IV

ij die slechts een voorbijgaande en oppervlakkige aandacht schenken aan het onderwerp occultisme – en zij zijn met velen – vragen voortdurend waarom de adepten, als ze inderdaad leven en bestaan, niet in de wereld verschijnen en hun macht tonen. Dat de hoofdgroep van deze wijzen achter de vesting van de Himalaya zou wonen, schijnt voldoende bewijs te zijn dat zij slechts verzinsels zijn. Waarom zou men hen anders zover weg situeren?
    Ongelukkigerwijze is dit door de natuur gedaan en niet door persoonlijke keuze of regeling. Er zijn bepaalde plaatsen op aarde waar de voortgang van de ‘beschaving’ niet wordt gevoeld, en de onrust van de negentiende eeuw op een afstand wordt gehouden. Op deze bevoorrechte plaatsen is er steeds tijd, zijn er altijd kansen voor de wezenlijke feiten van het leven; zij zijn niet vol met de handelingen van een onrijpe, geldlievende, genotzoekende wereld. Zolang er adepten op aarde zijn, moet de aarde voor hen plaatsen van afzondering behouden. Dit is een feit in de natuur dat slechts een uiterlijke uitdrukking is van een dieper liggend feit in de hogere natuur.
    De vraag van de neofiet blijft ongehoord, totdat de stem waarmee deze wordt geuit het vermogen om te kwetsen heeft verloren. En dit is omdat het goddelijk-astrale leven* [*Natuurlijk weet iedere occultist door het lezen van Eliphas Lévi en andere schrijvers, dat het ‘astrale’ gebied een gebied is van niet geharmoniseerde krachten en dat daar noodzakelijk een toestand van verwarring heerst. Maar dit geldt niet voor het ‘goddelijk-astrale’ gebied, dat een gebied is waar wijsheid en daarom orde heerst.] een plaats is waar orde heerst, zoals dat ook in het gewone leven het geval is. Er is natuurlijk altijd een middelpunt en een omtrek, zoals die er ook in de natuur zijn. Dichtbij het centrale hart van het leven is er op ieder gebied kennis; daar heerst volmaakte orde, en chaos maakt de buitenrand van de cirkel vaag en onduidelijk. Inderdaad vertoont het leven in elke vorm een min of meer sterke gelijkenis met een filosofische school. Er zijn altijd mensen die toegewijd naar kennis streven en die daarbij hun eigen leven vergeten; er is altijd de spottende menigte die komt en gaat. Epictetus zei over hen dat het even gemakkelijk was aan hen filosofie te leren als vla met een vork te eten. Dezelfde toestand bestaat in het bovenastrale leven, en de adept heeft daar een nog diepere en meer verborgen afzondering om in te verblijven. Deze plaats om zich terug te trekken is zo veilig, zo beschut dat geen geluid waarin een wanklank is, zijn oor kan bereiken. Waarom moet dat, zal men onmiddellijk vragen, als hij een wezen met zo grote macht is als degenen die in zijn bestaan geloven, zeggen? Het antwoord ligt voor de hand. Hij dient de mensheid en vereenzelvigt zich met de hele wereld; hij is op elk ogenblik bereid daarvoor een plaatsvervangend offer te brengen – door ervoor te leven, niet door ervoor te sterven. Waarom zou hij er niet voor sterven? Omdat hij deel is van het grote geheel en een van de meest waardevolle delen ervan. Omdat hij leeft onder wetten van orde die hij niet wil verbreken. Zijn leven is niet het zijne, maar dat van de krachten die achter hem werken. Hij is de bloem van de mensheid, de bloem die het goddelijke zaad bevat. Hij is in zijn eigen persoon een schat van de universele natuur, die wordt bewaakt en veilig wordt gesteld om de bloei ervan te ver volmaken. Slechts in bepaalde perioden van de wereldgeschiedenis wordt hem toegestaan zich onder de mensenmenigte te begeven als hun verlosser. Maar voor wie het vermogen bezit zich uit die menigte los te maken, is hij altijd dichtbij. En voor wie sterk genoeg is om de ondeugden van de persoonlijke menselijke natuur te overwinnen, zoals dit in deze vier voorschriften wordt aangegeven, is hij welbewust dichtbij, gemakkelijk te herkennen, en staat klaar om te reageren.
    Maar dit overwinnen van het zelf houdt een vernietiging van eigenschappen in, die de meeste mensen niet alleen als onvernietigbaar beschouwen maar als gewenst. Het ‘vermogen tot kwetsen’ omvat veel wat de mensen waardevol vinden, niet alleen in zichzelf maar ook in anderen. Het instinctieve gevoel om zichzelf te verdedigen en te handhaven maakt er deel van uit; het denkbeeld dat men enig recht of rechten heeft, hetzij als burger, hetzij als mens of individu, het aangename gevoel van eigenwaarde en van verdienste. Dit zijn voor velen harde uitspraken, toch zijn ze waar. Want deze woorden die ik nu schrijf en die woorden die ik over dit onderwerp heb geschreven, zijn in geen enkel opzicht de mijne. Ze zijn ontleend aan de tradities van de loge van de grote broederschap, die ooit de geheime luister van Egypte was. De voorschriften die in haar voorhof stonden geschreven, waren dezelfde als de woorden die nu in de voorhof van bestaande scholen staan geschreven. In alle tijden hebben de wijze mensen gescheiden van de massa geleefd. En zelfs wanneer een van hen voor een tijdelijk doel of een bepaalde taak ertoe wordt gebracht zich onder de mensen te begeven, worden zijn afzondering en veiligheid zo volledig mogelijk bewaard. Ze behoren tot zijn erfdeel, horen bij zijn positie; hij heeft er werkelijk recht op, en kan er evenmin aan voorbijgaan als dat de Hertog van Westminster kan zeggen dat hij geen Hertog van Westminster zou willen zijn. In verschillende grote steden van de wereld woont van tijd tot tijd voor een korte periode een adept of is daar misschien slechts op doorreis, maar toch worden allen bij zo’n gelegenheid geholpen door de feitelijke kracht en tegenwoordigheid van een van deze mensen. Zowel hier in Londen als in Parijs en St. Petersburg zijn mensen van hoge ontwikkeling. Maar ze worden slechts als mystici gekend door diegenen die het vermogen tot herkennen bezitten: het vermogen verkregen door het overwinnen van het zelf. Hoe zouden ze anders, al was het maar voor een uur, kunnen bestaan in de mentale en psychische atmosfeer die ontstaat door de verwarring en wanorde van een stad? Hun eigen groei zou worden gehinderd, hun werk worden geschaad, als ze niet werden beschermd zodat ze veilig waren. En een neofiet zou een adept in levenden lijve kunnen ontmoeten, met hem in hetzelfde huis wonen en hem toch niet kunnen herkennen en er niet in kunnen slagen dat zijn eigen stem door hem wordt gehoord. Want geen nabijheid in de ruimte, geen nauwe betrekkingen, geen dagelijkse omgang kan de onverbiddelijke wetten tenietdoen die de adept zijn afzondering verschaffen. Geen stem dringt door tot zijn innerlijk gehoor, totdat die stem een goddelijke stem is geworden: een stem die geen uiting geeft aan de kreten van het zelf. Elk beroep van een lagere orde dat op hem wordt gedaan zou even nutteloos zijn, evenveel verspilling van energie en kracht, als wanneer kinderen die hun alfabet leren, zouden worden onderwezen door een professor in de taalwetenschap. Totdat een mens in hart en ziel een leerling is geworden, bestaat hij niet voor degenen die de leraren van leerlingen zijn. En hij wordt dit laatste op slechts één manier: door het opgeven van zijn persoonlijk menszijn.
    Een mens moet, wil de stem het vermogen om te kwetsen hebben verloren, dat punt hebben bereikt waar hij zichzelf slechts ziet als één uit de grote menigten die leven; een van de zandkorrels heen en weer gespoeld door de zee van het deinend bestaan. Er wordt gezegd dat iedere zandkorrel op de bodem van de oceaan op haar beurt op het strand wordt gespoeld en voor een ogenblik in de zon komt te liggen. Zo gaat het ook met mensen; ze worden heen en weer gedreven door een grote kracht, en een ieder merkt op zijn beurt dat ook hij door de zon wordt beschenen. Wanneer een mens aldus zijn eigen leven kan zien als deel van een geheel, zal hij niet meer worstelen om iets voor zichzelf te verkrijgen. Dit is het opgeven van persoonlijke rechten. De gewone mens verwacht niet een gelijk aandeel in het geluk te krijgen als de rest van de wereld, maar om op sommige punten, die hem ter harte gaan, er beter aan toe te zijn dan de anderen. De leerling verwacht dit niet. Daarom zal hij, ook al is hij zoals Epictetus een geketende slaaf, geen woord erover zeggen. Hij weet dat het levenswiel onophoudelijk wentelt. Burne Jones heeft dit in zijn prachtige schilderij uitgebeeld; het wiel wentelt en rijk en arm, groot en klein, zijn daarop gebonden; elk heeft zijn ogenblik van geluk, als het wiel hem bovenaan brengt – de koning gaat omhoog en valt, de dichter wordt gevierd en vergeten, de slaaf is gelukkig en wordt daarna de rug toegekeerd. Terwijl het wiel voortwentelt, wordt ieder op zijn beurt verpletterd. De leerling weet dat dit zo is; en hoewel het zijn plicht is zoveel mogelijk van zijn leven te maken, klaagt hij er niet over en is hij er niet opgetogen over en evenmin beklaagt hij zich over het meerdere geluk van anderen. Allen leren slechts, zoals hij heel goed weet, op dezelfde manier een les; en hij glimlacht om de socialist en de hervormer, die door puur geweld proberen de omstandigheden te veranderen, die uit de krachten van de menselijke natuur zelf voortkomen. Dit is slechts de verzenen tegen de prikkels slaan, een verspilling van leven en energie.
    Als hij dit beseft, geeft de mens zijn zogenaamde individuele rechten op, wat deze ook mogen zijn. Dat neemt één scherpe angel weg die alle mensen gemeen hebben.
    Wanneer de leerling ten volle heeft erkend dat zelfs de gedachte aan individuele rechten slechts het resultaat is van een kwaadaardige eigenschap in hemzelf, dat dit het sissen van de slang van het zelf is die met haar beet zijn eigen leven en de levens van de mensen om hem heen vergiftigt, dan is hij gereed deel te nemen aan een jaarlijkse ceremonie, die voor alle neofieten die zich daarop hebben voorbereid, toegankelijk is. Er wordt afstand gedaan van alle wapens van verdediging en aanval; alle wapens van het denken, van hart en brein en geest. Nooit meer kan een ander worden beschouwd als een persoon die beoordeeld of ver oordeeld kan worden; nooit meer kan de neofiet zijn stem verheffen om zichzelf te verdedigen of te veront schuldigen. Hij keert van die ceremonie in de wereld terug, even hulpeloos, even onbeschermd als een pasgeboren kind. Dat is inderdaad wat hij is. Hij is begonnen herboren te worden op het hogere levensgebied, die frisse, goed verlichte hoogten, vanwaar de ogen met begrip zien en de wereld met een nieuw inzicht gaan beschouwen.
    Ik heb hierboven gezegd dat de leerling, na afstand te hebben gedaan van het gevoel van individuele rechten, ook afstand moet doen van het gevoel van eigenwaarde en verdienste. Dit klinkt misschien als een vreselijke leer, maar alle occultisten weten heel goed dat het geen leer is maar een feit. Wie denkt dat hij heiliger is dan een ander, wie enige trots koestert over zijn bevrijding van ondeugd of dwaasheid, wie gelooft dat hij wijs is of op een of andere manier hoger staat dan zijn medemensen, kan geen leerling worden. De mens moet worden als een klein kind voor hij het koninkrijk der hemelen kan betreden.
    Verdienste en wijsheid zijn verheven zaken; maar als ze in het denken van de mens trots en een gevoel van afgescheidenheid van de rest van de mensheid teweegbrengen, dan zijn ze slechts de slang van het zelf die in een subtielere vorm opnieuw verschijnt. Deze kan op elk moment weer haar grovere vorm aannemen en even venijnig bijten als wanneer zij de handelingen van een moordenaar beïnvloedt die uit winstbejag of haat doodt, of van een politicus die de massa opoffert aan zijn eigenbelang of dat van zijn partij.
    Het vermogen om te kwetsen te hebben verloren betekent in feite dat de slang niet alleen is bezworen, maar is gedood. Wanneer deze alleen maar is verdoofd of in slaap is gesust, wordt ze weer wakker en gaat de leerling zijn kennis en zijn macht voor eigen doeleinden gebruiken, en is een leerling van de vele meesters van de zwarte kunst; want de weg naar vernietiging is breed en gemakkelijk en kan geblinddoekt worden gevonden. Dat het de weg naar vernietiging is, spreekt vanzelf, want wanneer de mens voor het eigen zelf begint te leven, vernauwt hij voortdurend zijn horizon, totdat de vurige drang naar binnen hem tenslotte slechts de ruimte van een speldenknop laat om in te verblijven. Wij hebben allen gezien dat dit verschijnsel zich in het gewone leven voordoet. De mens die zelfzuchtig wordt, zondert zich af, wordt minder interessant en minder aangenaam voor anderen. Het is een vreselijke aanblik en tenslotte deinzen de mensen terug voor een heel zelfzuchtig persoon als voor een roofdier. Hoeveel vreselijker is het wanneer dit op het hogere levensgebied gebeurt, met de toegenomen vermogens van kennis en door de grotere invloed op een reeks opeenvolgende incarnaties!
    Daarom zeg ik: houd stil op de drempel en denk goed na. Want als het verzoek van de neofiet wordt gedaan zonder volledige loutering, zal het niet tot in de afzondering van de goddelijke adept doordringen, maar het zal de verschrikkelijke krachten oproepen die inspelen op de duistere kant van onze menselijke natuur.

 

Licht op het Pad & Door de Gouden Poort

© 1999 Theosophical University Press Agency, Den Haag