Uit een gesprek met een kerkelijke jongerengroep – 1

 

God, Gods wil en predestinatie


Vraag — Er zijn zoveel vragen waarover we met u zouden willen spreken – over God en de vrije wil en de val van Adam, dat we niet weten waar we moeten beginnen. We kunnen natuurlijk zeggen dat alles ‘Gods wil’ is, en voor sommigen in onze groep is dat voldoende, misschien omdat zij meer vertrouwen hebben dan ik. Maar ik zou willen vragen: wat is uw geloof of religieuze opvatting?

Commentaar — Laat ik voor alles één ding duidelijk maken: voor mij zijn u en ik en alle anderen zoekers naar waarheid. Het doet er weinig toe of iemand twintig, vijftig of tachtig jaar is – we zoeken allen op onze eigen wijze naar kennis en begrip. Daarom heeft niemand het recht met ‘beslissend gezag’ over de waarheid te spreken of te proberen het laatste woord te zeggen over de wetten van de natuur.
   U vraagt wat mijn geloof of religieuze opvatting is. Ik aanvaard geen bepaalde geloofsbelijdenis, geen vaste geloofsleer of dogma’s. Zoals elke grashalm van elke andere verschilt, verschillen ook de mensen onderling. Al zijn de beginselen van de waarheid onveranderlijk, de wijze waarop ze tot uitdrukking kwamen, varieerde in belangrijke mate met iedere wereldleraar. Dit is niet alleen volkomen natuurlijk maar ook noodzakelijk voor de groei, want een van de meest overheersende trekken van de menselijke natuur is de neiging tot verstarring, en zich behaaglijk in een hoekje te nestelen met een keurig stel geloofsartikelen, en te denken: ‘Nu heb ik toch eindelijk de waarheid. Ik hoef niet langer te zoeken’. Volgens mij is deze houding een van de grootste struikelblokken op de weg van geestelijke vooruitgang voor ieder mens die ernstig ernaar streeft zijn inzicht in het leven te verruimen.
   Ik houd helemaal niet van het woord geloof, omdat dit gewoonlijk een gezaghebbende formulering van een godsdienstige leer of een officiële geloofsbelijdenis inhoudt. Daartegen heb ik nu juist bezwaar – hoe verheven of juist ze ook mogen zijn. Volgens mij is het belangrijkste niet het vinden van de waarheid (of een aspect ervan, omdat we de waarheid per se nooit zullen vinden), maar het zoeken en het streven naar een steeds beter begrip ervan. Als ik een geloof moest hebben, zou het zijn: de absolute overtuiging dat de ziel binnen haar eigen bewustzijnsgebied vrijheid van onderzoek moet hebben.

Vraag — Maar u moet toch in iets geloven? Gelooft u bijvoorbeeld in Jezus?

Commentaar — Zeker geloof ik in Jezus – maar niet noodzakelijk zoals u. Ik geloof dat Jezus een incarnatie was van een goddelijke kracht, van God zo u wilt. Maar ik geloof ook dat Jezus daarin niet uniek was, omdat ieder mens potentieel een ‘zoon van God’ is, een incarnatie van zijn eigen innerlijke godheid. Heeft Jezus ons niet gezegd dat wat hij deed, wij ook konden doen, en zelfs nog grotere dingen? Welke andere bedoeling had hij daarmee dan ons eraan te herinneren, dat ook wij ‘tempels van het Allerhoogste’ zijn? Dit waren niet alleen woorden om ons moed in te spreken; hij liet ons daarin een boodschap na van ontzaglijke hoop en vertrouwen in de geestelijke bestemming van de mens.

Vraag — U schijnt in God te geloven, maar zou u ons precies willen vertellen, wat u van Hem denkt?

Commentaar — Geloof ik in God? Het hangt er helemaal van af wat u onder God verstaat. Als u bedoelt of ik in een persoonlijke God geloof, een godheid buiten de mens, dan zou ik moeten zeggen dat mijn geloof in God ver uitgaat boven de gebruikelijke orthodoxe opvatting. God is voor mij die goddelijke intelligentie geworden die de achtergrond en de voorgrond van alle schepping is. Met andere woorden, voor mij kan er niets bestaan dat niet een deel is van God, een uitdrukking van die goddelijke kracht. Ik zie het als volgt, waarbij ik de christelijke terminologie gebruik:
   Ten eerste zijn de Wateren der Ruimte uit Genesis niet alleen grenzeloos en oneindig, maar tevens de goddelijke bron van alle gemanifesteerde schepselen; ten tweede, toen God, of de elohim, op de Wateren der Ruimte ademde, werd de leegte een volheid, en trad God uit de duisternis van de diepten te voorschijn in het licht – en kwam een heelal met zijn menigten levensvormen tot aanzijn. Ten derde, omdat de elohim (om weer de Hebreeuwse term te gebruiken voor de meervoudsvorm goden en niet het enkelvoud God) elk atoom van de ruimte doordrongen met goddelijke essentie, moet elk facet van het heelal een expressie zijn van God, in hoe geringe mate ook – hetgeen verder wil zeggen dat elk schepsel in de hemelen en op aarde de gelegenheid heeft zelfbewust goddelijk te worden. Natuurlijk komt zo’n zelfbewuste eenwording met God niet in een dag tot stand, maar het duurt onmetelijke tijdperken in ruimte en tijd voordat elk aspect van God de gelegenheid heeft gehad in alle natuurrijken tot uitdrukking te komen. Dan, als de Grote Dag aanbreekt, zal alles wat uit de duisternis van de leegte te voorschijn kwam, opnieuw worden opgenomen in de boezem van God voor een periode van rust.
   Vraag — Als u het op die manier zegt, lijkt het allemaal zo groots, zo ontzagwekkend. Het beangstigt me bijna, omdat het moeilijk valt tot het orthodoxe standpunt terug te keren als men werkelijk op die wijze gaat denken. U heeft echter wel duidelijk gemaakt dat uw filosofie niet ernaar streeft om iets te vervangen wat ons is geleerd.

Commentaar — Ik ben blij dat u het op die manier uitdrukt, want het is inderdaad niet de bedoeling het geloof van een ander te vervangen, maar veeleer te trachten die ander te helpen om zijn eigen geloof vollediger en beter te begrijpen. Het enige ‘dogma’ dat ik aanhang, is dat er geen dogmatisering van het denken behoort te zijn. De waarheid staat open voor iedereen, maar de weg erheen is een volkomen individuele zaak. We moeten niet iets als waar aannemen, tenzij we diep in ons de juistheid ervan aanvoelen. Morgen zien we de dingen misschien heel anders, begrijpen we misschien meer dan vandaag. Ons geloof van vandaag zal ons dan beperkt toeschijnen. Datzelfde geldt voor groei op elk gebied van ervaring.

Vraag — Dat bevalt mij, want als er één ding is dat ik niet kan uitstaan, is het als iemand zegt: ‘Kijk, zo is het nu, en meer valt er niet over te zeggen’. Ik vind dat niemand het recht heeft dat te doen. Ik ben daarom maar op mijn eigen houtje verdergegaan en heb geprobeerd hier en daar wat op te pikken. Ik meen dat iedereen zijn eigen soort waarheid kan hebben. Is het mogelijk, dat bepaalde ideeën in ons christelijke geloof min of meer gelijk zijn aan die in andere religies?

Commentaar — Dit is niet alleen mogelijk maar u heeft volkomen gelijk; en als u de grote religies en filosofieën van de wereld bestudeert, van het westen zowel als van het oosten, zult u ontdekken dat ze alle een gemeenschappelijke oorsprong hebben. De christelijke geschriften bevatten heel wat leringen die ook door het boeddhisme en hindoeïsme worden onderwezen, al worden ze op verschillende wijze tot uitdrukking gebracht; zo kunt u in de evangeliën ook sporen vinden van Hebreeuwse en Griekse invloeden. Alle nemen een goddelijke bron aan, of die nu Jehova, Brahmâ of Allah wordt genoemd; de bijzondere incarnatie van God of de godheid in Christus is te vergelijken met de avatâra’s van de hindoes; en zoals we allen weten, wordt de Gulden Regel voor ethisch en geestelijk gedrag overal aangetroffen. Maar zoals in ons eigen christelijke geloof heel wat dogmatisme is geslopen, is dat ook het geval bij de oosterse religies, en het is niet altijd gemakkelijk door die verdraaiingen heen te zien.
    Door een vergelijkende studie van de literatuur, de mythen en de overleveringen van andere landen komen we tot de ontdekking dat het scheppingsverhaal uit Genesis bijvoorbeeld maar één aspect is van een universeel verhaal, dat in een of andere vorm door alle volkeren over de hele wereld als heilig is bewaard. Zelfs al heeft het wetenschappelijke en archeologische onderzoek zonneklaar bewezen dat onze aarde miljoenen jaren oud is en niet slechts 6000 jaar, toch zijn deze scheppingsverhalen niet alleen maar fantasie of kinderlijke verbeelding. Maar hoe moet men dan de schepping van hemel en aarde in zes dagen en een rustdag voor God op de zevende verklaren? Letterlijk genomen is het absurd; maar zo was het ook nooit bedoeld. De dagen van de schepping, hetzij in de christelijke bijbel, in de Purâña’s van de hindoes, of in de legenden van de indianen of de Perzen, zijn bedoeld als symbolen van dagen van manifestatie of activiteit, gevolgd door nachten van teruggang of rust – waarbij elk van deze dagen een levenscyclus is van aardse ervaring die zich uitstrekt over een periode van enkele duizenden tot misschien honderdduizenden jaren.
   Dit alles leidt ons tot de conclusie dat ook de mens heel oud moet zijn. Er zijn inderdaad geschriften die zeggen dat er tenminste achttien miljoen jaar zijn verlopen sinds hij een zelfbewuste eenheid werd! Maar wat zijn ouderdom ook is, miljoenen jaren of slechts enkele duizenden, het blijft een feit dat de volhardende pogingen van alle grote geestelijke hervormers van alle tijden ons hebben geholpen om het ruimere beeld te zien van de goddelijke mogelijkheden in de mens.

Vraag — Als ieder van ons, zoals u zei, een ‘incarnatie van God’ is, althans in zekere mate, en als wij allen, toen Gods adem over de Wateren zweefde, tot aanzijn kwamen, moeten we dan niet allerlei ervaringen doormaken voor we ons weer met God kunnen verenigen? Maar wat gebeurt er tussen de eerste en de laatste stap? Hoe werkt het allemaal van het begin tot het einde?

Commentaar — Voor zover ik weet, is er slechts één proces, één modus operandi, om aan de god in ons gelijk te worden, en dat is door het herhalen van ervaringen tot we de lessen die de aarde ons biedt volledig hebben geleerd.

Vraag — Doelt u op reïncarnatie? Ik ben in een zeer orthodoxe familie opgevoed, en voor mij is het moeilijk die gedachte te aanvaarden. Toch kan ik haar ook niet helemaal afwijzen, en ik zou graag willen dat u wat meer erover zei.

Commentaar — Niemand hoeft in reïncarnatie te geloven. Aan de andere kant hoeft niemand bang te zijn voor een nieuw idee. Ik zal er dit van zeggen: het begrip wedergeboorte is heel oud, en we kunnen het in elke religie terugvinden, zelfs in de christelijke, ondanks het feit dat er in de eerste eeuwen heel veel moeite is gedaan om het als een van de hoofdleringen van de kerk uit te sluiten. Laten we eens aannemen dat de ziel meer tijd nodig zou hebben dan de circa zeventig jaar die haar gewoonlijk zijn toegedacht. Wat kan ze daaraan doen als de dood aan alles een eind maakt? Ik geloof dat het iedereen duidelijk is dat we in zo’n korte periode nog geen tiende deel van onze hoogste verwachtingen kunnen verwezenlijken. Laten we verder aannemen dat God ons in zijn goddelijke wijsheid nog een kans wil geven, nog een gelegenheid, om ons te ontwikkelen. Zou het dan zinnig zijn ergens anders heen te gaan dan naar de aarde waar we al wat vertrouwd zijn geraakt met deze planeet en haar wetten? Dan is er nog een ander, even belangrijk punt: hebben we niet al een aantal oorzaken in beweging gezet, en als dit zo is, geloven we dan werkelijk dat we vóór we sterven de gevolgen van al onze gedachten en daden kunnen oogsten?
   
Vraag —
Ik heb altijd het gevoel gehad dat de dingen gaan zoals ze moeten gaan, dat er niets bij toeval gebeurt. Aan de andere kant ben ik ook van mening dat de mens een vrije wil heeft. Ik denk dat ik eigenlijk een fatalist ben, en toch zou ik graag willen geloven dat we ook enige vrijheid van keuze bezitten.

Commentaar — Ik geloof niet dat u werkelijk een fatalist bent, maar laat ik proberen nog eens op een andere manier te zeggen hoe ik het zie, zonder te ver af te dwalen. Als we geloven dat de wet van oorzaak en gevolg niet alleen op het fysieke gebied werkt, maar ook in onze morele en geestelijke verhoudingen, en dat wat we op de akker van onze ziel zaaien, we eens ergens moeten oogsten, dan zien we in dat er niets ‘zomaar gebeurt’, bij toeval, of in strijd met de natuurwetten. Toch is deze wet van harmonie zo fijn uitgebalanceerd dat ieder mens haar op een verschillende manier ziet werken, volkomen in overeenstemming met zijn eigen zielen-achtergrond.

Vraag — Wat bedoelt u met ‘zielenachtergrond’? Is de ziel hetzelfde als de geest?

Commentaar — Voor ik verder ga, is het misschien verstandig even bij dit punt van de ziel stil te staan. U bent allen vertrouwd met de verdeling van de mens in drieën zoals Paulus dit deed: lichaam, ziel en geest. Nu is het voor veel mensen moeilijk in te zien dat de ziel niet hetzelfde is als de geest; maar ze zijn niet hetzelfde. U en ik zijn menselijke zielen die hier in een fysiek lichaam ervaringen opdoen, maar we worden geleid of aangespoord tot deze ervaringen door de geest die in ons woont. Ik ben er zeker van dat niemand van u denkt dat u uw lichaam bent of zelfs dat u alleen maar uw emoties, uw brein of ziel bent. Wat anders vormt de drijvende kracht achter uw aspiraties, uw diepste gevoelens, dan uw goddelijke vonk, die essentie van God die de wortel is van elk levend organisme? Laten we daarom het blijvende deel in ons zien als de geest die de menselijke ziel tot werkzaamheid aanzet, en deze gebruikt op haar beurt een fysiek lichaam als haar tempel hier op aarde.
   Dit blijvende deel in ons is erin geslaagd om ons op die plaats in het leven te brengen waar we het meest kunnen leren. Maar omdat ieder van ons een facet is van de goddelijke intelligentie, met ons eigen deel aan vrije wil, is het aan ons om het recht van de keuze uit te oefenen, om te kiezen welk pad wij willen inslaan, welke gedachten we willen hebben en welke daden we willen verrichten. U ziet dus dat de ziel zich in een strijdperk bevindt tussen de geest en het lichaam, tussen aspiratie tot God aan de ene kant en materiële begeerte aan de andere. Ons lichaam is een dierlijk lichaam, zij het een hoogontwikkeld, maar toch vindt het zijn oorsprong in de materiële kant van de natuur. Onze ziel heeft deel aan de kracht van boven, de god in de mens, maar ze is ook gevoelig voor de aantrekking van onze fysieke natuur. Daar ligt onze vrijheid van keuze en tevens onze mogelijkheid om te leren.

Vraag — Ik zie niet hoe we het begrip fatalisme of predestinatie kunnen vermijden. Heeft God niet een bedoeling voor ons leven? En als we die niet volgen, dan leven we dus niet naar Zijn wil, en moeten we die zien te ontdekken, nietwaar?

Commentaar — In één en een heel belangrijk opzicht zijn we allen gebonden aan Gods wil, mits we aan God denken als dat deel van de godheid dat zich in het hart van ieder van ons bevindt. Dat betekent dat in ons de kracht en de macht liggen van Gods wil, die zich eens zal kunnen manifesteren. Maar, en dit is ook belangrijk, hij zal zich voor ieder mens anders openbaren, want hij is de wil van onze eigen innerlijke god, en de goddelijke kracht daarvan werkt in op onze ziel. In die zin kan men terecht zeggen dat de mens door zijn eigen innerlijke god is ‘voorbestemd’: om in het leven geboren te worden en de smart en de vreugde van het aardse bestaan te ondergaan.
    Maar laten we dit niet verwarren met het oude dogma dat de mens al vóór de geboorte is voorbeschikt om gestraft of beloond te worden naar de grillen en nukken van een buitenkosmische godheid. Geen enkel mens is voorbestemd of voorbeschikt door een God buiten hemzelf. Ook kan hij niet door iets anders zijn voorbestemd dan door de kracht van zijn eigen ervaringen in het verleden, de door hemzelf in het blijvende deel van zijn wezen opgeslagen energieën. Met andere woorden, de mens komt in het leven ‘gepredestineerd’ door zichzelf en door niemand anders, met het doel datgene te ontplooien en te ontwikkelen dat hij in zijn eigen zielenleven heeft vergaard; en daar bevindt zich ook zijn eigen individuele vrije wil die hij kan gebruiken om van zichzelf te maken wat hij wenst. We zijn geneigd fatalist te worden, omdat we eeuwenlang het leven en de omstandigheden om ons heen hebben bezien vanuit het beperkte standpunt van één enkel leven. Maar zodra de mens ontwaakt tot zelfbewuste kennis van zijn volledig menszijn en van zijn verantwoordelijkheden, is er voor fatalisme geen plaats meer.
    Kan iemand van u werkelijk geloven letterlijk ‘in zonde geboren’ te zijn, en voorbestemd tot dwalingen, tenzij het Gods wil is dat u het goede pad volgt? Als we het vraagstuk uitsluitend benaderen vanuit het standpunt van het lichaam, zouden we kunnen zeggen dat de mens ‘in zonde geboren’ is – als we daarmee bedoelen in de stof geboren, in een fysiek dierlijk lichaam. Maar de mens is niet zijn lichaam. De ziel is vrij en staat dichter bij die vrijheid naarmate ze dichter staat bij haar eigen innerlijke god. Dit is de grote kans: de mens heeft de kracht in zich om door zijn portie vrije wil de gewillige helper te worden van zijn eigen innerlijke god.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 76-85

© 2000
Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag