|
III
preken
is het vermogen tot mededelen; het moment waarop het actieve leven begint,
wordt door het verkrijgen ervan gekenmerkt.
En laat ik nu, voor ik verder ga, iets uitleggen
over de manier waarop de voorschriften die in Licht op het Pad
zijn geschreven, zijn geordend. De eerste zeven genummerde voorschriften
zijn onderverdelingen van de eerste twee ongenummerde voorschriften die
ik in de voorafgaande hoofdstukken heb behandeld. De genummerde voorschriften
zijn slechts een poging van mij de ongenummerde begrijpelijker te maken.
De genummerde voorschriften ‘acht’ tot ‘vijftien’ behoren tot het ongenummerde
voorschrift dat nu wordt besproken.
Zoals ik zei, zijn deze voorschriften geschreven
voor alle leerlingen, en voor niemand anders; ze zijn voor andere mensen
van geen belang. Daarom neem ik aan dat niemand anders de moeite zal nemen
dit boekje verder te lezen. Over de eerste twee voorschriften, die geheel
handelen over dat deel van het streven dat het gebruik van het ontleedmes
nodig maakt, zal ik verder uitweiden als mij dat wordt gevraagd. Maar
er wordt van de leerling verwacht dat hij zonder hulp de slang – zijn
lager zelf – onder handen zal nemen, en zijn menselijke hartstochten en
emoties door de kracht van zijn eigen wil zal bedwingen. Hij kan de hulp
van een meester alleen inroepen wanneer dit is volbracht, of tenminste
gedeeltelijk volbracht. Anders zijn de poorten en vensters van zijn ziel
besmeurd, gesloten, verduisterd en kan geen kennis tot hem komen. In dit
boekje stel ik mij niet ten doel iemand te vertellen hoe hij zijn eigen
ziel onder handen moet nemen; ik geef de leerling eenvoudig kennis. Dat
ik zelfs nu niet zo schrijf dat de eerste de beste het kan lezen, is omdat
de hogere natuur dit door haar eigen onveranderlijke wetten verhindert.
De vier voorschriften die ik heb geschreven voor
diegenen in het westen die deze willen bestuderen, staan, zoals ik al
zei, geschreven in de voorhof van elke levende broederschap; ik zou eraan
kunnen toevoegen: in de voorhof van elke levende of dode broederschap
of orde die nog zal worden gevormd. Wanneer ik over een broederschap of
orde spreek, bedoel ik niet een willekeurige structuur die door scholiasten
en intellectuelen is opgericht; ik bedoel een werkelijk feit in de hogere
natuur, een stadium van ontwikkeling naar de absolute god of het goede.
De leerling ontmoet gedurende deze ontwikkeling harmonie, zuivere kennis,
zuivere waarheid in verschillende graden, en als hij tot deze graden doordringt,
ontdekt hij dat hij deel gaat uitmaken van wat ruwweg kan worden beschreven
als een laag van het menselijke bewustzijn. Hij ontmoet zijn gelijken,
mensen zoals hij met een zelfloos karakter en met hen wordt zijn verbintenis
blijvend en onverbrekelijk, omdat ze berust op een wezenlijke gelijkheid
van aard. Hij wordt aan hen verbonden door geloften die niet hoeven worden
uitgesproken en waarvoor geen omlijsting in gewone woorden nodig is. Dit
is één aspect van wat ik met een broederschap bedoel.
Als de eerste voorschriften worden nageleefd,
bevindt de leerling zich op de drempel. Als hij dan voldoende vastbesloten
is, komt zijn vermogen tot spreken; een tweevoudig vermogen. Want naarmate
hij nu voortschrijdt, komt hij in een toestand van bloei, waarbij elke
knop die opengaat zijn verschillende stralen of bloembladen ontvouwt.
Hij moet, als hij zijn nieuwe gave wil gebruiken, gebruikmaken van haar
tweevoudige aard. Hij ontdekt in zichzelf het vermogen om in tegenwoordigheid
van de meesters te spreken; met andere woorden, hij heeft het recht contact
te eisen met het meest goddelijke element van de bewustzijnstoestand waarin
hij is gekomen. Maar hij komt tot de ontdekking dat hij door de aard van
zijn toestand op twee manieren tegelijk moet handelen. Hij kan zijn stem
niet opzenden naar de hoogten waar de goden zitten, totdat hij is doorgedrongen
tot de verafgelegen plaatsen waar hun licht in het geheel niet schijnt.
Hij is in de greep van een ijzeren wet geraakt. Als hij vraagt om neofiet
te worden, wordt hij onmiddellijk een dienaar. Zijn dienst is echter verheven,
al is het maar door de aard van degenen die erin delen. Want de meesters
zijn ook dienaren; zij dienen en hebben daarna recht op hun beloning.
Een deel van hun dienstbaarheid bestaat daarin dat zij hem met hun kennis
aanraken; zijn eerste daad van dienen is iets van die kennis te geven
aan degenen die nog niet kunnen staan waar hij zich bevindt. Dit is niet
een willekeurige beslissing die door een of andere meester of leraar of
een dergelijk iemand, hoe goddelijk ook, is genomen. Het is een wet van
dat leven waaraan de leerling is begonnen.
Daarom stond er boven de binnenste toegang tot
de loges van de oude Egyptische broederschap ge schreven: ‘De arbeider
is zijn loon waard’.
‘Vraag en u zal worden gegeven’, klinkt als iets
dat te gemakkelijk en te eenvoudig is om geloofwaardig te zijn. Maar de
leerling kan niet ‘vragen’ in de mystieke zin waarin het woord in dit
geschrift wordt gebruikt voordat hij het vermogen om anderen te helpen
heeft verworven.
Waarom is dat zo? Klinkt die bewering te dogmatisch?
Is het te dogmatisch te zeggen dat de mens een
steunpunt moet hebben voordat hij kan springen? Hier is hetzelfde het
geval. Indien hulp wordt gegeven, indien werk wordt verricht, dan wordt
er werkelijk een aanspraak gemaakt – niet wat wij een persoonlijke aanspraak
op beloning noemen, maar het recht te delen in die geaardheid. De goddelijken
geven, zij vragen dat ook u zult geven voordat u tot hun kring kunt toetreden.
De leerling wordt bekend met deze wet zodra hij
tracht te spreken. Want spreken is een gave die slechts tot de leerling
van macht en kennis komt. De spiritist gaat de psychisch-astrale wereld
binnen, maar hij kan daar geen duidelijke woorden vinden, tenzij hij deze
dadelijk opeist en dat blijft doen. Als hij is geïnteresseerd in ‘verschijnselen’
of alleen maar in de omstandigheden en voorvallen van het astrale leven,
dan volgt hij niet een bepaalde straal van denken of doelgericht handelen;
hij bestaat alleen maar en vermaakt zich in het astrale leven, zoals hij
bestond en zich vermaakte in het fysieke leven. Er zijn inderdaad een
of twee eenvoudige lessen die het psychisch-astrale hem kan leren, zoals
er ook eenvoudige lessen zijn die het stoffelijke en verstandelijke leven
hem kunnen leren. En deze lessen moeten worden geleerd; de mens die van
plan is het leven van de leerling te leiden zonder dat hij de eerste en
eenvoudige lessen heeft geleerd, moet altijd door zijn onwetendheid lijden.
Zij zijn van wezenlijk belang en moeten op een wezenlijke manier worden
bestudeerd; door en door worden ervaren, telkens en telkens weer, zodat
elk deel van onze natuur ervan is doordrongen.
Om tot ons onderwerp terug te keren. Als de neofiet
aanspraak maakt op het vermogen om te spreken, zoals het wordt genoemd,
roept hij het Grote Wezen aan, dat vooraan staat in de straal van kennis
die hij heeft betreden, om hem leiding te geven. Als hij dit doet, wordt
zijn stem teruggeslingerd door de macht die hij is genaderd, en de echo
ervan klinkt door tot in de diepste schuilhoeken van de menselijke onwetendheid.
Op enigszins onduidelijke en verwarde wijze wordt het nieuws dat er kennis
is en een weldadige macht die onderricht geeft, naar zoveel mensen overgebracht
als ernaar willen luisteren. Geen leerling kan de drempel overschrijden
zonder dit nieuws te verspreiden en het op een of andere manier vast te
leggen.
Hij raakt vervuld van ontzetting over de onvolmaakte
en onbeholpen manier waarop hij dit deed; en daarop komt het verlangen
dit goed te doen en met het verlangen om anderen aldus te helpen komt
het vermogen. Want het is een zuiver verlangen dat nu over hem komt, hij
kan door daaraan te voldoen geen erkenning verwerven, geen roem, geen
persoonlijke beloning. En daarom krijgt hij het vermogen het te volbrengen.
De geschiedenis van heel het verleden, voorzover
wij die kunnen nagaan, toont heel duidelijk aan dat er noch erkenning,
noch roem of beloning wordt verworven door het verrichten van deze eerste
taak die aan de neofiet wordt opgelegd. Om mystici werd altijd spottend
gelachen en er werd geen geloof gehecht aan zieners; zij die bovendien
over verstandelijke vermogens beschikten, hebben aan het nageslacht hun
geschreven verslag nagelaten dat de meeste mensen zinloos en fantastisch
toeschijnt, zelfs wanneer de schrijvers het voordeel hebben uit een ver
verleden te spreken. De leerling die de taak op zich neemt, terwijl hij
in het geheim hoopt op roem of succes om als leraar en apostel aan de
wereld te verschijnen, faalt zelfs nog voordat hij aan zijn taak is begonnen
– en zijn verborgen schijnheiligheid vergiftigt zijn eigen ziel en de
zielen van degenen met wie hij in aanraking komt. In het geheim aanbidt
hij zichzelf; en dit zich verafgoden zal zijn verdiende loon met zich
meebrengen.
De leerling die de kracht heeft om het pad te
betreden en die sterk genoeg is iedere hindernis te nemen, zal, als de
goddelijke boodschap tot zijn geest komt, zichzelf volkomen vergeten in
het nieuwe bewustzijn dat op hem daalt. Als dit verheven contact hem werkelijk
kan doen ontwaken, wordt hij als een van de goddelijken in zijn verlangen
liever te geven dan te nemen, in zijn wens liever te helpen dan te worden
geholpen, in zijn besluit liever de hongerigen voedsel te geven dan het
manna uit de hemel voor zichzelf te nemen. Zijn karakter wordt omgevormd
en de zelfzucht, die in het gewone leven de drijfveer van de daden van
de mens vormt, verlaat hem plotseling.
Licht
op het Pad & Door de Gouden Poort
©
1999 Theosophical University Press Agency, Den Haag
|