De Mysteriescholen door de eeuwen heen
Grace F. Knoche

Deel 2

4. Het patroon van de esoterie

5. Het tweevoudige karakter van de mysteriën

6. Inwijdingsgraden


© 2001  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565AG Den Haag

 

 

Hoofdstuk 4

Het patroon van de esoterie


Voor het geestelijke arendsoog van de ziener en de profeet van ieder ras strekt de draad van Ariadne zich uit voorbij dat ‘historische tijdperk’, ononderbroken en zonder zwakke plek, zeker en gestadig, tot in de nacht van de tijd; en de hand die hem vasthoudt is te machtig om hem te laten vallen of zelfs te laten breken.
   – De Geheime Leer 2:72

Deze draad van de esoterie gaat nog verder terug tot in het vroegste begin van de mensheid, waar alleen ‘waarheid, hoog gezeten op haar diamanten rotsblok, eeuwig en onovertroffen was’ (Isis Ontsluierd, Voorwoord). Waar is deze waarheid, dit weefgetouw van esoterische geschiedenis, en wat is het patroon van haar weefsel? In het thuisland van de broederschap staat dit weefgetouw; de schering ervan wordt gevormd door de aloude draden van inwijding die door het offer van de adepten op occulte spanning worden gehouden, en de inslag wordt eeuw na eeuw geweven naarmate ieder land de lichtgevende draden van de esoterie in zijn mysteriescholen spint.

De profane geschiedschrijving vermeldt nauwelijks iets dat samenhang en waarde heeft, behalve dan dat de overblijfselen van dit mystieke tafereel alle wijzen op een identiek thema. Als men over ‘een doorlopende en volledige geschiedenis van onze mensheid wil beschikken van haar allereerste stadium tot de huidige tijd toe’, moet men naar archaïsche optekeningen zoeken. Alleen daarmee kan men, al is het maar in vage contouren, het aloude patroon op het spoor komen. Maar de toegang ertoe is uitsluitend het voorrecht van de adept, want deze ‘kennis is alleen voor de hoogste ingewijden, die hun leerlingen niet in vertrouwen nemen’ (GL 2:495). Niettemin hebben we een kostbaar geschenk ontvangen: het voorrecht van bewijsmateriaal dat degenen hebben verzameld die tot achter de sluiers van het allerheiligste zijn doorgedrongen, en die het mededogen hadden om terug te keren en een beschermd gedeelte van hun visioen met ons te delen. Misschien zal het bestuderen van hun bevindingen in het begin slechts een verbroken patroon onthullen, maar die studie zal, indien trouw voortgezet, overduidelijk wijzen op één universele bron van waarheid.

Vanuit Centraal-Azië, waar de landen een uitgestrekt gebied beslaan, waaronder de Gobi- of Shamowoestijn, het Tiangebergte (Tian Shan) en Kunlungebergte, de landen Baloetjistan, Afghanistan, Perzië en Turkestan, trokken groepen emigranten op, voor het grootste deel geestdriftig van plan om te veroveren, te onderwerpen; en in die begintijd werden heel wat veldslagen geleverd. Een belangrijke oorzaak die echter door het volk niet werd herkend, was de impuls van de broederschap – geholpen door karma – om het licht van de mysteriën naar andere landen te brengen en de oude wijsheid wijd en zijd over het oppervlak van de aarde te verspreiden:

Het was niet één enkel volk dat deze Centraal-Aziatische beschavingen vormde en opbouwde. Er waren periodieke golven van ons tegenwoordige vijfde wortelras . . . . elke beschaving was op haar beurt een bakermat waaruit kindkolonies ontstonden, die werden uitgezonden om licht en inwijding te brengen aan wat toen primitieve en onontwikkelde delen van de wereld waren, zoals wat nu Europa, China, Siberië en India zijn.    – Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 23, 22

Naar Bhārata-varsha of India, het land van de ārya’s, de ‘waardigen’, trok een groep emigranten die een beschaving en een cultuur stichtten die in de esoterische geschiedenis tot heden ongeëvenaard zijn; de geestelijke invloed ervan strekte zich door vertakkingen uit tot Egypte, Klein-Azië en Europa. Een andere groep ging in westelijke richting naar Egypte, het ‘geschenk van de Nijl’ zoals Herodotus het noemde, vermengde zich met de inheemse bevolking en vestigde zich daar in de valleien. Uit die samensmelting ontsprong een vorstelijke beschaving waarvan de roem na duizenden eeuwen nog bestaat, vooral omdat de invloed van zijn mysteriën zich wijd en zijd verspreidde toen de ene zegevierende natie na de andere geboeid raakte door de innerlijke grandeur van Egypte. De spirituele inspiratie van Perzië, Babylonië, Judea en Kreta, Griekenland en Rome is in elk van de gevallen terug te voeren op de Egyptische en vroeg Indo-Europese culturen. Bovendien hadden die oorspronkelijke beschavingen zo’n enorme esoterische kracht dat

er verslagen zijn die aantonen dat Egyptische priesters – ingewijden – over land in noordwestelijke richting reisden, via wat later de Straat van Gibraltar werd; toen naar het noorden gingen en door de toekomstige Fenicische nederzettingen in Zuid-Gallië trokken; vervolgens nog verder naar het noorden gingen tot ze Carnac (Morbihan) bereikten. Daarna wendden ze zich weer naar het westen en bereikten, terwijl ze nog steeds over land reisden, het noordwestelijke voorgebergte van het Nieuwe Continent [de Britse Eilanden].

Wat was het doel van hun lange reis? En hoever terug moeten we de datum van dergelijke bezoeken plaatsen? De archaïsche verslagen delen mede dat de ingewijden van het tweede onderras van de Indo-Europese familie zich van het ene land naar het andere begaven met het doel toezicht te houden op de bouw van menhirs en dolmens, van kolossale Dierenriemen in steen, en begraafplaatsen die moesten dienen om de as van toekomstige geslachten te ontvangen.    – GL 2:853-4

Wat was de drijfveer van deze beschavingen anders dan de mysterieleringen – leringen die in het gedachteleven van naties doordrongen, misschien uit onbekende bron en door de massa niet als esoterisch herkend? Niettemin waren ze de bron van inspiratie voor de kunstenaar bij zijn zoektocht naar het goddelijke, van de intuïtie van de dichter die hunkert naar waarheid, en van de harmonie die de musicus deed weerklinken toen hij zocht naar de muziek der sferen. Het zijn geen holle woorden als we zeggen dat alles wat geestelijke, intellectuele en artistieke waarde heeft met wortel en kiem zijn ontstaan uit het Heiligdom.

Wat betekenen de steen en papyrus van Egypte anders dan een getuigenis van kennis over lang vergeten oude waarheden? De taferelen van het wegen van het hart tegen de veer van waarheid in de papyrussen van Pert Em Hru – het ‘Voor de dag komen’, bekend als het Dodenboek – schilderen in symbolen en allegorieën wat werkelijk in de geheime kamers van de inwijdingspiramiden plaatsvond. De levende getuigenis ervan is de Grote Piramide van Khoefoe of Cheops die, zoals H.P. Blavatsky meer dan eens laat doorschemeren, misschien teruggaat tot 75.000 jaar v.Chr. of tot een nog vroegere datum (zie GL 2:488, 853).

Wat te denken van de druïden en hun oude ceremoniën onder eik en mirte, van hun stenen monumenten die zo zijn opgesteld dat de stralen van de opkomende zon het voorhoofd van de kandidaat raakten toen hij ‘bekleed met de zon’ opstond van de inwijdingsbank, letterlijk stralend met zonneluister? Waar kwam de training van hun kandidaten in drie graden vandaan, een training die volstrekte morele zuiverheid, geestelijke kracht en een diep inzicht in de waarheid vereisten?

Wat te zeggen van Perzië en zijn lange reeks Zarathoestra’s, waar in de mystieke centra met zeven vertrekken waarheden van grote intellectuele en geestelijke waarde werden onderwezen aan neofieten die de traditionele training van de mysteriën ondergingen? Waren de magiërs uit een andere bron voortgekomen dan de archaïsche moeder van het occultisme? Wat moeten we denken van de orfische mysteriën, waarvan de strenge discipline en esoterische inhoud misschien wel meer van invloed zijn geweest op de Griekse cultuur dan de Eleusinische mysteriën die eeuwenlang zo populair waren? Wijzen de leringen van Orfeus niet op een oosterse oorsprong die doet denken aan de āśrama’s of mysterietempels van India? Reisden Pythagoras en Plato niet eveneens naar India, vanwaar ze het identieke patroon van de esoterie naar hun discipelen terugbrachten?

We zouden zo kunnen doorgaan met de Oud-Noorse en Germaanse mystiek, de hindoe- en de Chinese filosofie, het Griekse en Romeinse ceremonieel – allemaal wevers van een patroon met één universeel motief, een motief dat in alle tijden en op alle landen is toe te passen, omdat het oneindig kan worden gevarieerd. Als men de innerlijke betekenis van één mysterieschool doorgrondt, begrijpt men de heilige identiteit van alle mysteriescholen – niet wat de details van de interpretatie van een bepaalde cultuur of natie betreft, maar de esoterische essentie ervan.

Wat is dan de toetssteen van de waarheid? Eén fundamentele vereiste is universaliteit: is ze door al degenen onderwezen die waren ‘bekleed met de centrale zon’ van inwijding? Heeft Boeddha Gautama zijn discipelen precies dezelfde leer onderwezen als Jezus Christus? Heeft Śankarāchārya in dezelfde esoterische leer onderricht gegeven als Pythagoras en Empedocles? Werden Zarathoestra en Tsong-kha-pa in hun adeptschap uit dezelfde schoot van de inwijdingskamer geboren als Apollonius van Tiana, Orfeus en Lao-Tse? Hebben Perzië en Griekenland, China en het oude Amerika, IJsland, Wales en Babylonië alle een boodschap ontvangen die, ontdaan van hun uiterlijke kleed, in essentie één is? Dat is ongetwijfeld zo, want zulke patronen zijn op één weefgetouw geweven – het tijdloze weefgetouw van de waarheid.

Deze mysteriescholen vormen niet een uniek stelsel, maar zijn gebaseerd op de geestelijke structuur van het heelal. Ze werden

gesticht uit dezelfde motieven van mededogen die de daden beheersten van de grote acteurs in het oorspronkelijke drama, de eerste akten van ons manvantara. Ze kopieerden als het ware in het klein wat er in die eerste tijden plaatsvond, wat in werkelijkheid plaatsvond in de hiërarchie van mededogen op onze aarde of liever in die afdeling van de hiërarchie van mededogen die wij de grote witte loge noemen.
   – G. de Purucker, Beginselen van de Esoterische Filosofie, blz. 314

Eén oorspronkelijke mensheid, vele kindkolonies; één mysterielering, vele mysteriescholen; één archaisch patroon, vele variaties in kleur en weefsel, terwijl ieder land het weefpatroon van zijn nationale mysteriën bijdraagt. Vanuit deze tijd gezien bestaan er drie varianten op het motief:

(1) de oorspronkelijke ontsluiering van waarheid aan de in haar kinderstadium verkerende mensheid door goddelijke leraren die werkten in overeenstemming met de geestelijke planeetgeest van onze aarde die in de eerste millennia met succes de weinige uitverkorenen samenbracht in een centrum van esoterisch licht – de grote broederschap;

(2) de daaropvolgende ontsluiering, het rechtstreekse resultaat van de eerste: de vergeestelijkende invloeden die ononderbroken door de broederschap worden uitgezonden en meer in het bijzonder met cyclische tussenpozen worden bekrachtigd door hun discipelen, de grote wereldleraren; en

(3) de derde ontsluiering, ontstaan als product van (1) en (2): het doordringen van waarheid in het leven van de mensen via de mysteriescholen, de centra van esoterische discipline, waar in de binnenkamers alleen inwijding van de ‘uitgekozenen’ plaatsheeft, maar waar het grote publiek toegang tot het buitenhof kan vragen om grondwaarheden te leren, zodat het leven kan worden veredeld en de dood even vanzelfsprekend kan worden aanvaard als de slaap. Zo wordt het patroon van de esoterie eeuw na eeuw geweven op het weefgetouw van de waarheid.

 


Hoofdstuk 5

Het tweevoudige karakter van de mysteriën


De hele essentie van waarheid kan niet van mond tot oor worden overgebracht. Er is ook geen pen die haar kan beschrijven, zelfs niet die van de engel die onze daden optekent, tenzij de mens het antwoord vindt in het heiligdom van zijn eigen hart, in de diepste diepten van zijn goddelijke intuïtie.    – De Geheime Leer 2:587

Hoe moeten die ‘diepste diepten’ worden gepeild, zodat kennis van de werkelijkheid kan worden verkregen? Door training, door discipline, door uit zichzelf voortkomende wijsheid. Die training en discipline van de ziel is het karakteristieke kenmerk van de mysterie-instituten die sinds de instelling ervan twee aspecten hadden: de exoterische vorm, algemeen bekend als de kleine mysteriën die openstonden voor alle oprechte en rechtschapen kandidaten voor diepergaande scholing; en de esoterische vorm, of de grote mysteriën, waarvan de deuren alleen opengaan voor de weinigen en waar de inwijding tot adept de beloning is voor degenen die door hun innerlijke adel in staat zijn het zonneritueel te ondergaan (zie hfst. 8 en 9).

Universele getuigenissen in steen en papyrus, symbool en allegorie, grot en crypte, vertellen over de tweevoudige beproeving van de neofieten. Jezus de avatāra sprak tot de menigte in gelijkenissen, maar ‘toen zij alleen waren, legde hij alles uit aan zijn discipelen’ (Marcus 4:34). De Essenen hadden hun grote en hun kleine mysteriën en, naar men zegt is Jezus van Nazareth in eerstgenoemde ingewijd.

De Chinese boeddhisten houden vast aan een zeer geliefde overlevering dat Boeddha Gautama twee soorten leerstellingen had: één voor het volk en zijn lekenchela’s; de andere voor zijn arhats. Zijn beginsel was onveranderlijk

niemand toegang tot de gelederen van kandidaten voor het arhatschap te weigeren, maar de diepste mysteriën nooit te onthullen behalve aan hen die gedurende lange jaren van beproeving hadden bewezen inwijding waardig te zijn.
   – ‘De leer van de avatāra’s’, BCW 14:370

De Hebreeuwse ingewijden geven blijk van intense wilskracht door hun innerlijke leringen te versluieren. Aan de menigte onderwezen ze de Tōrāh, de ‘Wet’, maar aan de weinigen leerden ze de ongeschreven interpretatie, de ‘Geheime Wijsheid’ – hokhmāh nistorāh – ‘in het duister, op een verlaten plek, en na vele vreselijke beproevingen’. . . . Overgedragen als slechts een mysterie werd ze mondeling aan de kandidaat ‘van aangezicht tot aangezicht en van mond tot oor’ meegedeeld. Ook de Perzische en Chaldeeuwse magiërs bestonden uit twee klassen: ‘de ingewijden en zij die alleen in ceremoniële plechtigheden voor het volk mochten optreden’ (Isis Ontsluierd, Eng. versie, 2:306vn; en The Kabbalah door Christian D. Ginsburg, blz. 86).

Eleusis en Samothrace worden in een prachtig silhouet tegen een blauwzwarte hemel van de geschiedenis afgeschilderd. Classici vertellen ons dat de kleine mysteriën in de lente in Agrai bij Athene werden gehouden, terwijl de grote mysteriën in de herfst in Eleusis werden gevierd. In de kleine mysteriën werden de kandidaten die waren toegelaten tot de voorbereidende graden mystai (zij van wie ogen en mond gesloten waren) genoemd. In de grote mysteriën werden de mystai epoptai (zij die helder zien), die deelnamen aan de mysteriën van het goddelijke Elysion – de eenwording met het goddelijke.

Evenzo bewaakten de hindoe-arhat, de Scandinavische skald, en de bard uit Wales de ziel van de esoterie met de heiligheid van hun leven en de discipline van hun heilige traditie:

Tot elke tempel behoorden de ‘hiërofanten’ die waren verbonden aan het innerlijke heiligdom, en de wereldlijke geestelijken die zelfs niet geschoold waren in de mysteriën.    – Isis, Eng. versie, 2:306vn

In alle landen van de oudheid had ‘elke grote tempel bovendien zijn eigen of geheime mysterieschool die aan de menigte onbekend of gedeeltelijk bekend was’, en die er als een geheime kern aan was verbonden. Een mysterieschool is niet noodzakelijk een school van mensen die op een bepaalde plaats is gevestigd, met een vaste en in de tijd onveranderlijke locatie en onder altijd gelijke fysieke omstandigheden wat betreft de omgeving. Overal waar de behoefte groot is, moet het werk worden gedaan; en ‘de fout van alle geleerden en mystici is dat ze te veel nadruk leggen op mysteriescholen als plaatsen’ (AOF, blz. 670, 669).

Wat moeten we denken van de tempels in Griekenland en Rome, in Syrië en Judea, de grottempels van Elephanta en Karli in India, de dagoba’s in boeddhistische landen, de piramiden in Egypte en Peru, Mexico en Yucatán? Wat van Stonehenge in Engeland; Carnac in Bretagne; Sippara in Assyrië; Babylon, Borsippa en Erech in Babylonië; Ecbatana in Medië, Bibracte in Gallië; en als laatste, maar niet minder belangrijk, Iona in Schotland, waar de geheime kennis als een juweel van wijsheid in het hart van het noordelijke land was gevat? Waar zijn die nu? Alleen maar namen, overblijfselen, resten van vergeten luister – of dat lijkt alleen maar zo.

Een mysterieschool is niet afhankelijk van een locatie; ze is eerder een gezelschap of broederschap van geestelijk gedisciplineerde mensen die door één gezamenlijk doel zijn verbonden: dienstverlening aan de mensheid, een dienst die intelligent en met mededogen wordt verleend, want ze is ontstaan uit liefde en wijsheid. Maar het is een feit dat bepaalde centra gunstiger zijn voor een goed resultaat in spirituele aangelegenheden dan andere. Waarom, bijvoorbeeld, waren die oude zetels van de mysteriën bijna altijd in een rotstempel of een onderaardse grot, in een woud of bergpas, in een piramidekamer of tempelcrypte? Omdat de stromingen van het astrale licht rustiger, vrediger en zuiverder worden hoe verder ze zijn verwijderd van de jachtige mensenmenigte. Een centrum voor esoterische training zal men zelden aantreffen in de nabijheid van grote steden, want dat zijn ‘wervelende draaikolken . . . zenuwknopen, zenuwcentra in de lagere regionen van het astrale licht’ (ET, blz. 586).

Daarom werden de locaties van de grote mysteriën gewoonlijk zorgvuldig gekozen en hun scholen

schonken geen aandacht aan gebouwen van welke aard ook, hoofdzakelijk omdat gebouwen onmiddellijk opvallen en de aandacht trekken van het publiek in het algemeen, en dat is nu juist wat deze meer geheime, meer esoterische scholen probeerden te vermijden. Als de tempels niet meer waren dan centra voor exoterisch ritueel, werden de mysteriescholen soms, los daarvan, in het geheim gehouden, en hielden ze hun samenkomsten, ontmoetingen en inwijdingsriten gewoonlijk in zorgvuldig gereedgemaakte grotten, verborgen voor het publiek, soms zelfs in de openlucht zoals de Druïden deden tussen de eiken in wat min of meer oeroude bossen waren in Engeland en Bretagne; in enkele gevallen was er zelfs geen vaste plaats of locatie; de ingewijden kregen bericht waar ze elkaar van tijd tot tijd konden ontmoeten om hun inwijdingsfuncties te vervullen.    – AOF, blz. 670

Naar de rustige, vredige plaatsen van diepe stilte worden de adepten aangetrokken en daar kunnen de geheime of grote mysteriën het meest doeltreffend functioneren. Daar in de schuilhoeken van hun verborgen inwijdingskamers heersen de krachten en stromingen van het hogere astrale licht, het ākāśa, de subtiele substantie die overeenstemt met de hogere stromen van geest en intellect. Op deze manier brengt de broederschap haar energie en geestelijke vitaliteit naar de inwijdingsvertrekken en kan de kandidaat, van wie de ziel met haar zeven stralen daarop is afgestemd, de goddelijke indruk ontvangen.

 


Hoofdstuk 6

Inwijdingsgraden


Ieder land heeft zijn eigen methoden om kennis en traditie van de mysteriën in stand te houden. De indeling in graden varieert, soms telt men er vier, vijf, zeven of zelfs tien; maar in de tijd dat ze ongerept waren, hielden ze allemaal – ongeacht de verdeling – het ene goddelijke doel in ere: het geestelijke huwelijk te voltrekken tussen het hogere zelf en de ontwaakte ziel van de mens; uit die vereniging wordt de ziener, de adept, de meester over het leven geboren. Ondanks de vernietigende werking van de tijd en de door de priesterstand aangerichte schade, de wirwar van intriges en onwetendheid waarin exoterische riten verstrikt zijn geraakt, bespeurt men de eerbiedwaardige overlevering.

In Klein-Azië schrijft Theon van Smyrna over vijf graden in de inwijdingscyclus: (1) ‘de voorbereidende loutering’, want deelname aan de mysteriën ‘moet niet zonder onderscheid worden toegestaan aan iedereen die dat wil’; (2) ‘de traditie van heilige dingen’ die de ‘eigenlijke inwijding’ vormt; (3) de ‘epoptische openbaring’, waarbij de kandidaat rechtstreekse intuïtie van de waarheid kan ervaren; (4) ‘het omwinden van het hoofd en het plaatsen van de kroon’ – een duidelijke verwijzing naar het mystieke gezag dat met de kroon van inwijding wordt ontvangen om de heilige traditie aan anderen over te dragen; en tenslotte (5) ‘vriendschap en innerlijke gemeenschap’ met het goddelijke – dit werd als het hoogste en plechtigste van alle mysteriën beschouwd, het volkomen opgaan van het verlichte denkvermogen in het goddelijke zelf (zie Theon of Smyrna, Mathematics Useful for Understanding Plato, blz. 8-9; ook Isis, Eng. ed., 1:xiv-xv; 2:101).

Ten tijde van het mithraïsme in Perzië, toen de zonnegod meer in ere werd gehouden dan aardse zaken, waren er zeven graden, en de kandidaat ontving een naam overeenkomstig het stadium van innerlijke groei. Volgens de Grieks-Latijnse namen die ons zijn overgeleverd werd de neofiet van de eerste graad corax, ‘raaf’, genoemd – de zwarte vogel, iemand in wie het licht van wijsheid nog niet in grote mate was ontwaakt. Het woord betekende ook dienaar: hij die geheel en al uit zijn hart geeft alvorens toegang te krijgen tot de tweede graad die cryphius, ‘occult’, werd genoemd: iemand die als discipel van de esoterische kennis was aangenomen; de derde was miles, ‘soldaat’, iemand die voldoende training en zuivering had ontvangen om een werker voor het goede te worden. De vierde – leo, ‘leeuw’, zinnebeeld van zonnekracht – verwijst naar de vierde inwijding waarin de kandidaat aan de bewuste solarisatie van zijn wezen begint door middel van onderricht en gespecialiseerde training (zie hfst. 7 en 8). De vijfde graad stond bekend als perses of ‘Pers’ en betekende voor de Perzen van die tijd iemand die geestelijk-menselijk werd – gemānasaputriseerd, dat wil zeggen, in wie denkvermogen was geboren. De zesde, heliodromus, ‘boodschapper of koerier van Helios (de zon)’, is een verwijzing naar Mercurius of Budha, als boodschapper tussen de zon in de kosmos en de zon in de mens: de hoogste ontwikkeling van buddhi. De laatste en zevende werd pater, ‘vader’, genoemd, de staat van een volledig ingewijde (zie The Ancient Mysteries, A Sourcebook, Marvin W. Meyer, red., blz. 200-1; ook ET, blz. 495).

De hindoes hadden eveneens uiteenlopende namen voor hun discipelen naargelang zij van de ene graad naar de andere overgingen. In één school ontvingen de kandidaten bijvoorbeeld de namen van de tien avatāra’s van Vishnu. De neofiet van de eerste graad werd matsya, ‘vis’, genoemd: iemand die nog laag staat op de ladder van geestelijke kennis. De tweede was kūrma, ‘schildpad’: één stap hoger in evolutionaire ontwikkeling. De derde graad werd varāha, ‘everzwijn’, genoemd, een verdere vooruitgang in individualisering, terwijl de vierde werd aangeduid als nara-simha, ‘mens-leeuw’. Dit vierde stadium betekent het keerpunt tussen de voorbereidende graden van de kleine mysteriën en de gevorderde graden van de grote mysteriën. De titel mens-leeuw wijst op de keuze die de aspirant moet maken tussen overheersing van de eigenschappen van de dierlijke ziel en het vanaf dat moment oppermachtig zijn van de echt menselijke kenmerken. Welslagen in de vierde graad verzekerde de toegang tot de vijfde graad die vāmana, ‘dwerg’, werd genoemd, waarin de kandidaat de gewaden van occult menszijn aantrok, al was dit menszijn nog kinderlijk vergeleken met volledig meesterschap. Paraśu-Rāma of ‘Rāma met een bijl’ was de naam voor een neofiet van de zesde graad, en duidt op iemand die gelijkmoedig zijn weg kon banen door de werelden van zowel geest als stof. In de zevende graad wordt de discipel volledig mens en ontvangt de naam Rāma, held uit het Rāmāyana, een belangrijk heldendicht uit Hindoestan.

De laatste drie graden, de achtste, negende en tiende, heten achtereenvolgens: Krishna, de avatāra van wie de dood het kaliyuga inluidde, ruim 5000 jaar geleden; Boeddha, die door zijn verzaking van nirvāna licht en vrede aan een lijdende mensheid bracht; en de laatste, de tiende, Kalkin of Kalkī, de avatāra van het ‘witte paard’ die nog moet verschijnen. Zoals wordt vermeld in het Vishnu-Purāna (IV, hfst. 24) is hij voorbestemd om aan het einde van het kali- of ijzeren tijdperk te verschijnen, gezeten op een wit paard, met getrokken zwaard vlammend als een komeet, om het kwaad te vernietigen, de schepping te vernieuwen en de zuiverheid in ere te herstellen. In de oude symboliek was het paard ook een zinnebeeld van de zon; daarom zal deze tiende avatāra het ros van de zonnepracht berijden om bekleed met de zon van geestelijke verlichting de Nieuwe Tijd in te luiden*.

*Zie John Dowson, A Classical Dictionary of Hindu Mythology and Religion, Geography, History, and Literature, 6de ed., blz. 38; ook H.P. Blavatsky, Theosophical Glossary, blz. 170.

Terwijl de mysteriën gewoonlijk zeven graden telden, bestaan er aanwijzingen van drie hogere graden dan de zevende. Maar deze zouden zo esoterisch zijn dat alleen de meest vergeestelijkte mensen deze goddelijke inwijdingen zouden kunnen begrijpen en dus ondergaan.

Zij die gelijk een avatāra worden zijn inderdaad zeldzaam; nog zeldzamer, ‘zo zeldzaam als de bloemen van de udumbaraboom’ zijn de boeddha’s. Wat de tiende en laatste aangaat – die worden niet door een beschrijving ontsierd.

 

Deel 3

Inhoudsopgave

 


De Mysteriescholen door de eeuwen heen, blz. 25-45

© 2001  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag