Mysteriescholen door de eeuwen heen
Grace F. Knoche

isbn 9789491433153, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2015  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

   Inhoudsopgave   

 

5. Het tweevoudige karakter van de mysteriën


De hele essentie van waarheid kan niet van mond tot oor worden overgebracht. Er is ook geen pen die haar kan beschrijven, zelfs niet die van de engel die onze daden optekent, tenzij de mens het antwoord vindt in het heiligdom van zijn eigen hart, in de diepste diepten van zijn goddelijke intuïtie.
     – De geheime leer, 2:587

Hoe moeten die ‘diepste diepten’ worden gepeild, zodat kennis van de werkelijkheid kan worden verkregen? Door training, door discipline, door wijsheid op basis van eigen ervaring. Die training en discipline van de ziel is het karakteristieke kenmerk van de mysteriescholen die sinds de introductie ervan twee aspecten hadden: de exoterische vorm, algemeen bekend als de kleine mysteriën die openstonden voor alle oprechte en rechtschapen kandidaten voor diepergaande scholing; en de esoterische vorm, of de grote mysteriën, waarvan de deuren alleen opengaan voor de weinigen, en waar de inwijding tot adept de beloning is voor degenen die door hun innerlijke adel in staat zijn het zonneritueel te ondergaan (zie hfst. 8 en 9).

Universele getuigenissen in steen en papyrus, symbool en allegorie, grot en crypte, vertellen over de tweevoudige beproeving van de neofieten. Jezus de avatara sprak tot de menigte in gelijkenissen, maar ‘toen zij alleen waren, legde hij alles uit aan zijn discipelen’ (Marcus 4:34). De essenen hadden hun grote en hun kleine mysteriën, en van Jezus van Nazareth wordt gezegd dat hij in eerstgenoemde is ingewijd.

De Chinese boeddhisten hebben een heel geliefde overlevering dat Boeddha Gautama twee soorten leringen had: één voor het volk en zijn leken-chela’s; de andere voor zijn arhats. Zijn beginsel was onveranderlijk

niemand toegang tot de gelederen van kandidaten voor het arhatschap te weigeren, maar de diepste mysteriën nooit te onthullen behalve aan hen die gedurende lange jaren van beproeving hadden bewezen inwijding waardig te zijn.
     – ‘De leer van de avatara’s’, BCW, 14:370

De Hebreeuwse ingewijden tonen grote vastberadenheid in het versluieren van hun innerlijke leringen. Aan de menigte onderwezen ze de Torah, de ‘Wet’, maar aan de weinigen leerden ze de ongeschreven interpretatie, de ‘geheime wijsheid’ – hokhmah nistorah – ‘in het duister, op een verlaten plek, en na vele vreselijke beproevingen’. . . . Overgedragen als slechts een mysterie werd ze mondeling aan de kandidaat ‘van aangezicht tot aangezicht en van mond tot oor’ meegedeeld. Ook de Perzische en Chaldeeuwse magiërs bestonden uit twee klassen: ‘de ingewijden, en zij die alleen in de rituelen voor het volk een officiële taak mochten vervullen’ (Isis ontsluierd, 2:360vn; en Christian D. Ginsburg, The Kabbalah, blz. 86).

Eleusis en Samothrake worden in een prachtig silhouet tegen een blauwzwarte hemel van de geschiedenis afgeschilderd. Classici vertellen ons dat de kleine mysteriën in de lente in Agrai bij Athene werden gehouden, terwijl de grote mysteriën in de herfst in Eleusis werden gevierd. In de kleine mysteriën werden de kandidaten die waren toegelaten tot de voorbereidende graden mystai (zij van wie ogen en mond gesloten waren) genoemd. De mystai werden in de grote mysteriën epoptai (zij die helder zien), die deelnamen aan de mysteriën van het goddelijke Elysion – de eenwording met het goddelijke.

Evenzo bewaakten de hindoe-arhat, de Scandinavische skald, en de bard uit Wales de ziel van de esoterie met de heiligheid van hun leven en de discipline van hun heilige traditie:

Elke tempel had zijn ‘hiërofanten’ van het innerlijke heiligdom, en lekenpriesters die zelfs niet in de mysteriën waren onderwezen.    – Isis, 2:360vn

In alle landen van de oudheid had ‘elke grote tempel bovendien zijn eigen of geheime mysterieschool, die aan de menigte onbekend of gedeeltelijk bekend was’ en die er als een geheime kern aan was verbonden. Een mysterieschool is niet noodzakelijk een school van mensen die op een bepaalde plaats is gevestigd, met een vaste en in de tijd onveranderlijke locatie, en onder uiterlijk altijd gelijke fysieke omstandigheden. Overal waar de behoefte groot is, moet het werk worden gedaan; en ‘de fout van alle wetenschappers en mystici is dat ze te veel nadruk leggen op mysteriescholen als plaatsen’ (AOF, blz. 670, 669).

Wat moeten we denken van de tempels in Griekenland en Rome, in Syrië en Judea, de grottempels van Elephanta en Karli in India, de dagoba’s in boeddhistische landen, de piramiden in Egypte en Peru, Mexico en Yucatán? Wat van Stonehenge in Engeland; Carnac in Bretagne; Sippara in Assyrië; Babylon, Borsippa en Erech in Babylonië; Ecbatana in Medië, Bibracte in Gallië; en als laatste, maar niet minder belangrijk, Iona in Schotland, waar de geheime kennis als een juweel van wijsheid in het hart van dit noordelijke land was gevat? Waar zijn die nu? Het zijn alleen maar namen, overblijfselen, resten van vergeten luister – althans daar lijkt het op.

Een mysterieschool is niet afhankelijk van een locatie; ze is eerder een gezelschap of broederschap van spiritueel gedisciplineerde mensen die door één gezamenlijk doel zijn verbonden: dienstverlening aan de mensheid, een dienst die intelligent en met mededogen wordt verleend, want ze is ontstaan uit liefde en wijsheid. Maar het is een feit dat bepaalde centra gunstiger zijn voor een goed resultaat op spiritueel gebied dan andere. Waarom bevonden, bijvoorbeeld, die oude zetels van de mysteriën zich bijna altijd in een rotstempel of een onderaardse grot, in een bos of bergpas, in een piramidekamer of tempelcrypte? Omdat de stromingen van het astrale licht rustiger, vrediger en zuiverder worden hoe verder ze zijn verwijderd van de jachtige mensenmenigte. Een centrum voor esoterische training zal men zelden aantreffen in de nabijheid van grote steden, want dat zijn ‘wervelende draaikolken . . . zenuwknopen, zenuwcentra in de lagere regionen van het astrale licht’ (ET, blz. 586).

Daarom werden de locaties van de grote mysteriën gewoonlijk zorgvuldig gekozen en hun scholen

schonken geen aandacht aan gebouwen van welke aard ook, hoofdzakelijk omdat gebouwen onmiddellijk opvallen en de aandacht trekken van het publiek in het algemeen, en dat is nu juist wat deze meer geheime, meer esoterische scholen probeerden te vermijden. Als de tempels niet méér waren dan centra voor exoterisch ritueel, werden de mysteriescholen soms ergens anders in het geheim gehouden, en hielden ze hun samenkomsten, ontmoetingen en inwijdingsrituelen gewoonlijk in zorgvuldig gereedgemaakte grotten, verborgen voor het publiek, soms zelfs in de openlucht zoals de druïden deden tussen de eiken in wat min of meer oeroude bossen waren in Engeland en Bretagne; in enkele gevallen was er zelfs geen vaste plaats of locatie; de ingewijden kregen bericht waar ze elkaar van tijd tot tijd konden ontmoeten om hun inwijdingsfuncties te vervullen.    – AOF, blz. 670

Naar de rustige, vredige plaatsen van diepe stilte worden de adepten aangetrokken, en daar kunnen de geheime of grote mysteriën het meest doeltreffend plaatsvinden. Daar in de schuilhoeken van hun verborgen inwijdingskamers heersen de krachten en stromingen van het hogere astrale licht, het akasa, de subtiele substantie die overeenstemt met de hogere stromen van geest en intellect. Op deze manier brengt de Broederschap haar energie en spirituele vitaliteit naar de inwijdingsvertrekken, en kan de kandidaat, van wie de ziel met haar zeven stralen daarop is afgestemd, de goddelijke invloed ontvangen.


Mysteriescholen door de eeuwen heen, blz. 27-31

© 2015  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag