Hoofdstuk 7
De kleine mysteriën
De kleine mysteriën dienen als voorbereiding van de neofiet op
de inwijding in de grote mysteriën via diverse stadia van loutering
en discipline, gepaard gaand met oefening in intellectueel en geestelijk
inzicht. Zoals in het vorige hoofdstuk is aangegeven, telde men gewoonlijk
zeven graden; de eerste drie graden daarvan omvatten de kleine mysteriën.
De vierde graad is het keerpunt of de beslissende fase waarin zij die
discipline en training van de voorbereidende stadia hadden ondergaan,
aan de toets van werkelijke ervaring van het zich vereenzelvigen worden
onderworpen. Als de kandidaat deze vierde graad met succes doorkomt,
maakt hij een aanvang met een strengere discipline, een grotere loutering,
en een nauwere band tussen leraar en leerling. Daarna is hij een door
gelofte gebonden discipel; met zijn wil zet hij alles op alles om met
succes de vijfde, zesde en zevende graad te doorlopen die de grote mysteriën
vormen.
De beproevingen van de kleine mysteriën zijn naar verhouding eenvoudig,
maar naarmate de discipel bewijst dat het hem ernst is en dat hij de
toetsing in de proeftijd kan doorstaan, wordt de training intensiever,
worden er zwaardere eisen aan zijn karakter gesteld en pakt de hand
van karma fouten harder aan.
Twee specifieke elementen kenmerken de kleine mysteriën: (a) onderricht
in de diepergaande wetenschappen van de kosmos; en (b) gedramatiseerde
opvoeringen waarin wordt uitgebeeld wat de initiant in de grote mysteriën
zonder hulp van buitenaf moet ondergaan. In bijvoorbeeld de Eleusinische
mysteriën werkten de heilige riten als een geestelijke hulp om
de kandidaat te stimuleren een edel leven te leiden en hem vertrouwd
te maken met de wegen van het inwijdingsproces.
Om toeschouwer of acteur te zijn in een drama is heel wat anders dan
de werkelijke ervaring door te maken; niettemin dient dit als een voorbereidende
versterking van de neofiet wanneer de tijd voor de grotere inwijdingen
aanbreekt. De kleine mysteriën waren in alle eeuwen bij de scherpzinnigste
denkers bekend en werden erkend als instellingen voor hogere scholing
voor hen die waardig en geschikt waren gebleken.
Vanuit de mysteriescholen dringt kennis van de waarheid door in de
mentale lagen van het omringende land, wanneer ingewijden in de voorbereidende
graden zich onder de mensen begeven. In Griekenland en Rome waren vrijwel
alle grote figuren van historische betekenis in één of
meer graden van de kleine mysteriën ingewijd. Dit had echter geen
betrekking op moordenaars of overwinnaars door het zwaard, want die
waren bijna altijd niet ingewijd in de mysteriën, al waren er in
de periode van verval van het Romeinse Rijk veel kandidaten van verschillend
niveau die min of meer plichtmatig de voorbereidende riten ondergingen.
In de oudheid hadden de mysteriën feitelijk zo’n hoog aanzien
dat voorbereiding voor toelating het meest koninklijke geschenk werd
geacht dat een vader aan zijn zoons kon geven. Jongens werden aangenomen
als ze zeven jaar waren, en hun hoofd en hart werden getraind, zodat
ze als ze volwassen waren geworden hun plaats in de wereld konden innemen
en een opbouwende invloed op de mensen konden uitoefenen; of als ze
op grond van hun innerlijke geschiktheid bijzonder waren bevoorrecht,
bleven ze binnen het heiligdom en gingen in de grote mysteriën
zover als ze konden. Sommigen werden getraind met als enig doel om de
wetten van het leven te onderrichten in zetels van hoger onderwijs;
anderen ontvingen de voorbereidende riten om zich beter geschikt te
maken de Staat gelijkmoedig en rechtvaardig te regeren. Weer anderen
ondergingen de discipline en loutering van de eerste graden en wijdden
hun leven vervolgens aan het brengen van schoonheid aan de mensen, met
beeldhouwwerk of schilderkunst, met poëzie of muziek. Zo ontwikkelden
deze vroege beschavingen zich in geestelijke zaken onder leiding van
ingewijde filosofen en staatslieden, kunstenaars en musici.
In de kleine mysteriën werden veel kunsten en wetenschappen onderwezen,
met name geografie, astronomie, chemie, fysiologie, psychologie, geologie,
meteorologie, en ook muziek, ‘de meest goddelijke en geestelijke
van alle kunsten’ (MB, brief 24B, blz. 205); ook letteren
en architectuur werden bestudeerd, waarvan de ‘verloren regel
van de verhoudingen’, de Griekse tempels onvergankelijke roem
heeft geschonken. Deze wetenschappen beschouwde men als geheime studies
van de mysteriën, niet omdat ze niet zouden zijn begrepen als ze
werden onderwezen zoals scholen en universiteiten ze nu doceren, maar
omdat zulke wetenschappen en kunsten meer vanuit hun oorzakelijke
dan van de kant van hun gevolgen werden bestudeerd.
De Ouden zijn veel bespot om het achterhouden van kennis waarvan zelfs
een kind de eenvoudiger vormen kan begrijpen. Ongetwijfeld onderwees
men de eenvoudiger vormen openlijk, maar hun occulte achtergrond
hield men streng geheim (dat gebeurt ook nu nog, al zijn de meeste mensen
zich weinig bewust van dit feit) omdat die alleen geschikt is voor hen
die de verkregen kennis niet zouden misbruiken. Legt men tegenwoordig
zoveel gezond verstand aan de dag als er, zodra de wetenschap een nieuwe
ontdekking doet, dadelijk een gelegenheid wordt gezocht om die vinding
voor destructieve doeleinden te gebruiken? Men moet haast bewondering
hebben voor de kracht en wijsheid van de Ouden die wel beter wisten
dan kennis zonder onderscheid over te dragen aan hen die morele beheersing
misten. Met al ons misplaatste gevoel van superioriteit hebben we nog
niet op alle gebieden de achterstand ingehaald op de wetenschappelijke
kennis van onze verre voorouders.
H.P. Blavatsky schreef daarover in 1877:
Als de moderne meesters de oude zó ver vooruit
zijn, waarom geven ze ons dan niet de verloren kunsten van onze nadiluviaanse
voorvaderen terug? Waarom geven ze ons niet de niet-vervagende kleuren
van Luxor – het Tyrische purper; het heldere vermiljoen en het
verblindende blauw, die de muren van deze plaats versieren, en die
even helder zijn als op de dag waarop ze werden aangebracht? Het onverwoestbare
cement van de piramiden en van oude aquaducten; de kling van het zwaard
van Damascus, die in haar schede als een kurkentrekker kan worden
omgedraaid zonder te breken; de schitterende en ongeëvenaarde
tinten van het gekleurde glas dat in het stof van oude ruïnes
wordt gevonden en glinstert in de vensters van oude kathedralen; en
het geheim van het echte buigzame glas? En als de scheikunde zelfs
niet in staat is in sommige kunsten de vroege Middeleeuwen te evenaren,
waarom pocht ze dan op prestaties die naar alle waarschijnlijkheid
duizenden jaren geleden volkomen bekend waren? Hoe verder de archeologie
en de filologie vorderen, hoe meer onze trots wordt gekrenkt door
de ontdekkingen die dagelijks worden gedaan, en die een des te roemrijker
getuigenis afleggen ten gunste van diegenen die, misschien op grond
van de lange tijd die ze van ons afstaan, tot nu toe werden beschouwd
als onwetende stuntelaars die zich in het diepste moeras van bijgeloof
bevonden. – Isis, Eng. versie, 1:239
In de mysteriën was geografie niet slechts een studie van topografie;
het onderwerp van onderzoek was eerder het periodieke omhoogkomen en
verzinken van continenten dat samenhangt met de cyclische gebeurtenissen
in de geschiedenis van de wortelrassen; er werd onderricht over geheime
centra van de aarde en over onze nauwe banden met de beide polen en
de vier kompasrichtingen. Veelbetekenend zijn de wenken die HPB hierover
geeft:
De twee polen worden het rechter- en het linkereinde
van onze bol genoemd – het rechter is de noordpool – of
het hoofd en de voeten van de aarde. Elke weldadige (astrale en kosmische)
werking komt van het noorden; elke dodelijke invloed van de zuidpool.
Ze zijn sterk verbonden met en beïnvloeden de magie van de
‘rechter-’ en de ‘linker’hand. –
GL 2:451vn
Meteorologie had tot onderwerp de stromingen van wind en regen, niet
gezien als effecten, maar als dragers van stromen levensenergie vanuit
alle delen van het zonnestelsel en daarbuiten. Bliksem en donder, enz.,
waren niet slechts elektromagnetische verschijnselen – woorden
die op zichzelf juist zijn, maar als ze niet occult worden begrepen
weinig meer weergeven dan een vermelding van geproduceerde gevolgen.
Als men ze vanuit het oorzakelijke aspect beschouwt, blijken ze uiterlijke
manifestaties te zijn van innerlijke krachten die onze atmosfeer binnenkomen
uit de kosmische ruimten en het leven op aarde beïnvloeden.
In Chaldea, Egypte, Mexico en Peru, Wales, IJsland en India keek men
met eerbied naar de astrologie. De diepere leringen ervan werden in
het oor gefluisterd, zo heilig en diep geestelijk beschouwde men ze
toen. Enkel de toekomst voorspellen en andere soortgelijke trivialiteiten
getuigden in de ogen van de hiërofanten van slechte smaak. De erkende
invloeden van de zon en planeten op mensen zagen zij niet alleen maar
als mechanische reacties die iemand tot dit of dat gedrag of karakter
dwong. Men begreep dat die uitwisseling van de levensenergieën
van de planeten en de zon met aardse wezens voortkwam uit een gemeenschappelijk
galactisch erfgoed. Bij het beschouwen van de zevenvoudige natuur van
de mens hield men rekening met de zevenvoudige natuur van de planeten.
Daarom behoort de uitwisseling van levensatomen uit de verschillende
planetenstelsels met die van de aarde, en omgekeerd, tot de voornaamste
onderwerpen van studie in de esoterische astrologie.
Bovendien werd de wetenschap van het voorspellen van enorme cyclische
gebeurtenissen op aarde niet alleen in India haarfijn ontwikkeld (zie
de Sūrya-Siddhānta van Asuramaya, de oudste nog
bestaande verhandeling over sterrenkunde, GL 2:368), maar ook
in het oude Chaldea, waar de latere vertegenwoordigers van vier- à
vijfduizend jaar geleden de archaïsche astrologie nog als een belangrijk
bestanddeel van hun geheime mysteriën zagen. De beroemde ziggurat
of hoge toren van Borsippa in Babylonië is een duidelijke getuigenis
voor de kennis van de zevenvoudige planetaire invloeden op de mensheid.
Deze werden de trappen van de zeven sferen genoemd, en elke verdieping
droeg een andere kleur die een van de zeven heilige planeten symboliseerde.
Bovenop een ziggurat bevond zich een heilige schrijn, vaak met een tafel
of een bank van goud.
Wat er voor het publiek uitzag als alleen maar astronomische observatoria,
waren dus geheime trainingscentra waar in het verborgen binnenste esoterische
astrologie tot de belangrijke studies van de kleine mysteriën behoorde.
Geneeskunde en chirurgie, natuurkunde en alchemie, dichtkunst, wiskunde
en filosofie werden eveneens vanuit een innerlijk gezichtspunt bestudeerd.
Dit onderricht bestaat niet uit domweg uit het hoofd leren van tientallen
formules, maar uit innerlijke waarneming van occulte principes, zodat
welwillend voor anderen toegepaste kennis na verloop van tijd wijsheid
wordt.
Hoe boeiend deze studies voor de verbeeldingskracht ook waren, en hoe
groot de intellectuele en psychische stimulans daarvan voor de neofiet,
ze waren toch niet het hoofddoel van de mysteriën. Achter alle
training van het verstand stond de stuwende drang tot loutering
van de ziel door middel van discipline en contemplatie. Als aanmoediging
en richtsnoer werden toneelvoorstellingen opgevoerd van de afdaling
van de kandidaat in de onderwereld, zijn beproevingen in de beneden-regionen
door het ontmoeten en overwinnen van zichzelf, zijn opstijgen naar de
stroom van leven en licht, met als hoogtepunt de definitieve omgang
en ‘vriendschap’ met de goddelijke wezens. De dramatische
riten waren zo doeltreffend dat meewerken daaraan een opmerkelijk onderdeel
vormde van de inwijdingstraining als voorbereiding op de grote mysteriën.
Vergelijking van het ritueel van de kleine mysteriën zoals dat
in de oudheid met geringe verschillen in de details werd uitgevoerd,
laat zien dat het verhaal van de afdaling in de onderwereld overal hetzelfde
is in het symbool van de godheid van de tarwe of het koren. Het zaad
of de graankorrel stelt de kandidaat voor. Omdat het zaad het donkere
gebied van de vochtige aarde ingaat, zal het met heel wat problemen
te kampen hebben door bodem en omgeving; het ‘sterft’ door
het leven te schenken aan wortel en stengel. Als dan tenslotte de kiemperiode
eindigt, ontspruiten tere loten van het graan boven het oppervlak van
de aarde, en na verloop van tijd schiet het voormalige zaad geholpen
door zon en regen in bloei. Op eenzelfde manier ‘sterft’
de kandidaat in de gebieden van de onderwereld, de lagere sferen waar
hij de problemen van die omgeving tegenkomt en overwint; door zijn vergankelijke
zelf af te leggen, sterft hij door het leven te schenken aan het ontluikende
meesterschap. Op het geschikte moment stijgt de vroegere discipel omhoog
naar de sferen van licht en leven; opgenomen in de tegenwoordigheid
van andere goddelijke planten sluit hij vriendschap met de goden en
ontwikkelt zich tot de volle bloei van adeptschap.
In esoterische beeldspraak wordt zo de spirituele zielenstrijd gedramatiseerd
van hen die bezig zijn ‘zichzelf het leven te schenken’
(GL 2:636) – zoals een oud manuscript de geboorte beschrijft
van de adept in de neofiet, de hoogste inwijding.
Hoofdstuk 8
De grote mysteriën
De grote mysteriën, waarmee de neofiet begint na de geslaagde voltooiing
van de voorbereidingsgraden, houden in dat men door eigen ervaring dat
wordt wat men in de kleine mysteriën had geleerd. In deze hogere
afdeling van esoterische training bestaat geen clementie. De neofiet
moet zichzelf onder ogen zien en overwinnen – of sterven. Alle
delen van zijn samengestelde natuur, van het goddelijk geïnspireerde
tot het grofstoffelijke, moeten worden onderzocht en beheerst. Nu moet
de aspirant genoeg geestelijk weerstandsvermogen hebben ontwikkeld om
de werkelijkheid het hoofd te kunnen bieden. Hij moet de natuur in haar
lagere en hogere gebieden worden, de hoogste toets van vereenzelviging
doorstaan en toch de zuiverheid van zijn ziel behouden.
Zelfs nog in de tweede eeuw werden de riten van de Egyptische mysteriën,
hoezeer ze ook door Griekse invloeden waren gewijzigd, met de vereiste
en passende eerbied uitgevoerd. Discipelen uit omringende landen streefden
daar naar inwijding als een gepaste voortzetting van hun eigen ceremoniën.
Apuleius, de Latijnse platonische filosoof, beschrijft in zijn Metamorfosen,
of De Gouden Ezel, de inwijding in de mysteriën van Isis
van een zekere Lucius Patras, van wie men nu algemeen aanneemt dat het
Apuleius zelf is:
Luister dan, en geloof het, want wat ik vertel is
waar. Ik kwam dichtbij het grensgebied van de dood, ik betrad de drempel
van Proserpina [Hades], ik werd door alle elementen gebracht en keerde
weer terug naar de aarde. Ik zag in het holst van de nacht de zon
flonkeren met schitterende luister, ik naderde de goden boven en de
goden beneden, en betoonde hun eerbied, van aangezicht tot aangezicht.
Zie, ik heb u dingen verteld waarvan u nog niets zult weten, al heeft
u ze gehoord.
Ik wil u daarom alleen verhalen wat zonder te zondigen kan worden
meegedeeld aan het verstand van de niet-ingewijde. Zodra het ochtend
werd en de riten waren verricht, verscheen ik, gekleed in twaalf mantels
die de ingewijde draagt, een gewaad dat uiterst heilig is. . . . Het
kostbare gewaad hing van mijn schouders langs mijn rug naar beneden,
zelfs tot mijn hielen, en ik was, waarheen u uw blik ook zou richten,
getooid met de dierenfiguren die in verschillende kleuren rondom waren
geborduurd.* . . . Dit kleed noemen de ingewijden het kleed van Olympus.
In mijn rechterhand droeg ik een toorts met vlammend vuur en mijn
hoofd was omkranst met een mooie kroon van een smetteloze palmtak,
waarvan de bladeren uitstaken als stralen . . . getooid als de zon
en uitgerust naar het beeld van een god.
– geciteerd door Lewis Spence, The Mysteries
of Egypt, blz. 70-1
*De verwijzing naar de twaalf gewaden en de dierenfiguren
duidt op de mystieke gang door de twaalf tekens van de dierenriem.
In de grote mysteriën is de tocht naar de onderwereld niet langer
slechts het ritueel van de kleine mysteriën waaraan de kandidaat
deelneemt. Hij moet nu met volledige kennis ‘de grensgebieden
van de dood’ betreden en in het gewaad van het ziel-bewustzijn
voorbij de sluier van de zichtbare natuur gaan naar de arena van onzichtbare
werelden:
Een van de fundamentele leringen van het occultisme
is dat niets werkelijk kan worden gekend dat niet is ervaren,
doorleefd. . . . De verschillende stadia of graden van inwijding
zijn daarom in feite een soort versneld proces voor bepaalde uitverkoren
geesten, bepaalde uitverkoren zielen die zich waardig hebben betoond:
. . . Aan deze verschillende stadia of graden van inwijding gaan allereerst
voorbereidende louteringen vooraf. Dan volgt de ‘dood’,
een mystieke dood. Het lichaam en de lagere beginselen worden als
het ware verlamd en de ziel wordt tijdelijk bevrijd. En tot op zekere
hoogte wordt de bevrijde innerlijke mens door de inwijders geleid
en geïnstrueerd en geholpen als hij naar andere sferen en gebieden
gaat en de aard daarvan leert kennen door ze te worden, wat
de enige manier is waarop deze kennis wortel kan schieten in de ziel,
in het ego: door ze te worden. –
BEF, blz. 251
Deze mystieke dood vormt de vierde inwijding, die niet enkel afhangt
van iemands vermogen om geestelijk licht te ontvangen, maar ook van
iemands kracht om gelijkmoedig en met een ontwaakt ethisch besef de
duisternis van het kwade te trotseren. Iets worden betekent
werkelijk zijn intelligente waarnemingsvermogen verenigen met de essentie
van dat wezen of ding; met andere woorden, de aard van zo’n
entiteit tijdelijk aannemen. Dus door zijn bewustzijn te verbinden met
wezens in lagere sferen dan die van de mensen stelt men het
weerstandsvermogen van iemand enorm op de proef: zullen de verderfelijke
uitwasemingen van de lagere sferen de tere bloemblaadjes van de ontluikende
adept verstikken? Zullen de zinnenprikkelende verrukkingen van de lagere
hellen enige aantrekking hebben op de neofiet die streng vasthoudt aan
zijn besluit? Omgekeerd eist het aannemen van de aard van wezens in
hogere sferen dan die van de mens evenzeer een beheerste constitutie:
zal de schittering en pracht van ongedimde waarheid de ziel verblinden?
Zal de aanblik van de werkelijkheid het ontwakende oog van wijsheid
compleet vernietigen?
Deze vierde graad kan worden beschouwd als een inleiding tot en een
weerspiegeling in het klein van de zevende en laatste graad waarin het
individu de beproeving van het zich vereenzelvigen met alle
sferen van het bestaan moet ondergaan. Het volbrengen van de volledige
inwijdingscyclus vereist daarom het ontwaken en sterk maken van alle
zeven beginselen van de mens. De kandidaat moet zijn zevensnarige
lier zo hebben afgestemd, haar zo hebben opgeladen met geestelijke harmonie,
dat ze volmaakt synchroon gaat trillen met de geestelijke essentie
van de zeven beginselen of sferen van de kosmos. Zoals meester KH in
1882 aan Allan O. Hume in Simla, India, schreef: ‘De graden van
inwijding van een adept geven de zeven stadia aan waarin hij het geheim
van de zevenvoudige beginselen in de natuur en de mens ontdekt en zijn
sluimerende vermogens doet ontwaken’ (MB, brief 15, blz.
108).
Over deze hogere graden is ons vrijwel niets bekend. Dat is vanzelfsprekend
en eigenlijk gepast; want hoe zouden woorden kunnen beschrijven wat
alleen de ingewijde kan begrijpen? Hoe zou wat wezenlijk esoterisch
is kunnen worden bekendgemaakt en dan nog zijn mystieke zuiverheid behouden?
Er zijn echter wel belangrijke wenken gegeven over de vijfde, zesde
en zevende graden.
In de vijfde inwijding ‘ontmoet’ de initiant ‘zijn
eigen god-zelf van aangezicht tot aangezicht en wordt er gedurende
kortere of langere tijd één mee’ (BEF,
blz. 276). Deze graad werd door de Grieken theofanie genoemd,
een woord dat betekent ‘goddelijke verschijning’ of ‘het
tevoorschijn treden van een godheid’, de verschijning of manifestatie
van
het hogere zelf van de mens aan hemzelf. En hoewel
bij de meeste kandidaten dit verheven ogenblik van intellectuele extase
en diepe visie slechts van korte duur was, werd bij verdere geestelijke
vooruitgang van de kandidaat de theofanische omgang meer duurzaam
en blijvend totdat tenslotte, uiteindelijk, de mens zich niet alleen
leerde kennen als het geestelijke kroost van zijn eigen innerlijke
god, maar als die innerlijke god zelf, in zijn essentiële wezen.
– BEF, blz. 440
De zesde inwijding werd voltrokken als de onvermijdelijke loop van
gebeurtenissen die volgden op de geslaagde vergeestelijking van het
hele wezen. Dit werd door de Grieken theopneustie genoemd –
een woord dat letterlijk ‘het ademen van een god’ of ‘goddelijke
inspiratie’ betekent – wanneer de discipel
het inademen voelde van zijn eigen innerlijke god
en op die manier werd geïnspireerd; het woord inspiratie betekent
immers ‘inademing’. Met het verstrijken van de tijd en
de toenemende loutering van het ziel-voertuig, dat de mens zelf is,
werd deze inademing of inspiratie permanent. –
Op.cit.
In deze graad ‘inspireert de innerlijke god van de kandidaat,
naargelang van de vorderingen die hij heeft gemaakt, hem gedurende kortere
of langere tijd met de wijsheid en de kennis van het gehele heelal .
. .’; en ‘in de zesde graad ontmoet de initiant in plaats
van zijn eigen hogere zelf een ander . . .’ (BEF, blz.
276, 253).
Dan komt de zevende en laatste graad van inwijding voordat meesterschap
wordt bereikt. Deze inwijding vond gewoonlijk plaats bij de winterzonnestilstand.
De oude heidense ingewijden beschouwden de vier punten van het jaar,
de winter- en zomerzonnestilstanden en lente- en herfstnachteveningen
als een weerspiegeling van heilige werkingen in de kosmos. De geboorte
van de zon aan het begin van het jaar was voor hen een symbool van de
mystieke geboorte van de ingewijde, en het is veelzeggend dat bijna
alle grote wereldleraren, zoals Jezus de Christus, Krishna de avatāra,
Apollonius van Tiana, en anderen, hun ‘geboortedag’ vieren
in deze heilige periode: de wedergeboorte van de zonnegodheid.
Deze zevende graad, die theopathie wordt genoemd – een
Grieks woord dat ‘dulden van een god’ of ‘goddelijk
verdragen’ betekent – is
het subliemste mysterie van alle, . . . de initiant,
de kandidaat, liet toe en gaf zich volledig eraan over een volslagen
onzelfzuchtig verbindingskanaal voor zijn eigen innerlijke god, zijn
hogere zelf, te worden; hij ging als het ware verloren in het grotere
zelf van zijn eigen hogere zelf. – BEF,
blz. 440-1
Er zijn in feite maar weinig mensen van wie de zielenkracht zo groot
is dat ze ten volle de tegenwoordigheid van het goddelijke kunnen verdragen.
Dit is de beloning van de hoogste adepten, zij die door hun offer en
wijsheid de mensheid omringen met een beschermmuur die zoals een diamant
het licht van mededogen doorlaat maar in zijn beschermende functie heel
hard is.
In de zevende graad gaat de neofiet door de portalen van de zon; ‘hij
wordt een vluchtig moment de wonderlijke wachter zelf’ (BEF,
blz. 253). De zonne-inwijding is compleet: de neofiet sterft en de hiërofant
wordt geboren.
Hoofdstuk 9
Wegen van inwijding
In de meer gevorderde mysterietraining moet de leerling niet alleen
leren het mystieke voertuig van ontwaakt bewustzijn op te bouwen dat
hem van het ene gebied naar het andere zal brengen, maar ook om in de
loop van zo’n individueel wordingsproces de eeuwige wegen van
inwijding zelf opnieuw te ontdekken.
Wat wijsheid en een vooruitziende blik betreft is de natuur in alle
opzichten consequent: één wet, één methode,
één structuur. Met bekoorlijke zorgvuldigheid repeteert
ze de wegen van inwijding door middel van de cyclus van slaap en dood.
De dood en de processen die daarbij een rol spelen vormen het hart en
de kern van de grote mysteriën: door de dood van het lagere wordt
het hogere geboren. Als het zaad niet sterft, kan de bloem niet bloeien;
als de bloem niet sterft, kan zich geen zaad vormen. ‘Hij die
zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden’ (Matt.
10:39).
De slaap is een onvolledige dood – onbewust ervaren; de dood
is een volledige slaap – onbewust ervaren; inwijding is een zelfbewuste
slaap of ‘dood’ van de lagere elementen met een volledig
bewuste bevrijding van de geestelijke ziel langs de paden van slaap
en dood.
In de slaap ‘sterft’ het lichaam onvolledig, want het gouden
koord blijft verbonden met het rustende lichaam. Als de ziel niet is
belast met materiële verlangens, volgt een natuurlijke kalmte.
Tijdens de korte uren van de nachtelijke slaap kan, als het karma gunstig
is, de bevrijde geest-ziel uit de sfeer van de aarde langs de onzichtbare
magnetische paden opstijgen naar hogere gebieden. Het opstijgen gaat
bliksemsnel, gevolgd door de terugkeer langs identieke paden tot de
ziel het slapende lichaam weer binnengaat en er een nieuwe dag aanbreekt.
De paden van de slaap die nacht na nacht worden ‘bewandeld’
vormen een onbewuste reis langs de wegen van inwijding. Dat
kortstondige en niet herkende contact tijdens de slaap gaat niet verloren;
juist de herhaling van diezelfde methode werkt voor de gewone mens als
een onzichtbare stimulans. Als de aspiraties worden volgehouden en het
leven oprechter wordt gemaakt, zullen flauwe indrukken van schoonheid
en grootsheid de ziel doordringen, intuïtieve inzichten dienen
zich aan, en de aspirant zal zijn dagen gezegend zien door nachtelijke
contacten met hogere sferen.
Bij de dood worden dezelfde processen gevolgd als tijdens de slaap,
alleen gebeurt dat dan volkomen. Het lichaam wordt blijvend terzijde
gelegd en valt uiteen; het gouden koord wordt teruggetrokken en de ziel,
bevrijd van haar aardse elementen, gaat de sferen van tijdelijke zuivering
binnen. Bevrijd en gereinigd van aards bezinksel stijgt de ziel op naar
haar geestelijke ouder, het hogere zelf, en maakt, onvermoed vredig
en gelukkig, dezelfde reis als tijdens de slaap. In elk huis van de
ruimte wordt halt gehouden, kort of lang, afhankelijk van de banden
van aantrekking die vroeger zijn gemaakt door ervaringen van de geestelijke
ziel in het verleden, tot ze gesterkt door goddelijke contacten weer
het aloude pad volgt, en er wordt op aarde een kind geboren.
Zo volgt de geestelijke monade tijdens de dood volledig bewust de eeuwenoude
wegen van inwijding, maar de gewone menselijke ziel heeft hiervan tot
nu toe geen bewust besef.
De mens heeft veel facetten: hij heeft in zich een goddelijke monade,
een geestelijke ziel, en een menselijke ziel die door zijn vitaal-astraal-fysieke
natuur werkt. We moeten ervoor oppassen dat het lagere niet de heerschappij
krijgt over het hogere, vooral bij het bespreken van deze heilige zaken,
opdat we niet zó in de ban raken van hun schoonheid en intellectuele
pracht dat we hun essentiële waarde vergeten – die van de
ethiek. Als iemand de ethiek niet tot het fundament van zijn karakter
heeft gemaakt, zal zijn hart en zijn denken voortdurend door de stormen
van begeerte heen en weer worden geschud.
Zij die aandacht hebben voor weinig méér dan de onmiddellijke
behoeften, zullen nauwelijks worden aangetrokken tot diepere zaken,
maar zij die zijn begonnen na te denken en intuïtief te voelen,
zullen zich onweerstaanbaar tot de oude wijsheid aangetrokken voelen.
Zij die al wakker beginnen te worden uit de slaap van de materie, worden
echter herhaaldelijk gewaarschuwd tegen het idee dat inwijding iets
is dat vlak om de hoek ligt. We moeten ons diepste innerlijk beschermen
tegen het zelfzuchtige verlangen naar zogenaamd occulte vermogens, zoals
we ons zouden verweren tegen de beet van een slang. Inwijdingen –
vooral de in het vorige hoofdstuk genoemde – worden niet beschreven,
maar er worden slechts toespelingen op gemaakt als aanwijzing voor wat
de waardig gebleken discipel misschien op een dag tot zijn geluk zal
blijken te ervaren.
Kort samengevat, de inwijdingstocht wordt steeds opnieuw gemaakt: onvolkomen
in de slaap, meer volkomen tijdens de dood; ’s nachts door de
ziel in de slaap, periodiek door de ziel bij de dood. Terwijl dit onbewust
wordt ondergaan, herhaalt de natuur aldus wat de ziel op een dag vastberaden
en volledig bewust moet doormaken. Laatstgenoemde proces is de inwijdingstocht:
het welbewust uitschakelen van aardse invloeden, gevolgd door de met
eigen waarneming gemaakte reis door ieder gebied en sfeer van de kosmos.
In zijn De Esoterische Traditie
gaat De Purucker hierop in:
Het doel van de postmortale tocht van de monade door
de verschillende planeetketens is dat ze zich op elk van die planeetketens
kan bevrijden van het bekleedsel of voertuig dat bij de levensessentie
van zo’n planeetketen hoort. Alleen zo kan de monade zich ontdoen
van het ene na het andere ‘omhulsel’ waarin ze zich heeft
gewikkeld tijdens haar lange evolutiereis; en wanneer ze zich aldus
van alle zeven ‘omhulsels’ heeft bevrijd, is ze –
omdat ze vrij is en in haar zuivere en ‘niet omhulde’
staat – gereed om haar eigen geestelijke thuis, waaruit ze is
voortgekomen, binnen te gaan. Wanneer de terugreis naar de planeetketen
van de aarde begint, gaat de monade door al diezelfde zeven planeten
heen, maar in een volgorde omgekeerd aan die waardoor ze door deze
was opgeklommen; en in elke planeet die ze bezoekt, pakt ze de levensatomen
die de ‘omhulsels’ vormen weer op die ze eerder in ieder
van de zeven planeten respectievelijk had afgelegd of afgeworpen,
en bekleedt zich opnieuw daarmee. – blz. 498
Deze reis is zo belangrijk dat de grote mysteriën vrijwel geheel
handelden over de processen van de mystieke dood. Zoals in het vorige
hoofdstuk is gezegd bestond de vierde inwijding uit een gedeeltelijke
afdaling naar lagere sferen, samen met een gedeeltelijke opstijging
naar hogere sferen. De ziel heeft dan nog niet voldoende kracht ontwikkeld
om bestand te zijn tegen de volledige openbaring van het heelal.
Er bestaat een Babylonische legende die verwijst naar een mysterieleer.
Ishtar (een variant van de Soemerische Inanna) daalt af in de onderwereld
en, als ze bij de poorten van Arallu [Hades] komt, blijft ze staan,
mooi en met vorstelijke pracht. Het eeuwenoude voorschrift eist echter
dat niemand het gevreesde gebied van de onderwereld mag binnengaan met
kledingstukken of juwelen.
Daarom ontneemt de bewaker bij iedere van de opeenvolgende
poorten waar Ishtar doorheen moet, haar een kledingstuk of sieraad:
eerst haar kroon, dan haar oorringen, dan haar halsketting, dan de
versieringen op haar borst, dan haar met veel juwelen bezette ceintuur,
dan de glinsterende sieraden aan haar handen en voeten, en tenslotte
haar lendedoek.
– Will Durant, The Story of Civilization
1:238
Vrij en rein gaat ze het Land van Geen Terugkeer binnen, waar haar
zuster, Ereshkigal, de scepter zwaait. Vol afgunst stuurt ze zestig
ziektes op Ishtar af. Nadat ze de beproevingen van de lagere wereld
heeft doorstaan, keert Ishtar door de zeven poorten op haar schreden
terug en ontvangt in omgekeerde volgorde weer de kledingstukken en sieraden
die ze had afgelegd op haar tocht omlaag, en als ze tenslotte opstijgt
naar de gebieden van het licht, wordt Ishtar getooid met het zevende
juweel, de kroon van geestelijke luister.
De afdaling in de onderwereld vindt niet automatisch plaats, maar is
een vrijwillig besluit om de tocht te ondernemen als een hoogste test
van intellectuele en geestelijke zuiverheid. Indien de kandidaat slaagt,
wordt hij één met het goddelijke en verkrijgt verheven
gelukzaligheid; als hij faalt, dan wacht de dood of krankzinnigheid.
Het zou veel beter zijn geweest als hij zich nooit aan deze beproevingen
had gewaagd, want ze zijn echt vreselijk. Maar niet alles is verloren,
want in een toekomstig leven kan hij het nog eens proberen.
Als de aspirant door soberheid, absolute toewijding, discipline en
kennis als goud in het vuur is geworden, zal zijn gang door de lagere
werelden snel en veilig zijn. Terwijl de vlam van spiritualiteit in
hem brandt, stijgt de kandidaat die slaagt op naar hogere sferen waar
de tocht van de ene planeet naar de andere volledig bewust wordt gemaakt.
Na het ondergaan van de hoogste beproeving keert de leerling, nu meester
geworden, terug naar de aarde en naar zijn in trance verkerend lichaam.
De bewaker van de inwijdingskamer, die geduldig en met liefdevolle
zorg de wacht heeft gehouden bij het lichaam van zijn discipel, is nu
vol vreugde: de inwijding is volbracht.