Hoofdstuk 1
De basis leggen voor de broederschap
In de verborgen prehistorie, vele miljoenen jaren geleden, verkeerde
de mensheid in haar kinderstadium, kind van moeder natuur, niet-ontwaakt,
in een droomtoestand, gehuld in de mantel van mentale slaperigheid.
Het ik-besef was nog niet wakker; alleen het instinctieve bewustzijn
was actief. Als een fonkelende lichtstroom langs de horizon van de tijd
daalden goddelijke wezens, mānasaputra’s, zonen van het
denkvermogen, onder de sluimerende mensen af, en met de vlam van rationeel
zonnevuur ontstaken ze de pit van het latente denkvermogen; en zie!
de denker werd wakker. Er ontstond zelfbewustzijn en de mens werd een
dynamo van intellectuele en emotionele kracht: hij kon liefhebben en
haten, roem behalen of mislukken. Omdat hij kennis had kreeg hij macht,
en omdat hij macht kreeg maakte hij keuzen; door te kiezen gaf hij vorm
aan het materiaal voor zijn toekomst; die gewaarwording vloeide als
wijn door zijn aderen.
Kennis, meer kennis en nog grotere kennis werd verlangd door de naar
volwassenheid groeiende mensen, die dankbaar opkeken naar de goddelijke
wezens die waren gekomen om hen wakker te schudden. Gedurende vele duizenden
jaren gaven ze gehoor aan hun leiding, zoals kinderen liefdevol de voetstappen
van hun moeder volgen.
Terwijl de eeuwen voorbijgleden kwam er een afwisselende reeks goddelijke
leermeesters die de oorspronkelijke mānasaputra’s opvolgden
en persoonlijk toezicht hielden op de vooruitgang van de jonge mensheid:
ze maakten hen bekend met kunsten en wetenschappen, leerden hun de velden
met maïs en tarwe in te zaaien, gaven onderricht over de manieren
van zuiver en ethisch leven – kortom, richtten de eerste scholen
voor oefening en onderwijs op, die voor iedereen vrij toegankelijk waren
om over materiële, verstandelijke en geestelijke zaken te leren.
In die vroegste tijd waren er geen mysterie-academies: de oude wijsheid
was het gemeenschappelijke erfgoed van de hele mensheid, want er was
tot nu toe geen misbruik van kennis geweest, dus geen behoefte aan scholen
die voor de wereld verborgen en heilig werden gehouden. In die gouden
eeuw werd waarheid vrij verstrekt en even vrij ontvangen. (Vgl. H.P.
Blavatsky, Collected Writings 14:248-9.)
Het ras was jong; niet iedereen was bedreven in het vergaren van kennis.
Sommigen leerden vlug en gemakkelijk door vroegere ervaring in vorige
wereldperioden; zij kozen intuïtief het pad naar geestelijk inzicht;
anderen, minder ontwaakt, hadden wel kwaliteiten, maar hun vooruitgang
was wisselvallig; een derde categorie, verdoofd door traagheid, zag
leren en naar het hogere streven als een last, en bleven in ontwikkelingsgang
achter. Zij gaven de voorkeur aan geestelijke apathie boven geestelijke
inspanning.
De mensheid als geheel maakte snel vorderingen in het verkrijgen van
kennis, en later in het gebruik ervan. Sommigen stichtten duidelijk
kwaad – anderen deden het goede. Wat geestelijk latent was gebleven,
werd nu actief goed en actief kwaad. Lijden en pijn werden de barmhartigste
leerwijze van de natuur om het innerlijk terug te brengen tot zijn oorspronkelijke
instinct – te kiezen voor het spirituele. Omdat het denkvermogen
intensere krachten ontwikkelde en de worsteling om verstandelijke superioriteit
het geestelijke verdrong, werd de gave van het intellect een tweesnijdend
zwaard: enerzijds als brenger van bewuste geestelijke gewaarwording
en onvermoede intellectuele vervoering; anderzijds als gebruiker van
een wapen voor vernietiging, voor verschrikkingen, en in de ergste gevallen,
voor opzettelijke geestelijke boosheid – duivelse praktijken.
H.P. Blavatsky schreef:
De mysteries van hemel en aarde, die aan het derde
Ras in de dagen van zijn reinheid door zijn hemelse leraren waren
geopenbaard, werden een groot brandpunt van licht, waarvan de stralen
noodzakelijk werden verzwakt naarmate deze werden verspreid en op
een ongeschikte, want te materiële bodem vielen. Bij de massa
ontaardden deze mysteries in tovenarij, die later de vorm aannam van
exoterische religies, van afgodendienst vol bijgeloof . . . –
De Geheime Leer,
2:317
De natuur werkt overal cyclisch: de ene keer rijk aan geestelijke zaken,
de andere keer onproductief. In deze lang vervlogen tijd van het derde
wortelras, op het grote continent Lemurië*, dat nu onder water
ligt, verliep de cyclus tegen geestelijke vooruitgang in. Een sterke
neerwaartse beweging overheerste toen fysieke en materiële energieën
zich versneld uitbreidden, met als gevolg vertraging en terugtrekking
van geestelijke kracht. De mensheid van die tijd maakte deel uit van
de algemene stroom van evolutie en de mensen reageerden volgens hun
aard op de verruwende sfeer. Sommigen boden door ontwaakte spiritualiteit
weerstand aan de naar beneden gerichte invloed ervan; anderen, zwakker
van begrip, weifelden tussen geest en stof, tussen goed en kwaad: ze
gaven nu eens gehoor aan de fluisteringen van de intuïtie, dan
weer dompelden ze onder in de kolkende golven van de neerwaartse stroom.
Weer anderen, in wie de vonk van een helder verstand zwak gloeide, doken
hals over kop in de stroom, zonder acht te slaan op het onstuimige en
modderige water.
*De naam die tussen 1850 en 1860 door P.L. Sclater
werd gegeven aan een landmassa waarvan hij op zoölogische gronden
aantoonde dat ze zich eens uitstrekte van Afrika tot Australië
(vgl. GL 2:7). Zie Ignatius Donelly, Atlantis: The Antediluvian
World, blz. 32, en Alfred Russel Wallace, The Geographical
Distribution of Animals, Deel I, hfst. 4, blz. 76-7.
Naarmate de neergaande cyclus verderging, werd kennis van geestelijke
waarheden en over het leiden van het leven in overeenstemming daarmee
een bot en nutteloos werktuig in het hart en het denken van de mensen.
In de loop van kosmische gebeurtenissen was die dwaasheid onvermijdelijk
en met alles was rekening gehouden. Zoals er veel typen mensen zijn
– sommigen spiritueel, anderen materieel, sommigen hoog intelligent,
anderen traag in hun denken – zo zijn er overal in het heelal
wezens met uiteenlopende graden van ontwikkeling, variërend van
het mineralen-, planten-, dieren- en mensenrijk, en daar voorbij tot
het hoofd en de hiërarch van onze aarde.
In deze eerste millennia had het geestelijke hoofd, de beschermer van
de aarde, overal waar dat mogelijk was het actief geestelijke vuur in
individuen aangewakkerd; toen de kennis over goddelijke zaken door wilskrachtige,
maar moreel zwakke naturen werd misbruikt, raakte de waarheid geleidelijk
versluierd. De planetaire wachter voelde toen de noodzaak om een groep
medewerkers uit te kiezen die als bewakers en beschermers van de oude
wijsheid konden optreden. Slechts een handvol geestelijk verlichte mensen,
in wie de goddelijke gloed helder oplichtte, betuigden oprechte trouw
aan hun planetaire mentor – de geestelijke hiërarch van de
mensheid. Door de eeuwen heen waren bepaalde mensen beschermd, geleid,
gesterkt en op talloze manieren op de proef gesteld; en zij die de toets
van zelfkennis en zelfopoffering doorstonden werden bijeengeroepen om
het eerste verbond van geestelijk-goddelijke mensen te vormen –
de grote broederschap. Zoals G. de Purucker het formuleert:
Toen werd begonnen om de in spiritueel en intellectueel
opzicht allerhoogste vertegenwoordigers die de mensheid tot dan had
voortgebracht samen te brengen en tot een actieve groep te smeden.
De stille wachter van de bol werd door de spiritueel-magnetische aantrekking
van het gelijke tot het gelijke zelfs al vanaf het eerste begin van
het derde wortelras in staat gesteld bepaalde opmerkelijke mensen
tot het pad van het licht aan te trekken, vroege voorlopers van de
algemene mānasaputrische ‘neerdaling’, om zo met
deze mensen een brandpunt van geestelijk en intellectueel licht op
aarde te vormen; dit wijst niet zozeer op een vereniging of een broederschap
als wel op een eenheid van menselijke spirituele en intellectuele
vlammen, bij wijze van spreken, die toen op de aarde het hart van
de hiërarchie van mededogen vertegenwoordigden . . .
Het was juist via dit oorspronkelijke brandpunt van levende vlammen
– dat nooit ontaardde, noch zijn hoge status als het mystieke
centrum op aarde verloor – dat de bovenaardse glorie van de
hiërarchie van mededogen rijkelijk stroomde, die nu wordt vertegenwoordigd
door de grote broederschap van de mahātma’s. Zo gaat de
grote broederschap in een ononderbroken lijn terug op het oorspronkelijke
brandpunt van licht van het derde wortelras.
– De
Esoterische Traditie, blz. 599-600
Daarom blijven de oudere broeders van het ras ‘de gekozen bewakers
van de mysteriën die door de goddelijke leraren aan de mensheid
werden geopenbaard . . . en de overlevering fluistert, wat de geheime
leringen bevestigen, namelijk dat deze gekozenen de kiem waren van een
hiërarchie die sinds die tijd nooit is uitgestorven’
(GL 2:317) – sinds het stichten en vestigen van de grote
broederschap ongeveer 12 miljoen jaar geleden. Uit dit centrum zijn
miljoenen jaren lang in voortdurende opvolging stralen van licht en
kracht in de hele wereld gestroomd, en meer specifiek in het hart van
hen die hun leven hebben gewijd aan het dienen van de waarheid. Vanuit
deze broederschap zijn boodschappers, meesters van wijsheid, gezonden
om inspiratie te geven voor de grote religies uit het verleden; en ze
zullen hun vertegenwoordigers blijven sturen zolang de mensheid hun
zorg nodig heeft.
Hoofdstuk 2
De eerste mysteriescholen
De tijd schreed voort en de mensheid nam flink in macht toe. Terwijl
Lemurië het leven schonk aan Atlantis, het derde wortelras het
vierde voortbracht, werd de hevigste strijd geleverd: de oorlog tussen
de heren van licht en waarheid en de heren van duisternis en onwetendheid.
Ontwakend intellect is evenmin als bezit van psychische en lichamelijke
kracht een waarborg voor morele sterkte. Op het toppunt van hun ontwikkeling
waren de Atlantiërs een beschaving die rustte op een krachtig intellect
dat door psychofysieke macht werd gemotiveerd, maar in het algemeen
niet door ethische normen in bedwang werd gehouden. De magie, die bij
de Lemuriërs een gave van de natuur was, werd in handen van deze
reuzen een magie van de stof, psychische magie, en het ras verzonk in
een orgie van toverij waarvan we de gevolgen zelfs nu nog in uitbarstingen
van haat en waanzin ondervinden.
Niet alle Atlantiërs werden echter overweldigd door hun eigen
kracht; volstrekt niet. Toch werd een groot deel van hen tovenaars van
het kwade en ze gingen ter plekke ten onder. Anderen, in wie het licht
van het geestelijke ‘als door een donker glas werd gezien’,
werden ongelukkige slachtoffers van de misdadige golven van immorele
macht die over het continentale stelsel van Atlantis spoelden; in hun
verwarring zwierven ze her en der en lieten zich de weg wijzen door
valse goden, onwaardige leiding. Enkelen – waarschijnlijk enige
miljoenen, maar weinig in verhouding tot de enorm grote bevolking van
de Atlantische continenten – bleven in alle opzichten sterk en
rein, moreel verlicht door het contact met de geest; zij werden de gekozen
discipelen van de Broederschap, die deugd en discipline in het land
aanmoedigden.
Tot dat moment waren er geen mysteriën nodig, want waarheid was
het eigendom van de hele mensheid. Door de groei van het ik-bewustzijn
werd zelfzucht geboren uit tot dan toe onbekende
begeerten en hartstochten, en maar al te vaak maakte men misbruik
van kennis en macht, tot tenslotte de noodzaak ontstond het aantal
te beperken van hen die wisten. Zo ontstond inwijding.
– ‘De oorsprong van de mysteriën’,
BCW 14:249
Om het toekomstige bestaan van de mensheid veilig te stellen moest
er iets worden gedaan. De situatie had zich zover ontwikkeld dat de
enige oplossing eruit bestond, in iedere nationale eenheid een geestelijk
centrum te vestigen dat zou dienen om de waarheden die daar werden verkondigd
te beschermen en als een geheim oefencentrum waar werkelijke zoekers
naar waarheid konden worden getraind en onderricht konden ontvangen
en, als ze waardig werden bevonden, waarheid uit de eerste hand konden
leren – d.w.z. door inwijding.
De broederschap die zelfs in de latere tijd van Lemurië al onzichtbare
verbindingslijnen voor esoterische instructie had ingesteld, waardoor
zij die daarvoor voldoende ontvankelijk waren konden worden getraind,
gelouterd en sterk gemaakt voor het ontvangen van waarheid en het veilig
stellen ervan, begon daarom nu een systematische campagne. Discipelen,
boodschappers, werden uitgezonden en openden esoterische academies,
universiteiten voor de ziel, speciale trainingscentra met het bijzondere
doel om daar de meest geschikte mannen en vrouwen bijeen te brengen
voor training en onderricht in de mysteriën van de natuur.
Zo werden ongeveer vier of vijf miljoen jaar geleden, toen Atlantis
dreigde zichzelf door geestelijke verdorvenheid te vernietigen, de eerste
mysteriescholen gevestigd. Uit deze vroegste centra kwamen in alle delen
van de Atlantische wereld andere mysteriescholen voort. Tegen de tijd
dat de Atlantiërs het hoogtepunt van hun materiële
luister hadden bereikt, werkten deze scholen zo hard mogelijk om weerstand
te bieden aan de toenemende stroom van toverij. Velen – waarschijnlijk
miljoenen – werden door het instellen van de mysteriën gered.
De meest bewusten van de mensheid zochten daar intuïtief training,
terwijl de meeste mensen, al konden ze door onvoldoende innerlijke ontwikkeling
niet aan de heilige inwijdingsceremoniën deelnemen, toch door de
indirecte uitstraling van spirituele kracht werden geholpen.
Er waren echter mensen die van het kwaad hadden geproefd en zich ertoe
aangetrokken voelden. Hun ongevoelig geworden innerlijk bracht hen ertoe
lessen te nemen in het beoefenen van het kwade. Tegelijk met het instellen
van spirituele centra van licht en waarheid werden er dus scholen voor
het kwade gesticht; de door gelofte gebonden volgelingen daarvan werden
na verloop van tijd de adepten van de linkerhand. De heren van licht
en waarheid verenigden zich tot een vredige onoverwinnelijke kracht
om
weerstand te bieden aan de vreselijke en steeds toenemende
zondigheid van de adepten van de linkerhand, de Atlantiërs. Dit
had tot gevolg dat er nog meer geheime scholen, tempels van kennis,
en mysteriën werden gesticht, waar niemand werd toegelaten dan
na de vreselijkste en zwaarste beproevingen. . . .
. . . De mysteriën werden aan de uitverkorenen van dat ras meegedeeld
toen de meeste Atlantiërs te diep in zonde begonnen weg te zinken
om aan hen de geheimen van de natuur te kunnen toevertrouwen.
– Op.cit. 14:251, 246
Toen deed zich de meest dramatische omstandigheid in de hele geschiedenis
van deze ronde voor – een gebeurtenis die miljoenen jaren duurde:
het keerpunt van de cyclus van stof naar geest. Halverwege de periode
van het vierde wortelras in deze vierde ronde maakten de Atlantiërs
mee dat geest en stof in evenwicht kwamen: naar welke kant zou de
weegschaal doorslaan? Naar licht en geest en de uiteindelijke bevrijding
van de mensheid? Naar duisternis en materie en het tot slaaf maken van
de mensen? Een grote schok ging door de aarde: zou de aangeboren spiritualiteit
sterker blijken dan het gewicht van verkregen stoffelijkheid? Zou de
mensheid de ladder van de evolutie op de lichtende boog bestijgen, of
voorovervallen in de diepte van materie op de neergaande schaduwboog?
De miljarden mensen bij wie het hart moest worden gewogen tegen de veer
van de geest moesten ieder afzonderlijk de beslissende test doorstaan:
mislukking betekende omlaag te worden gesleurd naar nog grotere stoffelijkheid,
niet in staat om in de huidige grote wereldcyclus op te stijgen met
de geest; succes hield in het omhoogstijgen met de algemene stroom van
evolutionaire vooruitgang, tot het zelfbewuste één-zijn
met het goddelijke weer wordt bereikt.
De gebeurtenis die ongeveer een miljoen jaar duurde ging voorbij. Gelukkig
voor de mensheid behield de meerderheid, grotendeels door de inspanningen
van de mysteriescholen, voldoende bewustheid van het goddelijke om de
weegschaal in hun voordeel te laten doorslaan. Voor miljoenen was het
een onbewuste keus, maar niettemin een keuze die door het betere deel
van hun natuur was gemaakt – hoe klein die meerderheid misschien
was, zullen we nooit te weten komen.
Hoofdstuk 3
De bestaansreden van de mysteriën
De ene natuurramp na de andere deed zich voor en de loodzware resten
van het vierde ras zonken weg hun ondergang tegemoet, verzwolgen door
de wateren van hemel en aarde naarmate deze volgens de karmische wet
de landen overstroomden. Het wegzinken van Atlantis, wat enkele miljoenen
jaren in beslag nam, ging gepaard met het verrijzen van nieuwe landen
in andere delen van de aarde en deze werden naargelang de tijd verstreek
bevolkt door bepaalde Atlantiërs die zich daar in twee of drie
grote migratiegolven vestigden. (Zie G. de Purucker, Aspecten
van de Occulte Filosofie, blz. 16-25.)
Zo ontstond uit het vierde wortelras het vijfde, waarvan de bakermat
de Shamowoestijn of Gobi en het omringende tafelland was – een
streek waar in de tegenwoordige zanderige wildernis geen aanwijzingen
zijn voor landstreken met overvloedig loof, waar wouden en meren getuige
waren van een opeenvolging van de grootste beschavingen die de wereld
ooit heeft gekend. Hier werden miljoenen jaren lang de zaden van het
nieuwe ras in maagdelijke grond geplant, terwijl Atlantis in zijn doodsstrijd
was gewikkeld.
De werkingen van de natuur zijn weldadig. Al moeten haar mensenkinderen
zelf door de werking van karma en de cyclus van wederbelichaming de
gevolgen ondervinden en onder ogen zien, toch werpt ze bij iedere geboorte
van een ras haar zaad in ongerepte bodem, zodat het kind-ras in reinheid
kan worden verwekt en in een geestelijke sfeer grootgebracht. Bevolkt
met ego’s die zuiver en sterk waren gebleven tijdens de omwentelingen
in de Atlantische periode en opnieuw geholpen doordat halfgoddelijke
wezens zich onder hen begaven, werd het nieuwe ras een brandpunt van
geestelijk licht. Zoals meester KH schreef:
de hoogste planeetgeesten, zij die niet
meer kunnen dwalen . . . verschijnen op aarde alleen aan het begin
van elk nieuw mensengeslacht; bij het vertakken, en bij de
eindpunten van de grote cyclus. En zij blijven niet langer onder de
mensen dan nodig is om de eeuwige waarheden die zij leren zo krachtig
op het plastische denkvermogen van de nieuwe rassen af te drukken,
dat ze zeker niet verloren zullen gaan of in de eeuwen daarna door
komende generaties volledig zullen worden vergeten. De opdracht van
de planeetgeest is niet anders dan het aanslaan van de grondtoon
van de waarheid.
– De
Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, Brief 9, blz. 46
Tegelijk met het vestigen van de mysteriescholen in Atlantis, ongeveer
vier of vijf miljoen jaar geleden, kwam het vijfde, Indo-Europese of
Arische ras* langzaam tot stand, enorm geholpen door geestelijk verfijnde
ego’s die door banden van goddelijke verwantschap daarheen werden
aangetrokken. Geleidelijk werd de bodem gereedgemaakt, en nadat het
werk van het aanslaan van de ‘grondtoon van de waarheid’
was volbracht, keerden de halfgoden naar hun hogere sferen terug. Een
miljoen jaar geleden was de begeleiding van het nieuwe ras naar een
volwassen bestaan voltooid en was het ingeprent met de kennis van ‘eeuwige
waarheden’.
*Arisch is afgeleid van het Sanskrietwoord ārya,
‘edel’, en werd oorspronkelijk gebruikt voor de Indo-Europese
volkeren die uit Centraal-Azië naar Europa, de landen rond de
Middellandse Zee, Perzië en het Indiase schiereiland emigreerden.
In theosofische literatuur verwijst het vijfde of Indo-Europese ras
meer in het algemeen naar de huidige evolutiecyclus van de mens, die
evenals het vierde ras een ‘bijna ontelbaar aantal rassen en
volkeren’ (GL 2:490vn) omvat.
Terwijl de eeuwen voorbijgingen en beschavingen elkaar opvolgden, verflauwde
de liefde voor waarheid in de harten van de mensen opnieuw en raakten
de oude voorschriften in onbruik. De mysteriën werden nog verder
teruggetrokken, zodat de eens algemene kennis de gewaardeerde beloning
werd die de grote broederschap verleende aan die uitgekozen minderheid
van mensen die hun leven wijdden aan de waarheid en niets dan de waarheid,
onbezoedeld door zwakheden of zelfzuchtige ambities. De doelstelling
van de mysteriën is consequent dezelfde gebleven en is drievoudig
van aard:
(1) aanhoudende vergeestelijking van het gedachteleven van de mensheid,
opdat kennis van spirituele zaken tot het hart zal doordringen en het
leven na verloop van tijd met vrede zal worden gezegend, in plaats van
een treurspel van conflicten te zijn;
(2) een zaaiveld vormen voor adepten, kweekplaatsen voor toekomstige
rekruten die door beproeving en inwijding de hoogste waardigheid van
het lidmaatschap van de grote broederschap kunnen ontvangen; en
(3) het bewaren van de waarheid voor toekomstige rassen, onbevlekt
door mensenhanden, en het vervolmaken van de kennis van de waarheid
door onderzoek van de geheimen van de natuur in zichtbare en onzichtbare
werelden door geoefende zieners.
Aan de eerste doelstelling wordt voldaan door het periodieke verschijnen
van wereldleraren, de inspiratoren van wat later de grote religieuze
en filosofische scholen werden: boodschappers van de Loge die op cyclische
tijden verschijnen om de ‘grondtoon van de waarheid’ opnieuw
aan te slaan. Iedere grote religie, iedere verheven filosofie, elk fundamenteel
wetenschappelijk inzicht is daarom vanuit het Heiligdom ontstaan, om
een nieuwe religie te worden, een nieuwe filosofie,
een nieuwe wetenschap: origineel en nieuw voor het tijdvak
en de mensen, maar zeer oud, want gevormd in de schoot van de esoterische
oudheid.
Alles wat goed, edel en groots is in de menselijke
natuur, ieder goddelijk vermogen en streven, werd gevoed door de priester-filosofen
die ernaar streefden om deze bij hun ingewijden te ontwikkelen. Hun
morele code, gebaseerd op altruïsme, is universeel geworden.
– ‘De oorsprong van de mysteriën’,
BCW 14:256
De vervulling van het tweede doel duurt eeuwen en is diep occult: in
de ziel van de mens het verborgen vuur van de goddelijkheid aan te wakkeren
en door het ontsteken van die vlam de onzuivere onvolkomenheden, traagheid
en onwaardige begeerte uit het hart te branden. Een dwingend oogmerk
van die methode is het innerlijke gezichtsvermogen aan de mensheid
terug te geven, en de mensen te bevrijden ‘van ieder gevaar om
tot slaaf te worden gemaakt van hetzij een mens of een idee’.
(BCW 14:251; zie ook Mahatma Brieven, blz. 45-6.)
De discipel moet een vajradhara (‘diamantdrager’) worden,
een titel die aan bodhisattva Gautama werd toegekend, van wie het hart
met zijn vele facetten altijd barmhartig meeleefde wanneer mensen lijden,
maar van wie de geestelijke essentie zo hard was als diamant en in de
kern niet toegaf aan de subtiele vermommingen van illusie (māyā).
De derde doelstelling wordt mogelijk door het uitkiezen van nieuwe
rekruten voor de Broederschap, zodat (a) waarheid kan worden behouden
zonder door menselijke zelfzucht te zijn bezoedeld; en (b) onderzoek
naar de geheimen van de natuur onbelemmerd kan doorgaan en de resultaten
van zulke proefnemingen door generaties geoefende zieners steeds opnieuw
worden getoetst en gecontroleerd en pas dan als occult feit voor het
welzijn van de mensheid worden vastgelegd.
Voor wat het werk van de meesters betreft, spreekt het volgende, door
één van hen in 1881 geschreven, voor zich:
Als wij generaties lang ‘de wereld hebben uitgesloten
van kennis over onze kennis’, dan was dat omdat ze daarvoor
absoluut ongeschikt was; en als zij, ondanks de geleverde bewijzen,
blijft weigeren zich voor de feiten gewonnen te geven, dan zullen
wij ons aan het einde van deze cyclus nogmaals in afzondering en in
ons rijk van stilte terugtrekken. . . . We hebben aangeboden de oerlagen
van het wezen van de mens, zijn fundamentele aard, bloot te leggen
en de wonderlijke samengesteldheid van zijn innerlijke zelf te onthullen
– iets dat nooit door de fysiologie of zelfs de psychologie
in het uiterste dat zij naar buiten kunnen brengen kan worden bereikt
– en het wetenschappelijk aan te tonen. Het maakt voor hen niets
uit of de opgravingen zo diep zijn, de rotsen zo ruw en scherp dat
bij het duiken in die voor hen peilloze oceaan de meesten van ons
bij die gevaarlijke verkenningstocht omkomen, want wij waren het die
de duikers en de pioniers waren, en de wetenschappers hoeven slechts
te oogsten wat wij hebben gezaaid. Het is onze taak te duiken en de
parels van waarheid aan de oppervlakte te brengen, hun taak –
ze te reinigen en ze in wetenschappelijke juwelen te zetten. En als
zij weigeren de onooglijke oesterschelp aan te raken, en volhouden
dat er geen kostbare parel in verscholen zit of kan zitten,
dan zullen wij ons opnieuw van elke verantwoordelijkheid tegenover
de mensheid ontslagen achten.
– Mahatma
Brieven, blz. 57
Niet gewaardeerd, onbekend, zonder aanzien, gaan de meesters door met
hun werk van mededogen voor de verlichting van de mensheid, een werk
dat gedurende vele miljoenen jaren nooit is opgehouden geestelijke vitaliteit
uit te storten, en dat nog zo’n periode zal blijven doen als dat
nodig zou zijn tot de tijd aanbreekt dat de mensheid uit haar apathie
ontwaakt en opnieuw haar hart met de waarheid wil verenigen. Meester
KH vervolgt:
Ontelbare generaties lang heeft de adept een tempel
gebouwd van onvergankelijke stenen, een reuzentoren van oneindig
denken, waarin de titan woonde en, als het nodig is, alleen
zal blijven wonen, om er pas aan het eind van iedere cyclus uit te
voorschijn te treden om de uitverkorenen van de mensheid te vragen
met hem samen te werken en op hun beurt te helpen de bijgelovige mens
te onderrichten. En we zullen dat periodieke werk van ons voortzetten,
we zullen ons van onze filantropische pogingen niet laten afbrengen,
tot op die dag dat de grondslagen voor een nieuw continent van denken
zo stevig zijn gelegd dat geen enkele tegenstand en domme kwaadwilligheid
geleid door de broeders van de schaduw de zege zal kunnen behalen.
– blz. 57-8