Het Onze Vader


Vraag — Als we krijgen wat we verdienen en voor onze daden worden beloond of gestraft, wat kunnen we dan nog van het gebed verwachten?

Commentaar — Dit is een belangrijk onderwerp waar heel wat aan vastzit. Maar voor we over het gebed kunnen gaan spreken, is het raadzaam ons bewustzijn te bevrijden van de gedachte aan een antropomorfe persoonlijke God, die in de ruimte troont en die naar eigen goeddunken of overeenkomstig onze wensen over goed en kwaad beschikt. Deze opvatting is volgens mij onjuist; ze ontkent het bestaan van rechtvaardigheid en ondermijnt het vertrouwen – het vertrouwen in de uiteindelijke harmonie van de universele wet. De praktische betekenis van het gebed, zoals meester Jezus zich dat voorstelde, ligt feitelijk besloten in zijn bede in Gethsemane: ‘Niet mijn wil, maar de uwe geschiede’ – niet mijn persoonlijke wens, maar de wil van het goddelijke. Met andere woorden, laat de wet van de rechtvaardigheid haar tot harmonie en evenwicht leidende functie verrichten, opdat de oorzaken die vroeger in beweging werden gezet in ons leven kunnen uitwerken.

Vraag — Als we onze persoonlijke wil inschakelen om nu extra hulp te ontvangen en die ook krijgen, zelfs als we weten dat we die niet werkelijk verdienen, overschrijden we dan niet ons krediet en moeten we dit later niet met gelijke munt terugbetalen?

Commentaar — Al kan een vurig gebed, dat door onze persoonlijke wil wordt beheerst, tijdelijk de gevolgen van bepaalde oorzaken afwenden – en alleen in die zin kunnen we zeggen dat ons ‘krediet is overschreden’ – toch kunnen we erop rekenen dat de strikte gevolgen van alle oorzaken ons na verloop van tijd zullen achterhalen, en vaak met samengestelde interest. We moeten niet denken dat, hoe intens en lang we ook bidden, we de grote wet van het evenwicht buiten werking kunnen stellen. Er bestaat geen ‘vergeving van zonde’ in de betekenis die men daaraan gewoonlijk hecht. Gebed noch ‘vergeving’ kunnen het onverbiddelijke karakter van het universele proces van de natuur veranderen, en altijd zullen oorzaken gevolgen teweegbrengen, hoeveel tijd er ook intussen is verlopen.

Vraag — Waarschijnlijk bidt ieder mens op zijn eigen manier, en we weten natuurlijk dat ook Jezus dit deed – het Onze Vader wordt in ieder geval aan hem toegeschreven. Nu zijn er in dit gebed gedeelten die niet met elkaar schijnen te kloppen, maar toch heb ik horen zeggen dat men de hele filosofie van het leven erin kan vinden.

Commentaar — Het Onze Vader bevat inderdaad een volledige filosofie die aangeeft hoe we moeten leven. Maar in het algemeen zijn we in het gebed wel heel ver afgedwaald van de aanwijzingen van meester Jezus en ook van alle andere grote wereldleraren. Het gebed komt in onze tijd in allerlei vormen voor die bijna alle zelfzuchtig zijn te noemen: in het gunstigste geval zijn ze gericht op de eigen behoeften in plaats van op die van anderen; in het ongunstigste zijn ze niets meer of minder dan het uitbuiten van ons goddelijke erfdeel. Ik doel hier op die vormen van gebed die steeds populairder worden en die ons zogenaamde ‘macht, rijkdom en intellectuele kracht’ kunnen geven, als we ons concentreren op wat wij verlangen. Dit soort gebed is door en door zelfzuchtig en als zodanig uiterst gevaarlijk voor de geestelijke groei van degene die zich ermee inlaat.
   Wanneer het Onze Vader goed wordt begrepen, is er geen spoor van zelfzucht in te vinden. En toch, wie van ons begrijpt werkelijk wat de meester heeft bedoeld? We leren het gebed in onze jeugd; als volwassenen horen we het in allerlei toonaarden van vroomheid uitspreken, terwijl het door koren over de hele wereld als hymne wordt gezongen. Maar welke invloed heeft het op ons denken in het dagelijks leven gehad?

Vraag — Ik denk dat onze gedachten over het bidden in de loop van de tijd bij ons allemaal nogal wat veranderingen hebben ondergaan. We hebben allemaal in de kerk en op de zondagsschool de gebruikelijke vormen van het gebed geleerd, maar mij kwamen die nooit erg praktisch voor. Evenmin scheen ermee bereikt te worden wat het gebed toch tot stand zou moeten brengen, omdat er meestal werd gebeden met de bedoeling dat er voor mijzelf iets werd gedaan. Om de een of andere reden had ik het gevoel dat ik niet het recht had ooit iets voor mezelf te vragen, omdat ik vergeleken met anderen al zoveel had. Veeleer was ik geneigd te danken voor wat ik bezat en niet om meer te vragen, om op die manier, bij wijze van spreken, de kosten te betalen van mijn verblijf hier. Ik heb nooit begrepen waarom iemand rechtstreeks tot een of ander wezen of tot een godheid zou bidden om een bepaald aards doel te bereiken. Wel heb ik altijd het gevoel gehad dat, zoals de natuur op het gebied van de fysica alles regelt overeenkomstig wetten, dit ook in geestelijke zaken het geval moet zijn: naargelang we geven zullen we ontvangen. Maar welk voordeel hebben we dan van het bidden?

Vraag — Ook ik heb nooit het gevoel gehad, dat ik het recht had iets te vragen. Bidden heeft voor mij altijd alleen maar vragen betekend; en omdat er voor mij niet een persoonlijke God bestond die ik kon erkennen of een antropomorf wezen waaraan ik gunsten kon vragen, was er evenmin iemand die ik speciaal kon bedanken.

Commentaar — Ik begrijp precies wat u bedoelt. Er is een hemelsbreed verschil tussen de opvatting van een God die zich ergens ver weg in de ruimte buiten de mens bevindt, en die rechtstreeks verantwoordelijk zou zijn voor alles wat er is gebeurd nadat hij ons heeft geschapen, en het denkbeeld van een goddelijke intelligentie in het hart van alles wat zich in het universum bevindt, zowel in elk atoom, in elke zon en in ieder van ons. Als we deze laatste opvatting huldigen, zullen we als we gaan bidden, het Onze Vader niet langer beschouwen als een middel om onze wensen in vervulling te zien gaan, maar veeleer als een uiting in woorden van de hoogste aspiratie die een mens kan voelen.

Onze Vader, die in de hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd. Hier wendt de meester zich tot de Vader in hem, die in ons niet volledig is geïncarneerd omdat wij nog niet het punt hebben bereikt waarop we één zijn geworden met hem. Als we denken aan de verdeling van de mens in lichaam, ziel en geest, zoals Paulus die maakte, kunnen we de Vader in ieder van ons zien als een aspect van die goddelijke intelligentie, waaraan wij, overeenkomstig onze hoogste verantwoordelijkheid, gelijk behoren te worden. Dit vergt een eeuwigheid van tijd, maar de mens is potentieel daartoe in staat door die goddelijke vonk die zich in ieder levend organisme manifesteert.

Uw Koninkrijk kome. Hier spreken we de hoop uit dat het koninkrijk van de Vader, dat in de Hemel of de geestelijke sferen en ook in onszelf is, werkelijkheid wordt. Dat wil zeggen, dat we erom bidden of ernaar streven hier op aarde dat goddelijke aspect van onze natuur tot werkzaamheid te brengen, zonder welk aspect wij niet zouden bestaan.

Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Laat de werken van de goddelijke intelligentie doordringen in alle aangelegenheden van het leven op deze aarde, zoals ze zich ook hebben geopenbaard in de hemel – de hemel die het relatief ideale en tegelijk latente vermogen vertegenwoordigt dat we eens tot ontwikkeling zullen brengen.

Geef ons heden ons dagelijks brood. Let wel, heden, ons dagelijks brood. Er wordt ons niet voorgeschreven aan alle toekomstige behoeften te denken; ook betekent ‘ons dagelijks brood’ niet alleen de fysieke behoeften, hoe belangrijk die ook zijn. Geef ons wat we heden nodig hebben aan kracht, visie en wijsheid; niet alleen voor onszelf maar ook voor ons gezin, onze buren, onze stad, misschien ons volk en de hele mensheid. Die behoeften beslaan een gebied dat zich kan uitstrekken van de meest alledaagse tot de edelste karaktereigenschappen die we bezig zijn te ontwikkelen en aldus dienstbaar te maken aan de Vader in ons.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Dit is een van de meest praktische maar ook slechtst begrepen regels van esoterische training. Dit gebed vraagt niet aan de Vader ons onze fouten te vergeven in die zin dat we worden ontheven van de verantwoordelijkheid om ze te herstellen. We moeten ook niet om vergeving bidden of om karaktereigenschappen vragen waarvan we zelf in onze betrekkingen met anderen geen blijk hebben gegeven. Evenals wij onze medemensen hun fouten niet verwijten, vragen we de Vader in ons, die meer mededogen heeft dan wij, ons de vergissingen niet aan te rekenen die we maken in onze worsteling om te groeien. De aloude wet van evenwicht en harmonie, de wet van karma, is hier aan het werk. Wat u zaait, zult u oogsten – actie gevolgd door haar bijbehorende reactie blijft tot in eeuwigheid van kracht. Zoals karma één kant van de universele wet vormt, zo vormt mededogen of barmhartigheid de andere zijde van dezelfde wet. Maar we moeten alle wrok en wrevel om onrecht dat ons is aangedaan, uit ons hart bannen, vóór we tot de Vader in ons ‘om genade bidden’ voor het onrecht dat we dagelijks ons ware Zelf aandoen.

En leid ons niet in verzoeking maar verlos ons van de boze. Letterlijk opgevat is dit een ongewoon verzoek. Als dit gebed wordt gericht tot God, die de vader van al het goede heet te zijn, wat een belediging hem te vragen ons niet in verzoeking te brengen! Of is er misschien een meer inspirerende interpretatie? ‘O Vader in ons, leid ons niet weg van onze beproevingen en moeilijkheden, opdat we door ze eerlijk onder ogen te zien het kwaad leren kennen zoals het is, en zijn macht kunnen breken.’

Vraag — Dat klinkt heel wat beter. Ik heb nooit kunnen begrijpen waarom we de Vader zouden moeten smeken ons niet op het verkeerde pad te brengen, en ik heb me altijd afgevraagd waarom dit in een gebed hoort dat van een Heiland afkomstig zou zijn.

Commentaar — U bent niet de enige die zich daarover het hoofd heeft gebroken. Ieder denkend mens heeft waarschijnlijk een of andere interpretatie proberen te vinden, die zijn aangeboren morele besef kan bevredigen. Enkele jaren geleden heeft een episcopaals geestelijke er zelfs op aangedrongen het Onze Vader te herzien. Hij stelde voor de woorden zo te veranderen: ‘En laat ons niet vallen wanneer we in verzoeking worden gebracht’, omdat zoals hij verklaarde, ‘geen enkele christen mag verwachten dat hij voor verleidingen bespaard blijft’, en daarom in het gebed moet worden gevraagd om ‘kracht om verleiding te weerstaan’.
   Ongetwijfeld stimuleert die houding ons meer om ons als mens moedig te gedragen dan de slappe smeekbede om voor iedere verlokking bespaard te blijven. Wie is tenslotte sterker, barmhartiger en verstandiger: de mens die tegen alle verzoekingen van het leven is beschermd of hij die door verleidingen geplaagd, heeft geleerd wat ze waard zijn en zich daaraan heeft ontworsteld? Zonder twijfel de laatste, want op deze mens kunnen we rekenen; hij heeft het innerlijke weefsel van zijn ziel versterkt.

Want Uwer is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Ik heb begrepen dat sommige autoriteiten denken dat deze woorden later zijn toegevoegd. Hoe het ook zij, we kunnen ze op deze wijze uitleggen: de goddelijke intelligentie is het werkelijke koninkrijk en de enige werkelijke macht, en wanneer haar werken zich op aarde openbaren in het leven van ieder van ons, wordt ze inderdaad als een heerlijkheid gezien, tot in alle eeuwigheid.
    Welke betekenis krijgt tenslotte het Onze Vader in verband met karma? We zien dat de onaantastbare natuurwet van oorzaak en gevolg maar één doel beoogt: het herstel van evenwicht en harmonie. De mens heeft dan ook de verantwoordelijkheid bewust datzelfde doel na te streven. Als we dat doen, zullen we ontdekken dat het gebed de vervulling van onze plicht wordt in het licht van onze dagelijkse verantwoordelijkheid tegenover onze beschermengel, die over ieder aspect van ons leven waakt. Naarmate we met die goddelijke inspirator samenwerken, zullen we niet onze persoonlijke wil, maar de geestelijke wil van de Vader in ons tot uitdrukking brengen.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 31-38

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag