Mysteriescholen door de eeuwen heen
Grace F. Knoche

isbn 9789491433153, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2015  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

   Inhoudsopgave   

 

9. Wegen van inwijding


In de meer gevorderde mysterietraining moet de leerling niet alleen leren om het mystieke voertuig van ontwaakt bewustzijn op te bouwen dat hem van het ene gebied naar het andere zal brengen, maar ook om in de loop van zo’n individueel wordingsproces de eeuwige wegen van inwijding zelf opnieuw te ontdekken.

Wat wijsheid en een vooruitziende blik betreft is de natuur in alle opzichten consequent: één wet, één methode, één structuur. Met prachtige doelmatigheid repeteert ze de wegen van inwijding door middel van de cyclus van slaap en dood. De dood en de processen die daarbij een rol spelen vormen het hart en de kern van de grote mysteriën: door de dood van het lagere wordt het hogere geboren. Als het zaadje niet sterft, kan de bloem niet bloeien; als de bloem niet sterft, kunnen zich geen zaadjes vormen. ‘Wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden’ (Matth. 10:39).

De slaap is een onvolledige dood – die onbewust wordt ervaren; de dood is een volledige slaap – die onbewust wordt ervaren; inwijding is een zelfbewuste slaap of ‘dood’ van de lagere elementen met een volledig bewuste bevrijding van de spirituele ziel langs de paden van slaap en dood.

In de slaap ‘sterft’ het lichaam onvolledig, want het gouden koord blijft verbonden met het rustende lichaam. Als de ziel niet is belast met materiële verlangens, volgt een natuurlijke rust. Tijdens de korte uren van de nachtelijke slaap kan, als het karma gunstig is, de bevrijde geest-ziel uit de sfeer van de aarde langs de onzichtbare magnetische paden opstijgen naar hogere gebieden. Het opstijgen gaat bliksemsnel, gevolgd door de terugkeer langs identieke paden tot de ziel het slapende lichaam weer binnengaat en er een nieuwe dag aanbreekt.

De paden van de slaap die nacht na nacht worden ‘bewandeld’ vormen een onbewuste reis langs de wegen van inwijding. Dat kortstondige en niet herkende contact tijdens de slaap gaat niet verloren; juist de herhaling van diezelfde methode werkt voor de gewone mens als een onzichtbare stimulans. Als de aspiraties worden volgehouden en het leven oprechter wordt gemaakt, zullen flauwe indrukken van schoonheid en grootsheid de ziel doordringen, intuïtieve inzichten dienen zich aan, en de aspirant zal zijn dagen gezegend zien door nachtelijke contacten met hogere sferen.

Bij de dood worden dezelfde processen gevolgd als tijdens de slaap, alleen gebeurt dat dan volkomen. Het lichaam wordt blijvend terzijde gelegd en valt uiteen; het gouden koord wordt teruggetrokken, en de ziel gaat, bevrijd van haar aardse elementen, de sferen van tijdelijke zuivering binnen. Bevrijd en gereinigd van aards bezinksel stijgt de ziel op naar haar spirituele ouder, het hoger zelf, en maakt, onvoorstelbaar vredig en gelukkig, dezelfde reis als tijdens de slaap. In elk huis van de ruimte wordt halt gehouden, kort of lang, afhankelijk van de banden van aantrekking die vroeger zijn gemaakt door ervaringen van de spirituele ziel in het verleden, tot ze gesterkt door goddelijke contacten weer het aloude pad volgt, en er op aarde een kind wordt geboren.

Zo volgt de spirituele monade tijdens de dood volledig bewust de eeuwenoude wegen van inwijding, maar de gewone menselijke ziel is zich hiervan nog niet bewust.

De mens heeft veel facetten: hij heeft in zich een goddelijke monade, een spirituele ziel, en een menselijke ziel die door zijn vitaal-astraal-fysieke natuur werkt. We moeten ervoor oppassen dat het lagere niet de macht krijgt over het hogere, vooral bij het bespreken van deze heilige zaken, omdat we anders misschien zó in de ban raken van hun schoonheid en intellectuele grootsheid dat we hun essentiële waarde vergeten – die van de ethiek. Als iemand de ethiek niet tot de kern van zijn karakter heeft gemaakt, zal zijn hart en zijn denken voortdurend door de stormen van verlangens heen en weer worden geschud.

Wie zich voor niet veel meer interesseert dan zijn onmiddellijke behoeften, zal nauwelijks worden aangetrokken tot diepere dingen, maar wie intuïtief begint na te denken, zal zich onweerstaanbaar tot de oude wijsheid aangetrokken voelen. Zij die al wakker beginnen te worden uit de slaap van de stof, worden echter herhaaldelijk gewaarschuwd tegen het idee dat inwijding iets is dat vlak om de hoek ligt. We moeten ons diepste innerlijk beschermen tegen het egoïstische verlangen naar zogenaamd occulte vermogens, zoals we ons zouden verweren tegen de beet van een slang. De inwijdingen die in het vorige hoofdstuk werden genoemd, worden niet beschreven, maar er worden slechts toespelingen op gemaakt als aanwijzing voor wat de waardig gebleken discipel misschien op een dag tot zijn geluk zal blijken te ervaren.

Kort samengevat, de inwijdingstocht wordt steeds opnieuw gemaakt: onvolkomen in de slaap, meer volkomen tijdens de dood; ’s nachts door de ziel in de slaap, periodiek door de ziel bij de dood. Dit wordt onbewust ondergaan, waarbij de natuur op die manier herhaalt wat de ziel op een dag vastberaden en volledig bewust moet doormaken. Laatstgenoemd proces is de inwijdingstocht: het doelgericht uitschakelen van aardse invloeden, gevolgd door de zelfbewuste reis door elk gebied en sfeer van de kosmos waarbij men zijn eigen ervaring en indrukken opdoet.

In zijn De esoterische traditie gaat De Purucker hierop in:

Het doel van de postmortale tocht van de monade door de verschillende planeetketens is dat ze zich op elk van die planeetketens kan bevrijden van het bekleedsel of voertuig dat bij de levensessentie van zo’n planeetketen hoort. Alleen zo kan de monade zich ontdoen van het ene na het andere ‘omhulsel’ waarin ze zich heeft gewikkeld tijdens haar lange evolutiereis; en wanneer ze zich van alle zeven ‘omhulsels’ heeft bevrijd, is ze – omdat ze vrij is en in haar zuivere en ‘niet omhulde’ staat verkeert – gereed om haar eigen spirituele thuis, waaruit ze is voortgekomen, binnen te gaan. Wanneer de terugreis naar de planeetketen van de aarde begint, gaat de monade door al diezelfde zeven planeten heen, maar in een volgorde omgekeerd aan die waardoor ze door deze was opgeklommen; en in elke planeet die ze bezoekt, pakt ze de levensatomen die de ‘omhulsels’ vormen weer op die ze eerder op elk van de zeven planeten respectievelijk had afgelegd of afgeworpen, en bekleedt zich opnieuw daarmee.    – blz. 498

Deze reis is zo belangrijk dat de grote mysteriën zich bijna uitsluitend bezighielden met de processen van de mystieke dood. Zoals in het vorige hoofdstuk is gezegd bestond de vierde inwijding uit een gedeeltelijke afdaling naar lagere sferen, samen met een gedeeltelijke opstijging naar hogere sferen. De ziel heeft dan nog niet voldoende kracht ontwikkeld om bestand te zijn tegen de volledige openbaring van het heelal.

Er bestaat een Babylonische legende die verwijst naar een mysterieleer. Ishtar1 daalt af in de onderwereld en komt in vorstelijk ornaat aan bij de poorten van Arallu (Hades). Het eeuwenoude voorschrift eist echter dat niemand het gevreesde gebied van de onderwereld mag binnengaan met kledingstukken of juwelen.

1. Een variant van de Soemerische Inanna.

Daarom ontneemt de bewaker bij elk van de opeenvolgende poorten waar Ishtar doorheen moet, haar een kledingstuk of sieraad: eerst haar kroon, dan haar oorringen, dan haar halsketting, dan de sieraden op haar borst, dan haar met veel juwelen bezette ceintuur, dan de glinsterende sieraden aan haar handen en voeten, en ten slotte haar lendendoek.
     – Will Durant, The Story of Civilization, 1:238

Vrij en zuiver gaat ze het ‘Land van geen terugkeer’ binnen, waar haar zuster, Ereshkigal, de scepter zwaait. Vol afgunst stuurt ze zestig ziektes op Ishtar af. Nadat ze de beproevingen van de lagere wereld heeft doorstaan, keert Ishtar terug door dezelfde zeven poorten en ontvangt in omgekeerde volgorde weer de kledingstukken en sieraden die ze op haar tocht omlaag had afgelegd, en als ze ten slotte opstijgt naar de gebieden van het licht, wordt Ishtar getooid met het zevende juweel, de kroon van spirituele majesteit.

De afdaling in de onderwereld vindt niet automatisch plaats, maar is een bewust besluit om de tocht te ondernemen als een hoogste test van verstandelijke en spirituele zuiverheid. Indien de kandidaat slaagt, wordt hij één met het goddelijke en verkrijgt verheven gelukzaligheid; als hij tekortschiet, dan wacht de dood of krankzinnigheid. Het zou veel beter zijn geweest als hij zich nooit aan deze beproevingen had gewaagd, want ze zijn echt vreselijk. Maar niet alles is verloren, want in een toekomstig leven kan hij het nog eens proberen.

Als de aspirant door soberheid, absolute toewijding, discipline en kennis als goud in het vuur is geworden, zal zijn gang door de lagere werelden snel en veilig zijn. Terwijl de vlam van spiritualiteit in hem brandt, stijgt de kandidaat die slaagt op naar hogere sferen waar de tocht van de ene planeet naar de andere volledig bewust wordt gemaakt. Na het ondergaan van de hoogste beproeving keert de leerling, nu meester geworden, terug naar de aarde en naar zijn in trance verkerend lichaam.

De bewaker van de inwijdingskamer, die geduldig en met liefdevolle zorg de wacht heeft gehouden bij het lichaam van zijn discipel, is nu vol vreugde: de inwijding is volbracht.


Mysteriescholen door de eeuwen heen, blz. 50-5

© 2015  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag