Theosophia – kennis van goddelijke dingen



Vraag — Onlangs raadde een vriend mij aan kennis te nemen van de theosofie. Hij zei dat hij er zelf niet al te veel van wist, en dat er nogal verschillend werd geoordeeld over de waarde ervan en er zelfs tamelijk tegenstrijdige presentaties van bestaan, maar hij dacht dat er fundamenteel wel een gezonde filosofie achter stond. Ik vroeg me daarom af of we dieper op haar achtergrond kunnen ingaan.

Commentaar — Dat is goed, maar we moeten ons wel eerst afvragen wat we met theosofie bedoelen. Bedoelen we de moderne vorm zoals die tegenwoordig tot uitdrukking komt in de verschillende organisaties die zich theosofisch noemen? Bedoelen we de theosofie uit de Middeleeuwen of uit de Renaissance? Of denken we aan het nog vroegere tijdperk van Ammonius Saccas die in de tweede en derde eeuw van onze jaartelling leefde? Staat ons misschien de archaďsche filosofie van de eerste mysteriescholen voor de geest? Of dichter bij huis blijvende, denken we aan de christelijke theosofie, waarvan het leven en de geschriften van Jakob Boehme getuigen, die op zijn beurt de ‘theosofen’ uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw inspireerde?
   Vraag — Ik had er geen idee van dat er zoveel soorten theosofie waren of dat ze zover in het verleden terugging. Ik dacht dat het een modern woord was voor een nieuw soort filosofie.

Commentaar — Nee, theosofie is geen nieuw verschijnsel, maar helaas raakt veel van wat vroeger en ook nu met die naam is aangeduid eerder de buitenkant dan de kern van haar filosofie. Het hele onderwerp heeft zoveel kanten dat, als we zelfs maar in ruwe trekken haar ontwikkeling en groei zouden willen schetsen, we tot haar oorsprong zouden moeten teruggaan en dan zorgvuldig de gouden draad moeten volgen door het ingewikkelde netwerk van de verschillende betekenissen die in de loop van de tijd aan de term ‘theosofie’ zijn gehecht. Naar wordt aangenomen stamt het woord uit de eerste eeuwen van onze jaartelling of misschien uit een nog vroegere periode, terwijl het al werd gebruikt, zij het in beperkte mate, honderden jaren vóór de stichting van de moderne organisaties die deze naam dragen en die, in mindere of meerdere mate trouw aan de oorspronkelijke betekenis, een theosofische filosofie beweren te volgen.
   Ik zou slechts één ding willen vragen, namelijk dat we proberen elke voorstelling die we nu misschien hebben van wat theosofie wel en niet is tijdelijk opzij te zetten, zodat we haar ontwikkeling gemakkelijker kunnen nagaan.

Vraag — Dat lijkt me een goed idee, want ook ik dacht dat het een of andere nieuwe filosofie of nieuw geloof was. Wat betekent het woord eigenlijk?

Commentaar — Het komt uit het Grieks. Laten we beginnen met de definitie uit het woordenboek en die als uitgangspunt nemen.

Theosofie. Ook theosofisme. Uit het ML., uit het LGr. theosophia, kennis van goddelijke dingen, van theosophos, wijs in de dingen van God, van theos, God + sophos, wijs . . .

Tot zover de feitelijke afleiding van het woord. Tussen twee haakjes, ik geloof niet dat het woord ‘theosofisme’ ooit veel werd gebruikt, ofschoon het hier en daar in de geschriften van bepaalde ‘theosofen’ van ongeveer tweehonderd jaar geleden voorkomt.
   Let op de afkortingen: ‘Uit het ML., uit het LGr.’ – dit betekent natuurlijk dat het woord via het Middeleeuws Latijn uit het late Grieks stamt; dit is het Grieks dat van de eerste of tweede tot de zesde eeuw na Christus werd gesproken. Hier maken we in ons denken in een ogenblik een grote sprong via de Middeleeuwen van onze geschiedenis naar die woelige eeuwen van overgang die volgden op het begin van de christelijke jaartelling. U ziet dan ook hoe dwaas het is onze bespreking over theosofie uitsluitend te beperken tot de moderne tijd. Maar laten we verder gaan met de beide definities die op de afleiding van het woord zelf volgen:

1. Vermeende kennis van God en van de wereld in haar relatie tot God, verkregen door direct mystiek inzicht of door filosofische bespiegeling of door een combinatie van beide.
    2. (vaak met een hoofdletter) De leringen en geloofsovertuigingen van een moderne school of sekte die in hoofdzaak boeddhistische en brahmaanse theorieën aanhangt, in het bijzonder door een pantheďstische evolutie en de leer van reďncarnatie te onderwijzen.

Vraag — Dat klinkt nogal ingewikkeld. Hoe kan iemand werkelijk ‘kennis van God’ bezitten?

Vraag — Ik zou graag willen weten of God daar met een hoofdletter is geschreven. Ik vind het nogal verwarrend. Eerst krijgen we de verklaring van het woord als ‘kennis van goddelijke dingen’, die mij wel aanstaat. Het geeft je het gevoel dat er geen grenzen zijn. Maar dan wordt ons gezegd dat theosofie betekent ‘vermeende kennis van God’. En direct komt de benauwende gedachte in mij op van een persoonlijke God over wie theosofie mij dan blijkbaar iets te zeggen heeft. Maar misschien is dit alleen haarkloverij.

Commentaar — Nee, dat geloof ik niet. U heeft in feite de aandacht gevestigd op iets waarbij we een ogenblik moeten stilstaan. Ja, in beide uitdrukkingen is God met een hoofdletter geschreven – ‘wijs in de dingen van God’, en ‘vermeende kennis van God’. Hadden de lexicografen theos vertaald met ‘een geestelijk of goddelijk wezen’ of eenvoudig met ‘godheid’, wat het in het oude Griekenland betekende, in plaats van het later door de christenen gebruikte woord God over te nemen, dan zouden ze de essentiële betekenis van theosophia als ‘kennis van goddelijke dingen’ veel dichter hebben benaderd. Dat ze het woord vermeende inlasten, wijst er niettemin op, dat ze zich wel degelijk ervan bewust waren dat geen enkel mens ten volle ‘wijs in de dingen van God’ kon zijn en nog minder de onbegrensde wijsheid kon begrijpen van een goddelijke intelligentie, die de alpha en omega omvat van het leven zelf op onze planeet, in ons zonnestelsel en zelfs in en buiten het heelal dat ons thuis is.
   Zoals gezegd, slaat de eerste definitie op theosofie zoals ze in vroegere eeuwen op verschillende manieren werd opgevat en ze wordt met een kleine t geschreven. Maar de tweede definitie ‘vaak met een hoofdletter’, heeft betrekking op de ‘moderne school’ van denken die zich theosofisch noemt. Om bij dit onderscheid stil te staan lijkt misschien wat onbelangrijk, maar dat is het niet. De geschiedenis van de ontwikkeling en vooruitgang van de mens in werkelijk geestelijk inzicht heeft telkens weer aangetoond, dat op het moment dat we ons geloof ‘met een hoofdletter’ gaan aanduiden, we ons specialiseren en statisch worden; en op het moment dat we ons specialiseren, beperken we ons, en als we ons beperken beginnen we juist de essentie te verliezen van datgene waarnaar we zoeken. In materiële of administratieve aangelegenheden moeten we een probleem natuurlijk duidelijk omschrijven om daardoor beter de aandacht te kunnen concentreren op dit of dat speciale gebied van onze belangstelling. Maar als we ons bezighouden met ‘goddelijke dingen’ die verband houden met de groeiende innerlijke constitutie van de mens en van de kosmos, hebben we te maken met beginselen van waarheid die zich op een niet-statische wijze ontwikkelen, of we deze nu boeddhisme of christendom, neoplatonisme of theosofie noemen. Als we deze beginselen plaatsen binnen het raam van afbakenende definities, beperken we hun betekenis tot de bijzondere vorm die onze definities aannemen.
   Dit is het geval, of we nu de gnosis (kennis) van de gnostische theosofie beschouwen, de theosofische bespiegelingen van de Hebreeuwse kabbalisten of van de vuurfilosofen, de christelijke theosofie die Meister Eckhart, Jakob Boehme of Saint-Martin hebben uiteengezet, dan wel de moderne interpretaties. Daarom stelde ik voor onze vroegere ideeën op te schorten om onze gedachtewereld te kunnen verruimen, en theosofie letterlijk te zien als ‘kennis van goddelijke dingen’. Als we het zo kunnen zien, zullen we beseffen dat de essentie van zuivere religie en filosofie – en ook van wetenschap beschouwd als zuivere ‘kennis’, wat het woord betekent – theosophia is, met een kleine t, die bepaalde ‘wijsheid’ die de grootste zieners van de mensheid zich hebben verworven door directe aanschouwing van de ‘dingen zoals ze zijn’.

Vraag — Mag ik u hier in de rede vallen? Als we die laatste gedachte volgen, betekent dit dan dat alle heilanden of wereldleraren, zoals Boeddha en Jezus, en ik veronderstel ook mensen zoals Plato en Pythagoras, een soort theosofie onderwezen?

Commentaar — Laten we hiervan geen nieuw dogma maken en zeggen dat elke religie en filosofie theosofie is; we zouden evengoed kunnen zeggen dat het allemaal boeddhisme of christendom of islam is, enz. Niettemin roert u een belangrijk punt aan, want welk gedachtestelsel we ook beschouwen, als we het eeuwige en onvergankelijke erin kunnen bespeuren, zullen we op één centraal punt uitkomen – de waarheid. De verschillen zitten alleen in hun uiterlijke gewaad, dat meestal ertoe bijdraagt dat hun essentiële betekenis eerder wordt verborgen dan onthuld.
    Dit voert ons tot de tweede definitie, die met een hoofdletter is geschreven en betrekking heeft op de moderne organisatie die in 1875 door H.P. Blavatsky werd gesticht en die een poging was het werk voort te zetten dat oorspronkelijk door Ammonius Saccas in de derde eeuw van onze jaartelling was begonnen. Evenals hij probeerde aan te tonen dat de waarheid één is en dat alle religies oorspronkelijk aan een gemeenschappelijke oude wijsheid ontsproten, zo schreef zij haar tot nadenken stemmende boek De Geheime Leer met dit in gedachten. In de daaropvolgende jaren is echter aan het woord theosofie door een verkeerd gebruik in aanzienlijke mate afbreuk gedaan. Er bestaan verscheidene organisaties die met betrekkelijk succes haar filosofie proberen te verspreiden. Maar er zijn ook enkele sekten van twijfelachtig gehalte, die de literatuur gebruiken voor een bepaalde vorm van onderricht die niets anders is dan een afdwaling van de oorspronkelijke leer, en die veel ophef maken van bijkomstige aspecten zoals psychisme en andere ongezonde vormen van het najagen van verschijnselen – alle hoogst gevaarlijke verdraaiingen van geestelijke waarden.

Vraag — Is juist de bonte verzameling van kennis, die in deze tijd actueel is in onze filosofische en religieuze levensbeschouwingen, en in het bijzonder ten aanzien van deze psychische zaken, niet bijna het evenbeeld van wat zich in Alexandrië afspeelde in de tijd van Ammonius? Zelfs al eerder moesten de Romeinen wetten uitvaardigen tegen de praktijken van het mediumschap, de waarzeggerij en het trekken van horoscopen; in feite tegen alles wat, in hoe geringe mate ook, leidde tot de toepassing en ontwikkeling van de ‘occulte kunsten’.

Vraag — Ik zou graag iets meer willen horen over het gebruik van de term theosofie in vroegere tijden.

Commentaar — Het is moeilijk precies het tijdstip te bepalen waarop de term voor het eerst in omloop kwam, maar ik geloof dat het woord theosophos of ‘wijs in goddelijke zaken’ nu en dan wordt aangetroffen in de geschriften van Clemens van Alexandrië en mogelijk ook van anderen uit die tijd. Sommige autoriteiten neigen echter tot de mening dat juist Ammonius Saccas zijn leerlingen meer bepaald onderricht gaf in ‘theosofische’ beginselen.

Vraag — Ik las ergens dat hij een soort eclectische filosofie onderwees door denkbeelden uit verschillende bronnen te combineren.

Vraag — Bedoelt u door de verschillende religies af te romen en daar een soort geestelijke potpourri van te maken? Het woord ‘eclectisch’ bevalt mij niet erg, want hoe kan je tot een gezonde filosofie komen als je die op kunstmatige wijze uit brokstukken opbouwt?
   
Commentaar —
Laten we niet te hard van stapel lopen en verkeerde conclusies trekken. Ik ben het met u eens dat we de waarheid nooit zullen vinden door willekeurig brokstukken ervan te vergaren en aan elkaar te lassen. Men heeft natuurlijk het recht het woord ‘eclectisch’ op die manier te interpreteren, maar dat is heel wat anders dan wat Ammonius Saccas deed. Hoewel zijn stelsel van onderricht tegenwoordig met het woord ‘eclectisch’ wordt aangeduid, volgde hij in werkelijkheid een drievoudige methode om tot de waarheid te komen, namelijk door analyse, synthese en interpretatie. Hij baseerde zich op Plato en slaagde erin de essentie van de sophia of ‘wijsheid’ te distilleren uit de schijnbaar tegenstrijdige elementen in het samenstel van mystieke en religieuze tradities die toen in Alexandrië algemeen waren verbreid. Daarom wordt hij beschouwd als het inspirerende talent achter de buitengewone opleving van de belangstelling voor de platonische filosofie, die later als neoplatonisme niet alleen de christelijke psychologie, maar zelfs de kerkelijke theologie in sterke mate zou beďnvloeden door het werk van Augustinus. Maar dat is een ander verhaal!
   Ik geloof dat het moeilijk is ons voor te stellen hoe die overvolle wereldstad in die eerste eeuwen eruitzag. Het was een bloeiend centrum van handel en verkeer tussen het oosten, Klein-Azië, Afrika en Rome, maar het was ook de zetel van de hoogste cultuur en wetenschap, en het Museum met zijn Bibliotheek was vooral beroemd om de honderdduizenden onschatbare manuscripten (waarvan later een groot deel door fanatici werd verwoest). Hindoes en boeddhisten, Grieken, joden en Egyptenaren, Romeinen en Arabieren, zowel als het toenemende aantal christelijke bekeerlingen, verkeerden er met elkaar en elk deed zijn best zijn stoffelijke of zijn zogenaamd geestelijke ‘waren’ te verkopen. En het was hier dat Ammonius uit protest tegen de oppervlakkigheid van het leven in het algemeen en de holheid van veel dat als waarheid werd verkondigd, zijn school stichtte waarin hij van zijn leerlingen de hoogste eerbied voor de waarheid eiste. Men noemde hem theodidaktos of ‘door god onderwezen’, omdat men geloofde dat hij de heilige vereniging van de ziel met haar goddelijke bron had ervaren. Ongetwijfeld werden zijn leerlingen er door de adeldom van zijn leven voortdurend aan herinnerd dat als zij getrouw een leven van zelfdiscipline leidden, ook zij eens theosophos of ‘wijs in de dingen van God’ zouden kunnen worden.

Vraag — Heeft Ammonius boeken geschreven?

Commentaar — Hij heeft niets op schrift gesteld, evenmin als Jezus of Boeddha of Socrates.

Vraag — Hoe weten we dan wat hij leerde?

Commentaar — Op dezelfde manier als we weten, althans tot op zekere hoogte, wat alle wereldleraren onder wie Jezus leerden: door tussen de regels en achter de woorden van hun volgelingen te lezen. In overeenstemming met het archaďsche gebruik in de mysteriescholen (zelfs al waren deze in zijn tijd sterk in verval geraakt) eiste Ammonius van zijn leerlingen de plechtige gelofte nooit op papier te zetten wat ze zouden leren. Na zijn dood echter lieten twee van hen enkele manuscripten circuleren die hun interpretatie gaven van zijn leringen. Gelukkig voor het nageslacht, kwam er een heel opmerkelijke man bij Ammonius studeren, die later verscheidene boeken schreef die de essentie van de gegeven leringen bevatten.

Vraag — Was dit niet Plotinus? Als ik mij de geschiedenis goed herinner had hij bij alle filosofische scholen in Alexandrië gezocht naar werkelijk geestelijk onderricht, maar omdat hij niets dan kaf vond, had hij de moed verloren. Toen vertelde een vriend hem over Ammonius. Zoals Porphyrius, de geliefde leerling van Plotinus, verhaalt, riep hij zodra hij Ammonius hoorde uit: ‘Dit is de man naar wie ik heb gezocht’. Dus bleef hij tien of elf jaar bij hem en men zegt dat ook hij ogenblikken beleefde van vereniging met de Vader in hem.

Commentaar — We moeten Porphyrius dankbaar zijn Plotinus ervan te hebben overtuigd dat het diens plicht was, nu deze onvolledige en daarom onvolmaakte geschriften in omloop waren gebracht, een juiste interpretatie van de leringen van Ammonius op schrift te stellen en te bewaren. Het zou anders een ernstig verlies hebben betekend, want Plotinus schijnt zelfs Plato te hebben overtroffen in zijn uiteenzetting van het oude thema dat alles voortvloeit uit het goddelijke of theos, en dat alle zielen en vormen en stadia van manifestatie eens bewust ernaar moeten streven om naar hun goddelijke bron terug te keren. Er is natuurlijk veel meer, maar het is gemakkelijk in te zien waarom de theosophia van het neoplatonisme in de loop van de eeuwen telkens weer heeft getracht zich tot uitdrukking te brengen.

Vraag — Ik probeer verband te leggen tussen de definitie van theosofie als ‘vermeende kennis van God’ en het feit dat Ammonius blijkbaar tot ‘goddelijk inzicht’ kwam.

Commentaar — Laat ik de definitie nog eens lezen: ‘Vermeende kennis van God en van de wereld in haar relatie tot God, door direct mystiek inzicht of door filosofische bespiegeling of door beide’. Als we deze nu opnieuw onder woorden brengen, uitgaande van wat we zojuist hebben besproken, zullen we zien hoe opmerkelijk passend ze is: theosophia of kennis van goddelijke dingen betreffende de kosmos en de mens als uitdrukkingen van de godheid; een kennis die kan worden verkregen door directe geestelijke waarneming of door studie en bespiegeling, of door een samengaan van het denkvermogen en de intuďtie die het denken verlicht.

Vraag — Dat is prachtig, maar wie kan dit bereiken afgezien van mensen zoals Ammonius of de grote leraren?

Commentaar — Heeft Plato niet gezegd dat de ziel bij het begin der tijden kennis werd ingeprent van de grote ‘Idee’, waarmee hij ongetwijfeld sophia of wijsheid bedoelde, en dat het aan ons is om ons die kennis gedurende onze levens op aarde te ‘herinneren’? En heeft meester Jezus niet gezegd dat het de Vader in hem was die de zogenaamde wonderen volbracht, en dat wat hij deed ook wij kunnen doen?

Vraag — Dit bevalt me, want in de oorlogsjaren heb ik mensen ontmoet met volkomen verschillende religieuze opvattingen, en hoewel ik geen gelegenheid had hun geloof te bestuderen, kwam ik wel tot de overtuiging dat geestelijke waarden geen onderscheid maakten wat betreft huidskleur, geboorteland of religie. Daarom stel ik zoveel belang in de figuur Ammonius, die hoopte aan te tonen dat er maar één waarheid was. Ik heb het gevoel dat er zelfs voor ons gewone mensen een soort natuurlijke wijsheid moet zijn, die we kunnen vinden.

Commentaar — Is dit misschien die ‘natuurlijke wijsheid’ binnen ieder van ons, die we ons proberen te herinneren?

Vraag — Ik heb me vaak afgevraagd waarom er geen gemeenschappelijk reservoir van kennis bestaat waaruit iedereen kan putten. Ik kan niet inzien waarom er zoveel religies moeten zijn en zoveel verschillende soorten filosofische bespiegeling over het ontstaan van onze wereld en over de betekenis van ons mensen daarin.

Commentaar — De tradities van de oudheid bevestigen dat er eens in de vroegste geschiedenis van de mensheid één wijsheid bestond die aan alle volkeren van de aarde bekend was, maar langzamerhand verkregen zoveel verkeerde interpretaties van bepaalde aspecten van de waarheid de overhand, dat het noodzakelijk werd geacht dat heilanden of avatâra’s periodiek onder de mensen ‘incarneerden’ om de oude geestelijke waarden in ere te herstellen. Ze kwamen niet om een nieuwe religie te stichten; dat deden hun volgelingen, met een ijver die niet altijd gepaard ging met een trouw aan de geest van de boodschap. Het is steeds weer dezelfde droeve geschiedenis van de menselijke natuur die ernaar streeft de woorden van waarheid te behouden door ze zo keurig vast te leggen in een boek of manuscript dat, als dit eenmaal is gebeurd, er niets anders overblijft dan het zorgvuldig op te bergen! Maar al te gauw hebben we niet alleen de sleutel ertoe ‘verloren’, maar ook het oorspronkelijke verheven doel vergeten. Vóór we het weten, aanvaarden we het woord van iemand anders als gezaghebbend voor wat waar of niet waar is! De waarheid is één, maar er zijn evenveel ‘waarheden’ of uitdrukkingen van ‘goddelijke dingen’ als er mensen zijn die hun inzichten weergeven door het prisma van hun eigen individuele bewustzijn.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 203-14

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag