De drie zuilen van de oude traditie



Vraag — In de afgelopen jaren is er in populair-wetenschappelijke boeken en in tijdschriften steeds meer aandacht geschonken aan de verschillende wereldreligies, en de grondleringen worden vaak met de Heilige Schrift vergeleken. Ik vind het echter nogal verwarrend. Het is gemakkelijk genoeg om de overeenkomsten te zien in de ethiek van de verschillende religies, de Gulden Regel, het vaderschap van God, enz.; maar in deze warwinkel van overtuigingen, ritueel en legenden weet ik nauwelijks wat ik nu moet geloven.

Commentaar — Komt uw vraag niet hierop neer: is er een toetssteen aan de hand waarvan we de werkelijke waarde van een geloof, van welke oorsprong ook, kunnen toetsen?

Vraag — Ja, hoe kunnen we beoordelen wat waar is en wat niet?

Commentaar — Deze behoefte om de kern van de religie van anderen te begrijpen, is een van de meest bemoedigende tekenen van deze eeuw, al vormt juist dit verlangen om verder te zien en iedere opvatting en ideologie te verwelkomen alleen omdat ze anders is dan de onze, een wezenlijk gevaar. U heeft inderdaad de vinger gelegd op de sterke en de zwakke kant van de huidige ontwakende belangstelling voor het geloof van anderen, want een van de grootste struikelblokken voor waarachtige groei is de neiging de een of andere persoon of de een of andere presentatie als gezaghebbend te aanvaarden. Het laatste woord is nog niet gezegd, noch in de filosofie, noch in de religie, en zeker niet in de wetenschap. Dat kan ook niet, anders zou er geen mogelijkheid voor individuele vooruitgang zijn. Er bestaat geen definitieve uitspraak over de waarheid. Maar dat betekent nog niet dat de waarheid niet bestaat, of dat wij mensen die niet kunnen ontdekken.
   Wat is waarheid? Ze is als de horizon die altijd terugwijkt en toch steeds vóór ons ligt. Als we willen weten wat er achter de horizon te vinden is, slaan we de weg in die daarheen voert. Maar als we daar aankomen, heeft de horizon zich verplaatst, en dat zal altijd weer opnieuw gebeuren. Zo is het ook met de waarheid: we zullen nooit de ‘laatste horizon’ bereiken, omdat er altijd weer een nieuwe zal zijn.
   Vanaf het moment dat de mens een zelfbewust wezen werd, is hij op zoek naar dat iets dat hem een helderder beeld van de werkelijkheid kan geven. Noem het de Heilige Graal, de Steen der Wijzen of het Gulden Vlies – steeds heeft deze honger zijn wil tot zoeken levend gehouden. Dit is de reden dat de grote religies zijn blijven bestaan, sommige duizenden jaren lang, omdat onafhankelijk van de vorm die ze hebben aangenomen, onder bijna elk dogma en ritueel een sprankje waarheid verborgen ligt. Hoe meer we ons verdiepen in de wortels van de verschillende religies, des te duidelijker zien we hun gemeenschappelijke achtergrond.
   Waarom is dat zo? Hoe meer we doordringen tot hun oorsprong, hoe eenvoudiger en zuiverder de leringen en hoe meer ze op elkaar lijken. Hoe verder we teruggaan in de prehistorie, des te dichter naderen we bepaalde geestelijke beginselen die door de eeuwen heen als een heilige traditie zijn overgeleverd. Er is daarom alle reden om aan te nemen dat in een zeer vroeg stadium bepaalde grootse ideeën in het bewustzijn van de jonge mensheid werden geplant, die later alom onder de volkeren op aarde werden verbreid. Maar sindsdien zijn de uiterlijke geloofsvormen er zo dik opgelegd, dat het moeilijk is de oorspronkelijke oude traditie eronder te ontdekken. Niettemin heeft elke grote religie daaraan zowel haar inhoud als inspiratie ontleend. Ze vormde ook de grondslag van het onderricht en de training in de oude mysteriescholen van Griekenland en Klein-Azië, Egypte en India. Men heeft er ook de naam wijsheidsreligie van de oudheid aan gegeven.

Vraag — Moeten we om de eenheid van al deze religies vast te stellen niet een diepgaande studie maken en veel onderzoek doen?

Commentaar — Dat is niet noodzakelijk. Al schijnt het dat de beginselen van deze traditie nogal diepzinnig zijn en aan hogere filosofie grenzen, toch zullen we zien, als we ze nader onderzoeken, dat ze nauw verband houden met onze dagelijkse ervaringen, en dus heel begrijpelijk zijn.
   Wie van ons heeft bijvoorbeeld niet nagedacht over het mysterie van God en de vraag hoe zijn invloed overal op hetzelfde moment kan doordringen? Als we opzien naar de sterren en de melkweg zien met zijn donkere plekken en schitterende sterrengroepen, is dit dan niet het grootste van alle mysteriën? Wetenschappers breiden de ruimte hoe langer hoe verder uit tot in de oneindigheid, naarmate ze meer en meer heelallen ontdekken die vergelijkbaar zijn met het onze. Onvermijdelijk dringt de vraag zich aan ons op: wat is de ruimte? En het antwoord: ze is zonder einde en zonder begin. Als we denken aan wat de wetenschappers novae en protosterren noemen, waarmee ze sterren bedoelen die kennelijk aan het verdwijnen zijn, en de nieuwe sterrenstof waaruit zich sterren vormen, moeten we wel tot het inzicht komen dat er overal een eeuwig ritme en een eeuwige beweging aan de gang zijn.
   Laat ik nu proberen een eenvoudig overzicht te geven van de drie grondstellingen zoals H.P. Blavatsky die in De Geheime Leer heeft uiteengezet en waarop deze oude theosophia of wijsheidsreligie berust. Later kunnen we ze nader bespreken. De eerste is:
   Achter alles in het heelal ligt het onkenbare, de diepe afgrond van de ruimte, de realiteit. Omdat het niet kan worden beschreven, noemen we het eenvoudig de oneindigheid, zonder begin, zonder einde, omdat het geen eigenschappen, geen beperkende hoedanigheden bezit. Er zijn vele namen aan gegeven in een poging het grenzeloze te omschrijven, maar de mens kan het ondefinieerbare niet definiëren. De schrijvers van het Oude Testament noemden het ‘vormloos en leeg’, en de ‘duisternis op de wateren’. De boeddhisten noemden het ook de leegte, omdat nog niets vorm had aangenomen. In de IJslandse Edda’s gaven de oude Noorse barden het de naam ‘gapende kloof’, terwijl de kabbalisten in de Zohar de term ein soph gebruikten, wat ‘zonder grenzen’ of het ‘grenzeloze’ betekende.
   Uit dit schijnbare niet-iets-zijn – dat beslist geen niets was, maar een latente toestand vol vibrerende levensverwachting, de zaad-essenties van het goddelijke – volgt het tweede fundamentele denkbeeld:
   Beweging, ritme, of het periodiek verschijnen van een heelal vanuit de duisternis van het grenzeloze naar het licht, is de werking van de godheid als deze doorbreekt tot manifestatie – een woord dat een periode van activiteit aangeeft in tegenstelling tot de toestand van inactiviteit, waarin ze zich in haar periode van rust bevond. Zoals een oude stanza het zegt: gelijk de eb en vloed van de getijden komen en gaan, verschijnen en verdwijnen talloze heelallen, die ‘vonken der eeuwigheid’ worden genoemd, met al wat zich daarin bevindt. Deze wet van periodiciteit is ons vertrouwd, want het ritme van de cyclussen van de natuur kennen we uit de afwisseling van dag en nacht, geboorte en dood, waken en slapen, het wassen en afnemen van de maan en de cyclus van de vier jaargetijden.

Vraag — Zijn wij als mensen dan gebonden aan deze wet van eb en vloed? Hoe staat het dan met onze vrije wil? Het lijkt erop dat we uit de duisternis tot actief leven moeten komen zodra een heelal dit doet; als dat zo is, hoe past dan onze eigen individuele evolutie in dit grotere patroon?

Commentaar — We zijn gelukkig allen gebonden aan de wetten van de natuur voor zover het onze algemene groei en vooruitgang betreft. Als deel van het geheel moeten we natuurlijk het grote patroon van dat geheel volgen; maar hoe we ons individuele patroon binnen het grotere weven, is onze eigen verantwoordelijkheid. Maar laat ik voor we verder gaan in het kort het derde beginsel omschrijven, want dit sluit aan op de punten die u naar voren brengt.
   Na het eerste en tweede beginsel – dat van de duisternis op de wateren en het naar het licht doorbreken van heelallen-in-wording – stelt het derde: ‘de fundamentele eenheid van alle zielen met de universele Overziel’, om Emersons uitdrukking te gebruiken. Dit betekent eenvoudig dat elk aspect van een heelal, van melkwegstelsels tot de mens en verder omlaag door de andere rijken, in wezen identiek is aan God of de universele goddelijke intelligentie.

Vraag — Bedoelt u dat we identiek zijn, omdat we allen deelhebben aan God?
   
Commentaar —
Identiek in essentie, ja; maar niet in uitdrukkingsvorm, want we zijn allen individuele godsvonken van de Ene intelligentie. Maar er zit aan dit derde beginsel nog meer vast: Als het heelal wordt uitgeademd uit de latente toestand, uit de duisternis, voelt het evenals alle potentiële levenszaden die daarin liggen besloten, de stuwende kracht om een nieuwe cyclus van actieve groei te beginnen. Daarom moet elke entiteit juist door de kracht van deze evolutiedrang alle stadia van ervaring doorlopen, waaronder de minerale, de plantaardige, en de dierlijke vormen, totdat het mensenrijk is bereikt. Vanaf dat moment moeten deze godsvonken door eigen inspanning hun essentiële goddelijkheid ontplooien, zodat ze na verloop van tijd het recht zullen hebben verworven werkelijk zelfbewuste goden te worden.
   Het is een lange pelgrimstocht die soms de ‘cyclus van de noodzakelijkheid’ wordt genoemd, omdat daarmee te kennen wordt gegeven dat het volledige proces van evolutie de noodzaak inhoudt te groeien, te evolueren en baat te vinden bij alles wat de natuur in al haar rijken heeft te bieden. Als ‘vonken der eeuwigheid’ moesten we de schat van onze ervaringen vergroten door gebruik te maken van minerale, plantaardige en dierlijke lichamen – maar slechts als tijdelijke middelen om zich tot uitdrukking te brengen. God wordt niet een steen of een plant, maar de centrale kern van elke steen, plant of dier is een aspect van het goddelijke. Evenmin als we kunnen zeggen dat onze innerlijke god een mens is, omdat hij alleen maar gebruikmaakt van ons menselijke voertuig als het huidige middel tot zelfexpressie, kunnen we zeggen dat wij als mensen ooit mineralen, planten of dieren waren. Dit is een belangrijk onderscheid.

Vraag — Voor een groot deel heb ik u kunnen volgen, maar het zou nuttig zijn als u het nog eens kort zou samenvatten.

Commentaar — Het hele gebeuren is ontzagwekkend groots en al zijn de beginselen ervan in wezen eenvoudig, alles grijpt op een buitengewoon ingewikkelde wijze in elkaar. Laat ik het nog eens proberen. Eerst is er de grote leegte, duisternis op de wateren, vóór de ‘schepping’ van hemel en aarde – alleen de oneindigheid, grenzeloos, onbeperkt, ruimte, het onkenbare, zonder eigenschappen of hoedanigheden. Dan, als het aanzwellen van een grote ademtocht, roert de godheid zich, de ‘geest Gods’ zweeft boven de wateren en een heelal komt tot aanzijn. Ten derde: alle gradaties van levende entiteiten binnen de omslotenheid van een heelal, van de verste ster tot het nietigste atoom, zijn individuele uitingen van de godheid; en ieder facet van dit heelal dat het stempel van het goddelijke draagt, heeft dus nu niet alleen de mogelijkheid, maar ook de plicht na verloop van tijd zelfbewust goddelijk te worden. Zo begint elke godsvonk aan haar lange evolutiereis door alle natuurrijken, om tenslotte als een volledig ontwikkelde god, met het heelal, haar periode van activiteit te beëindigen en een periode van rust in te gaan.

Vraag — Dat is prachtig. Maar welke plaats heeft God in dit plan?

Commentaar — Dat hangt ervan af wat u onder God verstaat. Ik denk dat er geen twee mensen zijn die dezelfde opvatting over God hebben.

Vraag — Ik geloof niet in God als een persoon, die een totalitaire oppermacht bezit en in staat is elke wens te vervullen. Ik weet eigenlijk niet wat ik wel van God denk. Het is zo moeilijk deze dingen onder woorden te brengen, omdat ons vanaf onze jeugd voortdurend is geleerd God te zien als een of ander wezen, en hoezeer ons begrip misschien ook is verruimd, Hij blijft min of meer een persoon. De gedachte dat alles een aspect van God is trekt mij wel aan, maar kunt u God in verband brengen met alles wat u zojuist heeft gezegd?

Commentaar — We moeten ons niet te veel inspannen om al deze ideeën systematisch in onze geest te rangschikken, met God hier, de ruimte daar en de stof weer ergens anders. De opvattingen over God lopen in de verschillende religies en filosofische stelsels zoveel uiteen, dat het soms moeilijk is verband te leggen tussen de ene opvatting over God en een andere.
   Alles is in God en God is in alles, toch is hij niet iets bepaalds. In de christelijke Schrift vinden we nergens, als we deze op de juiste wijze interpreteren, dat God in een beperkte persoonlijke zin wordt beschreven. De Schrift spreekt van goden, elohim, maar niet van God. Nooit gaven de schrijvers van het Oude Testament de godheid een vaste naam; ze gaven ongeveer zevenenzeventig verschillende namen voor God en kwamen er openlijk voor uit dat dit zevenenzeventig verschillende eigenschappen waren, maar ze hebben nooit gedefinieerd wat God is. Ze benaderden het onderwerp van alle kanten om de geestelijke kracht te ontdekken die God voor hen betekende, maar nooit gaven ze hem een vaste naam. Ze wilden dat eigenlijk ook niet, omdat ze wisten dat ze de geest van het Onbegrensde nooit konden vatten binnen de beperkingen van een naam.
   Andere volkeren, die andere wegen van geestelijke ontwikkeling volgden, hebben een andere terminologie gebruikt. In een van zijn populair-wetenschappelijke boeken, The Mysterious Universe (Het geheimzinnige heelal), zag Sir James Jeans God als een groot wiskundige, en opperde het denkbeeld dat alle manifestatie de uitdrukking zou zijn van een grootse gedachte.
   Een van onze moeilijkheden vloeit voort uit een verkeerde toepassing van ons geboorterecht: hoewel Genesis uitdrukkelijk zegt dat de Here God de mens naar zijn beeld maakte, hebben wij het proces omgekeerd en aan God menselijke eigenschappen toegekend, zij het dan dat we die van goddelijke afmeting proberen te maken!
   Laten we ons bevrijden van al die bekrompen voorstellingen en God zien als de goddelijke intelligentie die de wortel en oorsprong is van al wat leeft en beweegt. In het hart van een boom is God, maar God is niet de boom; in de kern van zelfs het nietigste atoom in alle gebieden van de ruimte is God, maar God is niet het atoom. Zo ook met de mens. God is geen mens, maar een mens zou niet kunnen bestaan als hij niet was geworteld in God. Daarom zijn u en ik, als ‘aspecten van God’ , delen van deze goddelijke intelligentie, werkelijk delen van God, en eens zullen we dit ten volle inzien.

Vraag — Wat is dan het verband tussen God en het onkenbare, of dit eerste beginsel dat u ook het grenzeloze noemde?

Commentaar — Als we spreken over het onkenbare, moeten we proberen met onze verbeeldingskracht naar de oneindigheid te reiken – wat natuurlijk onmogelijk is; toch zullen we alleen door dit te doen, dichter komen tot een begrip van wat het onkenbare is. Het is de leegte, maar het is ook wat de oude Grieken pleroma, de ‘volheid’, noemden – en wel in letterlijke zin omdat het vol is met de zaden van heelallen-in-wording.

Vraag — Eerder gebruikte u de uitdrukking ‘vol vibrerende levensverwachting’. Is dat wat u hier bedoelt?

Commentaar — Precies. Wat is dan het verband tussen God en het onkenbare? We zouden kunnen zeggen dat het grenzeloze, het onkenbare, God in rust is (tenminste vanuit ons standpunt gezien), terwijl op het moment dat de stoot tot activiteit wordt gegeven en manifestatie begint, de tevoren slapende godsvonken tot leven komen. Zodra dus de eerste trilling van de levenskracht zich doet voelen, ontwaken biljoenen van deze godsvonken als een machtige uitademing van de godheid uit de latente toestand tot die van activiteit, uit de duisternis naar het licht. Daarna beginnen alle verschillende soorten godsvonken hun evolutionaire tocht, voortgestuwd door de noodzaak of karma als ze door de natuurrijken trekken. Is eenmaal het mensenrijk bereikt en zelfbewustzijn verworven, dan moeten deze godsvonken geleidelijk de universiteit van het leven doorlopen en het niveau van de goden bereiken.

Vraag — Het ziet ernaar uit dat we nog een ontzaglijk lange weg moeten afleggen voor we ook maar een beetje op het goddelijke beginnen te lijken! Hoeveel vrije wil bezitten we, of zijn we gedwongen deze ‘cyclus van de noodzakelijkheid’ te volgen?

Commentaar — Natuurlijk hebben we het vermogen om te kiezen en een vrije wil, binnen de ruime grenzen van de universele wet. Het is waar dat de godsvonken in de periode dat ze mineralen als lichamen gebruikten, en later plantaardige en dierlijke vormen aannamen, min of meer automatisch hun ervaringen opdeden, omdat ze door de sterke impuls van de zich voortstuwende levensstroom werden meegevoerd; maar toen ze zich eenmaal in menselijke lichamen manifesteerden kwam er een andere factor bij – het vuur van het denkvermogen dat in de jonge mensheid werd ontstoken. Dit is een van de mooiste episoden in de geestelijke geschiedenis van de mens. Welke namen we ook aan deze ‘lichtbrengers’ willen geven, de kennis over hun heilige taak is bewaard gebleven in alle gewijde geschriften die de wereld kent, al heeft deze een heel verkeerde betekenis gekregen door een interpretatie die eeuwenlang door bekrompenheid en verpersoonlijking werd gekenmerkt. De gevallen engel of Lucifer was helemaal niet een slang van het kwaad, maar in feite een ‘lichtbrenger’ – een Prometheus die door zijn moed het vlammende vuur van de goden naar de wereld van de mensen bracht opdat zij door een zelfbewust contact met hun slapende godsvonk zich hun innerlijke goddelijkheid bewust zouden worden. Dit is de ware betekenis van het verhaal van Genesis. Het staat er allemaal in.
    Als we hiervan iets onthouden, laat het dan deze ene grootse gedachte zijn: zelfs het nietigste element is een uitdrukking van de goddelijke intelligentie, een differentiatie van de essentie van het onkenbare; en in de loop van de lange cyclussen van ervaring krijgt iedere goddelijke kern de gelegenheid weer tot haar Vader terug te keren, verrijkt door haar reis door alle rijken van de natuur, zowel beneden als boven de mens. In de meest ware zin is dit de gelijkenis van de verloren zoon, die na vele ervaringen in de gebieden van de stof tenslotte vurig verlangt naar de dingen van zijn Vader. Als hij dan naar zijn thuis terugkeert, is de vreugde groot, want weer heeft een godsvonk de aantrekking van de stof overwonnen en de bewuste hereniging met haar wachtende god verworven. Het is een prachtig beeld, en als we eenmaal deze drie beginselen of grondslagen van de wijsheidsreligie begrijpen, beseffen we dat ze inderdaad een toetssteen vormen waaraan we de vele tegenstrijdige opvattingen van de volkeren van elk geloof kunnen toetsen.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 65-75

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag