Mysteriescholen door de eeuwen heen
Grace F. Knoche

isbn 9789491433153, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2015  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

   Inhoudsopgave   

 

8. De grote mysteriën


De grote mysteriën, waaraan de neofiet begint na de geslaagde voltooiing van de voorbereidende graden, houden in dat men door eigen ervaring dat wordt wat men in de kleine mysteriën had geleerd. In deze hogere afdeling van esoterische training bestaat geen clementie. De neofiet moet zichzelf onder ogen zien en overwinnen – of sterven. Alle delen van zijn samengestelde natuur, van het goddelijk geïnspireerde tot het grofstoffelijke, moeten worden onderzocht en beheerst. Nu moet de aspirant genoeg spiritueel weerstandsvermogen hebben ontwikkeld om de werkelijkheid het hoofd te kunnen bieden. Hij moet de natuur in haar lagere en hogere gebieden worden, de hoogste toets van vereenzelviging doorstaan en toch de zuiverheid van zijn ziel behouden.

Zelfs nog in de tweede eeuw werden de rituelen van de Egyptische mysteriën, hoezeer ze ook door Griekse invloeden waren gewijzigd, met de vereiste en gepaste eerbied uitgevoerd. Discipelen uit omringende landen streefden daar naar inwijding als een geschikte voortzetting van hun eigen ceremoniën. Apuleius, de Latijnse platonische filosoof, beschrijft in zijn Metamorfosen, of De gouden ezel, de inwijding in de mysteriën van Isis van een zekere Lucius Patras, van wie men nu algemeen aanneemt dat het Apuleius zelf is:

Luister dan, en geloof het, want wat ik vertel is waar. Ik kwam dichtbij het grensgebied van de dood, ik betrad de drempel van Proserpina [Hades], ik werd door alle elementen gebracht en keerde weer terug naar de aarde. Ik zag in het holst van de nacht de zon stralend flonkeren, ik naderde de goden boven en de goden beneden, en betoonde hun eerbied, van aangezicht tot aangezicht. Zie, ik heb u dingen verteld die u nog niet zult weten, ook al heeft u erover gehoord.

Ik wil u daarom alleen vertellen wat zonder te zondigen aan het verstand van een niet-ingewijde kan worden meegedeeld. Zodra het ochtend werd en de rituelen waren verricht, verscheen ik, gekleed in twaalf mantels die de ingewijde draagt, een gewaad dat heel heilig is. . . . Het kostbare gewaad hing van mijn schouders langs mijn rug naar beneden, zelfs tot mijn hielen, en ik was getooid met de dierenfiguren die in verschillende kleuren overal daarop waren geborduurd.1 . . . Dit kleed noemen de ingewijden het kleed van Olympus. In mijn rechterhand droeg ik een toorts met vlammend vuur, en mijn hoofd was omkranst met een mooie kroon van een smetteloze palmtak, waarvan de bladeren uitstaken als stralen . . . getooid als de zon en uitgerust naar het beeld van een god.
     – geciteerd door Lewis Spence, The Mysteries of Egypt, blz. 70-1

1. De verwijzing naar de twaalf gewaden en de dierenfiguren duidt op de mystieke gang door de twaalf tekens van de dierenriem.

In de grote mysteriën is de tocht naar de onderwereld niet langer slechts het ritueel van de kleine mysteriën waaraan de kandidaat deelneemt. Hij moet nu met volledige kennis ‘de grensgebieden van de dood’ betreden en in het gewaad van het ziel-bewustzijn voorbij de sluier van de zichtbare natuur gaan naar de arena van onzichtbare werelden:

Een van de basisleringen van het occultisme is dat niets werkelijk kan worden gekend dat niet is ervaren, doorleefd. . . . De verschillende stadia of graden van inwijding zijn daarom in feite een soort versneld proces voor bepaalde uitverkoren geesten, bepaalde uitverkoren zielen die zich waardig hebben betoond: . . . Aan deze verschillende stadia of graden van inwijding gaan allereerst voorbereidende zuiveringen vooraf. Dan volgt de ‘dood’, een mystieke dood. Het lichaam en de lagere beginselen worden als het ware verlamd, en de ziel wordt tijdelijk bevrijd. En tot op zekere hoogte wordt de bevrijde innerlijke mens door de inwijders geleid en geïnstrueerd en geholpen als hij naar andere sferen en gebieden gaat en de aard daarvan leert kennen door ze te worden, wat de enige manier is waarop deze kennis wortel kan schieten in de ziel, in het ego: door ze te worden.    – BEF, blz. 251

Deze mystieke dood vormt de vierde inwijding, die niet alleen afhangt van iemands vermogen om spiritueel licht te ontvangen, maar ook van iemands kracht om gelijkmoedig en met een ontwaakt ethisch besef de duisternis van het kwade te trotseren. Iets worden betekent in feite zijn intelligente waarnemingsvermogen verenigen met de essentie van dat wezen of ding; met andere woorden, de aard van zo’n entiteit tijdelijk aannemen. Dus door zijn bewustzijn te verbinden met wezens in lagere sferen dan die van de mensen stelt men het weerstandsvermogen van iemand enorm op de proef: zullen de verderfelijke uitwasemingen van de lagere sferen de tere bloemblaadjes van de ontluikende adept verstikken? Zullen de zinnenprikkelende verrukkingen van de lagere hellen enige aantrekkingskracht hebben op de vastbesloten neofiet? Omgekeerd eist het aannemen van de aard van wezens in hogere sferen dan die van de mens evenzeer een beheerste constitutie: zal de schittering en pracht van ongedimde waarheid de ziel verblinden? Zal de aanblik van de werkelijkheid het ontwakende oog van wijsheid compleet vernietigen?

Deze vierde graad kan worden beschouwd als een inleiding tot en een weerspiegeling in het klein van de zevende en laatste graad waarin het individu de beproeving van de vereenzelviging met alle bestaanssferen moet ondergaan. Het volbrengen van de volledige inwijdingscyclus vereist daarom het ontwaken en sterk maken van alle zeven beginselen van de mens. De kandidaat moet zijn zevensnarige lier zo hebben afgestemd, haar zo hebben opgeladen met spirituele harmonie, dat ze volmaakt synchroon gaat trillen met de spirituele essentie van de zeven beginselen of sferen van de kosmos. Zoals meester KH in 1882 aan Allan O. Hume in Simla, India, schreef: ‘De graden van inwijding van een adept geven de zeven stadia aan waarin hij het geheim van de zevenvoudige beginselen in de natuur en de mens ontdekt en zijn sluimerende vermogens doet ontwaken’ (MB, brief 15, blz. 108).

Over deze hogere graden is ons vrijwel niets bekend. Dat is vanzelfsprekend en gepast; want hoe zouden woorden kunnen beschrijven wat alleen de ingewijde kan begrijpen? Hoe zou wat wezenlijk esoterisch is kunnen worden bekendgemaakt en dan nog zijn mystieke zuiverheid behouden? Er zijn echter wel belangrijke wenken gegeven over de vijfde, zesde en zevende graden.

In de vijfde inwijding ‘ontmoet’ de initiant ‘zijn eigen god-zelf van aangezicht tot aangezicht en wordt er gedurende kortere of langere tijd één mee’ (BEF, blz. 276). Deze graad werd door de Grieken theofanie genoemd, een woord dat ‘goddelijke verschijning’ betekent of ‘het tevoorschijn treden van een godheid’, de verschijning of manifestatie van

het hoger zelf van de mens aan hemzelf. En hoewel bij de meeste kandidaten dit verheven ogenblik van verstandelijke extase en diepe visie slechts van korte duur was, werd bij verdere spirituele vooruitgang van de kandidaat de theofanische omgang meer duurzaam en blijvend totdat de mens ten slotte ontdekte dat hij niet alleen de spirituele afstammeling van zijn eigen innerlijke god is, maar die innerlijke god zelf, in zijn essentiële wezen.    – BEF, blz. 440

De zesde inwijding voltrok zich als de onvermijdelijke loop van gebeurtenissen die volgden op de geslaagde vergeestelijking van het hele wezen. Dit werd door de Grieken theopneustie genoemd – een woord dat letterlijk ‘het ademen van een god’ of ‘goddelijke inspiratie’ betekent – wanneer de discipel

het inademen voelde van zijn eigen innerlijke god en op die manier werd geïnspireerd; het woord inspiratie betekent immers ‘inademing’. Met het verstrijken van de tijd en de toenemende zuivering van het ziel-voertuig, dat de mens zelf is, werd deze inademing of inspiratie permanent.    – Op.cit.

In deze graad ‘inspireert de innerlijke god van de kandidaat, afhankelijk van de vorderingen die hij heeft gemaakt, hem kortere of langere tijd met de wijsheid en de kennis van het gehele heelal . . .’; en ‘in de zesde graad ontmoet de initiant in plaats van zijn eigen hoger zelf een ander . . .’ (BEF, blz. 276, 253).

Dan komt de zevende en laatste graad van inwijding voordat meesterschap wordt bereikt. Deze inwijding vond gewoonlijk plaats bij het wintersolstitium. De oude heidense ingewijden beschouwden de vier punten van het jaar, het winter- en zomersolstitium en de lente- en herfstequinox als een weerspiegeling van heilige werkingen in de kosmos. De geboorte van de zon aan het begin van het jaar was voor hen een symbool van de mystieke geboorte van de ingewijde, en het is veelzeggend dat bijna alle grote wereldleraren, zoals Jezus de christus, Krishna de avatara, Apollonius van Tyana, en anderen, hun ‘geboortedag’ vieren in deze heilige periode: de wedergeboorte van de zonnegodheid.

Deze zevende graad, die theopathie wordt genoemd – een Grieks woord dat ‘het lijden of dulden van een god’ betekent – is

het subliemste mysterie van alle, . . . de initiant, de kandidaat, liet toe en gaf zich volledig eraan over een volslagen onzelfzuchtig verbindingskanaal voor zijn eigen innerlijke god, zijn hoger zelf, te worden; hij ging als het ware verloren in het grotere zelf van zijn eigen hoger zelf.    – BEF, blz. 440-1

Er zijn in feite maar weinig mensen van wie de zielskracht zo groot is dat ze ten volle de tegenwoordigheid van het goddelijke kunnen verdragen. Dit is de beloning van de hoogste adepten, zij die door hun offer en wijsheid de mensheid omringen met een beschermmuur die zoals een diamant het licht van mededogen doorlaat maar in zijn beschermende functie heel ondoordringbaar is.

In de zevende graad gaat de neofiet door de portalen van de zon; ‘hij wordt een vluchtig moment de wonderlijke wachter zelf’ (BEF, blz. 253). De zonne-inwijding is compleet: de neofiet sterft en de hiërofant wordt geboren.


Mysteriescholen door de eeuwen heen, blz. 44-9

© 2015  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag