|
Eens, toen ik alleen
was en zat te schrijven, kwam een geheimzinnige bezoeker onaangekondigd
mijn kamer binnen en ging naast me staan. Ik vergat hem te vragen
wie hij was of waarom hij zo informeel binnenkwam, want hij begon
me te vertellen over de Gouden Poort. Hij sprak met kennis en door
het vuur van zijn taal groeide mijn vertrouwen. Ik heb zijn woorden
opgeschreven; maar helaas, ik kan nauwelijks hopen dat het vuur
zo helder zal branden in mijn geschreven tekst als in zijn gesproken
woord. |
|
M.C. |
PROLOOG
EDER
MENS HEEFT EEN EIGEN LEVENSFILOSOFIE, behalve de ware filosoof.
De meest onwetende mens heeft een of andere voorstelling van het doel
van zijn leven, en bepaalde ideeën over de gemakkelijkste en meest wijze
manier om dat doel te bereiken. De man van de wereld is vaak – zonder
zich daar bewust van te zijn – een filosoof van de eerste orde.
Hij baseert zijn leven op duidelijke beginselen, en weigert zijn positie
te laten ondermijnen door toevallige calamiteiten. De mens die nadenkt
en verbeeldingskracht heeft is minder zeker en merkt voortdurend dat hij
zijn ideeën over het onderwerp dat de mens het meest interesseert, namelijk
het menselijk leven, niet onder woorden kan brengen. De ware filosoof
is hij die op geen enkele manier aanspraak zou willen maken op die naam,
die heeft ontdekt dat het mysterie van het leven ontoe gankelijk is voor
het gewone denken, zoals de ware wetenschapper zijn volslagen onwetendheid
toegeeft over de beginselen die achter de wetenschap liggen.
De vraag of de mens door een manier van denken
of door zijn verstand te gebruiken de grote beginselen kan gaan begrijpen
die kennelijk als oorzaken in het leven van de mens bestaan, is een kwestie
die niet door een gewone denker kan worden uitgemaakt. Het vage bewustzijn
dat de gevolgen die we zien achterliggende oorzaken hebben, dat chaos
door orde wordt beheerst en dat verheven harmonie de disharmonie doordringt,
laat de verlangende zielen van de aarde echter niet los, en doet hen hunkeren
naar het zien van het ongeziene en naar kennis van het onkenbare.
Waarom zouden we verlangen en uitzien naar dat
wat alle hoop te boven gaat voordat het innerlijke oog is geopend? Waarom
zouden we de fragmenten waarover we beschikken niet samenvoegen, en niet
nagaan of we op basis daarvan aan de reusachtige puzzel enige vorm kunnen
geven?
Licht
op het Pad & Door de Gouden Poort
©
1999 Theosophical University Press Agency, Den Haag
|