Mysteriescholen door de eeuwen heen
Grace F. Knoche

isbn 9789491433153, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2015  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

   Inhoudsopgave   

 

11. De lijn van occulte opvolging


De Grieken waren bedreven in het gebruik van gedachtebeelden om diepe esoterische waarheden over te dragen, en vaak ontleenden ze voorbeelden aan een vorm van sport; of ze verbonden aan de oefeningen in het stadion een innerlijke betekenis. Een van de bekendste voorbeelden hiervan was hun uitbeelding van de mystieke lijn van opvolging van grote leraren door de wedloop van fakkeldragers.

In de fakkelloop rende de fakkeldrager van de ene streep naar de volgende. Bij het bereiken van het einde van zijn traject overhandigde hij de brandende fakkel die hij droeg aan degene die daar wachtte; deze nam onmiddellijk de wedren over en overhandigde de toorts aan degene die op hem wachtte. Veel Griekse en Latijnse schrijvers zagen deze sportbeoefening in de arena of het stadion als een symbool van het doorgeven van het licht van de ene eeuw naar de volgende, en als verwijzing naar de spirituele fakkeldragers die de toorts van waarheid door de eeuwigheid heen van hand tot hand doorgeven.    – ET, blz. 615-6

Dit doorgeven van het licht van de waarheid ‘door de eeuwigheid heen’ is het onderwerp geweest van veel mysterieparabels. De Grieken spraken ook over de spirituele opvolging als de Gouden Keten van Hermes, die zich volgens hen tot ver in de gebieden van de Olympus uitstrekte naar ‘Vader Zeus, en omlaag via een reeks of lijn van spirituele wezens en vervolgens via bepaalde uitverkoren en hoogstaande mensen naar de gewone mens’ (ET, blz. 615).

De Purucker beschreef deze mystieke opvolging als de guruparampara. Dit is een samengesteld Sanskrietwoord dat letterlijk betekent ‘leraar verder verder’. De term betekent een reeks leraren die zich uitstrekt tot voorbij het onbekende, via het verleden en het heden naar de verre toekomst, van wie het verheven doel altijd hetzelfde is: het werk van vergeestelijking.

Elke oude mysterieschool in elk land van de aardbol en in elk tijdvak had een opvolging van leraren die waren getraind, en die daardoor bevoegd waren om op hun beurt onderricht te geven; en zolang deze overdracht van het licht van de waarheid in een land een werkelijkheid was, was het in elk opzicht een echt spirituele instelling.    – ET, blz. 616

Een opmerkelijk voorbeeld van deze overdracht van gezag uit de oudheid is de opvolging van ‘levende boeddha’s’ van Tibet, die ‘een werkelijkheid is, maar van een nogal bijzondere soort, en ze is in geen geval wat westerse onderzoekers ten onrechte denken of vaak hebben begrepen dat ze is’ (ET, blz. 616).

In de Eleusinische mysteriën in Griekenland waren bovendien

de hiërofanten afkomstig uit één familie, de Eumolpidae, die in Athene woonden, en de toortsdragers kwamen uit een andere, eveneens in Athene wonende familie, de Lycomidae; we hebben reden om aan te nemen dat de mysteriën van Samothrake, de zetel van een oudere ritus, die evenals de mysteriën van Eleusis een staatsinstelling waren, op dezelfde manier werden georganiseerd door een traditie door te geven die als heilig werd beschouwd en niet aan buitenstaanders werd meegedeeld. De band tussen de ingewijden van deze zogeheten mysteriën werd als onverbrekelijk beschouwd en de ontbinding ervan werd voor onmogelijk gehouden, omdat de dood de band tussen hen alleen maar versterkte.    – BEF, blz. 280-1

In Perzië en ook in Egypte zien we dat die lijn van opvolging in een andere vorm verschijnt. De dertien of meer Zarathoestra’s, bijvoorbeeld, die door hun esoterische bijdrage aan de geschiedenis van Perzië de inspiratiebron van die eens machtige beschaving waren.

Over het aantal Zarathoestra’s, die van tijd tot tijd zijn verschenen, bestaat verwarring, zolang we ten onrechte denken dat deze Zarathoestra’s wederbelichamingen zijn van één enkel ego, in plaats van verschillende ego’s die de ‘Zarathoestrageest’ belichamen, zoals we uit occulte verslagen kunnen opmaken. Het is namelijk zo dat in de leer en de terminologie van Zarathoestra elk wortelras en onderras, en elk subras van het laatste, hun eigen Zarathoestra of Zarathoestra’s hebben. De term Zarathoestra betekent in die leer praktisch hetzelfde als de term boeddha in het boeddhisme, of avatara in het brahmanisme. Er waren dus grote Zarathoestra’s en lagere Zarathoestra’s – waarbij het beperkende adjectief afhangt van het werk dat door iedere Zarathoestra werd gedaan, en van zijn werkterrein. We kunnen daarom zeggen dat er vanuit één standpunt dertien Zarathoestra’s zijn, of vanuit een ander standpunt veertien; of we kunnen, evenals de manu’s in het brahmanisme, of als de boeddha’s in het boeddhisme, elk van deze met zeven vermenigvuldigen, of zelfs met veertien als we rekening houden met elke kleine rasvertakking die door zijn Zarathoestrageest wordt geleid.    – AOF, blz. 671

In Egypte valt Hermes Trismegistus (‘Hermes, in drie opzichten de grootste’) op in de lange Hermes-lijn; zijn geschriften en leringen waren gebaseerd op de oude mysterieleer. In Griekenland treffen we ook nog de orfische mysteriën aan; uit de zalen voor esoterisch onderricht daarvan kwamen veel mensen voort die de naam Orpheus droegen.

Wat bracht deze leerlingen ertoe de naam van hun leraar aan te nemen? Waarom ondertekenden ze hun werk met de naam Orpheus, Hermes of Zarathoestra, of gaven ze mondeling onderricht onder die naam? Was het een soort spiritueel plagiaat, of was het meer uit dankbaarheid en een gevoel van verplichting tegenover de leraar die hun alles had gegeven, die de vlam van esoterisch vuur in hun hart had ontstoken? Ongetwijfeld was het dit laatste, want welke boodschap van inspiratie en licht ze ook hadden, ze beschouwden die niet als van henzelf, maar ‘van hem die mij uitzond’ – ‘Zoals wij het hebben ontvangen, zo zullen we het doorgeven.’ Deze gewoonte maakt het voor latere historici moeilijk, want die streven er altijd naar om de dingen van een juist etiket te voorzien; toch kunnen we alleen maar waardering hebben voor die oude discipelen om hun innerlijke trouw die elke gedachte aan persoonlijke belangrijkheid uitbant.

De relatie tussen discipel en leraar is een uiterst heilige band van spiritueel vertrouwen. De dankbaarheid die opwelt in de discipel is evenredig aan zijn zielenadel: wie kleingeestig is voelt alleen wrevel wanneer begeleiding en bescherming wordt aangeboden; maar in iemand die edelmoedig is brandt het vuur van liefhebbende en onuitblusbare dankbaarheid. De schakels in deze Gouden Keten van Hermes worden door dankbaarheid verbonden. Zoals elke schakel aan zijn broederschakel is gekoppeld, het ene hart aan het andere, de leraar aan de leerling, de leerling aan de leraar – iedere leraar een leerling van degene boven hem, iedere leerling een leraar voor degene onder hem – zo zijn allen verbonden door onverbrekelijke schakels van liefde, trouw en dankbaarheid tegenover de leraar, de broederschap, de esoterische wijsheid.

Zoals signaalvuren in de oudheid, die op de ene bergtop na de andere beurtelings werden aangestoken en gedoofd, door een hele landstreek een bericht overbrachten, zo zien we een lange reeks ‘wijzen’ vanaf het begin van de geschiedenis tot in onze tijd toe het woord van wijsheid aan hun rechtstreekse opvolgers doorgeven. Het ‘woord’ dat van de ene ziener op de andere overgaat, schittert als een bliksemstraal, en terwijl het de inwijder voor eeuwig aan het menselijk oog onttrekt, maakt het de nieuwe ingewijde zichtbaar.    – Isis, 2:671

Die ‘lange reeks ‘wijzen’’ wordt sinds het punt halverwege het derde wortelras op twee manieren ononderbroken gehouden: (a) de feitelijke reïncarnatie van adepten, en (b) de geboorte van de ingewijde uit de discipel. Op deze manier blaast de Broederschap haar organisatie nieuw leven in door middel van de geboorte van hiërofanten, en de ‘tweede geboorte’ van rekruten vanuit de gelederen van de mysteriekamers (zie ET, blz. 615). Het ‘doorgeven van het woord’ was het laatste ritueel van de zonne-inwijding: zonder dit zou geen overdracht van occult gezag van inwijder aan discipel kunnen plaatsvinden.

De lijn van esoterisch gezag en wijsheid loopt dus via achtereenvolgende graden van chelaschap naar de adepten; van adepten naar hoge mahatma’s; van hoge mahatma’s naar boeddha’s; van boeddha’s naar dhyani-boeddha’s; van dhyani-boeddha’s naar de spirituele gids en beschermer van de planeetketen aarde; van de planeetgeest van de aarde naar het hart van de zon. Het is werkelijk een lijn van stralende pracht die de meest bescheiden discipel van wijsheid verbindt met de zonnelogos.


Mysteriescholen door de eeuwen heen, blz. 62-7

© 2015  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag