Steenkool of diamant?


Als jongen was ik er trots op dat de staat Pennsylvanië, waar ik werd geboren, prat kon gaan op enkele van de grootste bossen die de aarde ooit heeft gekend. Dat ze nu waren verdwenen, maakte voor mij geen verschil; het feit dat ze er eens waren geweest, was voor mij iets geweldigs. Het was natuurlijk miljoenen jaren geleden in een of andere steenkoolperiode dat ze hun grote bloei beleefden, maar het was een opwindende gedachte te weten dat het kooldioxide, dat deze bomen zo lang geleden hadden geabsorbeerd, langzamerhand onder de druk van aarde en steen en tijd in steenkool was omgezet.
    Toen al leek het me duidelijk dat niets in werkelijkheid sterft. De dingen veranderden van vorm, maar de energie die hen deed leven, ging eenvoudig ergens anders heen. Voor zover ik wist, was de kracht die eens het sap door die pijnbomen deed stromen nog steeds aanwezig en zorgde er misschien voor dat onze tegenwoordige bossen konden groeien, terwijl in de bodem de stammen van hun voorgeslacht een verandering hadden ondergaan en nu een middel van bestaan waren geworden voor duizenden. Mijnwerkers hadden generaties lang de steenkool opgedolven, olieboorders pompten de ruwe olie uit de leisteenlagen, geologen hadden met zorg fossielen van planten en dieren verzameld, terwijl wij jongens langs de rivieren en in de dalen naar tomahawks en pijlpunten zochten die onze indiaanse voorgangers hadden achtergelaten.
    Delfstoffen, planten, dieren, mensen – vier natuurrijken, die alle nauw met elkaar zijn verbonden en toch elk evolueren binnen hun eigen levenscyclus van geboorte, groei en dood. Hier hadden coniferen en varens hun materie ontleend aan de bodem en de lucht, en gaven die nu, na ontzaglijk lange tijdperken, terug in de vorm van steenkool, grafiet, gas en olie – om onze woningen te verwarmen, potloden te maken, ons voedsel te koken en de ovens van de industrie van brandstof te voorzien. Opgeslagen koolstof – in haar elementaire vorm een van de zachtste mineralen en ondoorzichtig. Maar met een kleine verandering van de innerlijke structuur, teweeggebracht door de toegenomen druk van eeuwen, blijft de koolstof zuivere koolstof, maar levert nu, in kristalvorm, het hardste mineraal op, het mooiste en meest doorzichtige – een diamant met zijn vele facetten.
    Eén in wezen, verschillend in vorm – alles, van mineraal tot ster, bestaat tenslotte uit dezelfde fundamentele substantie. Het is alleen een kwestie van wat er met de ‘stof’ is gebeurd; hoe haar deeltjes zijn gerangschikt of gecombineerd, om in het ene stadium een plant, in het andere een steen of een mens of een zon te vormen. Die intuïtieve overtuiging uit mijn jeugd over de bestendigheid en veelzijdigheid van de levenskracht heb ik nooit meer verloren. Er is een broederschap die de hele kosmos omvat, niet alleen mensen, maar alles, van elektron tot nevelvlek. En alle volkeren van de aarde zijn letterlijk aan elkaar verwant, en huidskleur noch taal kunnen aan dit feit iets af- of toedoen. Wij zijn één: chemisch, gevormd uit sterrenstof die door de hele kosmos is verspreid; geestelijk, verlicht door de vlam van een goddelijk element die elk punt in de ruimte tot een evoluerende eenheid activeert.
    Als er inderdaad sprake is van ‘een godheid die onze bestemming maakt’, hoe moeten we dan de ziekten van deze tijd verklaren? Op praktisch elk terrein heerst beroering, moedeloosheid en een tragische onverschilligheid van geest. Hoe kan dat, nu er zulke schitterende kansen tot ontwikkeling bestaan als nooit tevoren? Gaan we werkelijk een ramp tegemoet? Of zien we aan een bepaald aspect voorbij, omdat we zo in beslag worden genomen door de duistere zijde van het menselijk bestaan?
    ‘Waar de nacht het donkerst is, schijnen de sterren het helderst.’ Dit oude Spaanse spreekwoord was zelden meer toepasselijk. Misschien zijn we te snel gegroeid in te korte tijd. Het onderzoek van de ruimte heeft ons plotseling geconfronteerd met volkomen nieuwe problemen, waarvoor we te slecht zijn toegerust om ze alle tegelijkertijd aan te pakken. We worden gedwongen de verantwoordelijkheid op ons te nemen van een hogere soort volwassenheid, en we hebben de uitdaging tot nu toe niet volledig onderkend, laat staan aangenomen. Maar we leren snel en goed. Juist deze beroering die zo algemeen wordt gevoeld, is het bewijs van een krachtig innerlijk leven, de worsteling van de ziel van de mensheid die bezig is zich te ontpoppen uit een te nauw omhulsel.
    Natuurlijk hebben we problemen, en ernstige, maar ik heb evenmin boodschap aan de zwartkijkers met hun eeuwig gelamenteer als aan hen die zo aan hun gemoedsrust verslaafd zijn dat ze alle moeilijkheden met een zoet sausje overgieten. Laten we ons een geestelijk realisme eigen maken en niet bang zijn het leven zoals het is onder ogen te zien. Willen we gelijke tred houden met de wetenschap die de ruimte peilt, dan moeten we de gebieden van de innerlijke ruimte peilen die zich in het hart van de mens bevindt en die zijn schakel is met de goddelijke inspiratie die de kosmos tot aanzijn bracht.
    We mogen dan weinig meer dan ontwikkelde dieren schijnen te zijn, maar met wat meer tijd en begrijpend geduld zullen we onze vleugels leren gebruiken, en weten dat geen macht in het heelal sterker is dan de goddelijke essentie die in ons aanwezig is. Mentaal en geestelijk zijn we inderdaad reuzen in embryo, in potentie gelijk aan de grote intelligentie die melkwegen en zonnen bezielt. Dat is het realisme dat veel dynamischer zal blijken te zijn dan het zogenaamde realisme van negatief ingestelde geesten.
    Laten we afrekenen met overdreven bezorgdheid en twijfel. Niemand heeft ooit succes gehad door zichzelf te beklagen of door voortdurend zijn eigen innerlijke capaciteiten te kleineren. Natuurlijk kunnen we het kwaad niet wegbidden, evenmin als we kunnen ontkennen dat ziekte, pijn en dood deel uitmaken van het menselijke bestaan. Maar gezondheid, vreugde en groei behoren ook tot het leven. Als men alleen naar de buitenkant kijkt, lijkt het misschien dat het leven van veel mensen een mislukking is; maar gezien door de ogen van ons hoogste zelf, kan er van mislukking geen sprake zijn. Hoeveel veldslagen we ook verliezen, de onsterfelijke krijger in ons is onoverwinnelijk en zal ons telkens weer terugvoeren naar het strijdperk van het menselijke streven totdat onze overwinning volkomen is.
    Als de goddelijke intelligentie inderdaad elk deeltje van de oneindigheid doordringt, dan heeft ieder mens de beschikking over alle kracht en elk scheppend initiatief om met die goddelijke intelligentie en haar constructieve elementen in de natuur te werken. We mogen dan veel steenkool en ruwe olie in onze samenstelling hebben, maar we hebben ook de potentie van een diamant. Daarom spraken de boeddhisten, vooral in Tibet, over de Heer Boeddha als ‘het diamanten hart’, hij van wie het hele wezen door de druk van de eeuwen en de intensiteit van zijn ervaringen was omgezet in de zuiverheid en kracht van de diamant. Door het vuur van de beproeving veranderde de aard van Gautama van heel ondoorzichtig in een die heel doorschijnend was; een even volmaakte weerspiegeling van het licht in hem als van het leed van de mensheid buiten hem. Inderdaad een voorbeeld van mededogen, want hij was wat wilskracht en vastberadenheid betreft hard als diamant, en tegelijk geheel en al oor voor de hartenkreet van de wereld, zodat hij afstand deed van de zegening van de alwetendheid om terug te keren naar de aarde en de hele mensheid te laten delen in de glorie van zijn triomf.
    Steenkool of diamant – ook wij bestaan uit beide.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 155-9

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag