De Mysteriescholen door de eeuwen heen
Grace F. Knoche

Deel 3

7. De kleine mysteriën

8. De grote mysteriën

9. Wegen van inwijding


© 2001  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565AG Den Haag

 

 

Hoofdstuk 7

De kleine mysteriën


De kleine mysteriën dienen als voorbereiding van de neofiet op de inwijding in de grote mysteriën via diverse stadia van loutering en discipline, gepaard gaand met oefening in intellectueel en geestelijk inzicht. Zoals in het vorige hoofdstuk is aangegeven, telde men gewoonlijk zeven graden; de eerste drie graden daarvan omvatten de kleine mysteriën. De vierde graad is het keerpunt of de beslissende fase waarin zij die discipline en training van de voorbereidende stadia hadden ondergaan, aan de toets van werkelijke ervaring van het zich vereenzelvigen worden onderworpen. Als de kandidaat deze vierde graad met succes doorkomt, maakt hij een aanvang met een strengere discipline, een grotere loutering, en een nauwere band tussen leraar en leerling. Daarna is hij een door gelofte gebonden discipel; met zijn wil zet hij alles op alles om met succes de vijfde, zesde en zevende graad te doorlopen die de grote mysteriën vormen.

De beproevingen van de kleine mysteriën zijn naar verhouding eenvoudig, maar naarmate de discipel bewijst dat het hem ernst is en dat hij de toetsing in de proeftijd kan doorstaan, wordt de training intensiever, worden er zwaardere eisen aan zijn karakter gesteld en pakt de hand van karma fouten harder aan.

Twee specifieke elementen kenmerken de kleine mysteriën: (a) onderricht in de diepergaande wetenschappen van de kosmos; en (b) gedramatiseerde opvoeringen waarin wordt uitgebeeld wat de initiant in de grote mysteriën zonder hulp van buitenaf moet ondergaan. In bijvoorbeeld de Eleusinische mysteriën werkten de heilige riten als een geestelijke hulp om de kandidaat te stimuleren een edel leven te leiden en hem vertrouwd te maken met de wegen van het inwijdingsproces.

Om toeschouwer of acteur te zijn in een drama is heel wat anders dan de werkelijke ervaring door te maken; niettemin dient dit als een voorbereidende versterking van de neofiet wanneer de tijd voor de grotere inwijdingen aanbreekt. De kleine mysteriën waren in alle eeuwen bij de scherpzinnigste denkers bekend en werden erkend als instellingen voor hogere scholing voor hen die waardig en geschikt waren gebleken.

Vanuit de mysteriescholen dringt kennis van de waarheid door in de mentale lagen van het omringende land, wanneer ingewijden in de voorbereidende graden zich onder de mensen begeven. In Griekenland en Rome waren vrijwel alle grote figuren van historische betekenis in één of meer graden van de kleine mysteriën ingewijd. Dit had echter geen betrekking op moordenaars of overwinnaars door het zwaard, want die waren bijna altijd niet ingewijd in de mysteriën, al waren er in de periode van verval van het Romeinse Rijk veel kandidaten van verschillend niveau die min of meer plichtmatig de voorbereidende riten ondergingen.

In de oudheid hadden de mysteriën feitelijk zo’n hoog aanzien dat voorbereiding voor toelating het meest koninklijke geschenk werd geacht dat een vader aan zijn zoons kon geven. Jongens werden aangenomen als ze zeven jaar waren, en hun hoofd en hart werden getraind, zodat ze als ze volwassen waren geworden hun plaats in de wereld konden innemen en een opbouwende invloed op de mensen konden uitoefenen; of als ze op grond van hun innerlijke geschiktheid bijzonder waren bevoorrecht, bleven ze binnen het heiligdom en gingen in de grote mysteriën zover als ze konden. Sommigen werden getraind met als enig doel om de wetten van het leven te onderrichten in zetels van hoger onderwijs; anderen ontvingen de voorbereidende riten om zich beter geschikt te maken de Staat gelijkmoedig en rechtvaardig te regeren. Weer anderen ondergingen de discipline en loutering van de eerste graden en wijdden hun leven vervolgens aan het brengen van schoonheid aan de mensen, met beeldhouwwerk of schilderkunst, met poëzie of muziek. Zo ontwikkelden deze vroege beschavingen zich in geestelijke zaken onder leiding van ingewijde filosofen en staatslieden, kunstenaars en musici.

In de kleine mysteriën werden veel kunsten en wetenschappen onderwezen, met name geografie, astronomie, chemie, fysiologie, psychologie, geologie, meteorologie, en ook muziek, ‘de meest goddelijke en geestelijke van alle kunsten’ (MB, brief 24B, blz. 205); ook letteren en architectuur werden bestudeerd, waarvan de ‘verloren regel van de verhoudingen’, de Griekse tempels onvergankelijke roem heeft geschonken. Deze wetenschappen beschouwde men als geheime studies van de mysteriën, niet omdat ze niet zouden zijn begrepen als ze werden onderwezen zoals scholen en universiteiten ze nu doceren, maar omdat zulke wetenschappen en kunsten meer vanuit hun oorzakelijke dan van de kant van hun gevolgen werden bestudeerd.

De Ouden zijn veel bespot om het achterhouden van kennis waarvan zelfs een kind de eenvoudiger vormen kan begrijpen. Ongetwijfeld onderwees men de eenvoudiger vormen openlijk, maar hun occulte achtergrond hield men streng geheim (dat gebeurt ook nu nog, al zijn de meeste mensen zich weinig bewust van dit feit) omdat die alleen geschikt is voor hen die de verkregen kennis niet zouden misbruiken. Legt men tegenwoordig zoveel gezond verstand aan de dag als er, zodra de wetenschap een nieuwe ontdekking doet, dadelijk een gelegenheid wordt gezocht om die vinding voor destructieve doeleinden te gebruiken? Men moet haast bewondering hebben voor de kracht en wijsheid van de Ouden die wel beter wisten dan kennis zonder onderscheid over te dragen aan hen die morele beheersing misten. Met al ons misplaatste gevoel van superioriteit hebben we nog niet op alle gebieden de achterstand ingehaald op de wetenschappelijke kennis van onze verre voorouders.
H.P. Blavatsky schreef daarover in 1877:

Als de moderne meesters de oude zó ver vooruit zijn, waarom geven ze ons dan niet de verloren kunsten van onze nadiluviaanse voorvaderen terug? Waarom geven ze ons niet de niet-vervagende kleuren van Luxor – het Tyrische purper; het heldere vermiljoen en het verblindende blauw, die de muren van deze plaats versieren, en die even helder zijn als op de dag waarop ze werden aangebracht? Het onverwoestbare cement van de piramiden en van oude aquaducten; de kling van het zwaard van Damascus, die in haar schede als een kurkentrekker kan worden omgedraaid zonder te breken; de schitterende en ongeëvenaarde tinten van het gekleurde glas dat in het stof van oude ruïnes wordt gevonden en glinstert in de vensters van oude kathedralen; en het geheim van het echte buigzame glas? En als de scheikunde zelfs niet in staat is in sommige kunsten de vroege Middeleeuwen te evenaren, waarom pocht ze dan op prestaties die naar alle waarschijnlijkheid duizenden jaren geleden volkomen bekend waren? Hoe verder de archeologie en de filologie vorderen, hoe meer onze trots wordt gekrenkt door de ontdekkingen die dagelijks worden gedaan, en die een des te roemrijker getuigenis afleggen ten gunste van diegenen die, misschien op grond van de lange tijd die ze van ons afstaan, tot nu toe werden beschouwd als onwetende stuntelaars die zich in het diepste moeras van bijgeloof bevonden.    – Isis, Eng. versie, 1:239

In de mysteriën was geografie niet slechts een studie van topografie; het onderwerp van onderzoek was eerder het periodieke omhoogkomen en verzinken van continenten dat samenhangt met de cyclische gebeurtenissen in de geschiedenis van de wortelrassen; er werd onderricht over geheime centra van de aarde en over onze nauwe banden met de beide polen en de vier kompasrichtingen. Veelbetekenend zijn de wenken die HPB hierover geeft:

De twee polen worden het rechter- en het linkereinde van onze bol genoemd – het rechter is de noordpool – of het hoofd en de voeten van de aarde. Elke weldadige (astrale en kosmische) werking komt van het noorden; elke dodelijke invloed van de zuidpool. Ze zijn sterk verbonden met en beïnvloeden de magie van de ‘rechter-’ en de ‘linker’hand.    – GL 2:451vn

Meteorologie had tot onderwerp de stromingen van wind en regen, niet gezien als effecten, maar als dragers van stromen levensenergie vanuit alle delen van het zonnestelsel en daarbuiten. Bliksem en donder, enz., waren niet slechts elektromagnetische verschijnselen – woorden die op zichzelf juist zijn, maar als ze niet occult worden begrepen weinig meer weergeven dan een vermelding van geproduceerde gevolgen. Als men ze vanuit het oorzakelijke aspect beschouwt, blijken ze uiterlijke manifestaties te zijn van innerlijke krachten die onze atmosfeer binnenkomen uit de kosmische ruimten en het leven op aarde beïnvloeden.

In Chaldea, Egypte, Mexico en Peru, Wales, IJsland en India keek men met eerbied naar de astrologie. De diepere leringen ervan werden in het oor gefluisterd, zo heilig en diep geestelijk beschouwde men ze toen. Enkel de toekomst voorspellen en andere soortgelijke trivialiteiten getuigden in de ogen van de hiërofanten van slechte smaak. De erkende invloeden van de zon en planeten op mensen zagen zij niet alleen maar als mechanische reacties die iemand tot dit of dat gedrag of karakter dwong. Men begreep dat die uitwisseling van de levensenergieën van de planeten en de zon met aardse wezens voortkwam uit een gemeenschappelijk galactisch erfgoed. Bij het beschouwen van de zevenvoudige natuur van de mens hield men rekening met de zevenvoudige natuur van de planeten. Daarom behoort de uitwisseling van levensatomen uit de verschillende planetenstelsels met die van de aarde, en omgekeerd, tot de voornaamste onderwerpen van studie in de esoterische astrologie.

Bovendien werd de wetenschap van het voorspellen van enorme cyclische gebeurtenissen op aarde niet alleen in India haarfijn ontwikkeld (zie de Sūrya-Siddhānta van Asuramaya, de oudste nog bestaande verhandeling over sterrenkunde, GL 2:368), maar ook in het oude Chaldea, waar de latere vertegenwoordigers van vier- à vijfduizend jaar geleden de archaïsche astrologie nog als een belangrijk bestanddeel van hun geheime mysteriën zagen. De beroemde ziggurat of hoge toren van Borsippa in Babylonië is een duidelijke getuigenis voor de kennis van de zevenvoudige planetaire invloeden op de mensheid. Deze werden de trappen van de zeven sferen genoemd, en elke verdieping droeg een andere kleur die een van de zeven heilige planeten symboliseerde. Bovenop een ziggurat bevond zich een heilige schrijn, vaak met een tafel of een bank van goud.

Wat er voor het publiek uitzag als alleen maar astronomische observatoria, waren dus geheime trainingscentra waar in het verborgen binnenste esoterische astrologie tot de belangrijke studies van de kleine mysteriën behoorde. Geneeskunde en chirurgie, natuurkunde en alchemie, dichtkunst, wiskunde en filosofie werden eveneens vanuit een innerlijk gezichtspunt bestudeerd. Dit onderricht bestaat niet uit domweg uit het hoofd leren van tientallen formules, maar uit innerlijke waarneming van occulte principes, zodat welwillend voor anderen toegepaste kennis na verloop van tijd wijsheid wordt.

Hoe boeiend deze studies voor de verbeeldingskracht ook waren, en hoe groot de intellectuele en psychische stimulans daarvan voor de neofiet, ze waren toch niet het hoofddoel van de mysteriën. Achter alle training van het verstand stond de stuwende drang tot loutering van de ziel door middel van discipline en contemplatie. Als aanmoediging en richtsnoer werden toneelvoorstellingen opgevoerd van de afdaling van de kandidaat in de onderwereld, zijn beproevingen in de beneden-regionen door het ontmoeten en overwinnen van zichzelf, zijn opstijgen naar de stroom van leven en licht, met als hoogtepunt de definitieve omgang en ‘vriendschap’ met de goddelijke wezens. De dramatische riten waren zo doeltreffend dat meewerken daaraan een opmerkelijk onderdeel vormde van de inwijdingstraining als voorbereiding op de grote mysteriën.

Vergelijking van het ritueel van de kleine mysteriën zoals dat in de oudheid met geringe verschillen in de details werd uitgevoerd, laat zien dat het verhaal van de afdaling in de onderwereld overal hetzelfde is in het symbool van de godheid van de tarwe of het koren. Het zaad of de graankorrel stelt de kandidaat voor. Omdat het zaad het donkere gebied van de vochtige aarde ingaat, zal het met heel wat problemen te kampen hebben door bodem en omgeving; het ‘sterft’ door het leven te schenken aan wortel en stengel. Als dan tenslotte de kiemperiode eindigt, ontspruiten tere loten van het graan boven het oppervlak van de aarde, en na verloop van tijd schiet het voormalige zaad geholpen door zon en regen in bloei. Op eenzelfde manier ‘sterft’ de kandidaat in de gebieden van de onderwereld, de lagere sferen waar hij de problemen van die omgeving tegenkomt en overwint; door zijn vergankelijke zelf af te leggen, sterft hij door het leven te schenken aan het ontluikende meesterschap. Op het geschikte moment stijgt de vroegere discipel omhoog naar de sferen van licht en leven; opgenomen in de tegenwoordigheid van andere goddelijke planten sluit hij vriendschap met de goden en ontwikkelt zich tot de volle bloei van adeptschap.

In esoterische beeldspraak wordt zo de spirituele zielenstrijd gedramatiseerd van hen die bezig zijn ‘zichzelf het leven te schenken’ (GL 2:636) – zoals een oud manuscript de geboorte beschrijft van de adept in de neofiet, de hoogste inwijding.

 


Hoofdstuk 8

De grote mysteriën


De grote mysteriën, waarmee de neofiet begint na de geslaagde voltooiing van de voorbereidingsgraden, houden in dat men door eigen ervaring dat wordt wat men in de kleine mysteriën had geleerd. In deze hogere afdeling van esoterische training bestaat geen clementie. De neofiet moet zichzelf onder ogen zien en overwinnen – of sterven. Alle delen van zijn samengestelde natuur, van het goddelijk geïnspireerde tot het grofstoffelijke, moeten worden onderzocht en beheerst. Nu moet de aspirant genoeg geestelijk weerstandsvermogen hebben ontwikkeld om de werkelijkheid het hoofd te kunnen bieden. Hij moet de natuur in haar lagere en hogere gebieden worden, de hoogste toets van vereenzelviging doorstaan en toch de zuiverheid van zijn ziel behouden.

Zelfs nog in de tweede eeuw werden de riten van de Egyptische mysteriën, hoezeer ze ook door Griekse invloeden waren gewijzigd, met de vereiste en passende eerbied uitgevoerd. Discipelen uit omringende landen streefden daar naar inwijding als een gepaste voortzetting van hun eigen ceremoniën. Apuleius, de Latijnse platonische filosoof, beschrijft in zijn Metamorfosen, of De Gouden Ezel, de inwijding in de mysteriën van Isis van een zekere Lucius Patras, van wie men nu algemeen aanneemt dat het Apuleius zelf is:

Luister dan, en geloof het, want wat ik vertel is waar. Ik kwam dichtbij het grensgebied van de dood, ik betrad de drempel van Proserpina [Hades], ik werd door alle elementen gebracht en keerde weer terug naar de aarde. Ik zag in het holst van de nacht de zon flonkeren met schitterende luister, ik naderde de goden boven en de goden beneden, en betoonde hun eerbied, van aangezicht tot aangezicht. Zie, ik heb u dingen verteld waarvan u nog niets zult weten, al heeft u ze gehoord.

Ik wil u daarom alleen verhalen wat zonder te zondigen kan worden meegedeeld aan het verstand van de niet-ingewijde. Zodra het ochtend werd en de riten waren verricht, verscheen ik, gekleed in twaalf mantels die de ingewijde draagt, een gewaad dat uiterst heilig is. . . . Het kostbare gewaad hing van mijn schouders langs mijn rug naar beneden, zelfs tot mijn hielen, en ik was, waarheen u uw blik ook zou richten, getooid met de dierenfiguren die in verschillende kleuren rondom waren geborduurd.* . . . Dit kleed noemen de ingewijden het kleed van Olympus. In mijn rechterhand droeg ik een toorts met vlammend vuur en mijn hoofd was omkranst met een mooie kroon van een smetteloze palmtak, waarvan de bladeren uitstaken als stralen . . . getooid als de zon en uitgerust naar het beeld van een god.
    – geciteerd door Lewis Spence, The Mysteries of Egypt, blz. 70-1

*De verwijzing naar de twaalf gewaden en de dierenfiguren duidt op de mystieke gang door de twaalf tekens van de dierenriem.

In de grote mysteriën is de tocht naar de onderwereld niet langer slechts het ritueel van de kleine mysteriën waaraan de kandidaat deelneemt. Hij moet nu met volledige kennis ‘de grensgebieden van de dood’ betreden en in het gewaad van het ziel-bewustzijn voorbij de sluier van de zichtbare natuur gaan naar de arena van onzichtbare werelden:

Een van de fundamentele leringen van het occultisme is dat niets werkelijk kan worden gekend dat niet is ervaren, doorleefd. . . . De verschillende stadia of graden van inwijding zijn daarom in feite een soort versneld proces voor bepaalde uitverkoren geesten, bepaalde uitverkoren zielen die zich waardig hebben betoond: . . . Aan deze verschillende stadia of graden van inwijding gaan allereerst voorbereidende louteringen vooraf. Dan volgt de ‘dood’, een mystieke dood. Het lichaam en de lagere beginselen worden als het ware verlamd en de ziel wordt tijdelijk bevrijd. En tot op zekere hoogte wordt de bevrijde innerlijke mens door de inwijders geleid en geïnstrueerd en geholpen als hij naar andere sferen en gebieden gaat en de aard daarvan leert kennen door ze te worden, wat de enige manier is waarop deze kennis wortel kan schieten in de ziel, in het ego: door ze te worden.    – BEF, blz. 251

Deze mystieke dood vormt de vierde inwijding, die niet enkel afhangt van iemands vermogen om geestelijk licht te ontvangen, maar ook van iemands kracht om gelijkmoedig en met een ontwaakt ethisch besef de duisternis van het kwade te trotseren. Iets worden betekent werkelijk zijn intelligente waarnemingsvermogen verenigen met de essentie van dat wezen of ding; met andere woorden, de aard van zo’n entiteit tijdelijk aannemen. Dus door zijn bewustzijn te verbinden met wezens in lagere sferen dan die van de mensen stelt men het weerstandsvermogen van iemand enorm op de proef: zullen de verderfelijke uitwasemingen van de lagere sferen de tere bloemblaadjes van de ontluikende adept verstikken? Zullen de zinnenprikkelende verrukkingen van de lagere hellen enige aantrekking hebben op de neofiet die streng vasthoudt aan zijn besluit? Omgekeerd eist het aannemen van de aard van wezens in hogere sferen dan die van de mens evenzeer een beheerste constitutie: zal de schittering en pracht van ongedimde waarheid de ziel verblinden? Zal de aanblik van de werkelijkheid het ontwakende oog van wijsheid compleet vernietigen?

Deze vierde graad kan worden beschouwd als een inleiding tot en een weerspiegeling in het klein van de zevende en laatste graad waarin het individu de beproeving van het zich vereenzelvigen met alle sferen van het bestaan moet ondergaan. Het volbrengen van de volledige inwijdingscyclus vereist daarom het ontwaken en sterk maken van alle zeven beginselen van de mens. De kandidaat moet zijn zevensnarige lier zo hebben afgestemd, haar zo hebben opgeladen met geestelijke harmonie, dat ze volmaakt synchroon gaat trillen met de geestelijke essentie van de zeven beginselen of sferen van de kosmos. Zoals meester KH in 1882 aan Allan O. Hume in Simla, India, schreef: ‘De graden van inwijding van een adept geven de zeven stadia aan waarin hij het geheim van de zevenvoudige beginselen in de natuur en de mens ontdekt en zijn sluimerende vermogens doet ontwaken’ (MB, brief 15, blz. 108).

Over deze hogere graden is ons vrijwel niets bekend. Dat is vanzelfsprekend en eigenlijk gepast; want hoe zouden woorden kunnen beschrijven wat alleen de ingewijde kan begrijpen? Hoe zou wat wezenlijk esoterisch is kunnen worden bekendgemaakt en dan nog zijn mystieke zuiverheid behouden? Er zijn echter wel belangrijke wenken gegeven over de vijfde, zesde en zevende graden.

In de vijfde inwijding ‘ontmoet’ de initiant ‘zijn eigen god-zelf van aangezicht tot aangezicht en wordt er gedurende kortere of langere tijd één mee’ (BEF, blz. 276). Deze graad werd door de Grieken theofanie genoemd, een woord dat betekent ‘goddelijke verschijning’ of ‘het tevoorschijn treden van een godheid’, de verschijning of manifestatie van

het hogere zelf van de mens aan hemzelf. En hoewel bij de meeste kandidaten dit verheven ogenblik van intellectuele extase en diepe visie slechts van korte duur was, werd bij verdere geestelijke vooruitgang van de kandidaat de theofanische omgang meer duurzaam en blijvend totdat tenslotte, uiteindelijk, de mens zich niet alleen leerde kennen als het geestelijke kroost van zijn eigen innerlijke god, maar als die innerlijke god zelf, in zijn essentiële wezen.    – BEF, blz. 440

De zesde inwijding werd voltrokken als de onvermijdelijke loop van gebeurtenissen die volgden op de geslaagde vergeestelijking van het hele wezen. Dit werd door de Grieken theopneustie genoemd – een woord dat letterlijk ‘het ademen van een god’ of ‘goddelijke inspiratie’ betekent – wanneer de discipel

het inademen voelde van zijn eigen innerlijke god en op die manier werd geïnspireerd; het woord inspiratie betekent immers ‘inademing’. Met het verstrijken van de tijd en de toenemende loutering van het ziel-voertuig, dat de mens zelf is, werd deze inademing of inspiratie permanent.    – Op.cit.

In deze graad ‘inspireert de innerlijke god van de kandidaat, naargelang van de vorderingen die hij heeft gemaakt, hem gedurende kortere of langere tijd met de wijsheid en de kennis van het gehele heelal . . .’; en ‘in de zesde graad ontmoet de initiant in plaats van zijn eigen hogere zelf een ander . . .’ (BEF, blz. 276, 253).

Dan komt de zevende en laatste graad van inwijding voordat meesterschap wordt bereikt. Deze inwijding vond gewoonlijk plaats bij de winterzonnestilstand. De oude heidense ingewijden beschouwden de vier punten van het jaar, de winter- en zomerzonnestilstanden en lente- en herfstnachteveningen als een weerspiegeling van heilige werkingen in de kosmos. De geboorte van de zon aan het begin van het jaar was voor hen een symbool van de mystieke geboorte van de ingewijde, en het is veelzeggend dat bijna alle grote wereldleraren, zoals Jezus de Christus, Krishna de avatāra, Apollonius van Tiana, en anderen, hun ‘geboortedag’ vieren in deze heilige periode: de wedergeboorte van de zonnegodheid.

Deze zevende graad, die theopathie wordt genoemd – een Grieks woord dat ‘dulden van een god’ of ‘goddelijk verdragen’ betekent – is

het subliemste mysterie van alle, . . . de initiant, de kandidaat, liet toe en gaf zich volledig eraan over een volslagen onzelfzuchtig verbindingskanaal voor zijn eigen innerlijke god, zijn hogere zelf, te worden; hij ging als het ware verloren in het grotere zelf van zijn eigen hogere zelf.    – BEF, blz. 440-1

Er zijn in feite maar weinig mensen van wie de zielenkracht zo groot is dat ze ten volle de tegenwoordigheid van het goddelijke kunnen verdragen. Dit is de beloning van de hoogste adepten, zij die door hun offer en wijsheid de mensheid omringen met een beschermmuur die zoals een diamant het licht van mededogen doorlaat maar in zijn beschermende functie heel hard is.

In de zevende graad gaat de neofiet door de portalen van de zon; ‘hij wordt een vluchtig moment de wonderlijke wachter zelf’ (BEF, blz. 253). De zonne-inwijding is compleet: de neofiet sterft en de hiërofant wordt geboren.

 


Hoofdstuk 9

Wegen van inwijding


In de meer gevorderde mysterietraining moet de leerling niet alleen leren het mystieke voertuig van ontwaakt bewustzijn op te bouwen dat hem van het ene gebied naar het andere zal brengen, maar ook om in de loop van zo’n individueel wordingsproces de eeuwige wegen van inwijding zelf opnieuw te ontdekken.

Wat wijsheid en een vooruitziende blik betreft is de natuur in alle opzichten consequent: één wet, één methode, één structuur. Met bekoorlijke zorgvuldigheid repeteert ze de wegen van inwijding door middel van de cyclus van slaap en dood. De dood en de processen die daarbij een rol spelen vormen het hart en de kern van de grote mysteriën: door de dood van het lagere wordt het hogere geboren. Als het zaad niet sterft, kan de bloem niet bloeien; als de bloem niet sterft, kan zich geen zaad vormen. ‘Hij die zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden’ (Matt. 10:39).

De slaap is een onvolledige dood – onbewust ervaren; de dood is een volledige slaap – onbewust ervaren; inwijding is een zelfbewuste slaap of ‘dood’ van de lagere elementen met een volledig bewuste bevrijding van de geestelijke ziel langs de paden van slaap en dood.

In de slaap ‘sterft’ het lichaam onvolledig, want het gouden koord blijft verbonden met het rustende lichaam. Als de ziel niet is belast met materiële verlangens, volgt een natuurlijke kalmte. Tijdens de korte uren van de nachtelijke slaap kan, als het karma gunstig is, de bevrijde geest-ziel uit de sfeer van de aarde langs de onzichtbare magnetische paden opstijgen naar hogere gebieden. Het opstijgen gaat bliksemsnel, gevolgd door de terugkeer langs identieke paden tot de ziel het slapende lichaam weer binnengaat en er een nieuwe dag aanbreekt.

De paden van de slaap die nacht na nacht worden ‘bewandeld’ vormen een onbewuste reis langs de wegen van inwijding. Dat kortstondige en niet herkende contact tijdens de slaap gaat niet verloren; juist de herhaling van diezelfde methode werkt voor de gewone mens als een onzichtbare stimulans. Als de aspiraties worden volgehouden en het leven oprechter wordt gemaakt, zullen flauwe indrukken van schoonheid en grootsheid de ziel doordringen, intuïtieve inzichten dienen zich aan, en de aspirant zal zijn dagen gezegend zien door nachtelijke contacten met hogere sferen.

Bij de dood worden dezelfde processen gevolgd als tijdens de slaap, alleen gebeurt dat dan volkomen. Het lichaam wordt blijvend terzijde gelegd en valt uiteen; het gouden koord wordt teruggetrokken en de ziel, bevrijd van haar aardse elementen, gaat de sferen van tijdelijke zuivering binnen. Bevrijd en gereinigd van aards bezinksel stijgt de ziel op naar haar geestelijke ouder, het hogere zelf, en maakt, onvermoed vredig en gelukkig, dezelfde reis als tijdens de slaap. In elk huis van de ruimte wordt halt gehouden, kort of lang, afhankelijk van de banden van aantrekking die vroeger zijn gemaakt door ervaringen van de geestelijke ziel in het verleden, tot ze gesterkt door goddelijke contacten weer het aloude pad volgt, en er wordt op aarde een kind geboren.

Zo volgt de geestelijke monade tijdens de dood volledig bewust de eeuwenoude wegen van inwijding, maar de gewone menselijke ziel heeft hiervan tot nu toe geen bewust besef.

De mens heeft veel facetten: hij heeft in zich een goddelijke monade, een geestelijke ziel, en een menselijke ziel die door zijn vitaal-astraal-fysieke natuur werkt. We moeten ervoor oppassen dat het lagere niet de heerschappij krijgt over het hogere, vooral bij het bespreken van deze heilige zaken, opdat we niet zó in de ban raken van hun schoonheid en intellectuele pracht dat we hun essentiële waarde vergeten – die van de ethiek. Als iemand de ethiek niet tot het fundament van zijn karakter heeft gemaakt, zal zijn hart en zijn denken voortdurend door de stormen van begeerte heen en weer worden geschud.

Zij die aandacht hebben voor weinig méér dan de onmiddellijke behoeften, zullen nauwelijks worden aangetrokken tot diepere zaken, maar zij die zijn begonnen na te denken en intuïtief te voelen, zullen zich onweerstaanbaar tot de oude wijsheid aangetrokken voelen. Zij die al wakker beginnen te worden uit de slaap van de materie, worden echter herhaaldelijk gewaarschuwd tegen het idee dat inwijding iets is dat vlak om de hoek ligt. We moeten ons diepste innerlijk beschermen tegen het zelfzuchtige verlangen naar zogenaamd occulte vermogens, zoals we ons zouden verweren tegen de beet van een slang. Inwijdingen – vooral de in het vorige hoofdstuk genoemde – worden niet beschreven, maar er worden slechts toespelingen op gemaakt als aanwijzing voor wat de waardig gebleken discipel misschien op een dag tot zijn geluk zal blijken te ervaren.

Kort samengevat, de inwijdingstocht wordt steeds opnieuw gemaakt: onvolkomen in de slaap, meer volkomen tijdens de dood; ’s nachts door de ziel in de slaap, periodiek door de ziel bij de dood. Terwijl dit onbewust wordt ondergaan, herhaalt de natuur aldus wat de ziel op een dag vastberaden en volledig bewust moet doormaken. Laatstgenoemde proces is de inwijdingstocht: het welbewust uitschakelen van aardse invloeden, gevolgd door de met eigen waarneming gemaakte reis door ieder gebied en sfeer van de kosmos.

In zijn De Esoterische Traditie gaat De Purucker hierop in:

Het doel van de postmortale tocht van de monade door de verschillende planeetketens is dat ze zich op elk van die planeetketens kan bevrijden van het bekleedsel of voertuig dat bij de levensessentie van zo’n planeetketen hoort. Alleen zo kan de monade zich ontdoen van het ene na het andere ‘omhulsel’ waarin ze zich heeft gewikkeld tijdens haar lange evolutiereis; en wanneer ze zich aldus van alle zeven ‘omhulsels’ heeft bevrijd, is ze – omdat ze vrij is en in haar zuivere en ‘niet omhulde’ staat – gereed om haar eigen geestelijke thuis, waaruit ze is voortgekomen, binnen te gaan. Wanneer de terugreis naar de planeetketen van de aarde begint, gaat de monade door al diezelfde zeven planeten heen, maar in een volgorde omgekeerd aan die waardoor ze door deze was opgeklommen; en in elke planeet die ze bezoekt, pakt ze de levensatomen die de ‘omhulsels’ vormen weer op die ze eerder in ieder van de zeven planeten respectievelijk had afgelegd of afgeworpen, en bekleedt zich opnieuw daarmee. – blz. 498

Deze reis is zo belangrijk dat de grote mysteriën vrijwel geheel handelden over de processen van de mystieke dood. Zoals in het vorige hoofdstuk is gezegd bestond de vierde inwijding uit een gedeeltelijke afdaling naar lagere sferen, samen met een gedeeltelijke opstijging naar hogere sferen. De ziel heeft dan nog niet voldoende kracht ontwikkeld om bestand te zijn tegen de volledige openbaring van het heelal.

Er bestaat een Babylonische legende die verwijst naar een mysterieleer. Ishtar (een variant van de Soemerische Inanna) daalt af in de onderwereld en, als ze bij de poorten van Arallu [Hades] komt, blijft ze staan, mooi en met vorstelijke pracht. Het eeuwenoude voorschrift eist echter dat niemand het gevreesde gebied van de onderwereld mag binnengaan met kledingstukken of juwelen.

Daarom ontneemt de bewaker bij iedere van de opeenvolgende poorten waar Ishtar doorheen moet, haar een kledingstuk of sieraad: eerst haar kroon, dan haar oorringen, dan haar halsketting, dan de versieringen op haar borst, dan haar met veel juwelen bezette ceintuur, dan de glinsterende sieraden aan haar handen en voeten, en tenslotte haar lendedoek.
   – Will Durant, The Story of Civilization 1:238

Vrij en rein gaat ze het Land van Geen Terugkeer binnen, waar haar zuster, Ereshkigal, de scepter zwaait. Vol afgunst stuurt ze zestig ziektes op Ishtar af. Nadat ze de beproevingen van de lagere wereld heeft doorstaan, keert Ishtar door de zeven poorten op haar schreden terug en ontvangt in omgekeerde volgorde weer de kledingstukken en sieraden die ze had afgelegd op haar tocht omlaag, en als ze tenslotte opstijgt naar de gebieden van het licht, wordt Ishtar getooid met het zevende juweel, de kroon van geestelijke luister.

De afdaling in de onderwereld vindt niet automatisch plaats, maar is een vrijwillig besluit om de tocht te ondernemen als een hoogste test van intellectuele en geestelijke zuiverheid. Indien de kandidaat slaagt, wordt hij één met het goddelijke en verkrijgt verheven gelukzaligheid; als hij faalt, dan wacht de dood of krankzinnigheid. Het zou veel beter zijn geweest als hij zich nooit aan deze beproevingen had gewaagd, want ze zijn echt vreselijk. Maar niet alles is verloren, want in een toekomstig leven kan hij het nog eens proberen.

Als de aspirant door soberheid, absolute toewijding, discipline en kennis als goud in het vuur is geworden, zal zijn gang door de lagere werelden snel en veilig zijn. Terwijl de vlam van spiritualiteit in hem brandt, stijgt de kandidaat die slaagt op naar hogere sferen waar de tocht van de ene planeet naar de andere volledig bewust wordt gemaakt. Na het ondergaan van de hoogste beproeving keert de leerling, nu meester geworden, terug naar de aarde en naar zijn in trance verkerend lichaam.

De bewaker van de inwijdingskamer, die geduldig en met liefdevolle zorg de wacht heeft gehouden bij het lichaam van zijn discipel, is nu vol vreugde: de inwijding is volbracht.

 

Deel 4

Inhoudsopgave

 


De Mysteriescholen door de eeuwen heen, blz. 46-72

© 2001  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag