Inleiding

 

In alle tijden hebben mannen en vrouwen over het mysterie van het leven nagedacht en zich afgevraagd: waar komen we vandaan, waarom zijn we hier, en wat is onze uiteindelijke bestemming? Waar vinden we een filosofie die betrouwbaar is en aan onze verwachtingen beantwoordt?
    Als ons verlangen om in de wereld een werktuig ten goede te worden oprecht is, zal de kracht van onze aspiratie ons onvermijdelijk in die omstandigheden brengen die meehelpen ons doel te bereiken. Misschien is het een boek, een tijdschrift of een schijnbaar toevallige gebeurtenis – een mens of iets anders dat in ons bewustzijn een kettingreactie teweegbrengt – waardoor we, als ijzervijlsel naar een magneet, in een volkomen nieuwe denkrichting worden getrokken, ja zelfs in nieuwe omstandigheden die, wanneer we daarin volharden, de loop van ons leven kunnen wijzigen.
    Onze diepste hoop berust op het feit dat de waarheid bestaat. Ze is door de eeuwen heen tot ons gekomen als een rivier waarvan de bron in het onbekende ligt. Soms vloeit ze als een krachtige en heldere stroom over het oppervlak van de aarde en verrijkt het innerlijk van de mens. In tijden dat ze geen bedding van ontvankelijke zielen vindt, verdwijnt ze ongemerkt ondergronds en het land dat ze eens vruchtbaar maakte, ligt dan braak. Maar de rivier stroomt altijd voort.
    Hoe is deze ‘wijsheid der eeuwen’ tot ons gekomen? Is dat niet dankzij het leven en de arbeid van de grote leraren uit het verleden – meester Jezus, Gautama Boeddha, Krishña, Mohammed, Confucius, Lao-Tse, Plato en anderen? Elk van hen stond één doel voor ogen: in het bewustzijn van de mens het besef te doen herleven van zijn goddelijke vermogens, en de geestelijke waarden die besloten liggen in de heilige overleveringen van de oudheid opnieuw te formuleren. Ieder van hen droeg op zijn eigen wijze ertoe bij dat de rivier van de waarheid weer ging vloeien door het gebied van het menselijke leven en streven en de dorstende zielen verkwikte van hen bij wie het geloof was verzwakt.
    Waarom herhalen zich die perioden van onvruchtbaarheid, terwijl toch aan alle grote religies en filosofieën in wezen dezelfde beginselen van juist denken en handelen, dezelfde bron van inspiratie, ten grondslag liggen? Was dit te wijten aan de leraren of hun leringen? Of was het het onvermogen van hun tijdgenoten om de betekenis van hun boodschap voldoende te begrijpen en deze onvervalst door te geven? Deze en vele andere daarmee samenhangende vragen vormen het thema van de volgende uiteenzettingen.
    Maar laten we eerst een ogenblik stilstaan bij die problemen waarmee we onmiddellijk te maken krijgen als we een dieper inzicht proberen te verwerven in de mysteriën van het leven. Allereerst moet dan worden opgemerkt – en dit is paradoxaal – dat Christus noch Boeddha, noch een van de andere leraren door wie de mensheid is onderricht, is gekomen om een wereldreligie te stichten. Het oorspronkelijke christendom bijvoorbeeld, zoals dit tot uitdrukking kwam in het leven van Jezus en de invloed die hij uitoefende, was een nieuwe vorm van dezelfde aan geen tijd gebonden wijsheid, maar na op schrift te zijn gesteld en door ontelbare vertolkers binnen en buiten de kerk te zijn ‘uitgelegd’, werd het in steeds mindere mate de universele synthese van de ethiek en filosofie zoals de meester ons die had geschonken.
    Het waren altijd de discipelen en volgelingen van de christussen en de boeddha’s die, diep bewogen door de ‘nieuwe’ openbaring, zelf de formele religies schiepen en kerken en tempels bouwden, in de hoop zodoende de levende boodschap van hun leermeester te behoeden. Naarmate de eeuwen verstreken en elkaar opvolgende denkrichtingen hun eigen interpretaties verkondigden, zonk de geest van de oorspronkelijke leer telkens weer weg in het moeras van de dode letter. Want juist het willen definiëren en in een leer vastleggen belemmerde automatisch de vrije loop van de waarheid en ontnam haar het vermogen om kracht en licht te schenken.
    Welke naam of uiterlijke vorm deze archaïsche traditie in perioden die aan het christelijke tijdperk voorafgingen misschien ook heeft gehad, zowel in landen van het noorden en zuiden als van het oosten en westen, vanaf de derde eeuw na Christus werd ze bekend als theosophia – ‘de wijsheid over goddelijke dingen’, zoals deze in Alexandrië door Ammonius Saccas werd onderwezen. Hoewel ze in het algemeen verborgen bleef als gevolg van de geestelijke verstarring die reeds haar intrede deed bij de eerste kerkvaders – hun theologische gekibbel is uit de literatuur bekend – stroomde deze wijsheid gestaag voort, als richtsnoer niet alleen voor de kabbalisten – die in de donkere perioden van de Middeleeuwen heimelijk hun ‘theosofie van de engelen’ bestudeerden – maar ze werkte ook als een stimulans voor de verlichte geesten van de Renaissance: Paracelsus, Pico della Mirandola, Leonardo da Vinci, Bruno, Kepler, en een hele menigte andere geleerden, filosofen, dichters en kunstenaars.
    Was het toeval dat de geschriften van Jakob Boehme, de ‘Teutoonse theosoof’ uit de zestiende eeuw, Saint-Martin omstreeks 1790 inspireerden tot een ‘theosofische briefwisseling’ met een bevriende Zwitserse filosoof; en dat deze brieven in 1863 in Engeland werden herdrukt in de hoop daarmee weer de belangstelling op te wekken voor ‘de theosofische en zuivere evangelische kennis die in deze denkbeelden lag besloten’? En was het toeval dat Emerson en anderen die door de kosmische ideeën van de Bhagavad-Gîtâ werden geïnspireerd, in Amerika in de jaren dertig van de negentiende eeuw de stoot gaven tot de beweging van de Transcendentalisten?
    Volgens de overlevering voorspelde de grote Tibetaanse hervormer Tsong-kha-pa (1357?-1419) dat er in het laatste kwart van iedere volgende eeuw een duidelijke geestelijke impuls merkbaar zou zijn, in het bijzonder in het westen. Al is het niet gemakkelijk deze levengevende stroom in de onmiddellijk daaropvolgende eeuwen te onderkennen, toch schijnt hij zich te hebben gemanifesteerd in bepaalde verlichte geesten en binnen de geheime vertrekken van de vuur-filosofen, alchemisten en kabbalisten. In de achttiende en negentiende eeuw kunnen we het spoor gemakkelijker volgen – niet dat er een nieuwe religie werd gesticht, maar wel werd op de akker van de toekomstige eeuwen het zaad gestrooid dat later zou ontkiemen tot een ruimere ethische levensopvatting.
    Tegen het einde van de achttiende eeuw, de tijd van de Amerikaanse en Franse Revolutie, kreeg het godsdienstig isolationisme, dat Europa had beheerst, voor het eerst een gevoelige klap toen de oosterse literatuur met haar rijke filosofische inhoud ingang vond in westerse intellectuele kringen. Maar pas in de laatste decennia van de negentiende eeuw kreeg deze bezielende kracht, die zich tot in alle hoeken van de denkende wereld had geopenbaard, voldoende stootkracht om tot onze huidige eeuw door te dringen.
    Dit proces bereikte zijn hoogtepunt in de publicatie van The Secret Doctrine (De Geheime Leer) van H.P. Blavatsky in 1888, een uitgebreide studie van de heilige geschriften uit de wereldliteratuur (niet alleen de christelijke), die aantoonde dat de kerngedachten in al die werken als parels waren aan één gouden snoer: de goddelijke oorsprong en bestemming van de mens. Het was in geen geval onbelangrijk dat de eens algemeen aanvaarde leer van reïncarnatie, de periodieke terugkeer van de ziel in het aardse bestaan, weer in het westerse denken werd geïntroduceerd. Zo verscheen de oude rivier, lange tijd verborgen door het slib en bezinksel van het dogmatisme, weer aan de oppervlakte om haar bovengrondse loop te hervatten.
    Alle menselijke vooruitgang is het gevolg van het aanhoudende streven van de menselijke ziel om uitdrukking te geven aan die oorspronkelijke geestelijke ideeën, die diep in het geheugen van de mensheid werden ingeprent toen deze voor het eerst op deze aardbol haar thuis vond. In de loop van onze lange pelgrimstocht zijn we van het stadium van niet-zelfbewustzijn naar dat van zelfbewustzijn gegroeid en tenslotte tot het besef van onze individuele morele verantwoordelijkheid – een verantwoordelijkheid die vele en velerlei veranderingen heeft ondergaan.
    Gezien vanuit een materieel standpunt nadert de evolutie snel een cyclisch hoogtepunt, maar inmiddels tracht zich een nieuwe evolutionaire impuls te openbaren die aan de dag moet treden via dat wat juist de neiging heeft deze tegen te houden. In deze kritieke dagen richten we ons op de kracht van het goddelijke zaad dat bezig is binnen de harde bolster van het materiële te groeien, en op de snelle ontplooiing van geestelijke en morele krachten in de betrekkingen van mens tot mens.
    We hebben inderdaad een keerpunt bereikt en mogen ons nu niet langer onderwerpen aan starre dogma’s. Het steeds groeiende aantal leken dat de klassieke religieuze en filosofische werken uit de wereldliteratuur leest weigert een bepaald geloof te aanvaarden als het laatste woord van de waarheid of de enige weg tot verlossing. Ook instellingen van hoger onderwijs moedigen een meer universele houding aan en geven regelmatig cursussen in vergelijkende godsdienststudie in een poging de verbindende schakel van wijsheid te ontdekken.
    Zoals de fysieke zon verschillende fasen van zonne-activiteit aan ons vertoont, afhankelijk van welke van de verschillende golflengten bij het fotograferen gebruik wordt gemaakt, zo is ook elk van deze heilige geschriften een bron van velerlei graden van inspiratie. We kunnen de parabels en legenden rondom een bepaalde leraar lezen als een historisch verslag van zijn geboorte, daden en prediking; of we kunnen hem, als we op een andere golflengte instellen, ook als een heiland zien, die als een zonnegod opvlamt aan de horizon van het menselijk leven en zijn boodschap van hoop en licht voor duizenden jaren achterlaat; ofwel we kunnen uit de eenvoudige toepassing van zijn voorschriften moed putten voor het dagelijks leven.
    Het ligt dan ook voor de hand dat deze wijsheidsreligie niet alleen de diepste bronnen van kennis omvat, maar ook de zuiverste ethiek. De hoeksteen wordt gevormd door de gedachte dat in het hart van al wat bestaat het goddelijke is – erin, erbuiten, erboven en beneden – het goddelijke dat expressie zoekt om zijn licht te doen schijnen in die omgeving waarin zijn invloed tot leven komt. Het is tragisch dat we vele eeuwen lang niet uit vrije verkiezing maar door een verkeerde opvoeding, in de waan zijn gebracht dat we aardwormen zijn. Men leerde ons niet dat we als potentiële goden zelf de middelen en wegen weer moeten ontdekken om eens zelfbewuste medewerkers van de natuur te worden. Dit is een prachtige en helpende gedachte, want door oorzaken en gevolgen op nauwgezette en rechtvaardige wijze met elkaar in evenwicht te brengen, maken de cyclussen van activiteit en rust de aanhoudende groei mogelijk van de goddelijke eigenschappen in ieder van ons.
    Maar we zullen vastlopen in oppervlakkigheden als we ons alleen verdiepen in de ingewikkelde technische aspecten van de leringen. We kunnen er zeker van zijn dat de beschermers van de mensheid zich nooit zoveel moeite zouden hebben getroost om de kennis van deze tradities in zaadvorm – in mythen, legenden, symbolen en in steen – te bewaren, louter en alleen als een fascinerend spel voor het intellect. Deze wijsheid werd eeuw na eeuw telkens opnieuw verkondigd, omdat aan ieder aspect van de leringen een ethische gedachte ten grondslag ligt die moet worden erkend en in praktijk gebracht. Dit streven vloeit geheel voort uit mededogen en het diepe verlangen de mens nieuwe hoop te geven en zijn vlammende intuïtie wakker te houden.
    Waarheid is niet te koop, evenmin als geluk. We moeten haar verdienen, en hoe groter onze oprechtheid is, des te groter dient onze waakzaamheid te zijn om het ware van het valse te onderscheiden. Het verschil spreekt niet altijd zo duidelijk, omdat niet alle bewegingen die zich religieus of metafysisch noemen een onzelfzuchtige geestelijke achtergrond hebben. Sinds H.P. Blavatsky de oude en universele filosofie opnieuw formuleerde, is vooral het westen overstroomd door talrijke kleinere profeten die een of meer halve waarheden nastreefden, waarop zij de blinkende bouwsels van hun fantasie baseerden. Het is niet onze bedoeling daarover een oordeel uit te spreken. De tijd zal het kaf van het koren scheiden.
    Laat men echter goed begrijpen dat wij geen belangstelling hebben voor de pseudospirituele praktijken die in deze tijd zo welig tieren, en deze evenmin willen goed praten: zoals het najagen van paranormale verschijnselen, het ontwikkelen van zogenaamde occulte of psychische vermogens, hathayoga-oefeningen, inwijdingen in bepaalde mysteriën – in de meeste gevallen tegen betaling. Onder welke dekmantel ze zich ook voordoen, ze zijn allemaal gericht op de zelfzuchtige kant in de menselijke natuur. Diegenen van ons die hun vingers hebben gebrand aan een van deze pseudowaarheden, leerden door schade en schande dat het pad van de waarheid inderdaad ‘recht en smal’ is, maar dat het de enige weg is die ons met zekerheid naar het doel voert.
    Ik heb het voorrecht gehad in de loop van de jaren met enkelingen en groepen in verschillende delen van de wereld ‘hardop te denken’. In de gesprekken met hen voerde één ding de boventoon – hun verlangen naar een praktische filosofie die innerlijk houvast geeft, en de hiermee samenhangende behoefte om de bevestiging te vinden van hun intuïtieve gevoel dat er inderdaad een verklaring bestaat voor de vele paradoxen en problemen in het leven. In het besef dat de beschaving slechts een weerspiegeling is van de groei en de ontwikkeling van het menselijk karakter, bewogen onze gesprekken zich op het terrein van die geestelijke beginselen die op elke situatie van toepassing zijn, ongeacht het geloof, de politieke opvatting, de opvoeding of maatschappelijke achtergrond van het individu. Want welke levensweg men ook bewandelt, er is altijd een gemeenschappelijk gebied waarop we elkaar kunnen ontmoeten.
    Veel van het materiaal in dit boek, dat het resultaat is van een gedachtewisseling met honderden mannen en vrouwen, verscheen eerder in het tijdschrift Sunrise, en al hebben we het in belangrijke mate herzien, we hebben geprobeerd het informele karakter van de oorspronkelijke gesprekken te behouden. Mocht iemand echter verwachten pasklaar gemaakte lessen en voorschriften te ontvangen die hem geestelijke verlichting zullen brengen, dan zal hij worden teleurgesteld. Ieder van ons is uniek, een individuele uitdrukking van zijn eigen innerlijke zelf en moet daarom uiteindelijk dat levenspad vinden en volgen dat het zijne en uitsluitend het zijne is.
    Er bestaat geen kant en klaar antwoord dat iedereen kan bevredigen – geen boek, geen leermeester, geen bron buiten de mens zelf – want wie kan weten wat een ander voor zijn groei nodig heeft? Het leven is de enige gids en leidsman. Wanneer een mens eenmaal langs de natuurlijke weg van het ontwakend bewustzijn de toetssteen van de waarheid in zichzelf ontdekt, weet hij dat deze haar gezag niet ontleent aan de een of andere persoon van wie hij de geschriften misschien heeft gelezen of de gesprekken heeft gewaardeerd, maar dat deze haar oorsprong vindt in de diepten van zijn eigen ziel.

– J.A.L.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 7-15
© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag