Erfelijkheid en milieu


Vraag — Als ik het goed begrijp, vormen erfelijkheid en milieu de twee voornaamste factoren in de evolutietheorie. Maar als reïncarnatie op waarheid berust, hoe past erfelijkheid daar dan in? Het is bekend dat men bepaalde wetten heeft ontdekt die bewijzen dat er fysieke erfelijkheid bestaat, en dat ook het milieu in de ontwikkeling van de mens een belangrijke rol speelt. Aan de andere kant worden genieën soms in ongeletterde families geboren, zodat het schijnt dat de regels niet langer gelden als we het fysieke gebied verlaten. Als we de ziel van een mens onderzoeken, kunnen we dan zeggen dat hij van zijn ouders zijn mentale en emotionele of geestelijke eigenschappen erft?

Commentaar — Vergeet ook de andere factor in de evolutie niet, die we beslist niet buiten beschouwing mogen laten: de gevolgen van gedachten en handelingen die we in vorige levens hebben gezaaid. We komen in het leven met een grote hoeveelheid onverwerkt karma, dat eens ergens op deze aarde een uitingsmogelijkheid moet vinden – in een omgeving waar die vroegere karakterzaden kunnen ontkiemen.

Vraag — Het is bewezen dat de wet van oorzaak en gevolg de fysieke erfelijkheid beheerst; als bijvoorbeeld een zwart en een wit konijn paren, dan kunnen de geleerden precies vertellen wat de genen en chromosomen in de volgende tien generaties zullen doen. En nu probeert men op basis van de genen en chromosomen te bewijzen dat men ook de psychische en mentale eigenschappen van de ouders erft, kortom alle vermogens die we bezitten. Maar ongetwijfeld is dit laatste punt aan ernstige twijfel onderhevig.

Commentaar — De natuur volgt gewoonlijk één algemene regel: ‘Zo beneden, zo boven; zo boven, zo beneden’ , zoals het Hermetische axioma luidt. Ook al weten we niet hoe de regels op de hogere gebieden van onze constitutie werken, dit betekent nog niet dat die regels principieel een verandering ondergaan. De toepassing ervan op het fysieke gebied kan iets anders betekenen dan op het mentale vlak.
   Laten we even in de tijd teruggaan en de erfelijkheid beschouwen vanuit het standpunt van meer dan één leven. Bij een bepaald echtpaar wordt ‘A’ geboren. Lichamelijk zal hij bepaalde trekken vertonen die zijn vader en moeder bezitten, of die in de familie aanwezig zijn. Maar waarom is ‘A’ in dat gezin geboren en niet in een ander? Is dat alleen toeval? Nee. ‘A’ is bij die vader en moeder geboren op dat bepaalde moment en die plaats en in die speciale daar aanwezige omstandigheden die volkomen passen bij het karma van het reïncarnerende element dat geboren wil worden. Volgens mij zou er onmogelijk een kind kunnen worden geboren als er niet een sterke magnetische aantrekking zou bestaan – hetzij van liefde of haat – die de ziel dwingt naar die ouders te komen.
   Men zou dus kunnen zeggen dat ‘A’ uit zijn eigen verleden precies die eigenschappen erft die zijn ouders door middel van fysieke factoren, genen, chromosomen, enz., schijnen te verschaffen. Maar dit zegt ons nog niet waarom, tenzij we inzien welke rol het reïncarnerende element speelt in het geboren worden via de vader en de moeder.
   De regels zijn over de hele linie gelijk, van het fysieke naar omhoog, of vice versa – ze veranderen alleen schijnbaar, omdat de wetenschap haar waarnemingen op het fysieke gebied wèl kan ordenen en daaruit bepaalde conclusies kan trekken, maar de subtielere aspecten van de geest en de ziel niet kan catalogiseren.

Vraag — Bedoelt u dat we, hoewel we de vader en moeder uitzoeken die ons kunnen geven wat met onze eigen karaktertrekken overeenstemt, in werkelijkheid onszelf erven?

Commentaar — Ja, dat is precies wat ik geloof: ieder mens erft zichzelf uit zijn eigen verleden. Daarom ‘kiezen’ we, bewust of niet, onze ouders door de overeenkomst in karaktertrekken, of omdat deze lijnrecht tegenover de onze staan. Zowel liefde als haat zijn magnetisch in hun aantrekkingsvermogen, en daarom worden kinderen soms geboren bij ouders waar een sterke afkeer of vijandigheid bestaat tussen het kind en een of beide ouders.

Vraag — Begrijp ik goed dat onze ziel is wat we in het verleden van onszelf hebben gemaakt?

Commentaar — Een deel van wat we in het verleden van onszelf hebben gemaakt.

Vraag — Ja. Kunnen we dan zeggen dat als we sterven onze ziel een soort rusttoestand ingaat, zich in zichzelf terugtrekt ongeveer zoals een plant in het zaad? Ik probeer verband te leggen tussen de ziel of ons mentale deel, en het fysieke lichaam dat als een zaad in het leven begint en zijn genen en chromosomen bezit.

Commentaar — Dat begrijp ik, en daar heeft u helemaal gelijk in. Het doet me denken aan het verhaal uit de Upanishads waarin een oude wijze tot zijn leerling spreekt over de inwonende geest. Hij vraagt hem een vrucht te halen van een grote vijgenboom. ‘Breek haar doormidden en zeg me wat je ziet.’ ‘Alleen deze heel kleine zaadjes’, antwoordt de jongen. ‘Open nu een van die zaden en zeg me wat je ziet.’ ‘Helemaal niets’ , was het antwoord. De wijze wees toen erop dat dit ‘niets’ het ‘Ware, het Zelf’ is, de niet waarneembare essentie, die de vrucht of de boom en alle gemanifesteerde dingen doet ontstaan; en dat al het overige, de substantie van de vrucht, de schil, het vruchtvlees, enz., slechts vormen zijn die het Zelf aanneemt.
   Dit is volgens mij de sleutel tot een beter begrip van de mysterieuze en verborgen achtergrond van de continuïteit van het leven. Ieder van ons is evenals de vijgenboom het rechtstreekse resultaat van de activiteit van deze inwonende geest. Noem hem zoals u wilt – de Vader in ons, de beschermengel, de monadische essentie van het zijn, of dat onbekende iets dat zelfs aan de DNA-molecule vorm geeft – het feit blijft dat we, zonder deze subtiele kern van onszelf, doelloos zouden ronddolen, zonder identiteit, zonder continuïteit, zonder leven.

Vraag — Wilt u daarmee zeggen dat de ziel van de vijg of van een mens werkelijk tot ‘niets’ geraakt als hij sterft – als we onder ‘niets’ een toestand van niet-gemanifesteerd-zijn of slaap verstaan? Als de genen en chromosomen de uitdrukking zijn van het zaad van het fysieke lichaam, kan er dan ook een geestelijk zaad zijn dat zich als onze persoonlijkheid of ons menselijke ego uitdrukt? Het lijkt me dat dezelfde regel overal consequent moet gelden.

Commentaar — Dat is in beginsel ook zo, al kunnen we de werking ervan niet altijd constateren. Als we het vruchtvlees verwijderen en de schil en zelfs de pit – wat houden we dan over? Niets. Toch weten we dat er iets is, een ‘subtiele essentie’ , zoals de Upanishad het noemt; het moet er zijn, want anders zouden we geen vrucht, geen boom of mens hebben. Wat is het? Het is het bewustzijn, de zaad-essentie zo u wilt. Wanneer we sterven zouden we dus kunnen zeggen dat de ziel van een mens opnieuw een zaad-bewustzijn wordt. Het is beslist niet van materiële aard; men kan het helemaal niet in verband brengen met fysieke stof.

Vraag — U zegt ‘niet van materiële aard’ . Bedoelt u dat letterlijk? Ik heb altijd gedacht dat de stof, als je maar ver genoeg doorgaat, overgaat in geest, en geest in stof, of is dit alles maar betrekkelijk?

Commentaar — In principe zijn geest en stof één – twee zijden van dezelfde munt – want stof die tot haar elementen wordt teruggebracht is geest, en geest in manifestatie is stof. Maar dat wil nog niet zeggen dat we geen onderscheid moeten maken tussen wat geestelijk en wat materieel is. Om terug te keren tot het zaadbewustzijn, hetzij van een plant of van een mens: als dit zaad zich wil manifesteren, neemt het stoffen tot zich van verschillende graad en aard om zich tot uitdrukking te brengen. Maar het is in zijn ‘niets’ of in zijn zaad-essentie bewustzijn, geest, in verschillende graden van ijlheid. Natuurlijk kan men niet zeggen dat bewustzijn niets is – want bewustzijn is het meest vitale, het meest levende deel, in feite de zaad-essentie van het goddelijke, wat alleen een schijnbaar niets is, gezien vanuit het materiële standpunt. Maar laten we niet te ver afdwalen.

Vraag — Waar begint de ouderlijke erfelijkheid en waar houdt ze op en komen er andere factoren in het spel?

Vraag — Kunnen we hierbij ook de mentale en emotionele aspecten betrekken? Zojuist werd gezegd dat de moeder en de vader het fysieke lichaam verschaffen. Laten we aannemen dat de moeder en de vader ook emotionele en mentale karaktertrekken hebben die neigen tot een bepaald resultaat, bijvoorbeeld een genie of een zwakzinnige, een standvastig of een onstandvastig karakter. Zouden we kunnen zeggen dat het kind dat geboren gaat worden, zijn ouders niet alleen kiest om het fysieke lichaam maar ook om de emotionele, mentale en psychische vermogens die bij zijn karma passen?

Commentaar — In het algemeen gesproken heeft u gelijk, maar we moeten altijd ermee rekening houden dat in het rijk van de mens de factoren van de vrije wil en het hogere bewustzijnsniveau in hun werking boven de fysieke overdracht van genen en chromosomen staan. Ook moeten we het feit niet uit het oog verliezen dat we in één leven onmogelijk aan alles waarvoor we karmisch verantwoordelijk zijn het hoofd kunnen bieden. Tijdens de normale duur van een leven kunnen we maar een klein deel daarvan aan.
   Het doet er weinig toe in welk ras of gezin of volk een kind wordt geboren. Als in het bewustzijn van het kind-in-wording de dorst naar leven ontstaat, komen de innerlijke impulsen in beweging; ze ontwaken uit hun rusttoestand en drijven de ziel uit haar hemelwereld naar een nieuwe ervaringsperiode op aarde. De zaad-essentie, het geestelijke en hogere mentale bewustzijn, trekken karmisch de psychische en fysieke elementen aan die nodig zijn om de speciale verantwoordelijkheden voor het nieuwe leven op zich te kunnen nemen.

Vraag — Met andere woorden, wordt de ziel tot die ouders aangetrokken van wie ze de noodzakelijke fysieke, emotionele en mentale eigenschappen kan erven?

Commentaar — Ik houd niet van het woord erven, zoals dat nu in de wetenschap wordt gebruikt. Het is te beperkt. Laten we liever zeggen dat de ziel tot die ouders wordt aangetrokken die hun bemiddeling kunnen of willen verlenen voor het verschaffen van het voertuig en het milieu. Ze verschaffen het voertuig niet maar ze zijn beslist wèl het middel waardoor de fysieke tot en met de hogere mentale en geestelijke aspecten zich kunnen manifesteren. Maar wij ‘erven’ onszelf, omdat we onszelf zijn, voortgekomen uit vele eeuwen van ervaring.
    Laten we een ogenblik stilstaan bij het mysterie van het verenigen van de twee oneindig kleine cellen bij de conceptie. Duizenden cellen worden door de vader uitgestoten, maar slechts één, één van ontelbaar vele, verenigt zich met een cel van de moeder, en het wonderlijke proces van de embryonale groei neemt een aanvang. Het zijn niet de ouders die het embryo vormen; evenmin doen zij het groeien. Het mysterie van de groei vindt plaats, omdat de ziel-essentie van het kind-in-wording – het ‘niets’ dat de vijg een vijg deed worden – de groei van de foetus leidt, vanaf de conceptie totdat een voldoende aantal van de levensatomen, die al eerder in het verre verleden bij hem hoorden, zijn aangetrokken. Deze levensatomen zijn van hem; de ouders verschaffen ze niet. De ouders zijn slechts het instrument waardoor deze levensatomen worden aangetrokken tot die combinatie van elementen, die zich als een mens gaat manifesteren als deze op aarde wordt geboren.

Vraag — Wat bedoelt u met levensatomen?

Commentaar — Precies wat het woord zegt – het levens-beginsel of de levengevende essentie binnen de atoomdeeltjes die op elk gebied bestaan.
   
Vraag —
Hoe staat het met het overdragen van karaktertrekken, die kennelijk van de ene generatie op de andere overgaan?

Commentaar — Wat wij als erfelijkheid waarnemen is niets meer of minder dan het proces van een zich opnieuw belichamend menselijk ego, dat zichzelf in een bepaald leven tot aanzijn brengt via het kanaal van ouders met bepaalde karaktertrekken die met de zijne overeenstemmen. De verschillende kinderen in een groot gezin bijvoorbeeld, zijn allen anders en toch vertonen ze eigenschappen die de familie eigen zijn. Met andere woorden, de binnenkomende ziel gebruikt het familiekarma als middel tot expressie, maar de ouders scheppen dat kind niet, lichamelijk, mentaal noch geestelijk. Wat zij wel verschaffen is het milieu. Ieder van ons bezit een grote reserve aan karmische energie die in het ene leven deze weg kiest en in een volgend leven een andere. Het kan zijn dat u of ik in een volgend leven volkomen andere ervaringen nodig hebben dan nu het geval is om evenwicht te brengen in het groeipatroon dat nodig is om ons dichter bij het doel te brengen – het doel dat voor ons allen bewuste samenwerking met ons hogere zelf is.
    Samenvattend kunnen we zeggen dat de erfelijkheid zoals die wordt voorgestaan niets anders is dan waarnemingen van een deel van het grotere levenspatroon die, wanneer ze door de wetenschap zijn geclassificeerd, opzichzelfstaande wetten schijnen te zijn, maar die vanuit het standpunt van het individu in feite slechts een klein deel van het geheel uitmaken.
    Spreken over erfelijkheid alsof ze alles omvat, is als het beschrijven van een overweldigend landschap dat we slechts door een smalle spleet zien. Hoewel het goddelijke facet van onze aard een maar weinig opvallende rol speelt, is het niettemin de oorzaak ervan, terwijl het menselijke ego in ons tegenwoordige stadium van groei het verantwoordelijke werktuig is. Natuurlijk concentreert de wetenschap zich op de fysieke karaktertrekken die ze zeer nauwkeurig heeft gecatalogiseerd, maar ze vergeet dat die lichamelijke en zelfs mentale en emotionele karaktertrekken zonder de inwonende geest niet zouden bestaan. Juist die zaad-essentie is verantwoordelijk voor het op gang brengen van de hele keten van werkingen, die een ziel naar het aardse leven brengt.
    Het leven kan zich niet handhaven op basis van niets. Het bestaat uit zichzelf, zoals de vijgenboom bestaat op grond van de onzichtbare essentie binnen het zaad. En wie kan zeggen dat wij mensen niet eenzelfde lijn volgen: de geboorte van de ziel, de groei naar volwassenheid, de dood, het assimileren van onze ervaringen, rust en verjonging, hernieuwde dorst naar leven, en na verloop van tijd de periode als foetus en de wedergeboorte – om de taak van het bewaren van de continuïteit, waaraan de hele natuur deelheeft, weer op te nemen.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 49-57

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag