|
V
oals
het woord ziel hier wordt gebruikt, betekent het de goddelijke ziel of
‘sterrengeest’.
‘Te kunnen staan betekent vertrouwen te hebben’;
en vertrouwen te hebben betekent dat de leerling zeker van zichzelf is,
dat hij zijn emoties, zichzelf en zelfs zijn menszijn heeft opgegeven;
dat hij niet bang kan worden en ongevoelig is voor pijn; dat zijn hele
bewustzijn is gericht op het goddelijke leven, dat symbolisch wordt uitgedrukt
door de term ‘de meesters’; dat hij ogen noch oren heeft, noch woorden,
noch vermogens, behalve in en voor de goddelijke straal die door zijn
hoogste zintuig is aangeraakt. Dan heeft hij geen angst, kent hij geen
lijden, is hij vrij van zorg of wanhoop; zijn ziel staat, zonder terug
te deinzen of te willen uitstellen, in de volle glans van het goddelijke
licht dat zijn wezen geheel en al doordringt. Dan heeft hij zijn erfdeel
verkregen en kan aanspraak maken op zijn verwantschap met de leraren van
de mensen, hij is rechtschapen, met opgeheven hoofd, en ademt dezelfde
lucht als die zij inademen.
Maar voordat hij dit op een of andere manier kan
doen, moeten de voeten van de ziel worden gewassen in het bloed van het
hart.
Het offer of het opgeven van het hart van de mens
en de emoties ervan is het eerste van de voorschriften; dit houdt in het
‘bereiken van een evenwicht dat niet door persoonlijke emotie kan worden
geschokt’. Dit wordt door de stoïcijnse filosoof gedaan; ook hij houdt
zich afzijdig en kijkt gelijkmoedig naar zijn eigen lijden en dat van
anderen.
Op dezelfde manier als ‘tranen’ in de taal van
de occultisten de ziel van emotie weergeven en niet haar stoffelijke verschijningsvorm,
geeft bloed niet dat bloed weer dat het essentiële van het fysieke leven
is, maar het vitale scheppende beginsel in de natuur van de mens, dat
hem aanzet tot menselijk leven om vreugde en leed, genot en verdriet,
te ervaren. Wanneer hij het bloed uit het hart heeft laten vloeien, staat
hij voor de meesters als een zuivere geest, die niet langer voor de emotie
en ervaring wil incarneren. Opeenvolgende incarnaties in de grove stof
kunnen nog gedurende grote cyclussen zijn lot zijn, maar hij verlangt
er niet meer naar; de primitieve wens om te leven heeft hem verlaten.
Wanneer hij een menselijke vorm van vlees aanneemt, doet hij dit om een
goddelijk doel na te streven, om het werk van ‘de meesters’ te volbrengen
en met geen andere bedoeling. Hij ziet niet uit naar vreugde of verdriet,
hij verlangt niet naar een hemel en vreest geen hel; en toch heeft hij
toegang gekregen tot een groot erfgoed dat niet zozeer een vergoeding
is voor de dingen die hij heeft opgegeven, als wel een toestand die eenvoudig
de herinnering eraan uitwist. Hij leeft nu niet in de wereld maar met
haar; zijn horizon heeft zich uitgebreid tot de omvang van het hele universum.
Licht
op het Pad & Door de Gouden Poort
©
1999 Theosophical University Press Agency, Den Haag
|