toekomst niet willekeurig wordt
gevormd door de afzonderlijke daden van het heden, maar dat de hele toekomst
een ononderbroken continuïteit vormt met het heden, zoals het heden dat
vormt met het verleden. Op één gebied, vanuit één standpunt gezien, is
het beeld van het koord juist.
Er wordt gezegd dat een beetje aandacht voor het
occultisme grote karmische gevolgen heeft. Dat komt omdat het onmogelijk
is enige aandacht aan het occultisme te schenken zonder duidelijk te kiezen
tussen wat gewoonlijk goed en kwaad wordt genoemd. De eerste stap in het
occultisme brengt de studerende naar de boom van kennis. Hij moet plukken
en eten; hij moet kiezen. Hij kan niet langer door onwetendheid besluiteloos
blijven. Hij gaat òf op het goede òf op het slechte pad voort. En als
men vastberaden en doelbewust zelfs maar één stap op het ene of het andere
pad zet, heeft dit grote karmische gevolgen. De meeste mensen lopen aarzelend,
onzeker over het doel dat zij beogen; het niveau van hun bestaan is onbepaald;
daardoor werkt hun karma op een verwarde manier. Maar als men eenmaal
de drempel van kennis heeft bereikt, begint de verwarring te verminderen,
en daardoor nemen de karmische gevolgen enorm toe, omdat al die gevolgen
op de verschillende gebieden in dezelfde richting werkzaam zijn; want
de occultist kan niet halfslachtig zijn en hij kan ook niet terug als
hij de drempel heeft overschreden. Deze dingen zijn even onmogelijk als
dat een mens weer kind zou worden. Het individu heeft door zijn groei
de staat van verantwoordelijkheid bereikt; hij kan niet terugkrabbelen.
Wie zich uit de boeien van karma wil bevrijden,
moet zijn persoonlijkheid uit de schaduw naar het licht verheffen, moet
zijn levenswijze zo veredelen dat deze draden niet in aanraking komen
met stoffen die hem bevuilen, niet zo blijven haken dat ze in een verkeerde
richting worden getrokken. Hij verheft zich eenvoudig boven het gebied
waarop karma werkt. Hij geeft het leven niet op, dat hij ter wille daarvan
doormaakt. De grond is misschien oneffen en vuil of vol bloemen rijk aan
stuifmeel dat vlekken geeft, of vol zoete stoffen die gaan plakken en
gehechtheden worden – maar erboven is altijd de heldere hemel. Wie
zonder karma wil zijn, moet naar de lucht zien als zijn thuis en daarna
naar de ether. Wie goed karma wil vormen, zal veel verwarring ontmoeten;
en in zijn poging overvloedig zaad voor zijn oogst te zaaien, plant hij
misschien duizend soorten onkruid, waaronder ontzaglijk grote. Verlang
niet zaad voor eigen oogst te zaaien; verlang alleen dat zaad te zaaien
waarvan de vruchten de wereld zullen voeden. U bent een deel van de wereld;
door haar voedsel te geven, voedt u uzelf. En zelfs in deze gedachte schuilt
een groot gevaar dat naar voren dringt en waarmee de leerling wordt geconfronteerd,
die lange tijd heeft gedacht dat hij ten goede werkte, terwijl hij in
het diepst van zijn ziel slechts het kwade zag; dat wil zeggen, hij dacht
dat hij het welzijn van de wereld beoogde, terwijl hij al die tijd onbewust
de gedachte van karma aanvaardde, en het welzijn, waar hij voor werkt,
is voor hemzelf. Iemand kan weigeren zichzelf toe te staan aan beloning
te denken. Maar in die weigering zelf kan men het feit waarnemen dat naar
beloning wordt verlangd. En het heeft voor de leerling geen nut om te
trachten te leren door zich in bedwang te houden. De ziel moet ongeboeid
zijn, de begeerten vrij. Maar totdat deze slechts zijn gericht op die
toestand waarin beloning noch straf, goed noch kwaad, bestaan, zullen
zijn inspanningen vergeefs blijven. Het kan schijnen dat hij grote vorderingen
maakt, maar eenmaal zal hij van aangezicht tot aangezicht staan met zijn
eigen ziel en zal hij inzien dat hij, toen hij bij de boom van kennis
kwam, de bittere vruchten verkoos en niet de zoete; en dan zal de sluier
geheel wegvallen, en zal hij zijn vrijheid opgeven en een slaaf van de
begeerte worden. Wees daarom gewaarschuwd, u die zich nog maar pas op
het occulte leven richt. Leer nu dat er geen genezing is voor begeerte,
geen genezing voor de zucht naar beloning, geen genezing voor de ellende
van het verlangen, behalve in het richten van het gezicht en het gehoor
op dat wat onzichtbaar en onhoorbaar is. Begin nu dadelijk het toe te
passen en daardoor zullen duizenden slangen van uw pad worden afgehouden.
Leef in het eeuwige.
De leerling moet de werkingen van de werkelijke
wetten van karma niet bestuderen voordat hij het punt heeft bereikt waarop
ze hem niet langer treffen. De ingewijde heeft het recht de geheimen van
de natuur op te eisen en de wetten te kennen die het leven van de mens
beheersen. Hij verkrijgt dit recht doordat hij aan de beperkingen van
de natuur is ontsnapt en door zich te hebben bevrijd van de wetten die
het menselijk leven beheersen. Hij is een erkend deel van het goddelijke
element geworden, en wordt niet langer beïnvloed door wat tijdelijk is.
Hij krijgt dan kennis van de wetten die tijdelijke omstandigheden beheersen.
Daarom, u die de wetten van karma wilt begrijpen, probeer eerst uzelf
van deze wetten te bevrijden; en dit kan slechts worden gedaan door uw
aandacht te richten op dat wat door die wetten niet wordt beïnvloed.
Licht
op het Pad & Door de Gouden Poort
©
1999 Theosophical University Press Agency, Den Haag
|