Het voor en tegen van berouw


Vraag — Ik heb de laatste tijd heel wat gelezen, en in één bepaald boek, Letters that have helped me (Brieven die mij hebben geholpen) van W.Q. Judge, kwam ik de volgende uitspraak tegen: ‘Betreur niets’. Dat heeft me eerlijk gezegd geschokt, want ik heb altijd gedacht dat het goed is oprecht berouw te hebben zodra we inzien verkeerd te hebben gehandeld, en dat we daarna moeten proberen het beter te doen. Maar als we nooit berouw moeten hebben, wat weerhoudt ons dan ervan om kwaad te doen?

Commentaar — Uw moeilijkheid komt waarschijnlijk doordat de woorden ‘betreur niets’ uit hun verband werden gelicht. Dat is tamelijk riskant, want hierdoor wordt de oorspronkelijke betekenis vaak verminkt. De kern van de gedachte achter die woorden is waarschijnlijk: verknoei geen kostbare tijd en energie aan nutteloos en overbodig berouw.

Vraag — Ja, dat begrijp ik. Maar er staat alleen ‘betreur niets’, en daar zat ik mee. Ik dacht aan kleine voorvallen in het dagelijks leven. Als ik in onnadenkendheid iemand beledig en later inzie wat ik heb gedaan, zou ik berouw hebben en mijn eerste reactie zou zijn onmiddellijk te zeggen: ‘Het spijt me, ik deed het onbewust’. Dat kon er dan toe bijdragen de harmonie tussen ons te herstellen. Maar als we nooit berouw hoeven te hebben, hoe moeten we een ander dan ooit duidelijk maken dat we spijt hebben?

Commentaar — We moeten die gedachte niet te letterlijk en bekrompen opvatten. Het is duidelijk dat we in onze dagelijkse betrekkingen met anderen de natuurlijke regels van hoffelijkheid en fatsoen in acht moeten nemen. Als we iemand beledigen, of als we onattent zijn, moeten we daar natuurlijk spijt van hebben, en het eerste wat we moeten doen als we daartoe in de gelegenheid zijn, is dat ook te zeggen en zo trachten een eventuele verstoring van de harmonie te herstellen. Als we de algemene regels van fatsoen in de wind slaan en ons achter dit axioma ‘betreur niets’ proberen te verschuilen, begaan we een veel ernstiger vergissing dan de oorspronkelijke ondoordachte daad.
   Heeft u het boek bij u? Goed. Laat ik dan de hele alinea eens lezen:

Het verleden! Wat is dat? Niets. Voorbij! Zet het uit je gedachten. Je bent het verleden van jezelf. Daarom is het als zodanig niet van belang voor je. Het betreft je alleen zoals je nu bent. In jou, zoals je nu bestaat, ligt het hele verleden. Volg daarom het hindoegezegde: ‘Betreur niets; heb nooit berouw; en vel alle twijfel met het zwaard van geestelijke kennis.’ Berouw leidt alleen tot fouten. Het kan me niet schelen wat ik was, of wat iemand anders was. Ik kijk alleen naar wat ik elk ogenblik ben. Want omdat ieder ogenblik is en onmiddellijk niet is, volgt daaruit dat als we aan het verleden denken, we het heden vergeten, en terwijl we dit vergeten vliegen de momenten voorbij en scheppen nog meer verleden. Betreur daarom niets, zelfs niet de grootste dwaasheden van je leven, want ze zijn voorbij, en je moet in het heden werken dat tegelijkertijd het verleden en de toekomst is. Met die absolute kennis dat al je beperkingen zijn toe te schrijven aan karma, uit het verleden of in dit leven, en met een vast vertrouwen dat altijd nu op karma als enige rechter is gericht, dat goed of slecht zal zijn al naar je het zelf hebt gemaakt, kan je dan alles wat je kan overkomen doorstaan en je rust bewaren ondanks de vertwijfeling die we allen af en toe voelen, maar die door het licht van de waarheid altijd wordt verdreven.

Laat ik proberen dit toe te lichten en daarbij uitgaan van de menselijke natuur: zodra de menselijke ziel berouw voelt over een of andere misstap, wordt dat gevoel ingeprent in het bewustzijn en begint het vanaf dat moment het geweten te versterken en op te bouwen. Berouw is dus een noodzakelijk stadium, maar het is slechts een stadium. Die vroegere verkeerde daad is misschien niet eens in dit leven begaan, want het tijdselement is de minst belangrijke factor. Vooral de kwaliteit van onze daad is onuitwisbaar in de ziel gegrift, en zij waarschuwt ons nu via de stem van het geweten zodra we de neiging hebben een denkrichting of handelwijze te volgen waaraan we ontgroeid zouden moeten zijn.

Vraag — Moeten we geen berouw voelen opdat ons geweten gaat werken?

Commentaar — Ik herhaal dat we geen enkele uitspraak of gedragsregel te letterlijk moeten opvatten, waardoor de geest van de gedachte ons zou ontgaan. Als we alles wat we lezen alleen beoordelen naar de woorden die werden gebruikt, of als we deze uit hun verband lichten, zijn we net zo dogmatisch als de meest orthodoxe fanaticus. ‘De letter doodt, maar de geest maakt levend.’ Natuurlijk moeten we iets voelen, moeten we een reactie ondergaan, als we iets verkeerds hebben gedaan, hoe zouden we anders kunnen leren? Is deze reactie eenmaal geregistreerd, dan is het moment aangebroken om de regel ‘betreur niets’ toe te passen, omdat van dit ogenblik af berouw, het blijven stilstaan bij onze fouten, en medelijden hebben met onszelf om de fouten die we hebben begaan alleen maar nieuw leed veroorzaakt. Laten we de les leren; dan verdergaan en onze krachten aanwenden om andere aspecten van onze natuur sterker te maken en het bewustzijn te doordringen van de juiste instelling van denken en voelen, zodat we opbouwen in plaats van afbreken.
   Om dit denkbeeld van geen berouw beter te begrijpen, moeten we uitgaan van de gedachte dat een mens vele levens heeft. Eigenlijk moeten we het nog ruimer zien, en rekening houden met het hele gamma van onze ervaringen sinds de Hof van Eden – vanaf het moment dat we individuele mannen en vrouwen werden, met zelfbewustzijn en de vrije wil zelf te bepalen wat we willen doen met onze pas verworven kennis van goed en kwaad.

Vraag — Ik geloof dat als we teruggaan tot de tijd van de Hof van Eden – hoeveel duizenden of miljoenen jaren is dat wel geleden? – dat we heel wat dingen hebben gedaan waarvan we spijt hebben! Denkt u dat we toen, zo lang geleden, berouw kenden?

Commentaar — Zodra we inzagen dat we kwaad deden, zal het geweten het ons hopelijk zo moeilijk hebben gemaakt dat we de behoefte gingen voelen ons te veranderen. Maar waarschijnlijk hebben de meesten van ons dezelfde fouten telkens weer gemaakt. Toch zijn deze fouten, als we ze eenmaal als zodanig hebben erkend, geen belemmeringen maar juist treden naar toekomstig succes. De feitelijke daad is niet half zo belangrijk als de bewustzijnsgesteldheid die er de oorzaak van is. Verander de kwaliteit van onze gedachten en gevoelens, en onvermijdelijk zal de kwaliteit van onze daden zich dienovereenkomstig wijzigen.

Vraag — Stel dat je iets heel slechts doet, en de ernst daarvan op dat moment niet beseft; maar later word je met een schok wakker en voel je je miserabel. Kan je die daad uitwissen door oprecht berouw? Bestaat er zoiets als ‘vergeving van zonden’? Ik bedoel dit, kan men fouten door berouw uitwissen als men volkomen oprecht is en het verkeerde heel graag ongedaan wil maken?

Commentaar — Een daad die eenmaal is gedaan, kan niet ongedaan worden gemaakt – alle tranen en geweeklaag en berouw van de wereld zullen niet het minste verschil maken in de credit- of debetzijde van de balans van het leven. Hoe helder we later onze fout ook inzien, het verleden kunnen we niet ongedaan maken. Wat gedaan is, is gedaan, en de daad, van welke aard die ook is, zal, even onvermijdelijk als de dag op de nacht volgt, haar evenredige reactie teweegbrengen. Daarin steekt niets wreeds of willekeurigs. Het betekent slechts dat de natuurwet onverbiddelijk rechtvaardig is en gezien in het licht van de groei van de ziel – oneindig meedogend. Want we groeien door de pijn van de reactie, we worden er innerlijk sterk door en zijn daardoor beter in staat uitdrukking te geven aan het wezen van de goddelijke vonk die in het hart van ieder van ons aanwezig is.
   We moeten ons dus niet laten ontmoedigen: juist het besef van wat we deden, hoe laat dit ook tot ons doordringt, zet in ons karakter het wonder van de transmutatie in werking. Als het ogenblik aanbreekt dat we de reactie op onze fout moeten ondergaan, zullen we het weefsel van ons wezen zo hebben versterkt, dat we de gevolgen, welke die ook mogen zijn, met moed en een nieuwe visie onder ogen kunnen zien.

Vraag — Kunnen we ons ooit bevrijden van de ‘ketenen’ van karma? Als ik iets verkeerds doe en er later spijt van heb, keert dat dan telkens weer naar mij terug, oorzaak en gevolg, oorzaak en gevolg, terwijl ieder gevolg een nieuwe oorzaak teweegbrengt en ik aan die gevolgen zo word geketend dat er geen ontsnappen mogelijk is?

Commentaar — Dat is een volkomen onjuiste opvatting. Deze ‘wet van vereffening’, zoals Emerson het uitdrukte, de wet van het evenwicht, is niet een genadeloze cirkelgang van oorzaak en gevolg, zonder kans om te ontsnappen aan het ‘Rad van het Bestaan’, zoals de hindoes het noemden. In zekere zin is het inderdaad een rad, omdat oorzaken die op gang zijn gebracht, evenals een wiel dat ronddraait, in de vorm van gevolgen tot ons moeten terugkeren. Maar het leven is geen gesloten cirkel – de evolutie voltrekt zich spiraalsgewijs, en elke omwenteling biedt de kans om naar boven of naar beneden te gaan langs de spiraal.
    Wanneer een daad eenmaal haar kringloop tot de daarbij behorende reactie heeft voltooid, wanneer een oorzaak eenmaal haar gevolg heeft voortgebracht, dan is die oorspronkelijke oorzaak dood – ze houdt op te bestaan, tenzij we door een onjuiste houding tegenover het gevolg haar nieuw leven inblazen en haar dwingen een nieuwe oorzaak te worden, die in de toekomst weer haar gevolg over ons zal brengen. Alles hangt af van de manier waarop we de gevolgen tegemoettreden. Veel mensen beseffen dit niet, omdat ze er vast van overtuigd zijn dat, daar elke oorzaak haar gevolg voortbrengt, dit gevolg een eigen leven bezit, los van wat wij erin leggen door onze reactie daarop. Het is tragisch dat zo velen van ons dit doen, omdat we niet bereid zijn om rechtstreeks aan ons dagelijks karma het hoofd te bieden. Juist door onze twijfelende houding werken we ons verder in de put, en blazen we de gevolgen nieuw leven in, waardoor ze inderdaad toekomstige oorzaken teweegbrengen waaraan wij weer, als gevolgen, het hoofd zullen moeten bieden, tot we de les die erin ligt besloten hebben geleerd. Onze houding tegenover de gevolgen van ons karma brengt nieuwe oorzaken voor nieuwe gevolgen teweeg – en niets anders.
   Het past ons daarom overdreven spijt te voorkomen en de twijfel aan onze werkelijke kracht door het zwaard van geestelijke kennis te vellen. Het verleden is voorbij, het heden is; en omdat de toekomst de vrucht is van onze tegenwoordige daden, is wat we nu doen het belangrijkste van alles. We kunnen begrijpen hoe schadelijk het voor de ziel is tijd en energie te verspillen aan zinloos en vruchteloos berouw; want in plaats van onze krachten te verbinden met de zijde van de groei, vertragen we onze vooruitgang en bewijzen daarmee noch onszelf, noch anderen een dienst. Staat ons eenmaal helder voor ogen wat we fout deden, en zien we de juiste weg, laten we dan het gezicht naar de zon wenden en de toekomst tegemoetgaan. Dit zal ons de kracht geven en misschien een beetje wijsheid om de gevolgen onder ogen te zien van de ontelbare oorzaken die we in het verleden hebben gelegd.

Vraag — Ik geloof toch niet dat we alleen slecht karma hebben gemaakt. Hebben we niet ook wat goed karma gemaakt?

Commentaar — Natuurlijk wel. Het feit dat de mens zich door de eeuwen heen heeft gehandhaafd, getuigt op zichzelf van zijn goddelijkheid en van de ontvankelijkheid van de ziel voor de goddelijke ingevingen. Maar karma is goed noch slecht – het is strikt onpersoonlijk, de onpersoonlijke werking van de wet van het evenwicht die zich manifesteert als aantrekking en afstoting, als liefde en haat, en oorzaak en gevolg. Evenals de zon en de regen treft het de rechtvaardigen en onrechtvaardigen, en verwarmt en voedt de ziel op haar tocht omhoog. Het ondergaan van de gevolgen van onze vroegere gedachten en gevoelens, onze daden en beslissingen uit het verleden, is daarom goed noch slecht; het is allemaal een kans, een prachtige kans om te leren en te groeien.

Vraag — Ik moet nog steeds denken aan die uitdrukking: betreur niets. Denkt u dat die waarschuwing geen berouw te hebben is bedoeld om het gevaar af te wenden dat we zo in beslag worden genomen door berouw over dingen die zijn gebeurd, dat we blind worden voor de eigenlijke oorzaak van onze moeilijkheden?

Commentaar — Alles heeft twee zijden, en van één kant gezien toont het feit dat we berouw hebben aan waar onze binding ligt, want als we ons over onze fouten geen zorgen maakten, zouden we ons niet op het hogere pad bevinden. De waarschuwing is bedoeld tegen het blijven steken in het moeras van het berouw, want een ongezond berouw is in strijd met het doel van de natuur. Bovendien is er een vorm van wroeging die niets anders is dan zelfbeklag, in die gevallen dat we zo in de put zitten over een gemaakte fout dat het een obsessie wordt. Dat is heel gevaarlijk, want zo’n toestand van neerslachtigheid kan tot een gewoonte worden en kan, als er geen paal en perk aan wordt gesteld, leiden tot die verderfelijke soort van bezig zijn met onszelf die de eerste stap is naar mentale onevenwichtigheid.
   Dit is één reden waarom we geen geestelijke energie moeten verspillen aan blijvende spijtgevoelens. We lopen allemaal voortdurend de kans te dwalen in ons oordeel, en zelfs in onze motieven. Maar dat is niets verontrustends. Dat hoort allemaal bij de evolutie. Als we nooit fouten hadden gemaakt, als we nooit beproevingen hadden moeten doorstaan, hoe sterk zouden we dan zijn? Als we verkeerd handelen, dan reageert de natuur op haar meedogende wijze en moeten we dienovereenkomstig lijden. ‘Zoals goud moet worden beproefd in het vuur, zo moet het hart worden beproefd door pijn.’

Vraag — Mag ik hier een vraag stellen? Het is een eenvoudige vraag, maar voor mij belangrijk. Hoe leren we eigenlijk? Het in praktijk brengen van ethische beginselen schijnt namelijk zo moeilijk te zijn. Hoe kunnen we zeker weten dat we onszelf niet bedriegen en denken dat we spiritueel zijn, terwijl we in werkelijkheid nogal egocentrisch zijn?

Commentaar — Dat is een heel praktische vraag. Geestelijke groei vindt even natuurlijk plaats als het overgaan van de nacht in de dageraad. Het is het onvermijdelijke gevolg van juist denken en juist handelen, niet van geforceerde onnatuurlijke methoden maar van nauwgezette plichtsbetrachting. Het ‘sesam open u’ tot ware vooruitgang is het leven zelf – niet op enkele dramatische momenten maar elke dag, vierentwintig uur lang. We leren zowel van onze successen als van onze mislukkingen. De mislukkingen blijken vaak onze grootste zegeningen te zijn, omdat ze ons met een schok uit onze zelfvoldaanheid schudden. Treur daarom nooit over mislukkingen, want die griffen de waarheid diep in onze ziel.
    Het is het samenspel tussen actie en reactie en de natuurlijke werking van de wet van het evenwicht van leven tot leven, die ons maken tot wat we nu zijn. We zijn nu de som van ons hele verleden, en het onsterfelijke deel van ons, het reïncarnerende element, poogt ook nu gebruik te maken van de omstandigheden gevormd door onze vriendschappen en ons milieu om ons te helpen die lessen te leren die we nodig hebben. Het zogenaamde goede karma is vaak moeilijker te hanteren dan het zogenaamde slechte karma, hoe vreemd dat ook mag lijken. Komen we tegenover onplezierige omstandigheden te staan, dan vragen we ons natuurlijk af in hoeverre we misschien hebben gefaald, of in welk opzicht ons karakter verbetering behoeft; en hoe pijnlijker het karma is, des te duidelijker komen die eigenschappen naar voren die nodig onder handen moeten worden genomen. Als we het met innerlijke kracht en intelligentie tegemoettreden, kunnen we werkelijke vooruitgang boeken. Is het karma daarentegen prettig, dan beschouwen we dat maar al te vaak als iets vanzelfsprekends en verliezen we onze waakzaamheid en hebben de neiging af te zakken, zowel wat houding als aspiraties betreft. Geen wonder dat meester Jezus tegen zijn discipelen het volgende zei: ‘Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat dan dat een rijke het koninkrijk Gods binnengaat’. En hij doelde niet alleen op de rijkdommen van deze aarde – hij probeerde ons erop te wijzen hoe noodzakelijk het is op het rechte en smalle pad voortdurend waakzaam te zijn.
    Daarom zijn we hier op aarde, opdat we hopelijk zullen leren hoe we de tekenen kunnen lezen van het zich ontvouwende draaiboek van onze dagelijkse ervaringen, en zullen zien welk doel het hogere zelf ons voorhoudt om naar te streven. Slagen we, dan zal de godheid in de kern van ons wezen de gelegenheid krijgen in ons leven tot vollere bloei te komen, en zullen we des te beter in staat zijn met onze medemensen te delen wat we rechtmatig hebben verworven.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 145-54

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag