V

oals het woord ziel hier wordt gebruikt, betekent het de goddelijke ziel of ‘sterrengeest’.
    ‘Te kunnen staan betekent vertrouwen te hebben’; en vertrouwen te hebben betekent dat de leerling zeker van zichzelf is, dat hij zijn emoties, zichzelf en zelfs zijn menszijn heeft opgegeven; dat hij niet bang kan worden en ongevoelig is voor pijn; dat zijn hele bewustzijn is gericht op het goddelijke leven, dat symbolisch wordt uitgedrukt door de term ‘de meesters’; dat hij ogen noch oren heeft, noch woorden, noch vermogens, behalve in en voor de goddelijke straal die door zijn hoogste zintuig is aangeraakt. Dan heeft hij geen angst, kent hij geen lijden, is hij vrij van zorg of wanhoop; zijn ziel staat, zonder terug te deinzen of te willen uitstellen, in de volle glans van het goddelijke licht dat zijn wezen geheel en al doordringt. Dan heeft hij zijn erfdeel verkregen en kan aanspraak maken op zijn verwantschap met de leraren van de mensen, hij is rechtschapen, met opgeheven hoofd, en ademt dezelfde lucht als die zij inademen.
    Maar voordat hij dit op een of andere manier kan doen, moeten de voeten van de ziel worden gewassen in het bloed van het hart.
    Het offer of het opgeven van het hart van de mens en de emoties ervan is het eerste van de voorschriften; dit houdt in het ‘bereiken van een evenwicht dat niet door persoonlijke emotie kan worden geschokt’. Dit wordt door de stoïcijnse filosoof gedaan; ook hij houdt zich afzijdig en kijkt gelijkmoedig naar zijn eigen lijden en dat van anderen.
    Op dezelfde manier als ‘tranen’ in de taal van de occultisten de ziel van emotie weergeven en niet haar stoffelijke verschijningsvorm, geeft bloed niet dat bloed weer dat het essentiële van het fysieke leven is, maar het vitale scheppende beginsel in de natuur van de mens, dat hem aanzet tot menselijk leven om vreugde en leed, genot en verdriet, te ervaren. Wanneer hij het bloed uit het hart heeft laten vloeien, staat hij voor de meesters als een zuivere geest, die niet langer voor de emotie en ervaring wil incarneren. Opeenvolgende incarnaties in de grove stof kunnen nog gedurende grote cyclussen zijn lot zijn, maar hij verlangt er niet meer naar; de primitieve wens om te leven heeft hem verlaten. Wanneer hij een menselijke vorm van vlees aanneemt, doet hij dit om een goddelijk doel na te streven, om het werk van ‘de meesters’ te volbrengen en met geen andere bedoeling. Hij ziet niet uit naar vreugde of verdriet, hij verlangt niet naar een hemel en vreest geen hel; en toch heeft hij toegang gekregen tot een groot erfgoed dat niet zozeer een vergoeding is voor de dingen die hij heeft opgegeven, als wel een toestand die eenvoudig de herinnering eraan uitwist. Hij leeft nu niet in de wereld maar met haar; zijn horizon heeft zich uitgebreid tot de omvang van het hele universum.

 

Licht op het Pad & Door de Gouden Poort

© 1999 Theosophical University Press Agency, Den Haag