II

e eerste vier voorschriften van Licht op het Pad zijn ongetwijfeld, al lijkt deze bewering misschien vreemd, de belangrijkste van het hele boek, op één na. Ze zijn zo belangrijk omdat ze de fundamentele wet bevatten betreffende de scheppende essentie van de astrale mens. En alleen in het astrale (of zelfverlichte) bewustzijn hebben de voorschriften die daarna volgen enige werkelijke betekenis. Heeft men eenmaal het punt bereikt dat men gebruik kan maken van de astrale zintuigen, dan wordt het iets vanzelfsprekends om ze te gaan gebruiken; en de verdere voorschriften zijn alleen bedoeld als gids bij het gebruik ervan. Wanneer ik zo spreek, bedoel ik natuurlijk dat de eerste vier voorschriften van gewicht en van belang zijn voor wie ze in druk op een bladzijde lezen. Wanneer ze onmiskenbaar in het hart van de mens en in zijn leven zijn gegrift, dan worden de andere voorschriften niet alleen belangrijke of bijzondere metafysische beweringen, maar werkelijke feiten in het leven die moeten worden begrepen en ervaren.
    De vier voorschriften staan geschreven in de grote zaal van iedere werkelijke loge van een levende broederschap. Of de mens op het punt staat zijn ziel aan de duivel te verkopen, zoals Faust, of dat hij in de strijd het onderspit delft, zoals Hamlet, of dat het de bedoeling is dat hij wordt binnengelaten, in elk van die gevallen zijn deze woorden voor hem bestemd. De mens kan tussen deugd en ondeugd kiezen, maar hij kan dat pas als hij een volwassen mens is geworden; een baby of een wild dier kan die keuze niet maken. Hetzelfde geldt voor de leerling; hij moet eerst een leerling worden voordat hij de paden waartussen hij moet kiezen zelfs maar kan zien. Deze poging zich tot een leerling om te vormen, deze wedergeboorte, moet hijzelf volbrengen zonder leraar. Totdat de vier voorschriften zijn geleerd, kan geen leraar hem van enig nut zijn; en daarom wordt over ‘de meesters’ gesproken op de wijze zoals dat hier gebeurt. Geen werke lijke meester, of het een adept in macht, in liefde of in duisternis is, kan invloed op iemand hebben voordat aan deze vier voorschriften is voldaan.
    Zoals ik heb gezegd, kunnen tranen het levensvocht worden genoemd. De ziel moet de gemoedsaan doeningen van de mensheid van zich af hebben gezet, moet een evenwicht hebben bereikt dat door geen tegenslag kan worden verstoord voordat haar ogen zich kunnen openen voor de bovenmenselijke wereld.
    De stem van de meesters weerklinkt altijd in de wereld; maar alleen zij horen haar van wie de oren niet langer ontvankelijk zijn voor de klanken die invloed hebben op het persoonlijke leven. Lachen geeft het hart geen verlichting meer, boosheid kan het niet meer tot razernij brengen, tedere woorden brengen het geen vertroosting. Want dat binnenin ons, waarvoor de oren als een buitendeur zijn, is op zichzelf een plaats van ongestoorde vrede die door geen mens kan worden aangetast.
    Zoals de ogen de vensters van de ziel zijn, zo zijn de oren haar poorten of deuren. Daardoor bereikt ons kennis over de verwarring van de wereld. De groten die meester zijn geworden over het leven, die meer dan leerling zijn geworden, staan in vrede en onbewogen te midden van de drukte en de caleidoscopische activiteit van de mensheid. Zij dragen een volmaakte kennis in zich en ook een volkomen vrede; en aldus worden ze niet geprikkeld of opgewonden door de onvolledige en onjuiste stukjes informatie die hun oren bereiken door de wisselende stemmen van de mensen om hen heen. Wanneer ik over kennis spreek, bedoel ik intuïtieve kennis. Deze vaststaande kennis kan nooit door hard werken of door proefneming worden verkregen, want deze methoden zijn alleen op materie van toepassing; en materie is op zichzelf een volkomen onzekere substantie die voortdurend aan verandering onderhevig is. De meest volstrekte en universele wetten van natuurlijk en fysiek leven, zoals die in de wetenschap worden opgevat, zullen verdwijnen wanneer het leven van dit heelal zal zijn geëindigd en alleen de ziel ervan in de stilte zal zijn overgebleven. Wat zal dan de waarde zijn van kennis over de wetten ervan die door inspanning en waarneming zijn verkregen? Ik hoop dat geen lezer of criticus zal gaan denken dat ik met wat ik heb gezegd de bedoeling heb de verkregen kennis of het werk van de mensen van de wetenschap te kleineren of te geringschatten. Integendeel, ik denk dat de wetenschappers de pioniers zijn van het moderne denken. De dagen van letterkunde en van kunst toen dichters en beeldhouwers het goddelijke licht zagen en het in hun eigen grootse taal overbrachten – deze dagen liggen in het verre verleden begraven samen met de beeldhouwers van vóór Phidias en de voor-Homerische dichters. De mysteriën beheersen niet langer de wereld van denken en schoonheid; het menselijke leven is de heersende macht, niet wat daarachter ligt. Maar de wetenschappelijke werkers boeken vooruitgang – niet zozeer door eigen wil als wel door de omstandigheden gedwongen – naar de verre scheidslijn tussen het verklaarbare en het onverklaarbare. Iedere nieuwe ontdekking brengt hen een stap verder; daarom heb ik grote waardering voor de kennis die door werk en proefneming wordt verkregen.
    Intuïtieve kennis is echter iets heel anders. Zij wordt niet op een of andere manier verworven, maar is, zo gezegd, een eigenschap van de ziel; niet van de dierlijke ziel die na de dood een spook wordt, wanneer wellust en sympathie of de herinnering aan slechte daden haar dichtbij de mensen houdt, maar van de goddelijke ziel die alle uiterlijke vormen van het geïndividualiseerde bestaan bezielt.
    Dit is natuurlijk een vermogen dat in die ziel verblijft, en haar is ingeboren. Wie leerling wil zijn, moet in zichzelf het bewustzijn ervan opwekken door een krachtige en besliste en ontembare inspanning van de wil. Ik gebruik het woord ontembaar met een bepaalde bedoeling. Alleen hij die niet te temmen is, die niet kan worden overheerst, die weet dat hij meester moet zijn over mensen, over feiten, over alle dingen, behalve zijn eigen goddelijkheid, kan dit vermogen opwekken. ‘Door geloof zijn alle dingen mogelijk.’ De sceptici lachen om geloof en zijn er trots op dat die eigenschap in hun eigen denken ontbreekt. De waarheid is dat geloof een enorme motor is, een geweldige kracht die in feite alle dingen tot stand kan brengen. Want het is het verbond of de overeenkomst tussen het goddelijke deel van de mens en zijn lagere zelf.
    Het gebruik van deze drijvende kracht is hard nodig om intuïtieve kennis te verkrijgen, want hoe kan de mens, tenzij hij gelooft dat zulke kennis binnenin hem bestaat, er anders aanspraak op maken en haar gebruiken?
    Hij is zonder deze kracht hulpelozer dan drijf- of wrakhout op de grote getijden van de oceaan. Dit wordt immers her- en derwaarts geworpen; hetzelfde kan een mens overkomen door wisselingen van het lot. Dergelijke avonturen zijn echter slechts uiterlijk en van heel weinig belang. Een slaaf kan in ketenen door de straten worden gesleurd en toch de rustige ziel van een filosoof behouden, zoals men kon zien in de persoon van Epictetus. Iemand kan alle mogelijke aardse bezittingen hebben en schijnbaar volkomen meester van zijn persoonlijk lot zijn, en toch kent hij geen vrede, geen zekerheid, omdat hij door elk getij van het denken waarmee hij in aanraking komt, innerlijk wordt geschokt. En deze wisselende getijden stuwen de mens niet alleen maar lichamelijk heen en weer, zoals drijfhout op het water; dat zou van geen betekenis zijn. Ze dringen de poorten van zijn ziel binnen en overspoelen de ziel en maken haar blind en leeg en zonder enige blijvende intelligentie, zodat voorbijgaande indrukken invloed op haar hebben.
    Ik zal een voorbeeld geven om mijn bedoeling duidelijker te maken. Neem een schrijver aan zijn werktafel, een schilder voor zijn doek, een componist luisterend naar de melodieën die in zijn vreugdevolle verbeelding opklinken, en laat ieder van hen zijn dagelijkse werkuren doorbrengen voor een groot raam dat op een drukke straat uitziet. De macht van het bezielende leven verdooft zowel horen als zien en het drukke stadsverkeer gaat als slechts een vluchtig schouwspel aan hen voorbij. Maar iemand van wie het brein leeg is, van wie de dagen doelloos zijn en die aan hetzelfde raam zit, merkt de voorbijgangers op en herinnert zich de gezichten die hem misschien behagen of interesseren. Zo gaat het ook met het denkvermogen in relatie tot de eeuwige waarheid. Als het zijn wisselende gedachten, zijn onvolledige kennis, zijn onbetrouwbare informatie niet meer aan de ziel overbrengt, dan – op die innerlijke plaats van vrede die al werd gevonden toen het eerste voorschrift werd geleerd – dan laait op die innerlijke plaats het licht van ware kennis op tot een vlam. Dan beginnen de oren te horen. Eerst heel vaag, heel zwak. En inderdaad, deze eerste aanwijzingen van het begin van het ware, werkelijke leven zijn zo zwak en teer dat ze soms terzijde worden geschoven als slechts fantasie, slechts verbeelding.
    Maar voordat deze meer dan alleen verbeelding kunnen worden, moet de afgrond van het niets in een andere vorm onder ogen worden gezien. De volkomen stilte die slechts tot ons kan komen door de oren voor alle voorbijgaande geluiden te sluiten, komt als een verschrikkelijker gruwel dan zelfs de vormloze leegte van de ruimte. De enige manier waarop we ons lege ruimte kunnen voorstellen is – denk ik – wanneer deze wordt herleid tot zijn eenvoudigste gedachte-element, dat van zwarte duisternis. Voor de meeste mensen vormt deze een grote fysieke verschrikking, en als ze als een eeuwig en onveranderlijk feit wordt be schouwd, moet ze voor het denken meer dan iets anders het denkbeeld van vernietiging betekenen. Maar het is de vernietiging van slechts één zintuig; en de klank van een stem kan zich doen horen en zelfs in de diepste duisternis troost brengen. De leerling die in deze zwarte duisternis, die de angstwekkende afgrond is, de weg heeft gevonden, moet dan de poort van zijn ziel zodanig sluiten dat geen vertrooster noch enige vijand er kan binnendringen. En bij deze tweede poging wordt – door hen die dit tevoren niet konden waarnemen – ingezien dat lijden en vreugde slechts één soort gewaarwording zijn. Want als de eenzaamheid van de stilte wordt bereikt, hongert de ziel zo hevig en hartstochtelijk naar een zintuiglijke ervaring waarop zij kan steunen, dat een die pijnlijk is even welkom zou zijn als een die vreugdevol is. Wanneer hij dit inzicht bereikt, kan de moedige mens door het vast te houden en niet los te laten de ‘gevoeligheid’ [voor zintuiglijke indrukken] ineens vernietigen. Wanneer het oor geen onderscheid meer maakt tussen wat aangenaam en wat pijnlijk is, zal het niet meer door de stemmen van anderen worden beïnvloed. En dan is het veilig en wordt het mogelijk de deuren van de ziel te openen.
    ‘Het zien’ is de eerste poging en de gemakkelijkste, omdat het gedeeltelijk door een verstandelijke inspanning wordt bereikt. Het verstand kan het hart overwinnen, zoals in het dagelijks leven welbekend is. Daarom ligt deze voorbereidende stap nog op het gebied van de stof. Maar de tweede stap laat dat soort ondersteuning niet toe, noch enige materiële hulp. Natuurlijk bedoel ik met materiële hulp de werking van het brein, of emoties, of de menselijke ziel. Door de oren te dwingen alleen naar de eeuwige stilte te luis teren, wordt het wezen dat wij mens noemen iets wat niet meer een mens is. Als we een oppervlakkig overzicht maken van de duizend en één invloeden die anderen op ons uitoefenen, zal blijken dat dit zo moet zijn. Een leerling moet alle plichten die hij als mens te doen heeft vervullen, maar hij moet dit doen volgens zijn eigen gevoel voor wat juist is en niet volgens dat van iemand anders of van een groep mensen. Dit is een vanzelfsprekend gevolg van het naleven van de geloofsovertuiging van kennis in plaats van die van een of ander blind geloof.
    Om de zuivere stilte te verkrijgen die de leerling nodig heeft, moeten het hart en zijn emoties, het brein en zijn verstandelijkheid, worden uitgeschakeld. Beide zijn slechts mechanismen die in de loop van het leven van de mens zullen verdwijnen. De achterliggende essentie die de drijvende kracht is en de mens doet leven, wordt nu gedwongen zichzelf aan te sporen tot handelen. Nu is het grootste uur van gevaar. Bij de eerste beproeving worden de mensen gek van angst; over deze eerste beproeving schreef Bulwer Lytton. Geen enkele romanschrijver is zover als de tweede beproeving gegaan, hoewel sommige dichters dat deden. Haar subtiliteit en grote gevaar liggen daarin dat hoe groter de kracht van de mens des te groter is zijn kans er doorheen te komen en verder te gaan, of om er ook maar het hoofd aan te bieden. Als hij genoeg kracht heeft om dat ongeoefende deel van hemzelf, de hoogste essentie, te wekken, dan heeft hij de kracht de Gouden Poort te ontsluiten; dan is hij de ware alchemist in het bezit van het levenselixer.
    Door deze ervaring raakt de occultist afgezonderd van alle andere mensen, en begint aan zijn eigen leven; hij betreedt het pad van het persoonlijk volbrengen in plaats van slechts te gehoorzamen aan de genii die de aarde regeren. Door zich te verheffen tot een individueel krachtcentrum vereenzelvigt hij zich in feite met de edeler levenskrachten en daardoor wordt hij één met ze. Want ze staan boven de machten van deze aarde en de wetten van dit heelal. Hier ligt de enige hoop van de mens op succes in de grote poging om van zijn huidige positie naar de volgende te springen en onmiddellijk een wezenlijk deel van de goddelijke kracht te worden, zoals hij een wezenlijk deel is geweest van de intellectuele kracht van de grote natuur waartoe hij behoort. Hij is zichzelf altijd vooruit, als zo’n tegenspraak kan worden begrepen. De mensen die aan deze gedragslijn vasthouden, geloven in hun ingeboren vermogen tot vooruitgang en dat van de hele mensheid, en zij zijn de oudere broeders, de pioniers. Ieder mens moet de grote sprong zelf maken, zonder hulp; toch is het zoiets als een staf om op te steunen als we beseffen dat ook anderen die weg zijn gegaan. Het is mogelijk dat ze in de afgrond verloren gingen; hoe dan ook, ze hadden de moed die weg in te slaan. Ik zeg dat ze misschien in de afgrond verloren gingen, omdat iemand die er doorheen is gekomen onherkenbaar is tot de andere en geheel nieuwe toestand door beiden is bereikt. Het is nu niet nodig nader in te gaan op wat die toestand is.
    Ik zeg alleen dat in het beginstadium waarin de mens tot de stilte ingaat, hij geen weet meer heeft van zijn vrienden, van zijn geliefden, van allen die hem na staan of dierbaar zijn; ook verliest hij zijn leraren en hen die hem zijn voorgegaan uit het oog. Ik leg dit uit, omdat er bijna niemand doorheen komt zonder zich bitter te beklagen. Als het denken van tevoren kon begrijpen dat de stilte volkomen moet zijn, zou dit beklag zeker niet als een obstakel op het pad hoeven te ontstaan. Uw leraar of uw voorganger houdt misschien uw hand in de zijne en leeft zoveel met u mee als waartoe het menselijk hart in staat is. Maar wanneer de stilte en de duisternis komen, verliest u alle bewustzijn van hem; u bent alleen en hij kan u niet helpen, niet omdat zijn kracht is verdwenen, maar omdat u uw grote vijand heeft opgeroepen.
    Met uw grote vijand bedoel ik uzelf. Als u de macht bezit uw eigen ziel in de duisternis en stilte onder ogen te zien, zult u het fysieke of dierlijke zelf dat alleen in de wereld van de zintuigen leeft, hebben overwonnen.
    Deze bewering zal – denk ik – ingewikkeld lijken, maar ze is in werkelijkheid heel eenvoudig. De mens staat, wanneer hij zijn vervulling en de beschaving haar hoogtepunt heeft bereikt, tussen twee vuren. Kon hij zijn grote erfgoed maar opeisen, dan zou de belemmering van het puur dierlijke leven zonder moeite van hem wegvallen. Maar dat doet hij niet en zo bloeien de mensenrassen op en verwelken dan en sterven en vergaan zonder een spoor aan de oppervlakte van de aarde achter te laten, hoe schitterend de bloei ervan misschien ook is geweest. En het wordt aan het individu overgelaten deze grote poging te wagen: te weigeren om zich door zijn hogere natuur te laten afschrikken, en te weigeren om zich door zijn lagere of meer materiële zelf naar beneden te laten halen. Elk individu dat dit volbrengt is een verlosser van de mensheid. Al bazuint hij zijn daden niet in het rond of leeft hij verborgen en in stilte, het feit blijft dat hij een schakel vormt tussen de mens en zijn goddelijke deel, tussen het bekende en het onbekende, tussen de drukte van het marktplein en de stilte van de sneeuwbe dekte Himalaya. Hij hoeft zich niet tussen de mensen te bewegen om die schakel te vormen; in het astrale is hij die schakel en daardoor is hij een wezen van een andere orde dan de rest van de mensheid. Zelfs aan het begin van de weg naar kennis, wanneer hij slechts de tweede stap heeft genomen, merkt hij dat zijn positie zekerder is en wordt hij zich ervan bewust dat hij een erkend deel van een geheel is.
    Dit is een van de tegenstrijdigheden in het leven die zo vaak voorkomen dat ze stof opleveren voor romanschrijvers. De occultist ontdekt dat ze opmerkelijker worden naarmate hij tracht het leven te leven dat hij heeft gekozen. Naarmate hij zich in zichzelf terugtrekt en op zichzelf gaat vertrouwen, ontdekt hij dat hij duide lijker deel gaat uitmaken van een grootse stroom van welomlijnd denken en voelen. Wanneer hij de eerste les heeft geleerd, de honger van het hart heeft overwonnen en geweigerd om op de liefde van anderen te teren, merkt hij dat hij beter in staat is liefde op te wekken. Wanneer hij het leven van zich afwerpt, komt dit in een nieuwe vorm en met een nieuwe bedoeling tot hem. De wereld is altijd een plek geweest waarin zich aan de mens tal van tegenstrijdigheden voordoen; wanneer hij een leerling wordt, ontdekt hij dat het leven als een reeks paradoxen kan worden beschreven. Dit is een feit in de natuur en de reden hiervoor is begrijpelijk genoeg. De ziel van de mens ‘leeft afgezonderd als een ster’, zelfs die van de meest verachtelijke onder ons, terwijl zijn bewustzijn onderworpen is aan de wet van de schommelingen van het zintuiglijk leven. Dit alleen is al genoeg om de ingewikkelde aard van een karakter te veroorzaken die stof voor de romanschrijver oplevert; elk mens is een mysterie voor zowel vriend als vijand, en voor zichzelf. Zijn motieven zijn vaak niet te achterhalen en hij kan ze niet doorgronden, of weten waarom hij dit of dat doet. De leerling spant zich in om het bewustzijn wakker te schudden in dat sterachtige deel van hemzelf waar zijn macht en goddelijkheid liggen te sluimeren. Naarmate dit bewustzijn ontwaakt, worden de tegenstrijdigheden in de mens zelf meer uitgesproken dan ooit, en dat geldt ook voor de paradoxen die hij ervaart. Want de mens schept natuurlijk zijn eigen leven; en ‘avonturen zijn voor de avontuurlijken’ is een van die wijze spreuken die op werkelijke feiten zijn gebaseerd en het hele terrein van menselijke ervaringen beslaan.
    Druk die wordt uitgeoefend op het goddelijke deel van de mens heeft zijn weerslag op het dierlijke deel. Naarmate de stille ziel ontwaakt, maakt ze het gewone leven van de mens meer doelbewust, levenskrachtiger, meer werkelijk en verantwoordelijk. Om bij de twee reeds genoemde voorbeelden te blijven: de occultist die zich in zijn eigen burcht heeft teruggetrokken, heeft zijn kracht gevonden; hij wordt zich onmiddellijk bewust van de eisen die de plicht aan hem stelt. Hij heeft zijn kracht niet verkregen op grond van zijn recht daarop, maar omdat hij een deel is van het geheel; en zodra hij veilig is voor de wisselingen van het leven en zich onwankelbaar staande kan houden, roept de buitenwereld hem op om daarin te gaan werken. Hetzelfde geldt voor het hart. Wanneer het niet meer wenst te nemen, wordt er een beroep op gedaan om overvloedig te geven.
    Licht op het Pad wordt terecht een boek van paradoxen genoemd; wat zou het anders kunnen zijn als het de werkelijke, persoonlijke ervaringen van de leerling behandelt?
    De astrale zintuigen van gezicht en gehoor te hebben verkregen of, met andere woorden, het vermogen om waar te nemen te hebben verworven en de deuren van de ziel te hebben geopend, is een reusachtige taak en kan het offer van vele opeenvolgende incarnaties vereisen. En toch kan, als de wil zijn volle kracht heeft bereikt, het hele wonder in een seconde worden volbracht. Dan is de leerling niet langer de dienaar van de tijd.
    Deze eerste twee stappen zijn negatief, dat wil zeggen, ze houden eerder een zich terugtrekken uit een bestaande toestand in dan een voortgaan naar een andere. De volgende twee zijn positief en houden de voortgang naar een andere bestaanstoestand in.

 

Licht op het Pad & Door de Gouden Poort

© 1999 Theosophical University Press Agency, Den Haag