De Mysteriescholen door de eeuwen heen
Grace F. Knoche

Deel 4

10. Het sluiten van de mysteriescholen

11. De lijn van occulte opvolging

12. De mysteriescholen in deze tijd


© 2001  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565AG Den Haag

 

 

Hoofdstuk 10

Het sluiten van de mysteriescholen


Vijftien eeuwen geleden klonk voor de mysteriën in het westen de doodsklok toen keizer Theodosius II het heidendom uit het Romeinse Rijk verbande, dat in die tijd Thracië, Macedonië, Kreta, Syrië en Egypte omvatte. De definitieve klap kwam minder dan een eeuw later toen keizer Justinianus in 529 n.Chr. de laatste school in de filosofie in Athene, de Academie die door Plato was gesticht, sloot. Naast de onderdrukking van alles wat niet-christelijk was, was veel van wat eens in de mysteriën als mooi en heilig werd beschouwd – het heilige ritueel van de verbinding van de aspirerende ziel met het hogere zelf – nu de meest ontaarde soort orgiën geworden.

In de geschiedenis van het occultisme kan, noch in het verleden noch in het heden, ooit worden gezegd dat de mysteriën – in hun reine en ongeschonden spirituele staat – tegemoetkomen aan iemands persoonlijke en emotionele kant. De mysterietraining is juist zo streng om de ziel te bevrijden van beperkingen, het hart te zuiveren en het denken te beheersen; want bij inwijding is alleen geestelijke kracht, slechts het kaliber van een diamant, opgewassen tegen de zware beproevingen.

Geboorte, groei, volwassenheid en ouderdom zijn de onvermijdelijke processen van de natuur in al haar afdelingen. Een mysterieschool hoeft evenmin een gedegenereerde ouderdom door te maken als dat de jaren van aftakeling van de mens gekenmerkt hoeven te worden door ontaarding. Maar de zaden van verval en eerzucht worden, evenals bij onszelf, maar al te vaak op het hoogtepunt van materieel succes uitgestrooid. Ook voor een werkelijk mysteriecentrum geldt dat de giftige zaden van innerlijk verval wortel schieten en gaan groeien als de uitdaging van geestelijke ontwikkeling niet met steeds grotere innerlijke ernst wordt aangegaan dan in de proeftijd. Passiviteit maakt plaats voor achteruitgang en de school raakt in verval. De geest van de broederschap trekt zich terug, de schil van het ritueel resteert.

De werkelijke oorzaak van het sluiten van de mysteriescholen is dus de innerlijke ontrouw van de bewakers van de tempel. Het licht zou nooit doven als de hiërofanten trouw bleven aan de aloude beginselen van de school, want de broederschap kijkt met arendsogen uit naar ieder licht en wanneer de roep om waarheid en het verlangen ernaar groot zijn, blijven de mysteriën zuiver en waarachtig.

Wanneer de mensheid of een deel ervan, of zelfs een enkeling, spiritueel en intellectueel in zo sterke bewoordingen een beroep doet, met zoveel geestkracht, als het ware met de diepste vezels van het innerlijke leven, dan werkt ze in feite met het geestelijke magnetisme van een leraar, en wordt de oproep altijd in de grote broederschap gehoord, en in de wereld verschijnt een afgezant of boodschapper als haar vertegenwoordiger. De mysteriën degenereerden altijd omdat mensen hoe langer hoe meer gewikkeld raakten in zelfzucht en de egoïstische gewoonten van de fysieke wereld, en het innerlijke contact, het innerlijke gevoel van gemeenschap met de spirituele krachten die hierboven zijn genoemd, verloren.    – ET, blz. 603

In het occultisme bestaan twee wegen: het pad van de rechterhand van witte magie en geestelijke vooruitgang; en het pad van de linkerhand van zwarte magie en geestelijke terugval. Er bestaat geen derde pad van stilstand of rust. Als men niet vooruitgaat, zal men achterblijven. De stroom van evolutionaire vooruitgang is naar voren gericht, naar het licht van de geest en de waarheid. Als men dit pad niet volgt, valt men af; de karavaan trekt verder; wie zijn tijd verspilt blijft achter.

Hoe verder men vordert op het pad van esoterische training, hoe scherper de scheidslijn tussen deze twee paden; maar, heel paradoxaal, juist door de toegenomen ontwikkeling van de discipel en het fijnere gevoel voor goed en kwaad, zijn de gepeilde diepten alsook de bereikte hoogten groter. De middenweg van wijsheid is steeds moeilijker te vatten naarmate in geestelijke zaken vooruitgang wordt geboekt. Het zijn niet de grove valstrikken uit vroegere levens waar de leerling op bedacht moet zijn, maar het subtiele en geraffineerde werk van Māra, de ‘verleider’, die met wrede en verraderlijke middelen de ziel aanhoudend op de proef stelt.

Een oosters spreekwoord zegt dat de ‘[magie] van de rechter- en van de linkerhand door slechts een ragfijne spinnendraad zijn gescheiden’ (BCW 14:106). Wie op het pad wil blijven moet zich met al zijn kracht en moed aan de spinnendraad van wijsheid vastklampen.

Een van de doeltreffendste wapens van de duistere krachten is twijfel – twijfel aan jezelf, twijfel aan je aspiratie en innerlijke kracht. Het twijfelen is een natuurlijke reactie van het discipel zijn, maar een heel gevaarlijke toestand zolang die duurt. Als er geen halt aan wordt toegeroepen met het onbuigzame besluit om vol te houden – ongeacht hoe vaak je valt of hoe ernstig de dwaling – dan krijgt zelfbeklag de overhand en gaat de deur open voor een groter gevaar: twijfel aan de leraar, twijfel aan de school, twijfel aan de broederschap. Hier gedijt het noodlottige zaad van innerlijke verwarring dat, als het niet uit het hart wordt verdreven, zal uitgroeien tot het onkruid van trouweloosheid.

De beproevingen van een aspirant voor het chelaschap zijn vreselijk, en zij die al te enthousiast zijn werden ernstig gewaarschuwd. Zoals KH in 1881 aan A.P. Sinnett schreef:

degenen die zich inlaten met de occulte wetenschappen . . . ‘moeten of het einddoel bereiken of te gronde gaan. Is men eenmaal goeddeels op weg naar de grote Kennis, dan brengt twijfel het risico mee van krankzinnigheid; plotselinge stilstand betekent vallen; zich terugtrekken betekent achterover tuimelen regelrecht in een afgrond.’    – MB, brief 8, blz. 35

Inwijding heeft drie mogelijke gevolgen: (a) succes; (b) mislukking die de dood betekent; en (c) gedeeltelijke mislukking die gewoonlijk neerkomt op krankzinnigheid (zie BEF, blz. 285). Daarom worden toekomstige chela’s herhaaldelijk ervoor gewaarschuwd zich niet overhaast in het occultisme te storten. Het is veel veiliger in de buitenhoven van de tempel van wijsheid te blijven als serieuze en oprechte aspiranten naar grotere kennis, als leerlingen die proberen de eeuwenoude regels van het heiligdom in praktijk te brengen: loyaliteit, plichtsbetrachting en onbaatzuchtige trouw aan de zaak van de mensheid. Als die gedurende alle beproevingen en zielenpijn van het menselijk bestaan worden gekoesterd en volgehouden, dan zal de tijd onvermijdelijk komen dat hulp kan worden verwacht; en de aspirant zal weten dat hij is ‘aangenomen’. Tot die tijd is het verstandiger een edel leven te leiden in de positie die karma heeft beschikt.

Onverstandige ijver voor spirituele discipline is echter niet half zo gevaarlijk als een persoonlijk verlangen naar occulte training louter voor eigen voordeel. Door de overdreven manier waarop men zich op occulte vermogens stortte, werd in de eerste eeuwen van onze jaartelling de basis gelegd voor de degeneratie van de mysteriescholen. In de loop van honderden jaren hadden de mysteriën geleidelijk hun heiligheid verloren; er waren te veel mensen tot de voorbereidende graden toegelaten, niet op grond van hun innerlijke ontwikkeling, maar uit wereldse motieven. De riten werden plichtmatige ceremoniën en het besef van een innerlijke waardigheid werd kleiner. Dogma, ritueel en priesterdom kwamen op, de geest van waarheid en esoterie ging achteruit. De weinigen – het waren er echt te weinig – die trouw waren gebleven aan hun heilige gelofte, ontvluchtten de omgeving van de mysteriën die in de latere Romeinse tijd zo in verval waren geraakt dat ze degenen die in hun hart slechts naar werkelijke esoterische kennis zochten feitelijk uit hun vertrekken verdreven.

Het licht werd teruggetrokken, maar de broederschap is in haar werk zo meedogend dat de waarheden levend zijn gehouden in symbolen en steen, in zinnebeeld en in mythen. Zoals H.P. Blavatsky over Egypte schrijft:

Haar heilige schrijvers en hiërofanten gingen zwerven over het oppervlak van de aarde. Zij die in Egypte waren gebleven zagen zich uit vrees voor ontwijding van de heilige mysteriën genoodzaakt hun toevlucht te nemen tot woestijnen en bergen, om geheime genootschappen en broederschappen te vormen en te vestigen – zoals de Essenen; zij die de oceanen waren overgestoken naar India en zelfs naar (wat nu) de Nieuwe Wereld (heet), verbonden zich door een plechtige eed om te zwijgen en hun heilige kennis en wetenschap geheim te houden; die werden dus dieper dan ooit uit het zicht van de mensen begraven. In Centraal-Azië en de noordelijke grensgebieden van India ruimde het triomferende zwaard van de leerling van Aristoteles langs zijn veroveringsweg elk spoor van een eens zuivere religie op; en de adepten daarvan weken steeds verder van die weg terug naar de meest verborgen plekken van de aardbol.    – BCW 14:294

Zo wordt periodiek het werk van de broeders van de schaduw verricht, de vernietiging van de buitenposten van de mysteriën; maar de kern en het hart ervan, de broederschap van het licht, blijft ongeschonden. Nooit zal de hand van de duisternis greep kunnen krijgen op het hart van de esoterie, dat tegenwoordig even krachtig klopt als zo’n 18 miljoen jaar geleden, en het zal met onverminderde kracht blijven kloppen tot de dood van ons zonnestelsel – en ook daarna. Het licht van de waarheid is het licht van de geestelijke zon van ons heelal. Zolang zijn stralen omlaag schijnen op de wereld van aarde, zolang zullen de stralen van de geest het hart van de mensen verwarmen. In de inspirerende woorden van meester KH aan A.O. Hume:

Wees niet bang; . . . onze kennis zal niet uit het gezicht van de mensheid verdwijnen. Zij is het ‘geschenk van de goden’ en het kostbaarste overblijfsel van alles. De hoeders van het heilige licht hebben niet zoveel eeuwen veilig overbrugd om op de rotsen van het moderne scepticisme schipbreuk te lijden. Onze loodsen zijn te ervaren zeelieden dan dat we zo’n ramp zouden hoeven te vrezen. We zullen steeds vrijwilligers vinden om de vermoeide schildwachten te vervangen, en de wereld, hoe slecht ze in haar huidige overgangsperiode ook is, kan ons nu en dan toch nog enkele mensen verschaffen.    – MB, brief 28, blz. 236-7

 


Hoofdstuk 11

De lijn van occulte opvolging


De Grieken waren bedreven in het gebruik van gedachtebeelden om diepe esoterische waarheden over te dragen, en vaak ontleenden ze voorbeelden aan een vorm van sport; of ze lazen dan in de oefeningen van het stadion een innerlijke betekenis. Een van de bekendste voorbeelden hiervan was hun uitbeelding van de mystieke lijn van opvolging van de grote leraren door de wedloop van fakkeldragers.

In de fakkelloop rende de fakkeldrager van de ene streep naar de volgende. Bij het bereiken van het einde van zijn traject overhandigde hij de brandende fakkel die hij droeg aan degene die daar wachtte; deze nam onmiddellijk de wedren over en overhandigde de toorts aan degene die op hem wachtte. Veel Griekse en Latijnse schrijvers zagen deze sportbeoefening in de arena of het stadion als een symbool van het doorgeven van het licht van de ene eeuw naar de volgende, en als verwijzing naar de geestelijke fakkeldragers die de toorts van waarheid heel de eindeloze tijd door van hand tot hand doorgeven.    – ET, blz. 615-6

Dit doorgeven van het licht van de waarheid ‘heel de eindloze tijd door’ is het onderwerp geweest van veel mysterieparabels. De Grieken spraken ook over de geestelijke opvolging als de Gouden Keten van Hermes, die zich volgens hen tot ver in de gebieden van de Olympus uitstrekte naar ‘Vader Zeus en omlaag via een reeks of lijn van geestelijke wezens en vervolgens via bepaalde uitverkoren en hoogstaande mensen naar de gewone mens’ (ET, blz. 615).

De Purucker beschreef deze mystieke opvolging als de guruparamparā. Dit is een samengesteld Sanskrietwoord dat letterlijk betekent ‘leraar daarna daarna’. De term betekent een reeks leraren die zich uitstrekt tot voorbij het onbekende, via het verleden en het heden naar de verre toekomst, van wie het verheven doel altijd hetzelfde is: het werk van vergeestelijking.

Elk van de oude mysteriescholen in ieder land van de aardbol en in elk tijdvak had een opvolging van leraren die waren getraind en door hun training bevoegd waren om op hun beurt onderricht te geven; en zolang deze overdracht van het licht van de waarheid in een land een werkelijkheid was, was het in elk opzicht een echt geestelijke instelling.    – ET, blz. 616

Een opmerkelijk voorbeeld van deze overdracht van gezag uit de oudheid is de opvolging van ‘levende boeddha’s’ van Tibet, die ‘een werkelijkheid is, maar van een nogal bijzondere soort, en ze is in geen geval wat westerse onderzoekers ten onrechte denken of vaak hebben begrepen dat ze is’ (ET, blz. 616).

In de Eleusinische mysteriën in Griekenland waren bovendien

de hiërofanten afkomstig uit een familie, de Eumolpidae, die in Athene woonden, en de toortsdragers kwamen uit een andere, eveneens in Athene wonende familie, de Lycomidae; we hebben reden om te geloven dat de mysteriën van Samothrace, de zetel van een oude ritus, die evenals de mysteriën van Eleusis een staatsinstelling waren, op dezelfde manier werden geleid door voortzetting van de traditie die heilig werd geacht en niet aan buitenstaanders werd medegedeeld. De band tussen de ingewijden van deze zogenoemde mysteriën werd als onverbrekelijk beschouwd en de ontbinding ervan werd voor onmogelijk gehouden, omdat de dood de band tussen hen alleen maar versterkte.    – BEF, blz. 280-1

In Perzië en ook in Egypte zien we dat die lijn van opvolging in een andere vorm verschijnt. Daar waren bijvoorbeeld de dertien of meer Zarathoestra’s; hun esoterische bijdrage aan de geschiedenis van Perzië was de inspiratiebron van die eens machtige beschaving.

Over het aantal Zarathoestra’s, die van tijd tot tijd zijn verschenen, bestaat verwarring, zolang we menen, en ten onrechte, dat deze Zarathoestra’s wederbelichamingen zijn van één enkel ego, in plaats van verschillende ego’s die de ‘Zarathoestrageest’ belichamen, zoals we die uit de occulte aantekeningen begrijpen. De waarheid is dat in de leer en de terminologie van Zarathoestra, elk wortelras en onderras en elk subras van het laatste, hun eigen Zarathoestra of Zarathoestra’s hebben. De term Zarathoestra betekent in die leer praktisch hetzelfde als de term boeddha in het boeddhisme, of avatāra in het brahmanisme. Er waren dus grote Zarathoestra’s en lagere Zarathoestra’s – waarbij het beperkende adjectief afhangt van het werk dat door elke Zarathoestra werd gedaan en van zijn werkterrein. We kunnen daarom zeggen dat er vanuit één standpunt dertien Zarathoestra’s zijn, of vanuit een ander standpunt veertien; of we kunnen, evenals de manu’s in het brahmanisme, of als de boeddha’s in het boeddhisme, elk van deze met zeven vermenigvuldigen, of zelfs met veertien als we rekening houden met elke kleine rasaftakking die door zijn Zarathoestrageest wordt geleid.    – AOF, blz. 671

In Egypte onderscheidt zich Hermes Trismegistus (‘Hermes, in drie opzichten de grootste’) op de lange Hermes-lijn; zijn geschriften en leringen waren gebaseerd op de oude mysterieleer. In Griekenland treffen we ook de orfische mysteriën aan; uit de lokalen voor esoterisch onderricht daarvan kwamen veel mensen voort die de naam Orpheus droegen.

Wat bracht deze leerlingen ertoe de naam van hun leraar aan te nemen? Waarom ondertekenden zij hun werk met de naam Orpheus, Hermes of Zarathoestra, of gaven ze mondeling onderricht onder die naam? Was het een soort geestelijk plagiaat, of was het meer uit dankbaarheid en een gevoel van verplichting tegenover de leraar die hun alles had gegeven, die de vlam van esoterisch vuur in hun hart had ontstoken? Ongetwijfeld was het dit laatste, want welke boodschap van inspiratie en licht ze ook hadden, ze beschouwden die niet als van henzelf, maar ‘van hem die mij uitzond’ – ‘Zoals wij het hebben ontvangen, zo zullen we het doorgeven.’ Deze gewoonte geeft de latere geschiedschrijvers veel zorgen, want die worstelen altijd om de dingen van een juist etiket te voorzien; maar we kunnen niet anders dan waardering hebben voor die oude discipelen om hun innerlijke trouw die elke gedachte aan persoonlijke belangrijkheid uitbant.

De relatie tussen discipel en leraar is een uiterst heilige en gewijde band van geestelijke vertrouwdheid. De dankbaarheid die opwelt in de discipel is evenredig aan zijn zielenadel: wie kleingeestig is voelt alleen wrevel wanneer de warmte van begeleiding en bescherming wordt aangeboden; maar in iemand die edelmoedig is brandt het vuur van liefhebbende en onuitblusbare dankbaarheid. De schakels in deze Gouden Keten van Hermes worden door dankbaarheid verbonden. Zoals iedere schakel aan zijn broederschakel is gekoppeld, het ene hart aan het andere, de leraar aan de leerling, de leerling aan de leraar – iedere leraar een leerling van degene boven hem, iedere leerling een leraar voor degene onder hem – zo zijn allen verbonden door onverbrekelijke schakels van liefde, trouw en dankbaarheid tegenover de leraar, de broederschap, de esoterische wijsheid.

Zoals in vroegere tijden vuursignalen, die beurtelings op de ene na de andere berg werden ontstoken, informatie overbrachten over een uitgestrekt gebied, zo zien we een lange reeks ‘wijze’ mannen, van het begin van de geschiedenis tot in onze tijd, het woord van wijsheid overbrengen aan hun rechtstreekse opvolgers. Doorgegeven van ziener aan ziener, vlamt het ‘woord’ op als een bliksemflits, en terwijl het de inwijder voor altijd uit het gezichtsveld van de mensen laat verdwijnen, brengt het de nieuwe ingewijde in zicht.
   – Isis, Eng. versie, 2:571

Die ‘lange reeks ‘wijze’ mannen’ wordt sinds het punt halverwege het derde wortelras op twee manieren ononderbroken gehouden: (a) de werkelijke reïncarnaties van adepten, en (b) de geboorte van de ingewijde uit de discipel. Op deze manier blaast de broederschap haar ledenbestand nieuw leven in door middel van de geboorte van hiërofanten, en de ‘tweede geboorte’ van rekruten vanuit de gelederen van de mysteriekamers (zie ET, blz. 615). Het ‘doorgeven van het woord’ was de laatste rite van de zonne-inwijding: zonder dit zou geen overdracht van occult gezag van inwijder aan discipel kunnen plaatshebben.

De lijn van esoterisch gezag en wijsheid gaat dus in volgorde van de ene naar de andere graad van chelaschap naar de adepten; van adepten naar hoge mahātma’s; van hoge mahātma’s naar boeddha’s; van boeddha’s naar dhyāni-boeddha’s; van dhyāni-boeddha’s naar de geestelijke gids en beschermer van de planeetketen aarde; van de planeetgeest van de aarde naar het hart van de zon. Waarlijk een lijn van stralende pracht die de meest bescheiden discipel van wijsheid verbindt met de zonnelogos.

 


Hoofdstuk 12

De mysteriescholen in deze tijd


De broederschap van de Groten laat de mensheid nooit in de steek. Eronder, erachter en erbinnen klopt eeuwig het hart van mededogen. Dat de mysteriescholen niet meer algemeen bekend zijn geeft geenszins aan dat de eeuwige steun van de meesters is ingetrokken. Mysteriecentra kunnen nu over de hele wereld worden aangetroffen, schrijft H.P. Blavatsky, want ‘het geheime genootschap leeft nog steeds en is even actief als altijd’ (Isis, Eng. versie, 2:100). De precieze plaats van deze scholen, die door hun beschermers uiterst zorgvuldig worden bewaakt, is niet te ontdekken, behalve door degenen die waardig zijn bevonden; maar een sluier van geheimhouding is niet hetzelfde als niet-bestaan.

Blijft het fysieke lichaam in leven en functioneert het als het hart ophoudt bloed te pompen door het vaatstelsel, als de organen vanuit het hart niet hun levensstroom ontvangen? Zo is het ook met het geestelijke lichaam van de aarde, waarvan Śambhala het mystieke hart is; vanuit de hartkamers daarvan vloeit het esoterische levensbloed van de broederschap naar organische centra. Ieder mysteriecentrum is een organisch brandpunt, ieder mens is een levende cel. Allen zijn trouw verschuldigd aan het centrale hart. Is het logisch te concluderen dat een hart vergeefs slaat? Is het redelijk te concluderen dat organen los van het hart functioneren? Zulke gevolgtrekkingen druisen in tegen de rede of de ervaring.

Deze esoterische levensstroom volgt daarom drie kanalen:

(1) Via de exoterische en esoterische mysteriën. De exoterische of kleine mysteriën zijn nu ‘voor een groot deel vervangen door de verschillende activiteiten van de theosofische beweging die zelf als beweging exoterisch is’ (AOF, blz. 672). Omdat het gewicht van de stof het bewustzijn van de wereld verblindt, zijn de esoterische of grote mysteriën tegenwoordig veel zorgvuldiger verborgen. Het is opmerkelijk dat juist op grond van de toegenomen behoefte aan licht en waarheid ‘de esoterische groepen van de mysteriescholen op het ogenblik misschien talrijker zijn dan ze gedurende duizenden jaren zijn geweest . . .’ (op.cit.).

Dit feit is van verstrekkend belang voor zoekers naar waarheid. Als de macht en kracht van de oude wijsheid eenmaal het bolwerk van het hart in bezit neemt, kan men niet alleen de verheffende geestelijke invloed ontvangen door het contact met de exoterische mysteriën, maar belangrijker nog, men plaatst zich werkelijk rechtstreeks onder de inspiratie vanuit de esoterische mysteriën, de zetels of vitale centra van de broederschap.

(2) Via vitale brandpunten in de nationale sfeer. In de circulatie van geestelijke invloeden hebben alle landen een magnetisch en op sympathie berustend contact met Śambhala. Ieder groot land heeft zijn esoterische centra:

Een klein land, zoals Nederland, zou het centrum kunnen zijn van een geheime mysterieschool, waarvan de vertakkingen en de invloed zich over half Europa uitstrekken . . . Elke afzonderlijke nationale eenheid op deze bol heeft inderdaad haar eigen geheime geestelijke beschermers, die als lichaam een echt esoterisch centrum vormen. We kunnen hen de occulte bewakers van een volk noemen. Engeland heeft ze, Duitsland en Rusland, ook Zwitserland, Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal, China, India, Japan, de Verenigde Staten, Mexico, Canada, Brazilië, enz., enz.
    – Op. cit.

Deze nationale occulte bewakers bemoeien zich niet met politieke zaken; hun werk is ‘zuiver geestelijk, moreel, intellectueel en volkomen weldadig en ook universeel, en is een stille gids voor de intuïtieve zielen van de verschillende rassen’ (op.cit., blz. 673).

(3) Het derde kanaal voor esoterisch werk is een van de boeiendste, maar het minst erkend: het levend houden, van eeuw tot eeuw, van de kennis voor het nageslacht.

Er bestaan werkelijk groepen die als enige taak hebben de vorming van occulte inwijdingscentra, het voorbereiden van leerlingen op esoterisch werk in de wereld, en het bewaren van kostbare schatten, de erfstukken van de mensheid, intellectuele zowel als materiële schatten.    – AOF, blz. 672-3

De generaties van zieners verspillen niets; de grote filosofische en religieuze stelsels zijn evenmin in de duisternis van langzaam verdwijnende eeuwen verloren gegaan. Alles wat van wezenlijke geestelijke waarde is, wordt in het geheime archief van de aardbol bewaard:

Er zijn, over de wereld verspreid, een handjevol nadenkende en in afzondering werkende onderzoekers die hun leven in onbekendheid doorbrengen, ver van het rumoer van de wereld, en de grote vraagstukken van het fysieke en het geestelijke heelal bestuderen. Ze hebben hun geheime verslagen waarin de resultaten worden bewaard van de scholastische inspanningen van de lange reeks kluizenaars van wie zij de opvolgers zijn. De kennis van hun verre voorouders, de wijzen van India, Babylonië, Ninevé en het keizerlijke Thebe; de legenden en overleveringen waarop de meesters van Solon, Pythagoras en Plato commentaar hebben gegeven in de marmeren zalen van Heliopolis en Saïs, overleveringen die in hun tijd al niet meer dan een zwak schijnsel leken van achter het nevelige gordijn van het verleden; – dit alles en nog veel meer is opgetekend op onverwoestbaar perkament en wordt uiterst zorgvuldig van adept aan adept doorgegeven.
   – Isis, Eng. versie, 1:557-8

Ooit zullen onderzoekers die het waard zijn de verloren sleutels terugvinden, en zal het ene na het andere mysterie worden opgelost; tempels zullen worden blootgelegd; geheimen uit de inwijdingskamers onthuld; de occulte geschiedenis van onze planeet en van de mensenrassen zal bekend worden. Wanneer? Op de vastgestelde tijd, een tijd die niet is bepaald door een gril of impuls, maar aanbreekt als het derde oog dat nu ‘heel zorgvuldig verborgen en ontoegankelijk’ is, weer opengaat in een esoterische geboorte.

Het hoofd van deze verborgen centra heeft volgens De Purucker zijn thuis in Śambhala, met vertakkingen in Syrië, Mexico, Egypte, de Verenigde Staten en Europa, elk ‘ondergeschikt aan de moedergroep van de occulte hiërarchie in Śambhala’ (AOF, blz. 673).

In De Mahatma Brieven staat een prachtige beschrijving door meester M van een geheime verblijfplaats waarin zijn broeder en vriend KH de stilte van verdere inwijding ingaat. De meesters zijn zelf, al staan ze veel hoger dan wij, nog mensen – verheven menselijk, maar toch mens – en moeten verdere beproevingen ondergaan; zulke inwijdingen zijn echter van een bovenaardse soort. Over de beproeving van zijn collega schrijft meester M:

Twee dagen later, toen het besluit tot zijn [KH’s] ‘retraite’ was genomen, vroeg hij mij bij zijn afscheid: ‘Wilt u toezicht houden over mijn werk, wilt u ervoor waken dat het niet te gronde gaat?’ Ik beloofde het. Wat zou ik hem op dat uur niet hebben beloofd! Op een zekere plek, die niet aan buitenstaanders mag worden bekendgemaakt, bevindt zich een kloof die door een brug van gevlochten grassen is overspannen, met daaronder een woeste bergstroom. Het dapperste lid van uw alpenclubs zou de overtocht nauwelijks durven wagen, want zij hangt daar als een spinnenweb en schijnt verrot en onbegaanbaar. Toch is zij dit niet; en hij die de proef durft te nemen en slaagt – wat het geval zal zijn als hij verdient te worden toegelaten – komt in een kloof van weergaloos natuurschoon in een van onze plaatsen en bij enkele van onze mensen, waarvan en van wie de Europese geografen geen kennis dragen of optekeningen bezitten. Op een steenworp afstand van het oude lamaklooster staat de oude toren, in het binnenste waarvan zich het wordingsproces voltrok van generaties van bodhisattva’s. Dat is de plaats waar nu uw levenloze vriend rust . . . – brief 29, blz. 241-2

Daar in het heiligdom voltrok zich ‘het wordingsproces van generaties van bodhisattva’s’ voor wie de verlichting van de mensheid een van de esoterische doelen is. Door alle pijn en verdriet van de wereld heen stroomt dit sterke netwerk van occulte vitaliteit in een onophoudelijk ritme door de onzichtbare slagaderen en aderen van het geestelijke lichaam van onze aarde. Zo ver gaat het mededogen van de broederschap, zo onvermoeibaar is haar arbeid, dat ze haar werk niet zal neerleggen voordat het hart van ieder mensenkind in ritmische harmonie klopt met dat van de grote broederschap.

 

Inhoudsopgave

 


De Mysteriescholen door de eeuwen heen, blz. 73-94

© 2001Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag