Hoofdstuk 4
Het patroon van de esoterie
Voor het geestelijke arendsoog van de ziener
en de profeet van ieder ras strekt de draad van Ariadne zich uit voorbij
dat ‘historische tijdperk’, ononderbroken en zonder zwakke
plek, zeker en gestadig, tot in de nacht van de tijd; en de hand die
hem vasthoudt is te machtig om hem te laten vallen of zelfs te laten
breken.
– De Geheime Leer 2:72
Deze draad van de esoterie gaat nog verder terug tot in het vroegste
begin van de mensheid, waar alleen ‘waarheid, hoog gezeten op
haar diamanten rotsblok, eeuwig en onovertroffen was’ (Isis
Ontsluierd, Voorwoord). Waar is deze waarheid, dit weefgetouw van
esoterische geschiedenis, en wat is het patroon van haar weefsel? In
het thuisland van de broederschap staat dit weefgetouw; de schering
ervan wordt gevormd door de aloude draden van inwijding die door het
offer van de adepten op occulte spanning worden gehouden, en de inslag
wordt eeuw na eeuw geweven naarmate ieder land de lichtgevende draden
van de esoterie in zijn mysteriescholen spint.
De profane geschiedschrijving vermeldt nauwelijks iets dat samenhang
en waarde heeft, behalve dan dat de overblijfselen van dit mystieke
tafereel alle wijzen op een identiek thema. Als men over ‘een
doorlopende en volledige geschiedenis van onze mensheid wil
beschikken van haar allereerste stadium tot de huidige tijd toe’,
moet men naar archaïsche optekeningen zoeken. Alleen daarmee kan
men, al is het maar in vage contouren, het aloude patroon op het spoor
komen. Maar de toegang ertoe is uitsluitend het voorrecht van de adept,
want deze ‘kennis is alleen voor de hoogste ingewijden,
die hun leerlingen niet in vertrouwen nemen’ (GL 2:495).
Niettemin hebben we een kostbaar geschenk ontvangen: het voorrecht van
bewijsmateriaal dat degenen hebben verzameld die tot achter de sluiers
van het allerheiligste zijn doorgedrongen, en die het mededogen hadden
om terug te keren en een beschermd gedeelte van hun visioen met ons
te delen. Misschien zal het bestuderen van hun bevindingen in het begin
slechts een verbroken patroon onthullen, maar die studie zal, indien
trouw voortgezet, overduidelijk wijzen op één universele
bron van waarheid.
Vanuit Centraal-Azië, waar de landen een uitgestrekt gebied beslaan,
waaronder de Gobi- of Shamowoestijn, het Tiangebergte (Tian Shan) en
Kunlungebergte, de landen Baloetjistan, Afghanistan, Perzië en
Turkestan, trokken groepen emigranten op, voor het grootste deel geestdriftig
van plan om te veroveren, te onderwerpen; en in die begintijd werden
heel wat veldslagen geleverd. Een belangrijke oorzaak die echter door
het volk niet werd herkend, was de impuls van de broederschap –
geholpen door karma – om het licht van de mysteriën naar
andere landen te brengen en de oude wijsheid wijd en zijd over het oppervlak
van de aarde te verspreiden:
Het was niet één enkel volk dat deze
Centraal-Aziatische beschavingen vormde en opbouwde. Er waren periodieke
golven van ons tegenwoordige vijfde wortelras . . . . elke beschaving
was op haar beurt een bakermat waaruit kindkolonies ontstonden, die
werden uitgezonden om licht en inwijding te brengen aan wat toen primitieve
en onontwikkelde delen van de wereld waren, zoals wat nu Europa, China,
Siberië en India zijn. – Aspecten
van de Occulte Filosofie, blz. 23, 22
Naar Bhārata-varsha of India, het land van de ārya’s,
de ‘waardigen’, trok een groep emigranten die een beschaving
en een cultuur stichtten die in de esoterische geschiedenis tot heden
ongeëvenaard zijn; de geestelijke invloed ervan strekte zich door
vertakkingen uit tot Egypte, Klein-Azië en Europa. Een andere groep
ging in westelijke richting naar Egypte, het ‘geschenk van de
Nijl’ zoals Herodotus het noemde, vermengde zich met de inheemse
bevolking en vestigde zich daar in de valleien. Uit die samensmelting
ontsprong een vorstelijke beschaving waarvan de roem na duizenden eeuwen
nog bestaat, vooral omdat de invloed van zijn mysteriën zich wijd
en zijd verspreidde toen de ene zegevierende natie na de andere geboeid
raakte door de innerlijke grandeur van Egypte. De spirituele inspiratie
van Perzië, Babylonië, Judea en Kreta, Griekenland en Rome
is in elk van de gevallen terug te voeren op de Egyptische en vroeg
Indo-Europese culturen. Bovendien hadden die oorspronkelijke beschavingen
zo’n enorme esoterische kracht dat
er verslagen zijn die aantonen dat Egyptische priesters
– ingewijden – over land in noordwestelijke richting
reisden, via wat later de Straat van Gibraltar werd; toen
naar het noorden gingen en door de toekomstige Fenicische nederzettingen
in Zuid-Gallië trokken; vervolgens nog verder naar het noorden
gingen tot ze Carnac (Morbihan) bereikten. Daarna wendden ze zich
weer naar het westen en bereikten, terwijl ze nog steeds over
land reisden, het noordwestelijke voorgebergte van het Nieuwe
Continent [de Britse Eilanden].
Wat was het doel van hun lange reis? En hoever terug moeten we de
datum van dergelijke bezoeken plaatsen? De archaïsche verslagen
delen mede dat de ingewijden van het tweede onderras van de Indo-Europese
familie zich van het ene land naar het andere begaven met het doel
toezicht te houden op de bouw van menhirs en dolmens, van
kolossale Dierenriemen in steen, en begraafplaatsen die moesten dienen
om de as van toekomstige geslachten te ontvangen. –
GL 2:853-4
Wat was de drijfveer van deze beschavingen anders dan de mysterieleringen
– leringen die in het gedachteleven van naties doordrongen, misschien
uit onbekende bron en door de massa niet als esoterisch herkend? Niettemin
waren ze de bron van inspiratie voor de kunstenaar bij zijn zoektocht
naar het goddelijke, van de intuïtie van de dichter die hunkert
naar waarheid, en van de harmonie die de musicus deed weerklinken toen
hij zocht naar de muziek der sferen. Het zijn geen holle woorden als
we zeggen dat alles wat geestelijke, intellectuele en artistieke waarde
heeft met wortel en kiem zijn ontstaan uit het Heiligdom.
Wat betekenen de steen en papyrus van Egypte anders dan een getuigenis
van kennis over lang vergeten oude waarheden? De taferelen van het wegen
van het hart tegen de veer van waarheid in de papyrussen van Pert
Em Hru – het ‘Voor de dag komen’, bekend als
het Dodenboek – schilderen in symbolen en allegorieën
wat werkelijk in de geheime kamers van de inwijdingspiramiden plaatsvond.
De levende getuigenis ervan is de Grote Piramide van Khoefoe of Cheops
die, zoals H.P. Blavatsky meer dan eens laat doorschemeren, misschien
teruggaat tot 75.000 jaar v.Chr. of tot een nog vroegere datum (zie
GL 2:488, 853).
Wat te denken van de druïden en hun oude ceremoniën onder
eik en mirte, van hun stenen monumenten die zo zijn opgesteld dat de
stralen van de opkomende zon het voorhoofd van de kandidaat raakten
toen hij ‘bekleed met de zon’ opstond van de inwijdingsbank,
letterlijk stralend met zonneluister? Waar kwam de training van hun
kandidaten in drie graden vandaan, een training die volstrekte morele
zuiverheid, geestelijke kracht en een diep inzicht in de waarheid vereisten?
Wat te zeggen van Perzië en zijn lange reeks Zarathoestra’s,
waar in de mystieke centra met zeven vertrekken waarheden van grote
intellectuele en geestelijke waarde werden onderwezen aan neofieten
die de traditionele training van de mysteriën ondergingen? Waren
de magiërs uit een andere bron voortgekomen dan de archaïsche
moeder van het occultisme? Wat moeten we denken van de orfische mysteriën,
waarvan de strenge discipline en esoterische inhoud misschien wel meer
van invloed zijn geweest op de Griekse cultuur dan de Eleusinische mysteriën
die eeuwenlang zo populair waren? Wijzen de leringen van Orfeus niet
op een oosterse oorsprong die doet denken aan de āśrama’s
of mysterietempels van India? Reisden Pythagoras en Plato niet eveneens
naar India, vanwaar ze het identieke patroon van de esoterie naar hun
discipelen terugbrachten?
We zouden zo kunnen doorgaan met de Oud-Noorse en Germaanse mystiek,
de hindoe- en de Chinese filosofie, het Griekse en Romeinse ceremonieel
– allemaal wevers van een patroon met één universeel
motief, een motief dat in alle tijden en op alle landen is toe te passen,
omdat het oneindig kan worden gevarieerd. Als men de innerlijke
betekenis van één mysterieschool doorgrondt, begrijpt
men de heilige identiteit van alle mysteriescholen – niet wat
de details van de interpretatie van een bepaalde cultuur of natie betreft,
maar de esoterische essentie ervan.
Wat is dan de toetssteen van de waarheid? Eén fundamentele vereiste
is universaliteit: is ze door al degenen onderwezen die waren ‘bekleed
met de centrale zon’ van inwijding? Heeft Boeddha Gautama zijn
discipelen precies dezelfde leer onderwezen als Jezus Christus? Heeft
Śankarāchārya in dezelfde esoterische leer onderricht
gegeven als Pythagoras en Empedocles? Werden Zarathoestra en Tsong-kha-pa
in hun adeptschap uit dezelfde schoot van de inwijdingskamer geboren
als Apollonius van Tiana, Orfeus en Lao-Tse? Hebben Perzië en Griekenland,
China en het oude Amerika, IJsland, Wales en Babylonië alle een
boodschap ontvangen die, ontdaan van hun uiterlijke kleed, in essentie
één is? Dat is ongetwijfeld zo, want zulke patronen zijn
op één weefgetouw geweven – het tijdloze weefgetouw
van de waarheid.
Deze mysteriescholen vormen niet een uniek stelsel, maar zijn gebaseerd
op de geestelijke structuur van het heelal. Ze werden
gesticht uit dezelfde motieven van mededogen die
de daden beheersten van de grote acteurs in het oorspronkelijke drama,
de eerste akten van ons manvantara. Ze kopieerden als het ware in
het klein wat er in die eerste tijden plaatsvond, wat in werkelijkheid
plaatsvond in de hiërarchie van mededogen op onze aarde of liever
in die afdeling van de hiërarchie van mededogen die wij de grote
witte loge noemen.
– G. de Purucker, Beginselen
van de Esoterische Filosofie, blz. 314
Eén oorspronkelijke mensheid, vele kindkolonies; één
mysterielering, vele mysteriescholen; één archaisch patroon,
vele variaties in kleur en weefsel, terwijl ieder land het weefpatroon
van zijn nationale mysteriën bijdraagt. Vanuit deze tijd gezien
bestaan er drie varianten op het motief:
(1) de oorspronkelijke ontsluiering van waarheid aan de in haar kinderstadium
verkerende mensheid door goddelijke leraren die werkten in overeenstemming
met de geestelijke planeetgeest van onze aarde die in de eerste millennia
met succes de weinige uitverkorenen samenbracht in een centrum van esoterisch
licht – de grote broederschap;
(2) de daaropvolgende ontsluiering, het rechtstreekse resultaat van
de eerste: de vergeestelijkende invloeden die ononderbroken door de
broederschap worden uitgezonden en meer in het bijzonder met cyclische
tussenpozen worden bekrachtigd door hun discipelen, de grote wereldleraren;
en
(3) de derde ontsluiering, ontstaan als product van (1) en (2): het
doordringen van waarheid in het leven van de mensen via de mysteriescholen,
de centra van esoterische discipline, waar in de binnenkamers alleen
inwijding van de ‘uitgekozenen’ plaatsheeft, maar waar het
grote publiek toegang tot het buitenhof kan vragen om grondwaarheden
te leren, zodat het leven kan worden veredeld en de dood even vanzelfsprekend
kan worden aanvaard als de slaap. Zo wordt het patroon van de esoterie
eeuw na eeuw geweven op het weefgetouw van de waarheid.
Hoofdstuk 5
Het tweevoudige karakter van de mysteriën
De hele essentie van waarheid kan niet van
mond tot oor worden overgebracht. Er is ook geen pen die haar
kan beschrijven, zelfs niet die van de engel die onze daden optekent,
tenzij de mens het antwoord vindt in het heiligdom van zijn eigen
hart, in de diepste diepten van zijn goddelijke intuïtie. –
De Geheime Leer 2:587
Hoe moeten die ‘diepste diepten’ worden gepeild, zodat
kennis van de werkelijkheid kan worden verkregen? Door training, door
discipline, door uit zichzelf voortkomende wijsheid. Die training en
discipline van de ziel is het karakteristieke kenmerk van de mysterie-instituten
die sinds de instelling ervan twee aspecten hadden: de exoterische vorm,
algemeen bekend als de kleine mysteriën die openstonden voor alle
oprechte en rechtschapen kandidaten voor diepergaande scholing; en de
esoterische vorm, of de grote mysteriën, waarvan de deuren alleen
opengaan voor de weinigen en waar de inwijding tot adept de beloning
is voor degenen die door hun innerlijke adel in staat zijn het zonneritueel
te ondergaan (zie hfst. 8 en 9).
Universele getuigenissen in steen en papyrus, symbool en allegorie,
grot en crypte, vertellen over de tweevoudige beproeving van de neofieten.
Jezus de avatāra sprak tot de menigte in gelijkenissen, maar ‘toen
zij alleen waren, legde hij alles uit aan zijn discipelen’ (Marcus
4:34). De Essenen hadden hun grote en hun kleine mysteriën en,
naar men zegt is Jezus van Nazareth in eerstgenoemde ingewijd.
De Chinese boeddhisten houden vast aan een zeer geliefde overlevering
dat Boeddha Gautama twee soorten leerstellingen had: één
voor het volk en zijn lekenchela’s; de andere voor zijn arhats.
Zijn beginsel was onveranderlijk
niemand toegang tot de gelederen van kandidaten voor
het arhatschap te weigeren, maar de diepste mysteriën nooit te
onthullen behalve aan hen die gedurende lange jaren van beproeving
hadden bewezen inwijding waardig te zijn.
– ‘De leer van de avatāra’s’,
BCW 14:370
De Hebreeuwse ingewijden geven blijk van intense wilskracht door hun
innerlijke leringen te versluieren. Aan de menigte onderwezen ze de
Tōrāh, de ‘Wet’, maar aan de weinigen leerden
ze de ongeschreven interpretatie, de ‘Geheime Wijsheid’
– hokhmāh nistorāh – ‘in het
duister, op een verlaten plek, en na vele vreselijke beproevingen’.
. . . Overgedragen als slechts een mysterie werd ze mondeling
aan de kandidaat ‘van aangezicht tot aangezicht en van mond
tot oor’ meegedeeld. Ook de Perzische en Chaldeeuwse magiërs
bestonden uit twee klassen: ‘de ingewijden en zij die alleen in
ceremoniële plechtigheden voor het volk mochten optreden’
(Isis Ontsluierd, Eng. versie, 2:306vn; en The Kabbalah
door Christian D. Ginsburg, blz. 86).
Eleusis en Samothrace worden in een prachtig silhouet tegen een blauwzwarte
hemel van de geschiedenis afgeschilderd. Classici vertellen ons dat
de kleine mysteriën in de lente in Agrai bij Athene werden gehouden,
terwijl de grote mysteriën in de herfst in Eleusis werden gevierd.
In de kleine mysteriën werden de kandidaten die waren toegelaten
tot de voorbereidende graden mystai (zij van wie ogen en mond
gesloten waren) genoemd. In de grote mysteriën werden de mystai
epoptai (zij die helder zien), die deelnamen aan de mysteriën
van het goddelijke Elysion – de eenwording met het goddelijke.
Evenzo bewaakten de hindoe-arhat, de Scandinavische skald, en de bard
uit Wales de ziel van de esoterie met de heiligheid van hun leven en
de discipline van hun heilige traditie:
Tot elke tempel behoorden de ‘hiërofanten’
die waren verbonden aan het innerlijke heiligdom, en de wereldlijke
geestelijken die zelfs niet geschoold waren in de mysteriën.
– Isis, Eng. versie, 2:306vn
In alle landen van de oudheid had ‘elke grote tempel
bovendien zijn eigen of geheime mysterieschool die aan de menigte onbekend
of gedeeltelijk bekend was’, en die er als een geheime kern aan
was verbonden. Een mysterieschool is niet noodzakelijk een school van
mensen die op een bepaalde plaats is gevestigd, met een vaste en in
de tijd onveranderlijke locatie en onder altijd gelijke fysieke omstandigheden
wat betreft de omgeving. Overal waar de behoefte groot is, moet het
werk worden gedaan; en ‘de fout van alle geleerden en mystici
is dat ze te veel nadruk leggen op mysteriescholen als plaatsen’
(AOF, blz. 670, 669).
Wat moeten we denken van de tempels in Griekenland en Rome, in Syrië
en Judea, de grottempels van Elephanta en Karli in India, de dagoba’s
in boeddhistische landen, de piramiden in Egypte en Peru, Mexico en
Yucatán? Wat van Stonehenge in Engeland; Carnac in Bretagne;
Sippara in Assyrië; Babylon, Borsippa en Erech in Babylonië;
Ecbatana in Medië, Bibracte in Gallië; en als laatste, maar
niet minder belangrijk, Iona in Schotland, waar de geheime kennis als
een juweel van wijsheid in het hart van het noordelijke land was gevat?
Waar zijn die nu? Alleen maar namen, overblijfselen, resten van vergeten
luister – of dat lijkt alleen maar zo.
Een mysterieschool is niet afhankelijk van een locatie; ze is eerder
een gezelschap of broederschap van geestelijk gedisciplineerde mensen
die door één gezamenlijk doel zijn verbonden: dienstverlening
aan de mensheid, een dienst die intelligent en met mededogen wordt verleend,
want ze is ontstaan uit liefde en wijsheid. Maar het is een feit dat
bepaalde centra gunstiger zijn voor een goed resultaat in spirituele
aangelegenheden dan andere. Waarom, bijvoorbeeld, waren die oude zetels
van de mysteriën bijna altijd in een rotstempel of een onderaardse
grot, in een woud of bergpas, in een piramidekamer of tempelcrypte?
Omdat de stromingen van het astrale licht rustiger, vrediger en zuiverder
worden hoe verder ze zijn verwijderd van de jachtige mensenmenigte.
Een centrum voor esoterische training zal men zelden aantreffen in de
nabijheid van grote steden, want dat zijn ‘wervelende draaikolken
. . . zenuwknopen, zenuwcentra in de lagere regionen van het astrale
licht’ (ET, blz. 586).
Daarom werden de locaties van de grote mysteriën gewoonlijk zorgvuldig
gekozen en hun scholen
schonken geen aandacht aan gebouwen van welke aard
ook, hoofdzakelijk omdat gebouwen onmiddellijk opvallen en de aandacht
trekken van het publiek in het algemeen, en dat is nu juist wat deze
meer geheime, meer esoterische scholen probeerden te vermijden. Als
de tempels niet meer waren dan centra voor exoterisch ritueel, werden
de mysteriescholen soms, los daarvan, in het geheim gehouden, en hielden
ze hun samenkomsten, ontmoetingen en inwijdingsriten gewoonlijk in
zorgvuldig gereedgemaakte grotten, verborgen voor het publiek, soms
zelfs in de openlucht zoals de Druïden deden tussen de eiken
in wat min of meer oeroude bossen waren in Engeland en Bretagne; in
enkele gevallen was er zelfs geen vaste plaats of locatie; de ingewijden
kregen bericht waar ze elkaar van tijd tot tijd konden ontmoeten om
hun inwijdingsfuncties te vervullen. – AOF,
blz. 670
Naar de rustige, vredige plaatsen van diepe stilte worden de adepten
aangetrokken en daar kunnen de geheime of grote mysteriën het meest
doeltreffend functioneren. Daar in de schuilhoeken van hun verborgen
inwijdingskamers heersen de krachten en stromingen van het hogere astrale
licht, het ākāśa, de subtiele substantie die overeenstemt
met de hogere stromen van geest en intellect. Op deze manier brengt
de broederschap haar energie en geestelijke vitaliteit naar de inwijdingsvertrekken
en kan de kandidaat, van wie de ziel met haar zeven stralen daarop is
afgestemd, de goddelijke indruk ontvangen.
Hoofdstuk 6
Inwijdingsgraden
Ieder land heeft zijn eigen methoden om kennis en traditie van de mysteriën
in stand te houden. De indeling in graden varieert, soms telt men er
vier, vijf, zeven of zelfs tien; maar in de tijd dat ze ongerept waren,
hielden ze allemaal – ongeacht de verdeling – het ene goddelijke
doel in ere: het geestelijke huwelijk te voltrekken tussen het hogere
zelf en de ontwaakte ziel van de mens; uit die vereniging wordt de ziener,
de adept, de meester over het leven geboren. Ondanks de vernietigende
werking van de tijd en de door de priesterstand aangerichte schade,
de wirwar van intriges en onwetendheid waarin exoterische riten verstrikt
zijn geraakt, bespeurt men de eerbiedwaardige overlevering.
In Klein-Azië schrijft Theon van Smyrna over vijf graden in de
inwijdingscyclus: (1) ‘de voorbereidende loutering’, want
deelname aan de mysteriën ‘moet niet zonder onderscheid worden
toegestaan aan iedereen die dat wil’; (2) ‘de traditie van
heilige dingen’ die de ‘eigenlijke inwijding’ vormt;
(3) de ‘epoptische openbaring’, waarbij de kandidaat rechtstreekse
intuïtie van de waarheid kan ervaren; (4) ‘het omwinden van
het hoofd en het plaatsen van de kroon’ – een duidelijke
verwijzing naar het mystieke gezag dat met de kroon van inwijding wordt
ontvangen om de heilige traditie aan anderen over te dragen; en tenslotte
(5) ‘vriendschap en innerlijke gemeenschap’ met het goddelijke
– dit werd als het hoogste en plechtigste van alle mysteriën
beschouwd, het volkomen opgaan van het verlichte denkvermogen in het
goddelijke zelf (zie Theon of Smyrna, Mathematics Useful for Understanding
Plato, blz. 8-9; ook Isis, Eng. ed., 1:xiv-xv; 2:101).
Ten tijde van het mithraïsme in Perzië, toen de zonnegod
meer in ere werd gehouden dan aardse zaken, waren er zeven graden, en
de kandidaat ontving een naam overeenkomstig het stadium van innerlijke
groei. Volgens de Grieks-Latijnse namen die ons zijn overgeleverd werd
de neofiet van de eerste graad corax, ‘raaf’, genoemd
– de zwarte vogel, iemand in wie het licht van wijsheid nog niet
in grote mate was ontwaakt. Het woord betekende ook dienaar: hij die
geheel en al uit zijn hart geeft alvorens toegang te krijgen tot de
tweede graad die cryphius, ‘occult’, werd genoemd:
iemand die als discipel van de esoterische kennis was aangenomen; de
derde was miles, ‘soldaat’, iemand die voldoende
training en zuivering had ontvangen om een werker voor het goede te
worden. De vierde – leo, ‘leeuw’, zinnebeeld
van zonnekracht – verwijst naar de vierde inwijding waarin de
kandidaat aan de bewuste solarisatie van zijn wezen begint door middel
van onderricht en gespecialiseerde training (zie hfst. 7 en 8). De vijfde
graad stond bekend als perses of ‘Pers’ en betekende
voor de Perzen van die tijd iemand die geestelijk-menselijk werd –
gemānasaputriseerd, dat wil zeggen, in wie denkvermogen was geboren.
De zesde, heliodromus, ‘boodschapper of koerier van Helios
(de zon)’, is een verwijzing naar Mercurius of Budha, als boodschapper
tussen de zon in de kosmos en de zon in de mens: de hoogste ontwikkeling
van buddhi. De laatste en zevende werd pater, ‘vader’,
genoemd, de staat van een volledig ingewijde (zie The Ancient Mysteries,
A Sourcebook, Marvin W. Meyer, red., blz. 200-1; ook ET,
blz. 495).
De hindoes hadden eveneens uiteenlopende namen voor hun discipelen
naargelang zij van de ene graad naar de andere overgingen. In één
school ontvingen de kandidaten bijvoorbeeld de namen van de tien avatāra’s
van Vishnu. De neofiet van de eerste graad werd matsya, ‘vis’,
genoemd: iemand die nog laag staat op de ladder van geestelijke kennis.
De tweede was kūrma, ‘schildpad’: één
stap hoger in evolutionaire ontwikkeling. De derde graad werd varāha,
‘everzwijn’, genoemd, een verdere vooruitgang in individualisering,
terwijl de vierde werd aangeduid als nara-simha, ‘mens-leeuw’.
Dit vierde stadium betekent het keerpunt tussen de voorbereidende graden
van de kleine mysteriën en de gevorderde graden van de grote mysteriën.
De titel mens-leeuw wijst op de keuze die de aspirant moet maken tussen
overheersing van de eigenschappen van de dierlijke ziel en het vanaf
dat moment oppermachtig zijn van de echt menselijke kenmerken. Welslagen
in de vierde graad verzekerde de toegang tot de vijfde graad die vāmana,
‘dwerg’, werd genoemd, waarin de kandidaat de gewaden van
occult menszijn aantrok, al was dit menszijn nog kinderlijk vergeleken
met volledig meesterschap. Paraśu-Rāma of ‘Rāma
met een bijl’ was de naam voor een neofiet van de zesde graad,
en duidt op iemand die gelijkmoedig zijn weg kon banen door de werelden
van zowel geest als stof. In de zevende graad wordt de discipel volledig
mens en ontvangt de naam Rāma, held uit het Rāmāyana,
een belangrijk heldendicht uit Hindoestan.
De laatste drie graden, de achtste, negende en tiende, heten achtereenvolgens:
Krishna, de avatāra van wie de dood het kaliyuga inluidde,
ruim 5000 jaar geleden; Boeddha, die door zijn verzaking van
nirvāna licht en vrede aan een lijdende mensheid bracht; en de
laatste, de tiende, Kalkin of Kalkī, de avatāra
van het ‘witte paard’ die nog moet verschijnen. Zoals wordt
vermeld in het Vishnu-Purāna (IV, hfst. 24) is hij voorbestemd
om aan het einde van het kali- of ijzeren tijdperk te verschijnen, gezeten
op een wit paard, met getrokken zwaard vlammend als een komeet, om het
kwaad te vernietigen, de schepping te vernieuwen en de zuiverheid in
ere te herstellen. In de oude symboliek was het paard ook een zinnebeeld
van de zon; daarom zal deze tiende avatāra het ros van de zonnepracht
berijden om bekleed met de zon van geestelijke verlichting de Nieuwe
Tijd in te luiden*.
*Zie John Dowson, A Classical Dictionary of Hindu
Mythology and Religion, Geography, History, and Literature, 6de
ed., blz. 38; ook H.P. Blavatsky, Theosophical Glossary,
blz. 170.
Terwijl de mysteriën gewoonlijk zeven graden telden, bestaan er
aanwijzingen van drie hogere graden dan de zevende. Maar deze zouden
zo esoterisch zijn dat alleen de meest vergeestelijkte mensen deze goddelijke
inwijdingen zouden kunnen begrijpen en dus ondergaan.
Zij die gelijk een avatāra worden zijn inderdaad zeldzaam; nog
zeldzamer, ‘zo zeldzaam als de bloemen van de udumbaraboom’
zijn de boeddha’s. Wat de tiende en laatste aangaat – die
worden niet door een beschrijving ontsierd.