De koninklijke weg: het dienen van anderen



Vraag —
Sinds we de pâramitâ’s bespraken, heb ik me verder in het boeddhistische denken verdiept. Voor heel veel heb ik grote waardering, maar waarom er zoveel over nirvâńa wordt gezegd, begrijp ik niet. Het schijnt dat de hele strekking van de boeddhistische leer is zich vrij te maken van wat men het ‘levensrad’ noemt, de keten van levens op aarde, met het doel de gelukzaligheid van nirvâńa deelachtig te worden. Toen ik voor het eerst over reďncarnatie hoorde, vond ik het een prachtig denkbeeld, en dat vind ik nog, want veel van mijn problemen werden erdoor opgelost. Waarom zouden we dan aan het rad van wedergeboorte willen ontsnappen? En waarom die nadruk op gelukzaligheid?

Commentaar — Ik ben het volkomen met u eens dat er veel te veel aandacht wordt geschonken aan het idee om nirvâńa te bereiken, of welke term u ook wilt gebruiken. Bij het bestuderen van sommige van deze oosterse geschriften doen we er goed aan te bedenken dat de verstarring in het oosterse denken niet minder is dan in het westen. Er is vaak een groot verschil tussen de leringen zoals Boeddha die bracht, en dat wat zijn volgelingen er door de eeuwen heen van hebben gemaakt. In veel opzichten zijn de leringen van het boeddhisme zeer spiritueel; niettemin is het een feit dat men zowel in de hînayâna- als in de mahâyâna-school een aantal grove misvattingen algemeen als waarheden heeft geaccepteerd.

Vraag — Wordt er niet gezegd dat als je op aarde een goed leven leidt, je in een hoger dier en misschien wel in een mens reďncarneert; maar dat je als een jakhals of een slang of een luipaard terugkeert als je een slecht leven hebt geleid?

Commentaar — Dit is een uitstekend voorbeeld van wat ik bedoelde. Gautama Boeddha – een van de edelste geesten die ooit de wereld hebben verlicht – leerde niet dat de menselijke ziel in een dierlijke vorm reďncarneert, want dat zou volkomen in strijd zijn met de feiten in de natuur. Maar omdat men in de oudheid veelvuldig gebruikmaakte van beeldspraak of allegorische taal om bepaalde waarheden tot uitdrukking te brengen, vatten latere generaties vaak de vorm waarin de leringen waren gegoten, letterlijk op, en daardoor hebben bepaalde misvattingen diep wortel geschoten in het denken van het volk.
   Wat de Boeddha wčl leerde was dat een mens zorgvuldig op al zijn gedachten en gevoelens moet letten, want die drukken hun stempel niet alleen op zijn karakter, maar ook op alle levensatomen in zijn constitutie. ‘Soort zoekt soort’, en daarom kunnen de levensatomen van een lager gehalte na de dood gemakkelijk tot de lichamen van dieren worden aangetrokken, zij het tijdelijk. En als de Upanishads zeggen, evenals Plato hier en daar, dat een mens als een dier kan worden herboren, dan bedoelen ze in werkelijkheid dat als bepaalde dierlijke neigingen hun stempel op de ziel hebben gedrukt, deze haar in volgende levens kunnen tegenhouden als daaraan niets wordt gedaan.
   Eén ding is zeker: de menselijke ziel is in wezen zoveel verder ontwikkeld dan het dier, zowel wat vermogens als ervaringen betreft, dat ze niet in een lagere vorm zou kunnen incarneren. Het is een oude en eens algemeen aanvaarde gedachte dat wij mensen periodiek naar de aarde terugkeren na een tijd van herstel en geestelijke verfrissing, om onze pogingen tot zelfbewuste vereniging met onze goddelijke bron voort te zetten.

Vraag — Waarom dan zoveel haast gemaakt om verlost te worden van het rad van het bestaan? En wat heeft het eigenlijk voor zin om te proberen nu nirvâńa te bereiken?

Commentaar — Die pogingen hebben niet alleen geen zin, maar ze berusten op een volkomen verkeerde opvatting. Deze overdreven belangstelling voor het bereiken van nirvâńa is eeuwenlang een van de grootste hinderpalen van het oosterse denken geweest. En nu zien we in het westen dat dit voor hen die met de boeddhistische en vedânta-gedachtewereld in aanraking komen, ook een belemmering voor hun verdere ontplooiing gaat worden. We horen tegenwoordig veel over ‘zelfverwezenlijking’, de westerse benaming voor het vedânta-begrip moksha of ‘bevrijding’ uit de boeien van de aardse zorgen. De term zelfverwezenlijking geeft precies aan wat het is: een streven dat voortkomt uit een verlangen naar eigen persoonlijke verlossing. Of we het nirvâńa, gelukzaligheid of moksha noemen, het feit blijft dat het buitensporige verlangen naar gelukzaligheid wijst op een egocentrische spiritualiteit, in tegenstelling tot dat verheven pad dat de Boeddha en de Christus onderwezen – geheel leven voor het welzijn van anderen.

Vraag — Zijn er dan twee paden in geestelijke zaken? Ik heb altijd gedacht dat er tegenover de geestelijke levenswijze alleen de materialistische stond. Maar nu schijnt u het geestelijke pad in tweeën te hebben gesplitst.

Commentaar — Er zijn inderdaad twee paden in geestelijke zaken. Het ene heet het ‘pad voor zichzelf’ het andere het ‘onsterfelijke pad’ of het ‘pad van mededogen’. Het ‘pad voor zichzelf’ is het pad dat wordt gevolgd door allen die voor zichzelf verlossing zoeken – de vurigste aanhangers daarvan streven gewoonlijk naar een bestaan waarin zij de onrust en verwarring van het aardse leven achter zich kunnen laten en snel nirvâńa kunnen bereiken. Het andere is het oude pad van mededogen, steil en doornig, dat wordt gevolgd door hen die in de voetstappen van de Christus en de Boeddha willen treden: het pad van altruďstisch streven en van zoeken naar wijsheid, met als enige doel om de waarheid en het licht met alle anderen te delen.
    Het pad van het materiële neigt naar omlaag; hoewel wij in de sfeer ervan zijn verwikkeld, zijn er maar heel weinig mensen die aan de zuigkracht naar omlaag toegeven, zonder daar iets anders tegenover te stellen. Het pad van de geest leidt altijd omhoog en vooruit, en voert naar de innerlijke godheid. De keus tussen stof en geest is daarom duidelijk genoeg, al slagen wij er veelal niet in onze aspiraties naar die duurzame waarden te verwezenlijken. We komen ook in geestelijke zaken echter voor een tweesprong te staan, en moeten kiezen tussen de weg voor onszelf en die voor anderen.
    Deze gedachte is in het oosten algemeen bekend, vooral in die landen waar het boeddhisme al eeuwenlang een vaste plaats heeft verworven; en dat is ook de reden dat de bevolking traditioneel voor de bodhisattva’s een veel grotere verering heeft dan voor de boeddha’s. Voor hen is de bodhisattva iemand die het punt heeft bereikt waarop hij over de afgrond van de duisternis nirvâńa zou kunnen ingaan, en tot alwetendheid, vrede of wijsheid zou komen, of welke andere naam u eraan zou willen geven, maar daarvan afziet om te kunnen achterblijven en te wachten totdat de laatste van zijn broeders met hem kan meegaan. Een boeddha echter is iemand die na de poort te hebben bereikt, het licht voor zich uit ziet en nirvâńa binnengaat en daarmee zijn welverdiende gelukzaligheid verwerft.

Vraag — Toen mijn man en ik kort geleden in Japan waren, hebben we enige tijd besteed aan het bezoeken van enkele tempels. We zagen gebeeldhouwde bodhisattva’s in allerlei afmetingen, sommige heel kunstzinnig. Zou u daarover iets willen zeggen?

Commentaar — Niet alleen in Japan maar ook in China en die delen van India waar het boeddhisme vaste voet heeft gekregen, zult u ontelbare beelden van bodhisattva’s vinden. Bij enkele van deze figuren is het ideaal van mededogen vereeuwigd in de rechterhand van de bodhisattva die omhoog reikt naar de wijsheid en het licht en de schoonheid van nirvâńa, terwijl de linkerhand zich naar omlaag uitstrekt naar de mensheid, in een gebaar van mededogen en welwillendheid.

Vraag — Mag ik nog even terugkomen op het woord gelukzaligheid? Ik moet zeggen dat ik daar wat moeite mee heb. Als we aan gelukzaligheid denken, staat ieder van ons volgens mij iets anders voor ogen. Voor een kind betekent het waarschijnlijk net zoveel roomijs hebben als het maar eten kan; voor iemand anders wellicht het bereiken van een bergtop na heel veel zwoegen. Misschien ben ik teveel op de wereld gericht, maar mij kwam het altijd als laf voor zich te willen terugtrekken in de rust van de natuur en kluizenaar te worden. Wat is nu eigenlijk het verhevene in het bereiken van gelukzaligheid, zelfs als je later besluit er afstand van te doen ten bate van de wereld?

Commentaar — In wezen is er niets verhevens aan het bereiken van de nirvâńische gelukzaligheid. De woorden in het oorspronkelijke Sanskriet geven aan wat het fundamentele onderscheid is: het ene pad is het pratyeka-pad, of het pad van geestelijke aspiratie ‘voor zichzelf’ – een zuiver zelfzuchtig soort spiritualiteit; het andere is het amrita-pad of het pad dat ‘onsterfelijk’ blijkt te zijn, omdat het het pad is van opoffering, mededogen en dienen.
   Laat ik proberen de zaak heel eenvoudig voor te stellen. Neem eens aan dat u een ingeving krijgt, die ertoe leidt dat u een of andere wetenschappelijke ontdekking doet die naar uw mening op de wereld een grote invloed ten goede zou kunnen hebben. U kunt dan tussen twee dingen kiezen: u kunt haar helemaal voor uzelf houden, zodat wanneer u gereed bent, u deze op de markt kunt brengen om er veel geld mee te verdienen. Of u kunt haar aan de topgeleerden overdragen, opdat deze of misschien zelfs anderen er verder aan kunnen werken en haar kunnen vervolmaken om haar tenslotte ter beschikking te stellen van de mensheid. Nu zou u het volste recht hebben om die uitvinding of ontdekking voor uzelf te houden, er patent op te nemen en er zoveel winst mee te maken als maar mogelijk is. U kunt dan aanvoeren dat de wereld er ten slotte beter van wordt, omdat u het product verkrijgbaar heeft gemaakt. Daardoor zou u enige persoonlijke ‘gelukzaligheid’ of bevrediging ondervinden, omdat u uw doel heeft bereikt. Maar zou u aan de andere kant, door uw ontdekking zonder voorbehoud ter beschikking te stellen van het wetenschappelijk onderzoek, de wereld niet een veel grotere dienst bewijzen? Wat een innerlijke voldoening zal dat niet geven?

Vraag — Komt het niet erop neer dat als je de gelukzaligheid de rug toekeert, je die in werkelijkheid verdubbelt?
   
Commentaar —
Alleen als het motief even onzelfzuchtig is als de daad. Daar draait alles altijd om. De bijproducten van de vreugde die ons ten deel vallen als we op onzelfzuchtige wijze de vruchten van onze intuďtie offeren voor het welzijn van allen, zullen elke persoonlijke voldoening die we anders zouden smaken, verre overtreffen; en in zekere zin is dat een voorproefje van die gelukzaligheid, om deze wat afgezaagde term nog eens te gebruiken. Maar als iemand een ‘barmhartige daad’ verricht om het trotse gevoel te hebben een weldoener te zijn, gaat op datzelfde moment de zogenaamde weldaad in rook op.

Vraag — Ik wil hier graag een vraag stellen. Toen we enige tijd geleden spraken over het in praktijk brengen van de pâramitâ’s, zei u dat alles betrekkelijk is en dat zodra hogere geestelijke waarden ons ten deel vallen, we met de oude niet langer tevreden zijn. Is de toestand van gelukzaligheid of tevredenheid ook betrekkelijk? Ik bedoel dit: er kan fysieke of zelfs mentale gelukzaligheid bestaan. Maar is geestelijke gelukzaligheid niet iets heel anders? Bereiken wij als mensen wel ooit de toestand die met de gelukzaligheid van nirvâńa is te vergelijken?

Commentaar — Er zijn evenveel nirvâńa’s als mensen om het te ondergaan; zo zijn er ook hier op aarde evenveel toestanden van bewustzijn als er mensen leven. Zij die alleen voor zichzelf naar nirvâńa streven, naar wijsheid, licht en vrede – vergeet niet, dat het woord pratyeka niets anders betekent dan ‘voor zichzelf’ – geloven dat volmaakte gelukzaligheid hun deel zal zijn. Maar de boeddha’s van mededogen en de ware bodhisattva’s weten dat ze onmogelijk de toestand van alwetendheid volledig kunnen bereiken. Alles is betrekkelijk. Geestelijke alwetendheid of nirvâńische gelukzaligheid is een ervaring die zover boven ons bevattingsvermogen uitgaat, dat het onmogelijk is haar te beschrijven. Maar al kunnen we niet begrijpen wat deze toestand van alwijsheid inhoudt, laten we nooit vergeten dat ieder mens in zijn hart het vermogen heeft met het goddelijke één te worden.
   Er zijn boven onze huidige menselijke staat nog vele stadia en er zijn vergevorderde mensen die voor kortere of langere tijd eenwording met de Vader hebben bereikt. Zij ervaren iets van de nirvâńische gelukzaligheid, maar gedreven door een innerlijk verlangen de mensheid te dienen, laten ze hun bewustzijn terugkeren naar het gebied van menselijke activiteit om met en te midden van de mensen te werken.

Vraag — Dat is een prachtig beeld. Ik moet zeggen dat er tijden zijn dat het gejaag en de onrust van het leven teveel op ons drukken, en dan moeten we er een poosje uit, bergtochten maken, wat uitrusten aan zee, op reis gaan, in ieder geval iets doen om de oude batterijen weer op te laden. Maar ik heb gemerkt dat ik er na een paar weken naar verlang weer midden in de drukte te zitten. Zodra mijn zenuwen zijn gekalmeerd, komt de drang in me op weer aan het werk te gaan. Ik wil niet zeggen dat dit gebeurt omdat ik het pad van mededogen wil volgen; het is eenvoudig zo dat de strijd van het leven toch interessanter schijnt te zijn dan wat rond te hangen. Waar koers ik op af – het pad van zelfzucht, of het andere?

Commentaar — Het is niet aan mij om uit te maken wie zich op het pratyekapad of pad van zelfzucht bevindt, en wie ernaar streeft het pad van mededogen te volgen. Niemand kan over een ander oordelen. Vergeet niet dat het motief, het werkelijke innerlijke motief, dat vaak verborgen is, en niet het uiterlijke, de kleur van onze handelingen bepaalt. Dag in dag uit maken we ontelbare malen een keus in allerlei kleine dingen en deze zullen op een of andere wijze van doorslaggevende betekenis zijn voor die verheven keus.
   Niets menselijks is ons vreemd, en als we alleen naar de strijd van het bestaan terugverlangen om anderen te slim af te zijn en zo snel mogelijk vooruit te komen om macht en invloed te verkrijgen, dan voert onze weg omlaag; als we onszelf geen halt toeroepen maar leven na leven in deze richting voortgaan, volgen we het materiële pad dat uiteindelijk naar de geestelijke dood leidt. Keren we echter na de vakantie naar ons werk terug uit een innerlijk verlangen ons steentje bij te dragen aan het grootse alomvattende levensplan, en te delen in de vreugde en het verdriet van het bestaan, als ons aandeel in het verlichten van de last van de wereld, dan is ons motief onzelfzuchtig. Langzamerhand zal het zuiverder worden en zal het ideaal van het pad van mededogen steeds meer ons hart vervullen.

Vraag — Maar wat moeten we doen om spiritueel te worden?

Commentaar — We moeten niet proberen spiritueel of heilig te worden of verder te komen dan anderen, want juist die overdreven belangstelling voor onze eigen ontwikkeling vormt de grootste belemmering voor onze groei. Geestelijk succes is nooit het resultaat van pogingen om spiritueel te worden, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. Toch worden we telkens aangespoord ‘het lagere zelf door het hogere te verheffen’, het onedele metaal van zelfzuchtig verlangen om te zetten in het goud van onzelfzuchtig streven. Dit alles betekent dat we onafgebroken moeten proberen het ideaal van altruďsme en onbaatzuchtigheid en alle andere deugden die we hebben besproken, te verwezenlijken, maar niet dat we ons op onze eigen evolutie moeten concentreren. Zelfs al kenden we de leringen van het boeddhisme, het christendom of het platonisch denken van A tot Z, dan zou dit op zichzelf ons niet spiritueel maken.

Vraag — Zijn de pratyeka’s over wie u heeft gesproken dan geen geestelijke wezens? Zo niet, hoe konden ze dan boeddha’s worden? Ik begrijp deze combinatie van zelfzucht en spiritualiteit niet. Kan er bij de verwezenlijking van een geestelijk doel werkelijk sprake zijn van zelfzucht; moeten we juist niet anderen dienen om te groeien?

Commentaar — Laten we niet de verkeerde indruk krijgen dat een pratyeka, iemand die voor zichzelf naar geestelijke dingen streeft, slecht is. Dat is hij niet. Hij is een hoogontwikkeld geestelijk wezen; evenmin is het juist te zeggen dat hij nooit iets voor zijn medemensen zou doen. Dat doen ze allemaal wel – dat is aan geen twijfel onderhevig, eenvoudig omdat ze het niet kunnen laten. Ook hier gaat het weer om het motief. Ik zou morgen op stap kunnen gaan en een zogenaamde ‘engel van barmhartigheid’ zijn en allerlei goede werken verrichten; of, als ik een heleboel geld had, kon ik het aan liefdadigheid geven, aan een of ander goed doel. Maar welke invloed zullen zulke ‘daden van barmhartigheid’ op mijn karakter hebben, op mijn karma of op mijn werkelijke zelf?
    Niet wat we doen geeft de doorslag, maar hoe we denken en handelen. Tenslotte is slechts één ding van belang: het motief. Als ik er een zekere bevrediging in vind een weldoener te zijn, doe ik zonder twijfel heel veel goed, breng verbetering in het leven van veel mensen en verlicht veel leed. Maar toch, als ik deze ‘goede werken’ volbreng om iemand te zijn die goede daden verricht en om mijn geestelijk doel misschien sneller te bereiken, schuilt er dan in mijn motief toch niet heel wat zelfzucht? Als ik aan de andere kant, zelfs bij de minst belangrijke handeling in het dagelijks leven, probeer om nooit het gewicht van mijn persoonlijke wil in de schaal van menselijke verhoudingen te werpen, maar er altijd naar streef slechts het welzijn van anderen te dienen, dan is het motief pas werkelijk onzelfzuchtig. En de gevolgen – oneindig veel duurzamer, omdat ze niet inwerken op de persoonlijke natuur van hen die worden geholpen, maar op de hogere aspecten van hun ziel, en daar in leven na leven hun heilzame werk blijven verrichten.
    Geestelijk streven heeft dan ook twee aspecten: het ene dat beoogt gelukzaligheid voor zichzelf te verwerven – het ogenschijnlijk kortere pad, omdat men niet door de zorgen en beproevingen van anderen wordt opgehouden; en het andere dat beoogt het leed van de mensheid te verlichten.
    Het pratyekapad blijkt tenslotte een langere weg te zijn, want zodra de aspirant zodanige verlichting heeft bereikt dat hij nirvâńa kan ingaan, zegt hij verdere geestelijke groei vaarwel en blijft zoals hij is tot de volgende grote cyclus – wat een heel lange periode kan zijn. Eenmaal zal ieder van ons de verheven keuze moeten doen: hetzij de drempel overschrijden, of een glimp opvangen van de heerlijkheid van volstrekte wijsheid en vrede en toch naar het tranendal terugkeren om de mensheid te helpen. Voor die keuze staan de Groten onder de mensen. Ze hebben een ondankbare taak. Ze verlangen geen beloning, geen erkenning, slechts de gelegenheid hun eigen moeizaam verworven wijsheid met anderen te delen.
    Uit deze van mededogen vervulde Groten is de zuivere traditie voortgekomen en zij hebben haar doorgegeven; zij denken niet aan hun eigen vooruitgang omdat ze volop bezig zijn de belangen van hun medemensen te behartigen.
    Het offeren van alle handelingen op het altaar van de eigen vooruitgang is pratyeka – in laatste instantie zelfzuchtig; het offeren van alle gedachten, alle handelingen en gevoelens op het altaar van de vooruitgang van de mensheid – dat is mededogen in zijn hoogste vorm.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 179-89

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag