Hoofdstuk 10
Het sluiten van de mysteriescholen
Vijftien eeuwen geleden klonk voor de mysteriën in het westen de
doodsklok toen keizer Theodosius II het heidendom uit het Romeinse Rijk
verbande, dat in die tijd Thracië, Macedonië, Kreta, Syrië
en Egypte omvatte. De definitieve klap kwam minder dan een eeuw later
toen keizer Justinianus in 529 n.Chr. de laatste school in de filosofie
in Athene, de Academie die door Plato was gesticht, sloot. Naast de
onderdrukking van alles wat niet-christelijk was, was veel van wat eens
in de mysteriën als mooi en heilig werd beschouwd – het heilige
ritueel van de verbinding van de aspirerende ziel met het hogere zelf
– nu de meest ontaarde soort orgiën geworden.
In de geschiedenis van het occultisme kan, noch in het verleden noch
in het heden, ooit worden gezegd dat de mysteriën – in hun
reine en ongeschonden spirituele staat – tegemoetkomen aan iemands
persoonlijke en emotionele kant. De mysterietraining is juist zo streng
om de ziel te bevrijden van beperkingen, het hart te zuiveren en het
denken te beheersen; want bij inwijding is alleen geestelijke kracht,
slechts het kaliber van een diamant, opgewassen tegen de zware beproevingen.
Geboorte, groei, volwassenheid en ouderdom zijn de onvermijdelijke
processen van de natuur in al haar afdelingen. Een mysterieschool hoeft
evenmin een gedegenereerde ouderdom door te maken als dat de
jaren van aftakeling van de mens gekenmerkt hoeven te worden door ontaarding.
Maar de zaden van verval en eerzucht worden, evenals bij onszelf, maar
al te vaak op het hoogtepunt van materieel succes uitgestrooid. Ook
voor een werkelijk mysteriecentrum geldt dat de giftige zaden van innerlijk
verval wortel schieten en gaan groeien als de uitdaging van geestelijke
ontwikkeling niet met steeds grotere innerlijke ernst wordt aangegaan
dan in de proeftijd. Passiviteit maakt plaats voor achteruitgang en
de school raakt in verval. De geest van de broederschap trekt zich terug,
de schil van het ritueel resteert.
De werkelijke oorzaak van het sluiten van de mysteriescholen is dus
de innerlijke ontrouw van de bewakers van de tempel. Het licht
zou nooit doven als de hiërofanten trouw bleven aan de aloude beginselen
van de school, want de broederschap kijkt met arendsogen uit naar ieder
licht en wanneer de roep om waarheid en het verlangen ernaar groot zijn,
blijven de mysteriën zuiver en waarachtig.
Wanneer de mensheid of een deel ervan, of zelfs een
enkeling, spiritueel en intellectueel in zo sterke bewoordingen een
beroep doet, met zoveel geestkracht, als het ware met de diepste vezels
van het innerlijke leven, dan werkt ze in feite met het geestelijke
magnetisme van een leraar, en wordt de oproep altijd in de grote broederschap
gehoord, en in de wereld verschijnt een afgezant of boodschapper als
haar vertegenwoordiger. De mysteriën degenereerden altijd omdat
mensen hoe langer hoe meer gewikkeld raakten in zelfzucht en de egoïstische
gewoonten van de fysieke wereld, en het innerlijke contact, het innerlijke
gevoel van gemeenschap met de spirituele krachten die hierboven zijn
genoemd, verloren. – ET, blz. 603
In het occultisme bestaan twee wegen: het pad van de rechterhand van
witte magie en geestelijke vooruitgang; en het pad van de linkerhand
van zwarte magie en geestelijke terugval. Er bestaat geen derde pad
van stilstand of rust. Als men niet vooruitgaat, zal men achterblijven.
De stroom van evolutionaire vooruitgang is naar voren gericht, naar
het licht van de geest en de waarheid. Als men dit pad niet volgt, valt
men af; de karavaan trekt verder; wie zijn tijd verspilt blijft achter.
Hoe verder men vordert op het pad van esoterische training, hoe scherper
de scheidslijn tussen deze twee paden; maar, heel paradoxaal, juist
door de toegenomen ontwikkeling van de discipel en het fijnere gevoel
voor goed en kwaad, zijn de gepeilde diepten alsook de bereikte hoogten
groter. De middenweg van wijsheid is steeds moeilijker te vatten naarmate
in geestelijke zaken vooruitgang wordt geboekt. Het zijn niet de grove
valstrikken uit vroegere levens waar de leerling op bedacht moet zijn,
maar het subtiele en geraffineerde werk van Māra, de
‘verleider’, die met wrede en verraderlijke middelen de
ziel aanhoudend op de proef stelt.
Een oosters spreekwoord zegt dat de ‘[magie] van de rechter-
en van de linkerhand door slechts een ragfijne spinnendraad zijn gescheiden’
(BCW 14:106). Wie op het pad wil blijven moet zich met al zijn
kracht en moed aan de spinnendraad van wijsheid vastklampen.
Een van de doeltreffendste wapens van de duistere krachten is twijfel
– twijfel aan jezelf, twijfel aan je aspiratie en innerlijke kracht.
Het twijfelen is een natuurlijke reactie van het discipel zijn, maar
een heel gevaarlijke toestand zolang die duurt. Als er geen halt aan
wordt toegeroepen met het onbuigzame besluit om vol te houden –
ongeacht hoe vaak je valt of hoe ernstig de dwaling – dan krijgt
zelfbeklag de overhand en gaat de deur open voor een groter gevaar:
twijfel aan de leraar, twijfel aan de school, twijfel aan de broederschap.
Hier gedijt het noodlottige zaad van innerlijke verwarring dat, als
het niet uit het hart wordt verdreven, zal uitgroeien tot het onkruid
van trouweloosheid.
De beproevingen van een aspirant voor het chelaschap zijn vreselijk,
en zij die al te enthousiast zijn werden ernstig gewaarschuwd. Zoals
KH in 1881 aan A.P. Sinnett schreef:
degenen die zich inlaten met de occulte wetenschappen
. . . ‘moeten of het einddoel bereiken of te gronde gaan.
Is men eenmaal goeddeels op weg naar de grote Kennis, dan brengt twijfel
het risico mee van krankzinnigheid; plotselinge stilstand betekent
vallen; zich terugtrekken betekent achterover tuimelen regelrecht
in een afgrond.’ – MB, brief
8, blz. 35
Inwijding heeft drie mogelijke gevolgen: (a) succes; (b) mislukking
die de dood betekent; en (c) gedeeltelijke mislukking die gewoonlijk
neerkomt op krankzinnigheid (zie BEF, blz. 285). Daarom worden
toekomstige chela’s herhaaldelijk ervoor gewaarschuwd zich niet
overhaast in het occultisme te storten. Het is veel veiliger in de buitenhoven
van de tempel van wijsheid te blijven als serieuze en oprechte aspiranten
naar grotere kennis, als leerlingen die proberen de eeuwenoude regels
van het heiligdom in praktijk te brengen: loyaliteit, plichtsbetrachting
en onbaatzuchtige trouw aan de zaak van de mensheid. Als die gedurende
alle beproevingen en zielenpijn van het menselijk bestaan worden gekoesterd
en volgehouden, dan zal de tijd onvermijdelijk komen dat hulp kan worden
verwacht; en de aspirant zal weten dat hij is ‘aangenomen’.
Tot die tijd is het verstandiger een edel leven te leiden in de positie
die karma heeft beschikt.
Onverstandige ijver voor spirituele discipline is echter niet half
zo gevaarlijk als een persoonlijk verlangen naar occulte training louter
voor eigen voordeel. Door de overdreven manier waarop men zich op occulte
vermogens stortte, werd in de eerste eeuwen van onze jaartelling de
basis gelegd voor de degeneratie van de mysteriescholen. In de loop
van honderden jaren hadden de mysteriën geleidelijk hun heiligheid
verloren; er waren te veel mensen tot de voorbereidende graden toegelaten,
niet op grond van hun innerlijke ontwikkeling, maar uit wereldse motieven.
De riten werden plichtmatige ceremoniën en het besef van een innerlijke
waardigheid werd kleiner. Dogma, ritueel en priesterdom kwamen op, de
geest van waarheid en esoterie ging achteruit. De weinigen – het
waren er echt te weinig – die trouw waren gebleven aan hun heilige
gelofte, ontvluchtten de omgeving van de mysteriën die in de latere
Romeinse tijd zo in verval waren geraakt dat ze degenen die in hun hart
slechts naar werkelijke esoterische kennis zochten feitelijk uit hun
vertrekken verdreven.
Het licht werd teruggetrokken, maar de broederschap is in haar werk
zo meedogend dat de waarheden levend zijn gehouden in symbolen en steen,
in zinnebeeld en in mythen. Zoals H.P. Blavatsky over Egypte schrijft:
Haar heilige schrijvers en hiërofanten gingen
zwerven over het oppervlak van de aarde. Zij die in Egypte waren gebleven
zagen zich uit vrees voor ontwijding van de heilige mysteriën
genoodzaakt hun toevlucht te nemen tot woestijnen en bergen, om geheime
genootschappen en broederschappen te vormen en te vestigen –
zoals de Essenen; zij die de oceanen waren overgestoken naar India
en zelfs naar (wat nu) de Nieuwe Wereld (heet), verbonden zich door
een plechtige eed om te zwijgen en hun heilige kennis en wetenschap
geheim te houden; die werden dus dieper dan ooit uit het zicht van
de mensen begraven. In Centraal-Azië en de noordelijke grensgebieden
van India ruimde het triomferende zwaard van de leerling van Aristoteles
langs zijn veroveringsweg elk spoor van een eens zuivere religie op;
en de adepten daarvan weken steeds verder van die weg terug naar de
meest verborgen plekken van de aardbol. –
BCW 14:294
Zo wordt periodiek het werk van de broeders van de schaduw verricht,
de vernietiging van de buitenposten van de mysteriën;
maar de kern en het hart ervan, de broederschap van het licht, blijft
ongeschonden. Nooit zal de hand van de duisternis greep kunnen krijgen
op het hart van de esoterie, dat tegenwoordig even krachtig klopt als
zo’n 18 miljoen jaar geleden, en het zal met onverminderde kracht
blijven kloppen tot de dood van ons zonnestelsel – en ook daarna.
Het licht van de waarheid is het licht van de geestelijke zon van ons
heelal. Zolang zijn stralen omlaag schijnen op de wereld van aarde,
zolang zullen de stralen van de geest het hart van de mensen verwarmen.
In de inspirerende woorden van meester KH aan A.O. Hume:
Wees niet bang; . . . onze kennis zal niet uit het
gezicht van de mensheid verdwijnen. Zij is het ‘geschenk van
de goden’ en het kostbaarste overblijfsel van alles. De hoeders
van het heilige licht hebben niet zoveel eeuwen veilig overbrugd om
op de rotsen van het moderne scepticisme schipbreuk te lijden. Onze
loodsen zijn te ervaren zeelieden dan dat we zo’n ramp zouden
hoeven te vrezen. We zullen steeds vrijwilligers vinden om de vermoeide
schildwachten te vervangen, en de wereld, hoe slecht ze in haar huidige
overgangsperiode ook is, kan ons nu en dan toch nog enkele mensen
verschaffen. – MB, brief 28, blz.
236-7
Hoofdstuk 11
De lijn van occulte opvolging
De Grieken waren bedreven in het gebruik van gedachtebeelden om diepe
esoterische waarheden over te dragen, en vaak ontleenden ze voorbeelden
aan een vorm van sport; of ze lazen dan in de oefeningen van het stadion
een innerlijke betekenis. Een van de bekendste voorbeelden hiervan was
hun uitbeelding van de mystieke lijn van opvolging van de grote leraren
door de wedloop van fakkeldragers.
In de fakkelloop rende de fakkeldrager van de ene
streep naar de volgende. Bij het bereiken van het einde van zijn traject
overhandigde hij de brandende fakkel die hij droeg aan degene die
daar wachtte; deze nam onmiddellijk de wedren over en overhandigde
de toorts aan degene die op hem wachtte. Veel Griekse en Latijnse
schrijvers zagen deze sportbeoefening in de arena of het stadion als
een symbool van het doorgeven van het licht van de ene eeuw naar de
volgende, en als verwijzing naar de geestelijke fakkeldragers die
de toorts van waarheid heel de eindeloze tijd door van hand tot hand
doorgeven. – ET, blz. 615-6
Dit doorgeven van het licht van de waarheid ‘heel de eindloze
tijd door’ is het onderwerp geweest van veel mysterieparabels.
De Grieken spraken ook over de geestelijke opvolging als de Gouden Keten
van Hermes, die zich volgens hen tot ver in de gebieden van de Olympus
uitstrekte naar ‘Vader Zeus en omlaag via een reeks of lijn van
geestelijke wezens en vervolgens via bepaalde uitverkoren en hoogstaande
mensen naar de gewone mens’ (ET, blz. 615).
De Purucker beschreef deze mystieke opvolging als de guruparamparā.
Dit is een samengesteld Sanskrietwoord dat letterlijk betekent ‘leraar
daarna daarna’. De term betekent een reeks leraren die zich uitstrekt
tot voorbij het onbekende, via het verleden en het heden naar de verre
toekomst, van wie het verheven doel altijd hetzelfde is: het werk van
vergeestelijking.
Elk van de oude mysteriescholen in ieder land van
de aardbol en in elk tijdvak had een opvolging van leraren die waren
getraind en door hun training bevoegd waren om op hun beurt onderricht
te geven; en zolang deze overdracht van het licht van de waarheid
in een land een werkelijkheid was, was het in elk opzicht een echt
geestelijke instelling. – ET, blz.
616
Een opmerkelijk voorbeeld van deze overdracht van gezag uit de oudheid
is de opvolging van ‘levende boeddha’s’ van Tibet,
die ‘een werkelijkheid is, maar van een nogal bijzondere soort,
en ze is in geen geval wat westerse onderzoekers ten onrechte denken
of vaak hebben begrepen dat ze is’ (ET, blz. 616).
In de Eleusinische mysteriën in Griekenland waren bovendien
de hiërofanten afkomstig uit een familie, de
Eumolpidae, die in Athene woonden, en de toortsdragers kwamen uit
een andere, eveneens in Athene wonende familie, de Lycomidae; we hebben
reden om te geloven dat de mysteriën van Samothrace, de zetel
van een oude ritus, die evenals de mysteriën van Eleusis een
staatsinstelling waren, op dezelfde manier werden geleid door voortzetting
van de traditie die heilig werd geacht en niet aan buitenstaanders
werd medegedeeld. De band tussen de ingewijden van deze zogenoemde
mysteriën werd als onverbrekelijk beschouwd en de ontbinding
ervan werd voor onmogelijk gehouden, omdat de dood de band tussen
hen alleen maar versterkte. – BEF,
blz. 280-1
In Perzië en ook in Egypte zien we dat die lijn van opvolging
in een andere vorm verschijnt. Daar waren bijvoorbeeld de dertien of
meer Zarathoestra’s; hun esoterische bijdrage aan de geschiedenis
van Perzië was de inspiratiebron van die eens machtige beschaving.
Over het aantal Zarathoestra’s, die van tijd
tot tijd zijn verschenen, bestaat verwarring, zolang we menen, en
ten onrechte, dat deze Zarathoestra’s wederbelichamingen zijn
van één enkel ego, in plaats van verschillende ego’s
die de ‘Zarathoestrageest’ belichamen, zoals we die uit
de occulte aantekeningen begrijpen. De waarheid is dat in de leer
en de terminologie van Zarathoestra, elk wortelras en onderras en
elk subras van het laatste, hun eigen Zarathoestra of Zarathoestra’s
hebben. De term Zarathoestra betekent in die leer praktisch hetzelfde
als de term boeddha in het boeddhisme, of avatāra in het brahmanisme.
Er waren dus grote Zarathoestra’s en lagere Zarathoestra’s
– waarbij het beperkende adjectief afhangt van het werk dat
door elke Zarathoestra werd gedaan en van zijn werkterrein. We kunnen
daarom zeggen dat er vanuit één standpunt dertien Zarathoestra’s
zijn, of vanuit een ander standpunt veertien; of we kunnen, evenals
de manu’s in het brahmanisme, of als de boeddha’s in het
boeddhisme, elk van deze met zeven vermenigvuldigen, of zelfs met
veertien als we rekening houden met elke kleine rasaftakking die door
zijn Zarathoestrageest wordt geleid. – AOF,
blz. 671
In Egypte onderscheidt zich Hermes Trismegistus (‘Hermes, in
drie opzichten de grootste’) op de lange Hermes-lijn; zijn geschriften
en leringen waren gebaseerd op de oude mysterieleer. In Griekenland
treffen we ook de orfische mysteriën aan; uit de lokalen voor esoterisch
onderricht daarvan kwamen veel mensen voort die de naam Orpheus droegen.
Wat bracht deze leerlingen ertoe de naam van hun leraar aan te nemen?
Waarom ondertekenden zij hun werk met de naam Orpheus, Hermes of Zarathoestra,
of gaven ze mondeling onderricht onder die naam? Was het een soort geestelijk
plagiaat, of was het meer uit dankbaarheid en een gevoel van verplichting
tegenover de leraar die hun alles had
gegeven, die de vlam van esoterisch vuur in hun hart had ontstoken?
Ongetwijfeld was het dit laatste, want welke boodschap van inspiratie
en licht ze ook hadden, ze beschouwden die niet als van henzelf, maar
‘van hem die mij uitzond’ – ‘Zoals wij het hebben
ontvangen, zo zullen we het doorgeven.’ Deze gewoonte geeft de
latere geschiedschrijvers veel zorgen, want die worstelen altijd om
de dingen van een juist etiket te voorzien; maar we kunnen niet anders
dan waardering hebben voor die oude discipelen om hun innerlijke trouw
die elke gedachte aan persoonlijke belangrijkheid uitbant.
De relatie tussen discipel en leraar is een uiterst heilige en gewijde
band van geestelijke vertrouwdheid. De dankbaarheid die opwelt in de
discipel is evenredig aan zijn zielenadel: wie kleingeestig is voelt
alleen wrevel wanneer de warmte van begeleiding en bescherming wordt
aangeboden; maar in iemand die edelmoedig is brandt het vuur van liefhebbende
en onuitblusbare dankbaarheid. De schakels in deze Gouden Keten van
Hermes worden door dankbaarheid verbonden. Zoals iedere schakel aan
zijn broederschakel is gekoppeld, het ene hart aan het andere, de leraar
aan de leerling, de leerling aan de leraar – iedere leraar een
leerling van degene boven hem, iedere leerling een leraar voor degene
onder hem – zo zijn allen verbonden door onverbrekelijke schakels
van liefde, trouw en dankbaarheid tegenover de leraar, de broederschap,
de esoterische wijsheid.
Zoals in vroegere tijden vuursignalen, die beurtelings
op de ene na de andere berg werden ontstoken, informatie overbrachten
over een uitgestrekt gebied, zo zien we een lange reeks ‘wijze’
mannen, van het begin van de geschiedenis tot in onze tijd, het woord
van wijsheid overbrengen aan hun rechtstreekse opvolgers. Doorgegeven
van ziener aan ziener, vlamt het ‘woord’ op als een bliksemflits,
en terwijl het de inwijder voor altijd uit het gezichtsveld van de
mensen laat verdwijnen, brengt het de nieuwe ingewijde in zicht.
– Isis, Eng. versie, 2:571
Die ‘lange reeks ‘wijze’ mannen’ wordt sinds
het punt halverwege het derde wortelras op twee manieren ononderbroken
gehouden: (a) de werkelijke reïncarnaties van adepten, en (b) de
geboorte van de ingewijde uit de discipel. Op deze manier blaast de
broederschap haar ledenbestand nieuw leven in door middel van de geboorte
van hiërofanten, en de ‘tweede geboorte’ van rekruten
vanuit de gelederen van de mysteriekamers (zie ET, blz. 615).
Het ‘doorgeven van het woord’ was de laatste rite van de
zonne-inwijding: zonder dit zou geen overdracht van occult gezag van
inwijder aan discipel kunnen plaatshebben.
De lijn van esoterisch gezag en wijsheid gaat dus in volgorde van de
ene naar de andere graad van chelaschap naar de adepten; van adepten
naar hoge mahātma’s; van hoge mahātma’s naar
boeddha’s; van boeddha’s naar dhyāni-boeddha’s;
van dhyāni-boeddha’s naar de geestelijke gids en beschermer
van de planeetketen aarde; van de planeetgeest van de aarde naar het
hart van de zon. Waarlijk een lijn van stralende pracht die de meest
bescheiden discipel van wijsheid verbindt met de zonnelogos.
Hoofdstuk 12
De mysteriescholen in deze tijd
De broederschap van de Groten laat de mensheid nooit in de steek. Eronder,
erachter en erbinnen klopt eeuwig het hart van mededogen. Dat de mysteriescholen
niet meer algemeen bekend zijn geeft geenszins aan dat de eeuwige steun
van de meesters is ingetrokken. Mysteriecentra kunnen nu over de hele
wereld worden aangetroffen, schrijft H.P. Blavatsky, want ‘het
geheime genootschap leeft nog steeds en is even actief als altijd’
(Isis, Eng. versie, 2:100). De precieze plaats van deze scholen,
die door hun beschermers uiterst zorgvuldig worden bewaakt, is niet
te ontdekken, behalve door degenen die waardig zijn bevonden; maar een
sluier van geheimhouding is niet hetzelfde als niet-bestaan.
Blijft het fysieke lichaam in leven en functioneert het als het hart
ophoudt bloed te pompen door het vaatstelsel, als de organen vanuit
het hart niet hun levensstroom ontvangen? Zo is het ook met het geestelijke
lichaam van de aarde, waarvan Śambhala het mystieke hart is; vanuit
de hartkamers daarvan vloeit het esoterische levensbloed van de broederschap
naar organische centra. Ieder mysteriecentrum is een organisch brandpunt,
ieder mens is een levende cel. Allen zijn trouw verschuldigd aan het
centrale hart. Is het logisch te concluderen dat een hart vergeefs slaat?
Is het redelijk te concluderen dat organen los van het hart functioneren?
Zulke gevolgtrekkingen druisen in tegen de rede of de ervaring.
Deze esoterische levensstroom volgt daarom drie kanalen:
(1) Via de exoterische en esoterische mysteriën. De exoterische
of kleine mysteriën zijn nu ‘voor een groot deel vervangen
door de verschillende activiteiten van de theosofische beweging die
zelf als beweging exoterisch is’ (AOF, blz. 672). Omdat
het gewicht van de stof het bewustzijn van de wereld verblindt, zijn
de esoterische of grote mysteriën tegenwoordig veel zorgvuldiger
verborgen. Het is opmerkelijk dat juist op grond van de toegenomen behoefte
aan licht en waarheid ‘de esoterische groepen van de mysteriescholen
op het ogenblik misschien talrijker zijn dan ze gedurende duizenden
jaren zijn geweest . . .’ (op.cit.).
Dit feit is van verstrekkend belang voor zoekers naar waarheid. Als
de macht en kracht van de oude wijsheid eenmaal het bolwerk van het
hart in bezit neemt, kan men niet alleen de verheffende geestelijke
invloed ontvangen door het contact met de exoterische mysteriën,
maar belangrijker nog, men plaatst zich werkelijk rechtstreeks onder
de inspiratie vanuit de esoterische mysteriën, de zetels of vitale
centra van de broederschap.
(2) Via vitale brandpunten in de nationale sfeer. In de circulatie
van geestelijke invloeden hebben alle landen een magnetisch en op sympathie
berustend contact met Śambhala. Ieder groot land heeft zijn esoterische
centra:
Een klein land, zoals Nederland, zou het centrum kunnen zijn van een
geheime mysterieschool, waarvan de vertakkingen en de invloed zich over
half Europa uitstrekken . . . Elke afzonderlijke nationale eenheid op
deze bol heeft inderdaad haar eigen geheime geestelijke beschermers,
die als lichaam een echt esoterisch centrum vormen. We kunnen hen de
occulte bewakers van een volk noemen. Engeland heeft ze, Duitsland en
Rusland, ook Zwitserland, Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal,
China, India, Japan, de Verenigde Staten, Mexico, Canada, Brazilië,
enz., enz.
– Op. cit.
Deze nationale occulte bewakers bemoeien zich niet met politieke zaken;
hun werk is ‘zuiver geestelijk, moreel, intellectueel en volkomen
weldadig en ook universeel, en is een stille gids voor de intuïtieve
zielen van de verschillende rassen’ (op.cit., blz. 673).
(3) Het derde kanaal voor esoterisch werk is een van de boeiendste,
maar het minst erkend: het levend houden, van eeuw tot eeuw, van de
kennis voor het nageslacht.
Er bestaan werkelijk groepen die als enige taak hebben
de vorming van occulte inwijdingscentra, het voorbereiden van leerlingen
op esoterisch werk in de wereld, en het bewaren van kostbare schatten,
de erfstukken van de mensheid, intellectuele zowel als materiële
schatten. – AOF, blz. 672-3
De generaties van zieners verspillen niets; de grote filosofische en
religieuze stelsels zijn evenmin in de duisternis van langzaam verdwijnende
eeuwen verloren gegaan. Alles wat van wezenlijke geestelijke waarde
is, wordt in het geheime archief van de aardbol bewaard:
Er zijn, over de wereld verspreid, een handjevol
nadenkende en in afzondering werkende onderzoekers die hun leven in
onbekendheid doorbrengen, ver van het rumoer van de wereld, en de
grote vraagstukken van het fysieke en het geestelijke heelal bestuderen.
Ze hebben hun geheime verslagen waarin de resultaten worden bewaard
van de scholastische inspanningen van de lange reeks kluizenaars van
wie zij de opvolgers zijn. De kennis van hun verre voorouders, de
wijzen van India, Babylonië, Ninevé en het keizerlijke
Thebe; de legenden en overleveringen waarop de meesters van Solon,
Pythagoras en Plato commentaar hebben gegeven in de marmeren zalen
van Heliopolis en Saïs, overleveringen die in hun tijd al niet
meer dan een zwak schijnsel leken van achter het nevelige gordijn
van het verleden; – dit alles en nog veel meer is opgetekend
op onverwoestbaar perkament en wordt uiterst zorgvuldig van adept
aan adept doorgegeven.
– Isis, Eng. versie, 1:557-8
Ooit zullen onderzoekers die het waard zijn de verloren sleutels terugvinden,
en zal het ene na het andere mysterie worden opgelost; tempels zullen
worden blootgelegd; geheimen uit de inwijdingskamers onthuld; de occulte
geschiedenis van onze planeet en van de mensenrassen zal bekend worden.
Wanneer? Op de vastgestelde tijd, een tijd die niet is bepaald door
een gril of impuls, maar aanbreekt als het derde oog dat nu ‘heel
zorgvuldig verborgen en ontoegankelijk’ is, weer opengaat in een
esoterische geboorte.
Het hoofd van deze verborgen centra heeft volgens De Purucker zijn
thuis in Śambhala, met vertakkingen in Syrië, Mexico, Egypte,
de Verenigde Staten en Europa, elk ‘ondergeschikt aan de moedergroep
van de occulte hiërarchie in Śambhala’ (AOF,
blz. 673).
In De Mahatma Brieven
staat een prachtige beschrijving door meester M van een geheime verblijfplaats
waarin zijn broeder en vriend KH de stilte van verdere inwijding ingaat.
De meesters zijn zelf, al staan ze veel hoger dan wij, nog mensen –
verheven menselijk, maar toch mens – en moeten verdere beproevingen
ondergaan; zulke inwijdingen zijn echter van een bovenaardse soort.
Over de beproeving van zijn collega schrijft meester M:
Twee dagen later, toen het besluit tot zijn [KH’s]
‘retraite’ was genomen, vroeg hij mij bij zijn afscheid:
‘Wilt u toezicht houden over mijn werk, wilt u ervoor waken
dat het niet te gronde gaat?’ Ik beloofde het. Wat zou ik hem
op dat uur niet hebben beloofd! Op een zekere plek, die niet aan buitenstaanders
mag worden bekendgemaakt, bevindt zich een kloof die door een brug
van gevlochten grassen is overspannen, met daaronder een woeste bergstroom.
Het dapperste lid van uw alpenclubs zou de overtocht nauwelijks durven
wagen, want zij hangt daar als een spinnenweb en schijnt
verrot en onbegaanbaar. Toch is zij dit niet; en hij die de proef
durft te nemen en slaagt – wat het geval zal zijn als hij verdient
te worden toegelaten – komt in een kloof van weergaloos natuurschoon
in een van onze plaatsen en bij enkele van onze
mensen, waarvan en van wie de Europese geografen geen kennis dragen
of optekeningen bezitten. Op een steenworp afstand van het oude lamaklooster
staat de oude toren, in het binnenste waarvan zich het wordingsproces
voltrok van generaties van bodhisattva’s. Dat is de plaats waar
nu uw levenloze vriend rust . . . – brief 29, blz. 241-2
Daar in het heiligdom voltrok zich ‘het wordingsproces van generaties
van bodhisattva’s’ voor wie de verlichting van de mensheid
een van de esoterische doelen is. Door alle pijn en verdriet van de
wereld heen stroomt dit sterke netwerk van occulte vitaliteit in een
onophoudelijk ritme door de onzichtbare slagaderen en aderen van het
geestelijke lichaam van onze aarde. Zo ver gaat het mededogen van de
broederschap, zo onvermoeibaar is haar arbeid, dat ze haar werk niet
zal neerleggen voordat het hart van ieder mensenkind in ritmische harmonie
klopt met dat van de grote broederschap.