De zes verheven deugden – 2

 

Vraag — Kunnen we beginnen met de vierde pâramitâ, die u ‘onbewogenheid in vreugde en verdriet’ noemde? Ik heb erover nagedacht, maar ik vind het niet erg logisch dat we onverschillig zouden moeten worden. Het zou wat anders zijn als we allemaal kluizenaars wilden zijn; maar ik heb altijd gedacht dat we ons van alles behoorlijk bewust moeten worden als we de problemen van onze medemensen willen begrijpen. Waarom moeten we proberen vreugde en verdriet te ontvluchten?

Commentaar — Het is beslist niet zo dat we onze verantwoordelijkheden willen ontvluchten door kluizenaars te worden en zo snel mogelijk onze eigen redding te bewerkstelligen. Dat is verre van de bedoeling van de ware aspirant. Feitelijk moeten we voor niets op de loop gaan, laat staan voor de problemen waarvoor vreugde en verdriet ons plaatsen. Dat zou een volkomen vlucht uit de werkelijkheid betekenen en van groot egoďsme getuigen. Zelfs al zouden we daar enige tijd in slagen, lang kunnen we ons toch niet eraan onttrekken, want de ‘paren van tegengestelden’, hitte en koude, dag en nacht, vreugde en verdriet, noord en zuid, zijn inherent aan de natuur.
   Ik zal de volledige omschrijving van deze vierde deugd voorlezen: gelijkmoedigheid – ‘onbewogenheid in vreugde en verdriet, waarbij de illusie is overwonnen en de zuivere waarheid wordt gezien’. Als we de dingen bekijken zoals ze werkelijk zijn en niet zoals ze schijnen te zijn, dan zullen we het ware van een situatie inzien.

Vraag — Zou u het woord gelijkmoedigheid nader willen omschrijven? Het lijkt me van belang tot de grondbetekenis ervan door te dringen.

Commentaar — Laten we eens zien wat het woordenboek zegt: ‘gelijkmoedigheid – vrijheid van hartstocht; gelijkmoedig: vrij van passie, niet worden meegesleept; kalm, onpartijdig; synoniemen: koel, beheerst, sereen, bedaard’. Volgens mij een uitstekende definitie. We kunnen dus zeggen dat gelijkmoedigheid de eigenschap is een situatie of toestand in het leven met een onbevooroordeelde en dus heldere blik te bezien, omdat de wolken van hartstocht of illusie, gevormd door uitbundige vreugde of neerslachtigheid, zijn verdreven.
   Deze vierde deugd beveelt dus niet aan om de paren van tegengestelden te ontvluchten, maar om kalm en onbewogen te zijn voor de uitwerking die vreugde of verdriet op ons heeft, zodat we aan de meest extreme ervaringen die het leven voor ons in petto heeft, met gelijkmoedigheid het hoofd kunnen bieden.

Vraag — Wordt het bestaan niet saai als we nooit dergelijke uitersten meemaken? Hoe staat het met zeer gevoelige naturen? De ene dag zijn ze in de wolken, en de volgende diep wanhopig. Niettemin leven ze en hebben niet alleen maar een kleurloos bestaan zonder vreugde of verdriet.

Commentaar — Ik kan u verzekeren dat er niets kleurloos is aan het proberen om deze deugd in praktijk te brengen. Een geestig man heeft eens opgemerkt: het mag dan een kleuterschool zijn, maar alleen een kerel kan haar doorlopen. Probeer maar eens een week van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat alles wat u overkomt met gelijkmoedigheid te ondergaan, en kijk dan of er niet veel morele kracht voor nodig is om dat vol te houden. Natuurlijk zijn er ook mensen in alle kringen die zo ongevoelig zijn dat ze absoluut niets voelen en wat erger is, geen zier geven om het lijden van anderen. Gelukkig zijn ze in de minderheid. Vanzelfsprekend is het niet aan ons om een oordeel te vellen over de innerlijke gevoeligheid van een ander, hoe grof of schijnbaar ongevoelig zijn persoonlijkheid ook mag schijnen.
   Aan de andere kant zijn er mensen, en onder hen ook genieën, die alles intens beleven. Al ben ik geen pleitbezorger voor het ongeregelde leven dat heel wat genieën leiden, toch zou de wereld armer zijn als enkelen van hen niet die momenten van heldere visie hadden gekend, en op hun eigen manier hadden getracht de herinnering mee terug te brengen aan het zien van de zuivere waarheid. Maar genieën zijn een klasse apart, en het is hoogst twijfelachtig of hun weg het juiste en natuurlijke pad voor de meerderheid van de mensen is. De meesten van ons zijn gewone mensen – noch gewetenlozen noch genieën – die er in hun beste ogenblikken naar streven om die ‘gulden middelmaat’ te vinden of, zoals de Boeddha het noemde, die ‘middenweg’ waarop onze geestelijke groei gelijke tred kan houden met onze materiële ontwikkeling of daaraan zelfs leiding kan geven. Gelijkmoedig zijn wil dan ook zeggen, niet overheerst worden door een of andere begeerte. Het ligt voor de hand dat zo’n onverschilligheid of onbewogenheid vóór alles voor onszelf moet gelden, want het zou in strijd zijn met de barmhartige wet van het Zijn als we voor het lijden van anderen koele onverschilligheid toonden.

Vraag — Ik moet zeggen dat ik de meeste moeite heb met deze deugd, want ik heb het gevoel dat ik dood zou zijn als ik geen enkel overheersend verlangen had.

Commentaar — Maar het streven naar ‘onbewogenheid in vreugde en verdriet’ wil niet zeggen dat men geen verlangens moet hebben! Het betekent eenvoudig dat we moeten proberen te leven in het centrum van onze ervaringen in plaats van ons zover te laten heen en weer slingeren, dat we ons hoofd (en ook ons hart) eerst aan de ene kant stoten om daarna met kracht naar de andere te worden teruggekaatst. Wat van ons wordt verlangd, is te proberen zo te leven en te werken dat we niet bezwijken onder het effect van vreugde of verdriet, schoonheid of lelijkheid, of van andere paren van tegengestelden. Dit is volgens mij de sleutel. Natuurlijk moeten we verlangens hebben – ze zijn het krachtstation van de evolutie. Er is een oud gezegde in de Veda’s dat luidt: ‘In het ontstond eerst de begeerte’ – en de wereld kwam tot aanzijn; het goddelijke zaad van een wereld-in-wording moest allereerst het brandend verlangen voelen vóór het een stoffelijke vorm kon aannemen. Dat geldt voor ons allemaal: we moeten het verlangen ervaren om te groeien en te evolueren, want anders zijn we passief. De goden weten maar al te goed dat passieve mensen in geestelijke zaken (of zelfs in materiële) nooit iets bereiken.

Vraag — Staat er in de bijbel niet iets over de Heer die de lauwen uitspuwt?

Commentaar — In Openbaringen geloof ik. Nee, er schuilt niets weeks of lauws in het proberen om deze pâramitâ in praktijk te brengen!

Vraag — Ik ontving kort geleden een brief van een vriendin die in de particuliere verpleging werkt. Ze schreef hoe ‘treurig het leven was’ – ze had haar uiterste best gedaan en toch was haar patiënt, van wie ze veel was gaan houden, gestorven. ‘En zo gaat het maar door’, schreef ze, ‘de ene patiënt na de andere: sommigen worden beter, anderen slepen hun leven in ellende voort, en weer anderen ‘halen’ het niet en sterven’. Het lijkt gemakkelijk de beginselen te begrijpen als we hier erover spreken, maar als je ze dag in dag uit onder vrij moeilijke omstandigheden moet toepassen, komen er heel andere dingen kijken.

Commentaar — Hieruit blijkt duidelijk het fijne onderscheid tussen louter theorie en praktijk. Het zou het toppunt van huichelarij zijn als we niet zowel het verdriet als het geluk van anderen zouden meevoelen. We moeten voor hun vreugde en hun smart steeds gevoeliger worden, en in dezelfde mate ongevoeliger voor de onze. Dat is een eerste vereiste.
    Maar laten we terugkeren tot de verpleegster, of nog beter tot de dokter of chirurg. Hij behandelt de ene patiënt na de andere: door zelfdiscipline en onpersoonlijke toewijding aan zijn beroep leeft hij werkelijk in meerdere of mindere mate in overeenstemming met deze vierde deugd; als hij niet een zekere mate van onverschilligheid, van ‘goddelijke zorgeloosheid’ bezat, en er niet op vertrouwde dat, als hij zijn uiterste best doet, hij alles doet wat hij kan – zou hij bezwijken. Hij zou de verschrikkelijke spanning niet kunnen verdragen. Met alle respect voor zijn begaafdheid, zijn kennis en zijn bekwaamheid, is er ook nog ‘de hand van God’, of karma, als u wilt – en de patiënt haalt het of niet.
   Iedere dokter legt de eed af en verbindt zich het leven te beschermen en gezondheid te brengen waar ziekte heerst, voor zover zijn bekwaamheid en zijn kennis hem dat toelaten. Het is voor mij nauwelijks aan twijfel onderhevig dat een chirurg die een operatie uitvoert, diep eronder gebukt gaat als er onvoorziene omstandigheden optreden waardoor het succes uitblijft en de patiënt overlijdt. Wat doet hij? Hij mag nog zo pijnlijk zijn getroffen maar hij moet verder. Er zijn andere levens die gered moeten worden; andere mannen en vrouwen, en hun geluk en toekomst hangen af van zijn bekwaamheid, toewijding en onpersoonlijke dienstbetoon. En daarom zet hij zich met goddelijke ‘onverschilligheid’ voor de uitwerking van vreugde en verdriet volledig in voor de volgende patiënt – zonder te grote gehechtheid aan het welslagen of mislukken van zijn pogingen.

Vraag — U spreekt over de ideale dokter, want ze zijn niet allemaal zo onpersoonlijk of toegewijd als degene die u beschrijft.

Commentaar — Natuurlijk heeft ieder beroep, iedere religieuze organisatie en ieder menselijk streven zowel edele als zelfzuchtige, ongevoelige en zelfs wrede vertegenwoordigers. Maar dit tast het beginsel niet aan. Op welk terrein we ons ook bewegen, overal kunnen we op positieve en onpersoonlijke wijze handelen met gevoel voor innerlijke waarden, voor zover we ons daarvan bewust zijn. Als we dit doen, zullen we ontdekken dat er een gunstige invloed uitgaat van het in praktijk brengen van deze pâramitâ’s.

Vraag — Het klinkt allemaal heel mooi, maar is het niet bijna onmogelijk om de ingewikkelde problemen van het dagelijks bestaan met gelijkmoedigheid tegemoet te treden?

Commentaar — Het is beslist niet gemakkelijk. Maar niemand verwacht dat we in een handomdraai zo ‘gelijkmoedig als een wijze’ worden. De pâramitâ’s zijn gegeven als een ideaal, iets om in het hart te bewaren en naar te streven. Ik kan daaraan nog toevoegen dat er bepaalde sleutels zijn die, als we ze goed begrijpen, ons niet alleen een wijder perspectief maar ook een groter zelfvertrouwen geven. We hebben hier keer op keer gesproken over het goddelijke in het hart van ieder schepsel op aarde. We zijn geneigd te vergeten dat dit ook op de mens slaat. Hebben we ons die gedachte eenmaal eigen gemaakt, dan komen we algauw tot het besef dat er een eindeloze horizon van ervaring vóór ons ligt, zoals er ook een eindeloze achtergrond van ervaring achter ons ligt. Het aloude geloof dat de mens een eeuwigheidspelgrim is, met de mogelijkheid om gedurende een reeks van levens te groeien en te leren, opent een weids perspectief voor ons bewustzijn. We gaan inzien dat de beste voorbereiding ter wereld ons ieder uur van de dag ten deel valt, want er overkomt ons niets dat we niet zelf hebben verdiend. Als we de lessen leren begrijpen die het leven ons dagelijks biedt, zullen we zien dat er mogelijkheden binnen ons bereik komen om alle deugden – en niet alleen de vierde – naar waarde te kunnen schatten.
   De vijfde pâramitâ heet onverschrokkenheid – die ‘stoutmoedigheid die zich uit het moeras van aardse leugens strijdend een weg baant naar de hoogste waarheid’. Dit is een duidelijke verwijzing naar de eeuwige strijd tussen licht en duisternis, tussen waarheid en leugen. De waarheid bestaat, maar om haar te vinden, moet de ziel alle krachten verzamelen om zich te bevrijden van de kluisters van misvattingen en vals geloof die zij door de eeuwen heen zelf heeft geschapen. Als ze de subtiele vermomming van de misleiding doorziet en de verterende invloed van de twijfel op elk terrein van haar werkzaamheid weerstaat, zal ze de waarheid kennen – niet volledig, maar met steeds grotere helderheid.
   De zesde deugd wordt contemplatie genoemd – de poort tot de waarheid – het opgaan in haar sfeer, waarbij het bewustzijn zich bezighoudt met de eeuwige waarden en niet met nietige details. Er is een hemelsbreed verschil tussen ware contemplatie en de zogenaamde ‘meditatieoefeningen’, waarvan vele een werkelijk gevaar voor de ziel betekenen. Als mij de vraag wordt gesteld: ‘Hoe moet ik mediteren?’, is mijn antwoord onveranderlijk: ‘Als ik u was, zou ik met al die meditatie-oefeningen ophouden’. Elk onnatuurlijk forceren belemmert de geestelijke groei in plaats van deze te bevorderen. Contemplatie zou ik graag zien als een innerlijk, bijna onbewust beschouwen, waarbij de ziel reikt naar de Vader in ons, zodat ons bewustzijn niet door fictieve maar door wezenlijke waarden wordt geleid.
   Dit zijn in het kort de ‘zes verheven deugden’, of ‘pâramitâ’s van volmaking’ – niet dat hun beoefening tot volmaaktheid leidt, want zoiets bestaat niet. Maar ze kunnen ons helpen een ruimer en universeler inzicht te verwerven, mits de geest ervan deel gaat uitmaken van ons leven.

Vraag — U zei dat er soms tien worden genoemd. Ik zie niet in waarom er zoveel moeten zijn, of waarom ze nog verder zouden moeten worden onderverdeeld. Ik denk dat iedereen wel een lijst zou kunnen opstellen van zes, tien, of zelfs dertig deugden. Maar als we ons de grondgedachte hebben eigen gemaakt, hebben we daaraan dan niet genoeg? Heeft het verlangen naar kennis niet de neiging een verlangen naar steeds meer feiten te veroorzaken, zodat deze zich blijven opstapelen? Soms vraag je je af of je ooit wel tevreden zult zijn voordat je het uiteindelijke antwoord hebt gevonden. Is dit niet op zichzelf een soort egoďsme?

Commentaar — Het verlangen naar steeds meer kennis, los van ethische overwegingen, doet inderdaad een soort zelfzucht ontstaan. Maar als we eenmaal een bepaalde intellectuele ontwikkeling hebben bereikt, is het een natuurlijk stadium in onze groei om steeds meer over nauwkeurige en ordelijk gerangschikte feiten te willen beschikken. Zoals al eerder gezegd, zullen die feiten ons niet in het minst helpen als we niet de geestelijke waarden begrijpen die eraan ten grondslag liggen en ervoor zorgen dat deze onze begeerte naar intellectuele macht goed in toom houden.
   Ik zou willen besluiten met een aanhaling uit een boeddhistisch geschrift, in antwoord op de vraag hoe ware barmhartigheid in praktijk moet worden gebracht:

Wanneer zij (leerlingen of discipelen) barmhartigheid betrachten, behoren ze geen enkel verlangen te koesteren naar vergoeding of dankbaarheid of erkenning of voordeel, noch naar enige wereldlijke beloning. Ze behoren ernaar te streven het denken te richten op universele weldaden en zegeningen die voor allen gelijk zijn, en ze zullen daardoor in zichzelf de hoogste volmaakte wijsheid verwezenlijken.

In deze enkele woorden hebben we, geloof ik, het antwoord op de vraag wat de werkelijke betekenis is van de ethische norm, welke ook, die we verkiezen te volgen.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 170-8

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag