|
Uit
The Path, maart 1887
ET
MEEST OPMERKELIJKE BOEK met raadgevingen op het gebied van de mystiek
sinds Licht op het Pad werd geschreven, is zojuist verschenen onder
de veelbetekenende titel Door de Gouden Poort. Hoewel de naam van
de schrijver ervan niet wordt onthuld, zal de onderzoeker van het occultisme
snel zien dat het uit een verheven bron moet komen. In bepaalde opzichten
kan het boek worden beschouwd als een commentaar op Licht op het Pad.
De lezer doet er goed aan dit te bedenken. Veel dingen in dat boek zullen
duidelijk worden door dit boek te lezen, en men zal voortdurend aan dat
werk worden herinnerd, dat al tot de klassieken van onze literatuur is
gaan behoren. Door de Gouden Poort is een werk dat voort durend
klaar moet liggen om te bestuderen en na te slaan. Het zal ongetwijfeld
tot de standaardwerken van de theosofie gaan behoren.
De ‘Gouden Poort’ geeft de toegang weer tot het
gebied van de ziel dat onkenbaar is door middel van fysieke waarnemingen,
en het doel van dit werk is om enkele van de stappen aan te geven die
noodzakelijk zijn om de drempel ervan te bereiken. Door de bijzondere
schoonheid van zijn stijl en de helderheid van zijn uitspraken zal het
een breder publiek aanspreken dan de meeste theosofische boeken. Het spreekt
tot de westerse wereld in zijn eigen taal, en daarin ligt veel van de
waarde ervan.
Degenen onder ons die hebben verlangd naar iets
‘praktisch’ zullen dat erin vinden, terwijl het waarschijnlijk in handen
van duizenden zal komen die weinig of niets van theosofie weten, en dus
voorzien in diep gevoelde maar niet uitgesproken behoeften. Er zijn ongetwijfeld
ook velen, zo denken we, die door zijn onweer staanbare logica een heel
stuk zullen worden meegevoerd in de bladzijden ervan tot ze iets tegenkomen
dat een plotselinge schok betekent voor enkele van hun oude opvattingen,
waarvan ze dachten dat deze stevig waren gefundeerd – een schok die ervoor
kan zorgen dat ze verschrikt terugdeinzen, maar waarvan ze niet gemakkelijk
zullen herstellen, en waardoor ze waarschijnlijk serieus aan het denken
worden gezet.
De titels van de vijf hoofdstukken van het boek
zijn respectievelijk ‘Het zoeken naar genot’, ‘Het mysterie van de drempel’,
‘De eerste poging’, ‘De betekenis van pijn’ en ‘Het geheim van kracht’.
In plaats van te speculeren over de mysteries die helemaal aan het einde
van de bestemming van de mens liggen, en waarover op geen enkele manier
kan worden gespeculeerd, neemt het boek heel verstandig datgene ter hand
wat direct voor ons ligt, dat wat de eerste stap vormt die we moeten nemen
als we ooit een tweede zouden willen zetten, en leert ons de betekenis
ervan. Aan het begin moeten we leren omgaan met zintuiglijke gewaarwordingen
en de aard en betekenis ervan leren kennen. Een belangrijke lering van
Licht op het Pad is door velen verkeerd opgevat. Er wordt niet
van ons verlangd om zintuiglijke gewaarwording te doden, maar om ‘het
verlangen naar zintuiglijke gewaarwording te doden’, en dat is
iets heel anders. ‘Zintuiglijke gewaarwording, zoals die tot ons komt
via het stoffelijk lichaam, verschaft ons alles wat ons ertoe brengt in
die verschijningsvorm te leven’, zegt dat werk. Het probleem is om daaruit
de betekenis die ze voor ons heeft te dis tilleren. Daar is het bestaan
voor. ‘Als de mens maar een ogenblik zou willen stilstaan en zich afvragen
welke lessen hij heeft geleerd van genot en pijn, dan zou men veel te
weten kunnen komen over dat vreemde iets dat deze gevolgen teweegbrengt.’
‘De vraag over de schijnbaar onkenbare resultaten,
die over het leven voorbij de Poort’, wordt voorgelegd als een die door
de eeuwen heen is gesteld, en die opkomt op het moment ‘dat de bloem van
de beschaving tot volle bloei was gekomen en wanneer zijn bloembladen
nog maar losjes werden bijeengehouden’, de periode waarin de mens de grootste
fysieke ontwikkeling van zijn cyclus heeft bereikt. Dan wordt in de verte
een grote schittering gezien, en ten overstaan daarvan slaan velen hun
ogen verward en verblind neer, hoewel er nu en dan iemand wordt gevonden
die dapper genoeg is om ze vast gericht te houden op die schittering,
en om iets te ontcijferen van de vorm ervan. ‘Dichters en filosofen, denkers
en leraren – al degenen die de ‘oudere broeders van de mensheid’ zijn
– hebben van tijd tot tijd dit beeld aanschouwd en enkelen van hen hebben
in de verbijsterende schittering de contouren van de Gouden Poort herkend.’
Die Poort verleent ons toegang tot het heiligdom
van de eigen natuur van de mens, tot de plaats vanwaar zijn levenskracht
komt, en waar hij priester is van het altaar van het leven. Er wordt ons
gezegd dat er slechts een sterke hand voor nodig is om hem open te duwen.
‘De moed er binnen te gaan is de moed om de uithoeken van zijn eigen natuur
te onderzoeken, zonder angst en zonder schaamte. In het zuivere deel,
de essentie, het aroma van de mens, is de sleutel te vinden die deze grote
Poort ontsluit.’
De noodzaak om het gevoel van afgescheidenheid
te doden wordt zwaar benadrukt als een van de belangrijkste factoren in
dit proces. We moeten ons losmaken van de illusies van het materiële leven.
‘Maar als we willen spreken met hen die de Gouden Poort hebben beproefd
en deze hebben opengeduwd, dan is het hard nodig – zelfs essentieel –
de zaken uit elkaar te houden en niet de verwarring van de slaap in ons
leven te halen. Als we dat doen, worden we als gekken beschouwd en vallen
we terug in de duisternis waar de enige vriend chaos is. Deze chaos volgde
op elke inspanning van de mens die in de geschiedenis is beschreven; na
de bloei van de beschaving valt de bloem af en sterft, en winter en duisternis
vernietigen haar.’ In deze laatste zin wordt het doel van de beschaving
aangegeven. Het is de bloei van een ras, met als doel bepaalde geestelijke
vruchten voort te brengen; als deze vruchten zijn gerijpt, begint de degeneratie
van het grote residu om telkens weer te worden bewerkt in het grote fermentatieproces
van de reïncarnatie. Onze grote beschaving bloeit nu en dit feit laat
zien waarom er buitengewone inspanningen nodig zijn om het zaad van de
mystieke leringen te zaaien waar de geest van de mens ook maar gereed
is om het te ontvangen.
In het ‘Mysterie van de drempel’ wordt ons gezegd
dat ‘alleen hij die de mogelijkheden van zowel de wellusteling als de
stoïcijn in zich heeft, kans maakt door de Gouden Poort naar binnen te
gaan. Hij moet elke vreugde die het bestaan te bieden heeft tot in het
kleinste detail kunnen toetsen en op zijn waarde schatten; en hij moet
in staat zijn zich elk genoegen te ontzeggen, en wel zonder door die ontzegging
te lijden’.
Het feit dat de weg per individu verschilt, wordt
schitterend tot uitdrukking gebracht in ‘De eerste poging’, met de woorden
dat de mens ‘op een punt waar dit voor hem het gemakkelijkst is de schaal
die hem in duisternis houdt kan openbreken, en de sluier die het eeuwige
voor hem verbergt kan verscheuren; heel vaak bevindt dit punt zich waar
hij het het minst verwacht’. Hierdoor kunnen we zien hoe nutteloos het
is om voor deze zaak wille keurige wetten vast te stellen.
De betekenis van die belangrijke woorden, ‘alle
sporten zijn nodig om de ladder samen te stellen’, wordt hier rijkelijk
geïllustreerd. De volgende zinnen zijn bijzonder veelzeggend: ‘Geest is
niet een gas dat door materie is geschapen, en wij kunnen onze toekomst
niet scheppen door met geweld één stoffelijk middel te gebruiken en de
rest buiten beschouwing te laten. Geest is het grootse leven waar materie
op rust, zoals de wereld van de rotsen rust op de vrije en vloeiende ether;
telkens wanneer we onze beperkingen kunnen doorbreken, bevinden we ons
aan die wonderbare oever waar Wordsworth eens de glans van het goud zag.’
Omdat de deugd tot het materiële leven hoort, kan de mens deze niet met
zich mee nemen, ‘toch is het aroma van zijn goede daden een heel wat lieflijker
offer dan de geur van misdaad en wreedheid’.
‘Bij hem die de gouden klink heeft gelicht wordt
de bron van zoete wateren, de bron waaraan alle zachtheid ontspringt,
aangeboord en wordt deel van zijn erfgoed. Maar voordat deze bron kan
worden bereikt, moet een zware last van het hart worden gewenteld, een
ijzeren staaf die op hem drukt en hem verhindert zich krachtig te verheffen.’
De schrijver wil hier laten zien dat er lieflijkheid
en licht in het occultisme is, en niet alleen maar een droog niveau van
verschrikkelijk karma, zoals waarover som mige theosofen geneigd zijn
uit te weiden. En deze lieflijkheid en dit licht kunnen worden bereikt
wanneer we de ijzeren staaf ontdekken, en als we deze oplichten kan het
hart worden bevrijd. Deze ijzeren staaf wordt door de hindoes de ‘knoop
van het hart’ genoemd! In hun geschriften spreken ze over het losmaken
van deze knoop, en ze zeggen dat wanneer dit is volbracht vrijheid nabij
is. Maar wat is de ijzeren staaf en de knoop? Die vraag moeten we beantwoorden.
Het is de samen trekkende macht van het zelf – van egoïsme –
van het idee van afgescheidenheid. Dit idee heeft vele ver de di gings
linies. Het houdt zijn meest geheime hof en diepste beraadslagingen in
de ver verwijderde diepten en het centrum van het hart. Maar het manifesteert
zich het eerst op die plaats die het dichtst bij onze van onwetendheid
getuigende waarnemingen ligt, waar we het het eerst zien als onze zoektocht
is begonnen. Wanneer we het aanvallen en overwinnen verdwijnt het daar.
Het heeft zich slechts teruggetrokken tot de volgende rij stellingen waar
het tijdelijk buiten ons gezichtsveld ligt, en we ons verbeelden dat het
is gedood, terwijl het lacht om onze denkbeeldige overwinningen en ons
gevoel van veiligheid. Al snel vinden we het en overwinnen het opnieuw,
alleen om het zich opnieuw te zien terugtrekken. We moeten het dus achtervolgen
als we het ten slotte willen grijpen in zijn laatste stelling vlakbij
de ‘kern van het hart’. Daar is het ‘een ijzeren staaf geworden die op
het hart drukt’, en alleen daar kan de strijd werkelijk worden gewonnen.
Die discipel is gelukkig die langs alle zogenaamde uiterlijke citadels
kan afdalen en in één keer de persoonlijke duivel die de ijzeren
staaf vasthoudt, kan grijpen en daar strijd kan leveren. Als die daar
wordt gewonnen, is het gemakkelijk terug te keren naar de meer afgelegen
plaatsen en deze tot capitulatie te dwingen. Dit is om vele redenen heel
moeilijk. Het is niet alleen een gegoochel met woorden om over deze be
proeving te spreken. Het is iets levends en tastbaars dat iedere werkelijke
onderzoeker kan leren kennen. De grote moeilijkheid om zich onmiddellijk
te storten op het centrum ligt in de onvoorstelbare verschrikkingen die
de ziel op haar korte reis daarheen bestormen. Omdat dit zo is, is het
beter de strijd te beginnen aan de buitenkant op de manier die in het
boek Licht op het Pad wordt aan gegeven, door de ervaring te toetsen
en ervan te leren.
In de geciteerde regels probeert de schrijver
de ogen van een heel materialistisch tijdperk te richten op het feit,
voor alle leerlingen van het occultisme een geaccepteerd feit, dat het
ware hart van de mens – dat zichtbaar wordt weergegeven door de hartspier
– het brandpunt is voor de geest, voor kennis, voor macht; en dat vanuit
dit punt de samengekomen stralen zich als een waaier beginnen te verspreiden,
tot ze het hele universum omvatten. Dit is dus de Poort. En precies op
die neutrale plaats van concentratie zijn de zuilen geplaatst en de deuren
bevestigd. Daarachter brandt het glorieuze gouden licht, en geeft een
‘schitterende gloed’. We vinden hier dezelfde leringen als in de Upanishads.
De laatstgenoemde spreken over ‘de ether die in het hart is’, en zeggen
ook dat we voorbij die ether moeten gaan.
‘De betekenis van pijn’ wordt benaderd op een
manier die een groot licht werpt op het bestaan van dat wat eeuwenlang
veel geleerde mensen heeft verbijsterd. ‘Pijn prikkelt, maakt mild, is
slopend en vernietigend. Van voldoende afstand bekeken schijnt ze beurtelings
als medicijn, als mes, als wapen en als gif op te treden. Ze is duidelijk
een instrument, iets dat wordt gebruikt. We willen ontdekken wie de gebruiker
ervan is; welk deel van ons eist dat ze aanwezig is, iets dat overigens
zo onaangenaam is?’
De opdracht is om boven lijden en genot uit te
komen en ze ten dienste van ons te verenigen. ‘Lijden en genot staan apart
en gescheiden, evenals de twee seksen; door de versmelting, door de twee
tot één te maken worden vreugde en intense gewaarwording en totale vrede
verkregen. Waar er geen mannelijk of vrouwelijk is, lijden noch genot,
overheerst de god in de mens en dan is er werkelijk leven.’
De volgende passage moet veel goede mensen haast
wel verbijsteren: ‘Het lot, het onvermijdelijke, bestaat inderdaad voor
de mensheid en voor het individu; maar wie kan dit bepalen behalve de
mens zelf? Er is in de hemel of op aarde geen aanwijzing voor het bestaan
van een voorbeschikker anders dan de mens die lijdt of vreugde heeft door
wat is voorbestemd.’ Maar kan een oprechte onderzoeker van de theosofie
dit ontkennen, of er bezwaar tegen maken? Is het niet een zuivere omschrijving
van de wet van karma? Stemt het niet volmaakt overeen met de leer van
de Bhagavad Gîtâ? Er is ongetwijfeld geen macht die zich terzijde
houdt zoals een rechter in een rechtbank, en ons beboet of beloont voor
deze misstap of die verdienste; we zijn het zelf die onze eigen toekomst
scheppen of onze bestemming bepalen.
God wordt niet ontkend. De paradox dat er een
god bestaat in ieder mens wordt duidelijk als we inzien dat ons gescheiden
bestaan een illusie is; het stoffelijke, waardoor we gescheiden individuen
zijn, moet uiteindelijk wegvallen, waardoor ieder mens één blijkt te zijn
met alle mensen, en met god, die het oneindige is.
En de passage die ongetwijfeld in brede kring
verkeerd zal worden begrepen is die in ‘Het geheim van kracht’. ‘Religie
houdt een mens af van het pad, belet hem vooruit te gaan om verschillende,
heel duidelijke redenen. Ten eerste maakt ze de wezenlijke fout om goed
en kwaad van elkaar te onderscheiden. De natuur kent zo’n onderscheid
niet.’ Religie is altijd door mensen gemaakt. Ze kan daarom niet de hele
waarheid zijn. Ze is iets goeds voor de gewone man en de buitenstaander,
maar ze zal hem beslist niet bij de Gouden Poort brengen. Als religie
van god is, hoe komt het dan dat we zien dat diezelfde god in zijn werken
en daden de voorschriften van de religie overtreedt? Hij doodt ieder mens
eenmaal in het leven; elke dag brengen de onstuimige elementen en vreemde
omstandigheden waarvan hij de schepper zou zijn, hongersnood, koude en
ontelbare voortijdige sterfgevallen; waar kan dan in het Ware enige ruimte
zijn voor een onderscheid zoals tussen goed en fout? De discipel moet,
terwijl hij op het pad loopt, zich aan de wet en het gezag houden, maar
als hij zijn geloof vastpint op een of andere religie, dan komt hij onmid
dellijk tot stilstand, en het maakt geen verschil of hij mahâtma’s,
goden, Krish³a, Veda’s of mysterieuze daden van genade opricht, elk ervan
zal hem tegenhouden en hem in een groef werpen waaruit zelfs een hemelse
dood hem niet kan bevrijden. Religie kan alleen moreel en ethisch gedrag
leren. Ze kan niet de vraag beantwoorden: ‘Wat ben ik?’ De boeddhistische
asceet houdt een waaier voor zijn ogen om hem het uitzicht te benemen
op voorwerpen die door zijn religie worden afgekeurd. Maar daardoor verkrijgt
hij geen kennis, want dat gedeelte van hem dat wordt beïnvloed door de
ongeschikte voorwerpen die hij heeft gezien, moet door de mens zelf worden
gekend, en alleen door ervaring kan men in het bezit komen van kennis
en deze in zich opnemen.
Het boek besluit glorieus met enkele aanwijzingen
waaraan veel behoefte bestond. Te veel onderzoekers van het occultisme,
zelfs de meest oprechte, hebben geprobeerd die helft van hun natuur te
negeren waarvan hier wordt gezegd dat die noodzakelijk is. In plaats van
de dierlijke natuur de kop in te drukken, hebben we hier de belangrijke
en wijze aanwijzing dat we moeten leren om het dier volledig te begrijpen
en het ondergeschikt te maken aan het geestelijke. ‘De god in de mens,
als deze is onteerd, is iets onuitsprekelijk schandelijks in zijn vermogen
tot voortbrenging. Het dier in de mens, als het is veredeld, is iets onvoorstelbaar
groots in zijn macht om te dienen en door zijn kracht,’ en ons wordt gezegd
dat ons dierlijk zelf een grote kracht is, het geheim van de magiërs van
de oude wereld, en van het komende ras dat Lord Lytton ons aankondigde.
‘Maar deze macht kan alleen worden verkregen door de god te laten regeren.
Maak het dier tot heerser over uzelf en nooit zal het over anderen regeren.’
Deze lering blijkt identiek te zijn aan die van
de slotwoorden van ‘De Idylle van de Witte Lotus: ‘Hij zal leren
hoe de geestelijke waarheden tot uitdrukking kunnen worden gebracht, en
om het leven van het hoogste zelf binnen te gaan, en hij kan ook leren
om binnen hem de glorie van dat hogere zelf te bewaren, en toch – als
dat nodig zou zijn – het leven op deze planeet te behouden zolang dat
duurt; om het leven te behouden in de kracht van zijn menszijn, totdat
zijn hele werk is voltooid, en hij de drie waarheden heeft onderwezen
aan iedereen die op zoek is naar licht.’
Er zijn drie zinnen in het boek die de lezer zich
zou moeten inprenten, en we geven ze in omgekeerde volgorde:
‘Geheim en verborgen in het hart van de wereld
en in het hart van de mensen is het licht dat alle leven kan verlichten,
de toekomst en het verleden.’
‘Gesteund door de geestelijke stappen van een
miljoen mensen ging Boeddha door de Gouden Poort; en omdat de menigte
zich verdrong op de drempel kon hij woorden achterlaten die laten zien
dat die Poort zich zal openen.’
‘Dit is een van de belangrijkste factoren in de
ontwikkeling van de mens: de erkenning – de diepgaande en volledige erkenning
– van de wet van universele eenheid en samenhang.’
Licht
op het Pad & Door de Gouden Poort
©
1999 Theosophical University Press Agency, Den Haag
|